Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 43


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 43. E.J. Brill, Leiden 1924  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 40]

C.A. Boomgaert, een vriend van Coornhert en Spieghel.

1. ‘Aen C.A. Bogerd, Die Plutarchus van de Gherustheyd des ghemoeds overgeset heeft’ luidt in Wetsteins uitgave (1694) p. 110 het opschrift van een gedicht van Spieghel, dat, hoewel door deze uitgave algemeen toegankelijk geworden, toch, naar het schijnt, zelden behandeld of aangehaald is. Men zou, vermoed ik, behalve Kalff Gesch. der Ned. Lett. III p. 492 (zie ben. p. 41) weinig plaatsen kunnen aanvoeren, waar van dit gedicht melding wordt gemaakt. Terwijl het karakter van huldigingsgedicht uit opschrift en inhoud spreekt, heerscht, te oordeelen naar het ontbreken van een toelichting in de uitgaven van Spieghel1), een onbekendheid met den persoon van den gevierde en diens hier bedoelde vertaling. In het kader van mijn onderzoek omtrent de ‘Nederlandsche Vertalingen der Moralia van Plutarchus’ (in Het Boek, V. 1916, p. 1-10, 85-95, 229-240, 359 vg.) paste ook een behandeling van de kwesties, welke met de door Spieghel gehuldigde vertaling van de tranquillitate animi samenhangen (ald. p. 4 vgg.). Het daar begonnen onderzoek zet ik thans voort, doch ter wille van den lezer neem ik de hoofdzaken daarvan in dit opstel over. Aan mijne bespreking laat ik den text zelf van Spieghels gedicht voorafgaan, met het opschrift, waarvan Spieghel zelf het voorzien heeft (beide volgens de ben. p. 42 vgg. besproken textbron).

H.L. Spieghel aen sijnen Vrundt K.A. Bogerd.
 
De ongeleerde eeuw des ouden werelts slecht,
 
Was sonder boecken wijs, en sonder wet oprecht:
 
Maer dees gheleerde tijdt doet slecht en recht verdwijnen,
 
Teelt wetten by de mijl, en boeken by dozijnen.
[p. 41]
 
Ick leeraart eer hy leert, die leest weet 't altijdt best.
 
So ootmoed wijsheyt teelt, baart weetsucht dese pest:
 
Die niet te helen is door 't oud' eenvoudigh wesen.
 
Geleertheyds-sucht moet door geleertheyt zijn ghenesen.
 
Geleertheyd recht-geleert die brenght ons weer op 't oud.
 
Die maackt dat elck sijn kund en sijn verstandt wantrout.
 
Zulck ware wijsheyds not wint men maar door besoeken.
 
Doch vint men ooc behulp uyt wel-versochte boeken,
 
Gewikt door langer hand, gemunstert, en geschuymt.
 
Der sulcker isser by Plutarchus groote ruymt.
 
Dien bogerd, Bogerd neemt ghy t'rechter tijd in handen
 
Nu tot vooroeffeningh der weetsieke verstanden,
 
Om die tot sellefkund te brengen, eer sy twist.
 
In goods-woord vaten an: Die elck te vroeg vertist.
 
De boeck-oogst onser eeuw, weeght bij hem niet een sleter.
 
Daer wert niet nieus gedicht, of d' oude en wistent beter.
 
Deught verheught.

De verklaring van eenige mij duistere plaatsen, die ik aan de vriendelijkheid van dr. A. Zijderveld dank, acht ik uitteraard voor de deskundige lezers van dit tijdschrift overbodig. Slechts merk ik op, dat het mij voorkomt, dat Kalff t.a.p., wanneer hij schrijft ‘hij (Spieghel) stelde ze (de moderne auteurs) lager dan de antieken; waarschijnlijk dacht hij als zijn vriend Bogerd die Plutarchus van de Gherustheyd des ghemoeds had vertaald’ - Kalff citeert naar Vlaming -:

 
‘De boekoogst onser eeuw weeght by hem niet een sleter;
 
Daar werd niet nieuws ghedicht, of d' ouden wisten 't beter,’

de woorden by hem verstaat als ‘naar Bogerds oordeel’; de heer Zijderveld merkt mij op, dat zij beteekenen: ‘vergeleken met Plutarchus’, wiens inderdaad zeer omvangrijk oeuvre een dergelijke uitspraak van Spieghel, die men natuurlijk cum grano salis moet opvatten, verklaarbaar maakt.

 

2. Hoewel voor de dateering van de in dit gedicht geprezen vertaling Spieghels sterfjaar den terminus ante quem oplevert, is een dergelijke vertaling van de hand van C. (of K.) A. Bogerd, gedateerd vóór 1612, nergens aangetroffen of geciteerd.

[p. 42]

Maar, gelijk ik t.a.p. p. 4 vgg. reeds opmerkte, wordt zij zonder twijfel bewaard in een druk van 1644, van welks bestaan een in de eerste helft der 19de eeuw in de Leidsche Bibliotheek beland exemplaar het eerste levensteeken gaf. De Vreese, die het boekje wegens een ander deel van den inhoud in dit Tijdschr. XIX, 1901, p. 286 op grond van den Leidschen Catalogus I (van 1887) p. 599 vermeld had, had het voor een oorspronkelijken druk gehouden, waartoe de aan den oorspr. druk wellicht vreemde woorden ‘nu cortelijck overgeset’ op het titelblad (zie ben.) gemaklijk aanleiding konden geven. Later zijn nog, ten gevolge van mijne bespreking van het Leidsche exemplaar, een tweetal andere exemplaren, echter met een ander titelblad, aan het licht gekomen (zie Het Boek t.a.p.p. 360), zoodat wij thans kennen:

1. Plutarchus: Van de rust des Ghemoedts Ende van 't nut datmen uyt sijne Vyanden mach hebben. In 't Nederlandtsch nu cortelyck overgeset door C.A.B. Volgen noch Catoos Koppel-dichten Liedts-gewijse. Boekdrukkersvignet. Tot Dordrecht, voor Marten de Bot, Boeck-verkooper, woonende teghen over de Vriese-straet in de nieuwe Kerck-Bybel: 1644. 12o VI p. + 78 p. Aan het slot p. 77: Ter Govde, By Matthijs Perfect, Boeck-drucker op de Gouwe in 't Swaert 1644. (Leiden U.B. 1201 H 28). - Afbeelding van het titelblad in Het Boek, V. 1916 p. 5. ‘Cortelyck’ is misschien een vergissing; in de voorrede staat ‘kostelijck’; t.a.p. p. 6.

2. Zelfde titel, doch ander vignet, dan: t' Amstelredam, By Ian Fredericksz Stam in de Hope, Anno 1644. - Verder is het gelijk aan no. 1. In het bezit van dr. A. Beets te Leiden.

3. Een ander ex. gelijk aan no. 2, vroeger eveneens in het bezit van dr. Beets, is thans, een geschenk van dezen, in mijn bezit. Het is gebonden achter een niet zeldzame uitg. van Coornherts vertaling van Seneca's de beneficiis, eveneens te Amsterdam, bij Stam in 1644 verschenen. Ook de omlijsting en het vignet der titelbladen van beide boekjes zijn dezelfde.

Van deze beide types is het Amsterdamsche (no. 2 en 3)

[p. 43]

het oorspronkelijke. Dit bewijst de overeěnkomst van het vignet (een guirlande) tusschen het einde van den text op p. 77 en den colophon aan den voet van deze pagina, in alle drie ex. voorkomend, met het vignet, dat in het Amsterdamsche ex. ook het titelblad versiert; in het Dordtsche ex. treft men op het titelblad het den boekverkooper Marten de Bot eigen drukkersmerk aan: een bot in een ovaal met de spreuk ne contra fluminis ictum.

Er bestaat wel is waar nog een vierde exemplaar, thans in het bezit van dr. J. Grietens te Antwerpen, waarop dr. A. Geerebaert te Brussel mijn aandacht vestigde en waaromtrent dr. Grietens zelf mij de verlangde inlichtingen gaf. Het wijkt van de boven beschreven druk eenigszins af (72 pag. groot). Maar helaas, het ex. is defect. Het begint eerst met het 2de vel op p. 17, welker beginwoorden in onze uitgave reeds op p. 14 reg. 5 te vinden zijn. Had de drukker ons nu maar niet aan het slot iedere inlichting omtrent tijd en plaats van den druk onthouden! Of wij dus in dit ex. een overblijfsel van den oorspronkelijken druk of van een nadruk hebben te zien, is niet uit te maken.

Dat nu C.A.B.'s vertaling van Plutarchus' de tranquillitate animi, welke volledig in den druk van 1644 bewaard is, inderdaad de door Spieghel geprezen vertaling van C.A. Bogerd is, wordt, zou het oog eenige bevestiging behoeven, bewezen door de omstandigheid, dat Spieghels gedicht in dezen druk op pag. A 3 zelf aan de vertaling voorafgaat. Hierdoor staat het onomstootelijk vast, dat men hier met een huldigingsgedicht te doen heeft, dat, naar den trant der tijden, in het boek zelf, welks schrijver gehuldigd werd, was opgenomen. Men mag zelfs verklaren, dat de druk van 1644 of de oorspronkelijke niet nader te dateeren uitgave de vindplaats was, waaraan Wetstein het gedicht later heeft ontleend, toen hij het een ietwat minder verscholen plaats schonk in zijn volledige uitgave van Spieghels werken. Toch heeft hij daarbij een vrijmoedigheid en een vluchtigheid bedreven, doordat hij

[p. 44]

eenerzijds den titel van het gedicht veranderde, die in de redactie van den druk van 1644 alleen ‘H.L. Spieghel aen sijnen Vrundt K.A. Bogerd’ luidde, en anderzijds bij die wijziging alleen lette op de vertaling, die in het boekje de eerste plaats inneemt; bovendien schreef hij den titel gemakshalve af van het titelblad: ‘van de rust des ghemoedts’, zonder boven den aanvang van den text het nauwkeuriger opschrift ‘van de gerustheydt des ghemoedts’ op te merken. Van het andere geschrift van Plutarchus, de capienda ex inimicis utilitate, dat C.A. B(ogerd) in de tweede plaats vertaald had, repte hij in zijn apocriefen titel in het geheel niet, hoewel Spieghel toch, zou men zeggen, meer dan ééne vertaling, bij zijne zinspeling op des vertalers naam, op het oog gehad had:

 
Der sulcker isser by Plutarchus groote ruymt.
 
Dien bogerd, Bogerd neemt ghy t'rechter tijd in handen enz.

3. De uitgave van 1644, Wetsteins bron voor Spieghels gedicht op Bogerd, onthult ons nu ook diens werkelijken naam: C.A. Boomgaert. Zoo onderteekent hij de voorrede; met nog een andere variant noemt hij zich in het opschrift daarvan: ‘Bogaert aan sijnen vrundt I.V. Stapelen’. De door Kalff t.a.p. genoemde Bogerd en de aldaar p. 450 vermelde Boomgaert (zie ben. p. 45) zijn identiek. Omtrent dezen Boomgaert, al moge aangaande hem in geen onzer bio- en bibliographische woordenboeken een artikel voorkomen, kan toch wel iets naders vastgesteld worden, en wel dit, dat hij niet alleen een vriend was van Spieghel, maar ook van Coornhert. Deze laat hem - naast Spieghel en drie anderen - optreden in de reeks gesprekken getiteld ‘opperste goedts nasporinghe’: het 5de gesprek (Coornh. Werken I, fol. 349) wordt over het onderwerp ‘of liefde des menschen hooghste goedt zy’ gehouden tusschen Coornhert en Cornelis Boomgaert Adriaensz. Het tractaat ‘van 't Overheydts Ampt, Nasporinghe oft een Christen mach bedienen’ draagt het onderschrift ‘Bogaert, uwer oversten, Anno 89. in November’

[p. 45]

(I fol. 384). Een drietal brieven in Coornherts Brievenboeck (Amst. 1626 = Werken III, fol. 90 vgg.) zijn gericht1): ‘Aen Cornelis Adriaensz Boomgaert’ (5de br. p. 7), ‘Anno 1578 Aen Corn. A. Boomgaert tot Delft’ (23ste br. p. 54), ‘Aen Cornelis A. Boomgaert en Adriana van Santen’ (32ste br. p. 74)2). Uit den aanhef van den 23sten brief blijkt, dat Boomgaert in 1578 een jong man was: ‘U briefken heb ick vriendtlycke C. Boomgaert ontfangen, ende soo geerne gesien, dat u jonckheyt sich met het beste deel bekommert, als ick seker weet, dat der zielen boven des lichaems goeden waerdichste zijn’.3) In Delft, en wel ten huize van Boomgaert, wilde Coornhert zich in (Dec.) 1587 vestigen, ‘doch de burgemeesters, waarschijnlijk onder den invloed der Kalvinistische predikanten, ontzeggen hem het verblijf in die stad’ (Kalff, t.a.p., p. 450). Men zou voorshands geneigd zijn den oorsprong van deze mededeeling, die Kalff naar alle waarschijnlijkheid aan het boek van Moorrees over Coornhert p. 1184) ontleende, bij Boomgaert, en wel in zijn - beneden p. 47 te noemen - levensbeschrijving van Coornhert, te zoeken. Doch Boomgaert gewaagt er bescheidenlijk niet van. Men vindt het bericht echter bij Coornhert zelf, en wel in de desbetreffende ‘Naem-scherm D.V. Coornherts tegen de ondaedt tot Delft aen hem betoont den III. Octobris 1588’ (Werken, vol. III fol. 294 recto, kol. 2): ‘.... nam ic in Decembri laetstleden voor my, om my selve wt die moeyten te ontstellen, ende een jaer lang my in stilheyt te onthouden tot Delft, by mynen vrient C.A.

[p. 46]

Boomgaert: die my in de voorderingen van myn voorgenomen were voorsz ooc grootelic soude mogen helpen’; en bovendien in zijn in dit stuk opgenomen vertoog en verzoek tot Burgemeesteren van Delft, dat aldus aanvangt: ‘Vertoont met eerbiedinghe Dirck Volckertsz Coornhert Poorter tot Haerlem, hem door Cornelis Adriaensz Boomgaert, bij wien hij voor een tijt dacht te komen tot Delft, geschreven te zijn.’

Van Mr. L.G.N. Bouricius, Archivaris der gemeente Delft, mocht ik nu de volgende inlichtingen over den persoon van Boomgaert ontvangen, die hij zoo vriendelijk was mij te verstrekken op grond eener genealogie, die men aldaar ten archieve bezit: ‘Cornelis Adriaensz. Boogaert is geboren 1 Juli 1558 als zoon van Adriaen Boogaert, ritmeester onder Karel V, die als gereformeerde naar Engeland vluchtte, en Maria Frederiksdr. Mogge (een Zeeuwsch geslacht). Zijn geslacht is afkomstig uit het Vrije van Brugge, hij werd te Zierikzee opgevoed bij de vrienden van zijn moeder; 16 jaar oud is hij op reis gegaan, studeerde in Frankrijk, Duitschland en Genève. Hij vestigde zich te Delft, waar hij in 1578 Adriana Dirksdr. van Santen, een patricische bierbrouwersdochter, huwde. Hij was een der eerste bewindhebbers der O.I. Comp. aldaar en een der Meesterregenten van de Kamer van Charitate (1597-1617). Alhoewel hij dus zelf niet in de regeering heeft gezeten, behoort hij dus tot hun kring. Hij woonde in 1600 in een huis op het Oude Delft tusschen Bagijnhof en Schoolstraat, met zes haardsteden en twee eesten, een groot huis dus. Zijn vrouw overleed ± 11 en is begraven 15 Januari 1597 in de Oude Kerk. Hij hertrouwde 27 Jan. 1598 met Maria Bazius (behoorende tot den zelfden vriendenkring als haar man en Coornhert), overl. ± 1 en begr. 6 Juni 1605 in de Oude Kerk. Daarna huwde hij te Zierikzee in Sept. 1606 (attestatie in Delft afgegeven 17 Sept.) met Susanna Willemsdr. Pous, die hem overleefde. Hij stierf 19 en werd in de Oude Kerk begraven 23 Nov. 1626. De genealogie vermeldt ook, dat hij zeer geverseerd was in alle talen en kerkelijke historiën, schriften en kerkvaders. Hij gaf in 1618 uit “Aen-

[p. 47]

dachtighe Gebeden ende Meditatien....” (het ben. p. 52 vg. vermelde boekje).’1)

In deze in Delft aanwezige genealogische aanteekeningen worden de Plutarchus- en Catovertalingen niet vermeld, evenmin het feit, dat Boomgaert ook de uitgever is geweest van Coornherts verzamelde werken, vermoedelijk omdat hij zich hier Boomgaert en niet Boogaert teekent. Van de uitgave van Coornherts werken verscheen in 1612 het Ie en voorloopig eenige deel, welks voorrede de onderteekening C. Boomgaert draagt2); ook de hierin voorkomende levensbeschrijving van Coornhert is zonder twijfel van Boomgaerts hand, althans de Amsterdamsche boekdrukker Colom schrijft, toen hij in 1630 het Ie door Boomgaert bezorgde deel herdrukte en de beide andere deelen er aan toevoegde, in zijn voorrede, verwijzend naar een plaats in de levensbeschrijving ‘gelijk Corn. Adr. Boomgaert tuygt’ (deel II p. *3 recto). De herinnering aan den nauwen band, waardoor Coornhert en Boomgaert verbonden waren geweest, leefde zeker nog voort, toen de Amsterdamsche uitgever J.F. Stam3) Coornherts Seneca Van de Weldaden en C.A.B.'s Plutarchus Van de rust des Ghemoedts enz. in hetzelfde jaar 1644 in gelijkvormige uitgaven liet herdrukken, gelijk zij bovendien in mijn exemplaar in één 17de-eeuwsch bandje vereenigd zijn.

 

4. Zoo treedt de man, dien Spieghel - in het oorspronkelijk opschrift van het lofgedicht - zijn vriend noemde, binnen den vriendenkring van Coornhert, en valt op zijn werk, dat men tot dusver voor midden-zeventiende-eeuwsche moest houden, een ander licht. Boomgaerts vertalingen zijn te kenmerken als humanistenvertalingen. En zijn neiging tot Plutar-

[p. 48]

chus' ethische geschriften, tot welker volledige vertaling hij anderen hoopte op te wekken (voorrede, p. A 2 verso)1), verklaart zich gereedelijk uit zijn betrekking tot Coornhert en de zijnen, bij wie een voorliefde heerschte voor de Stoa in het algemeen en Seneca in het bijzonder. Had deze een verhandeling geschreven de tranquillitate animi, waarvan een kenner den neerslag in Coornherts geschriften zeker zal kunnen aanwijzen, vgl. Zedekunst V. 13 ‘van de ghelyckmoedighheit’, en waaraan het kleine geschrift ‘Proeve van de goede ruste des gemoedts’ van 25 Juni 1587 herinnert2), het tractaat van Plutarchus, dat in de Latijnsche vertaalliteratuur een niet geheel terecht3) gelijkluidenden titel draagt, lag in de lijn hunner belangstelling. Ook de andere verhandeling de capienda ex inimicis utilitate raakt Coornherts werk, vgl. Zedekunst, IV. 14: van de veede of vyantschappe, IV. 13: van de vrientschappe, en zijn vertaling van Cicero's Laelius de amicitia.

Over de Plutarchusvertalingen van Boomgaert heeft zich van lieverlede het stof der vergetelheid verbreid. Het laatste vleugje van hun bestaan is waar te nemen in ‘Verscheide Zedige Werken van Plutarchus’ (Amst. 1661) van Glazemaker4), die wel zijn vertalingen naar de beroemde Fransche van Amyot bewerkstelligde, maar bij de vertaling van de tranquillitate animi de vroegere vertaling van Boomgaert moderniseerde en naar Amyot hier en daar wijzigde5).

Ook Boomgaert zelf heeft slechts vertalingen uit de tweede hand geleverd. Ook door hem was Amyot reeds ten grondslag gelegd, maar hij had tegelijk partij getrokken van Budaeus' de tranquillitate et securitate animi en Erasmus' quo pacto

[p. 49]

quis efficiat ut ex inimicis capiat utilitatem uit de verzameling van Latijnsche interpretes der Moralia, die H. Stephanus in 1572 had uitgegeven1).

 

5. Konden wij den oorsprong van Boomgaerts Plutarchusvertalingen vinden in de christelijk-stoicijnsche levensbeschouwing van Coornhert en de zijnen, wij zijn ook in staat Boomgaerts werkzaamheid als vertaler naar den anderen kant door te trekken. Zijn bemoeienis met Plutarchus heeft hem er toe gebracht zich op de vertaling van nog een ethisch geschrift toe te leggen: van den Cato2), die hij tegelijk met de beide Plutarchea, bij wijze van aanhangsel, publiceerde. ‘Catoos Zede-vorms Koppel-dichten verduytscht Liets-ghewyse’ luidt de eigenlijke titel (= Catonis disticha de moribus of moralia), terwijl het titelblad ook hier weer een vereenvoudiging van het opschrift vertoont. De disticha zijn vertaald in vierregelige strophen, die, en dit is het eigenaardige en unieke van deze vertaling, naar eenige aangegeven wijzen gezongen konden worden. Heeft men hier invloed van Coornherts of Spieghels Liedtboeck te zien? Merkwaardig is in ieder geval, dat de in de derde en laatste plaats aangegeven ‘stemme’, ‘Het was een klercxken &c’ (nl. dat gingh ter scholen)3), een in de 16de eeuw zeer verbreid lied was (Fl. van Duyse, Het oudnederl. lied III, p. 890, no 245, Elisabeth Mincoff-Marriage, Souterliedekens, een Nederlandsch Psalmboek van 1540, 1922, p. 87, no 38), naar welks melodie (psalm 1) niet alleen Spieghel een gedicht vervaardigd heeft (Wenschlied, p. 218 in de ed. 1694), gelijk Fl. van Duyse p. 892 vermeldt, maar ook Coornhert (I, fol. 50, no XLII, Liefd' en begheerte zijn

[p. 50]

onderscheiden), ja zelfs worden met betrekking tot hetzelfde onderwerp in de Zedekunst I. 6 eenige regels er uit aangehaald: ‘Dit (nl. dat liefde en min niet hetzelfde is) vindt men in de oude Neerlantsche boecken doorgaans ende wel uitdruckelyc in 't oude liedeken van 't Klercxken ter schole te weten

 
Dat heete Min wel magh verkouwen,
 
Maar reine Liefde magh nyet vergaen.’

Zoo wijst ook de Catovertaling in de richting van Coornhert.

Gelijk ik reeds elders opmerkte1), draagt zij ook uiterlijk, door een eigenaardigheid in de volgorde der strophen, het karakter eener 16de-eeuwsche bewerking. Wellicht ook door den titel. Sinds de invloedrijke 2de editie van Scaliger (Parijs, 1605)2), die ook de bewuste wijziging in de rangorde - te recht - heeft ingeburgerd, voeren onze Nederlandsche 17de-eeuwsche Cato-edities den apocriefen titel Dionysii Catonis disticha de moribus ad filium3), een titel, welke Boomgaert nog niet schijnt gekend te hebben. Daarnaast staat echter de zonderlinge omstandigheid, dat Boomgaert in de vertaling zelf des dichters toespraak tot zijn zoon in de prozaïsche voorrede (nunc te, fili carissime, docebo etc.), welke in andere vertalingen, b.v. de Middelnederlandsche, herhaaldelijk in de vertaling der eigenlijke disticha wordt overgebracht, heeft weggedoezeld. Hij wendt zich tot ‘jongh Louwerieren’; hier volgen de strophen der voorrede, tevens ter kenschetsing van Boomgaerts vertaling:

 
Als ick aanmercke openbaerlijck
 
Der menschen wegh en zeden quaed,
 
Daar in sy meest al dolen swaerlijck
 
So spoord' ick om na hulp en raet.
 
 
 
Na hulp en raad om die te geven
 
's Volcks wanen blind onwysselijck,
[p. 51]
 
Op dat sy souden mogen leven
 
Vroom, eerlyck en recht prijselijck,
 
 
 
Nu wil u jongh Louwerieren
 
Kort onderwijsen recht bescheyd,
 
U zeden na des deughds bestieren
 
Wel schicken tot u saligheyd.
 
 
 
Derhalven leest dees heylsaem wetten
 
Met aendacht om recht te verstaen:
 
Want lesen sonder wel op letten,
 
Is moeyten te vergheefs ghedaen.1)

De laatste twee regels (legere enim et non intellegere neglegere est) vindt men als spreekwoord weer bij Coornhert terug, Zedekunst III, 6:

 
Lesen sonder verstaan
 
Is vergheefs werck gedaan.

Een voorganger van Boomgaert als vertaler van ethische geschriften was de Antwerpenaar Marcus Antonius Gillis geweest; maar, terwijl deze door de toevallige omstandigheid, dat hem als corrector een Catoboekje in handen gekomen was, opgewekt was geworden tot het vertalen, uit het Latijn, eerst van Grieksche ethische geschriften, Isocrates' Demonicea, het Enchiridion van Epictetus en de Tabula Cebetis2), en daarna nog van neolatijnsche, de Emblemata van Sambucus en die van Hadrianus Junius3) (1562-1567), heeft Coornherts en Spieghels vriend innerlijke belangstelling voor de Stoa en

[p. 52]

Seneca gedreven eerst tot Plutarchus, en zóó tot Cato. Van beide auteurs was Boomgaert de eerste Noord-nederlandsche vertaler.

 

6. Twee en twintig jaar na Coornherts dood, in 1612, heeft Boomgaert voor den Amsterdamschen boekhandelaar Colom de uitgave bezorgd van Coornherts werken, waarvan toen slechts één deel verschenen is. De herdruk hiervan, in 1630, waarbij Boomgaerts leven van Coornhert was omgewerkt, en de toevoeging der beide andere deelen, vallen na zijn overlijden. Maar zou de veronderstelling gewaagd zijn, dat het in 1626, Boomgaerts sterfjaar, eveneens bij Colom verschenen ‘Brieven-boeck, inhoudende hondert Brieven van D.V. Coornhart, Eerste deel’, later overgenomen in Werken III p. 90 vgg., eveneens door de werkzaamheid van Boomgaert is tot stand gekomen?1) De afwezigheid van een voorrede, of zelfs maar van een enkel voorwoord, het ontbreken van een tweede deel, zouden er op kunnen wijzen, dat de verzamelaar tijdens den druk overleden is2). Daarbij komt, dat de uitgave van het Brievenboek ongetwijfeld gedacht is als een navolging van Seneca's Epistulae ad Lucilium; evenals in Lipsius' uitgave (1605 en volgende jaren) daarvan, zijn ook in het Brievenboek boven iederen brief korte inhoudsopgaven omtrent de zedelijke strekking er van geplaatst.

Maar met zekerheid kunnen wij nog één geschrift van Boomgaerts hand aanwijzen. In 1618 gaf hij een godsdienstig boekje uit - hier schreef hij zijn naam Cornelis Boogaert, en de voorrede onderteekende hij Cornelis Boogaert Adriaensz. -, waarop, gelijk ik boven reeds vermeldde, de Delftsche Archivaris, mr. Bouricius, zoo vriendelijk was mijn aandacht te vestigen (ex. o.a. ter Amst. U.B.), getiteld: ‘Aendachtige gebeden ende Meditatien over den LIen Psalm

[p. 53]

Davids. Overdacht ende vergadert uyt de H. Schrifture ende Godsalighe Leeraers Door Cornelis Boogaert .... Ghedruct ter Goude, By Jasper Tournay. Anno 1618’ (in 12o, 179 p.). Boo(m)gaert heeft dit boekje opgedragen aan ‘Schoutet, Burghemeesteren, Schepenen ende Vroedtschappen der Stadt Delft’ - blijkbaar de reden, waarom in Delft aan dit werk van hem de herinnering is blijven voortleven - en aan het slot van zijn breedvoerige opdracht (p. 12) eenige gegevens omtrent zijn persoon en een zinspeling op, of liever een citaat uit, zijn vroeger werk ingelascht. De passage volge hier: ‘Als ick nu bedacht wien ick dit cleyn bede-boecxken soude moghen toe-eyghenen, so heb ick het selve V.E. mijne discrete Heeren eerbiedelijck wel willen toeschrijven, ende aen u E. recommanderen tot een teecken van danckbaerheydt ende erkentenisse (die mijnen wandel ende leven bekent is) alsoo ick over de veertigh jaren onder u E. loflijcke regeringe hebbe huys ghehouden in vrede, veylichlijck mijn geloove ende Conscientie beleeft, ende daerenboven my occasie ende gheleghentheyt hebben gegeven tot Godtsalige oeffeninge tot mijner verbeteringhe, met de bedieninge vanden Armen twintigh jaren aen een in u E. Huys vande Charitate. Welcken dienst my niet en heeft verdroten (Gen. 29. 20) door lust ende liefde die alle arbeydt licht maeckt, ende hebbe bevonden waerachtigh te wesen Salomons segghen (Eccl. 7. 3), dat het beter is in het claegh als in het lagh-huys te verkeeren: ende ghestadigh niet op sijn meerder, maer minder ende ellendigher te sien, also ic daer door verweckt zy geworden, om meer een danckbaer mensch ende een rijck ontfarmer, als clager van mijnen eigen staet te wesen, so Cato wel seydt.’ Is het niet merkwaardig, dat in dit devote boekje naast den Bijbel de Cato geciteerd wordt? En dan hoe. Men zou niet licht bevroeden, dat hier dist. IV. 33 bedoeld wordt, dat luidt in den toentertijd alleen bekenden vulgaattext1):

[p. 54]
 
Cum tibi displiceat rerum fortuna tuarum,
 
Alterius specta, quo sit discrimine peior;

immers alleen de woorden ‘een danckbaer mensch’ bewaren een zweem van den zin van het origineel. Doch Boo(m)gaert citeert zijn eigen vertaling en wel voornamelijk zijn zelfstandige uitwerking van het distichon, dat bij hem slechts de eerste helft der strophe vult (126ste koppeldicht):

 
Zydy niet ryck, siet op u armer,
 
Hoe veel ghy hem te boven gaat,
 
So werdy eer een ryck ontfarmer,
 
Dan klager van u eygen staat.

Meer dan iets kan dit zelfcitaat allen mogelijken twijfel opheffen omtrent de identiteit van den Boogaert der Meditatiën en den Boomgaert van de Plutarchus- en Catovertalingen, gelijk anderzijds boven de identiteit aangetoond is van dezen zelfden Boomgaert, den vriend en correspondent van Coornhert en tevens uitgever van diens Werken, met den Bogerd, die de hulde van Spieghel oogstte wegens zijn vertalingen uit Plutarchus.

 

Amsterdam.

m. boas.