Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 47


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 47. E.J. Brill, Leiden 1928  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 26]

Een eigenaardig gebruik van het ww. komen.

In 't Mnl. Wdb. III 1723 zijn een paar plaatsen vermeld waar 't mnl. comen de bet. van het koppelww. worden heeft: ‘(Si) ontboden hem ..., dat hare sone ridder quame, ende ware dalrebeste lichame, daer si nie wandelden mede’, Limb. IV, 640; ‘Onlancs daerna quam die mare van den molres openbare’ (werd algemeen bekend; men zal, zegt Verdam, wel niet comen, als voortkomen, en openbare als bijw. hebben op te vatten), Velth. VI, 5, 41. In 'tzelfde werk kol. 1718 wordt met verwijzing naar 't glossarium op den Seghelijn opgemerkt dat mnl. werden soms voor ‘komen’ wordt aangetroffen, en dat komen ‘in het Mnd. de bet. (heeft) aangenomen van worden bij het passieve ww.’ (dus als hulpww. van het lijdend geslacht), met een verwijzing naar 't Mnd. Wtb. van Schiller en Lübben (2, 522). Heel gewoon is dat gebruik echter ook niet: op de bedoelde plaats bij Schiller u. Lübben vinden we maar één voorbeeld, uit den Reinke vs. 1065: ‘he quam gevangen’. Hier mogen we, dunkt me, komen met evenveel recht voor een koppelww. als voor een hulpww. van het passivum houden, en met 't oog op 't gebruik in andere talen en op de beteekenisontwikkeling dat er zelfs met méér recht in zien. Het Mnl. Wdb. verwijst ons ook naar 'tzelfde gebruik in 't huidige Westvlaamsch, en bij De Bo, die komen met ‘worden, bedijgen, fr. devenir, lat. fieri’ weergeeft, vinden we dan ook o.a. deze voorbeelden: ‘Hij zal er nog zot van komen. Hij kwam rood tot bachten zijne ooren ... Hij is ziek gekommen van verdriet. De lucht komt helder. Het weder zal goed kommen’1). Maar ook elders in Z.-Nederland

[p. 27]

komt het voor: we vinden bijv. in 't Antw. Idioticon van Cornelissen en Vervliet i.v.: ‘Het vlas zal nog goe' komen, as 'et wa' règent’, in 't Waasch Idioticon van Joos i.v.: ‘Als ge die verf laat drogen, zal ze wel helder kommen’, en Schuermans zegt (Alg. Vlaamsch Idioticon i.v.) dat komen ‘hier en daar in VI.’ wordt gebruikt voor worden en geeft zelfs een voorbeeld met een znw.: ‘ik zal wel eens pastor komen’.

Doch ook in N.-Nederland is komen in den zin van ‘worden’ in gebruik. Hierop is bij mijn weten nog nooit uitdrukkelijk de aandacht gevestigd: alleen heeft Verdenius in 't Tijdschr. XLIV 260 naar eenige 17de-eeuwsche plaatsen verwezen waar komen ‘tot een koppelwerkwoord nadert’, zonder verder op de beteekenis en den oorsprong van deze beteekenis in te gaan.

Algemeen bekend zijn klaar komen, gereed komen; vrij komen, los komen, op vrije voeten komen, van gevangenen gezegd1). Daarbij is zich, naar ik meen eerst in de laatste twintig jaar, de uitdrukking dat komt wel goed komen voegen, in den zin van: dat wordt wel goed, dat komt wel in orde, bijv. gebezigd als antwoord wanneer iemand zegt: ‘ik heb nog een schuld aan je’; soms schertsend uitgebreid tot: dat komt wel goed met de huur (wat dan ook wel gezegd wordt zonder dat er van eigenlijk betalen sprake is). Met die toevoeging behoort die zegsw. natuurlijk tot de zeer gemeenzame taal; maar zonder deze gebruikt men ze ook wel in anderen, zij 't dan ook niet in verheven stijl: Boudier-Bakker, Het Spiegeltje 1, 103: ‘Gek, net toen alles zoo vreeselijk naar leek, was het ineens allemaal goed gekomen’; Robbers, St. Elmsvuur 2, 154: ‘Alles zou wel goed komen, maar afwachten was het eenige voorloopig’. Zoo zijn er meer verbindingen, die echter misschien minder algemeen in gebruik zijn: bij A.M. de Jong, Het Verraad 160 leest men: ‘Hij ... kwam niet uitgepraat over Oons Lievrouwke’; bij denzelfde, Flierefluiters Oponthoud 40,

[p. 28]

in nabootsing van Brabantsch dialekt: ‘Een keneelstek, die nooit opgezoge komt’; van een paar schoenen hoorde ik eens zeggen: ‘Ze komen toch schoon’, een andermaal hoorde ik uitdrukkingen als: ‘de wasch komt vóór den avond droog’, ‘die pudding komt wel stijf’, ‘de wasch komt vandaag niet meer gepakt’ (d.i.: komt niet meer voor verzending klaar). Heel gewoon is, althans in Z.-Holl. wakker komen, in 't bizonder van kleine kinderen gezegd1). Een klein beteekenisverschil is er soms, voor mijn gevoel, tusschen komen en worden nog wel: worden geeft eenvoudig het overgaan tot een toestand te kennen, komen het bereiken van een gewilden, opzettelijk bedoelden toestand, zoodat ‘de schoenen komen toch schoon’ alstware het passief is van ‘we krijgen ze toch schoon’, ‘de wasch komt vandaag niet meer gepakt’ van ‘we krijgen hem vandaag niet meer gepakt’. - Gelijk men ziet, zijn de meeste van die verbindingen ‘colloquial’.

Niet door ‘worden’ maar door ‘geworden zijn’ is komen weer te geven in vraagzinnen als: ‘Hoe komt hij zoo vroolijk, - zoo treurig, - zoo dwaas?’ en derg.; ‘Hoe kwamen ze zoo stom?’, Robbers, St. Elmsvuur 2, 148; ‘Hoe komt-ie nou zoo in-eens’, 2, 153. Deze constructie is minstens drie eeuwen oud: in Huygens' Hofwijck vs. 524 lezen we: ‘Hoe komt de mensch soo wijs of liever, hoe soo geck?’

 

Vragen we naar den oorsprong van het genoemde gebruik van komen, dan zullen we dien in onze eigen taal moeten zoeken, in 't midden latende - wat a priori zeker niet onwaarschijnlijk is - of een dergelijke beteekenisontwikkeling in andere talen2) op dezelfde wijze moet worden verklaard:

[p. 29]

het over 't algemeen tot de gemeenzame spraak beperkte gebruik van ons ww., dat bovendien niet woordelijk met dat van andere talen overeenkomt, is natuurlijk niet onder vreemden invloed ontstaan1). Nu kunnen we ons dien oorsprong, geloof ik, op verschillende manieren voorstellen.

Vooreerst dan merken we op, dat in het Middel- en Nieuwnederlandsch komen in verschillende toepassingen voorkomt, waarin de oorspronkelijke beteekenis van ‘arriveeren, zijn doel bereiken’, hetzij eigenlijk hetzij figuurlijk genomen, nog wel duidelijk te herkennen valt, maar toch verbleekt, zoodat 't niet veel meer is dan ‘ontstaan’, of liever, in verband met de oorspronkelijke perfectieve kracht van komen: ‘zich vertoonen, zich voordoen, tot stand komen, het aanzijn krijgen’. Aan Van Swaay's art. over de perfectiva simplicia in het Nederlandsch (in 't Tijdschr. XXVIII 1 volgg.) ontleen ik een paar voorbeelden: Natuurk. 1724 ‘door den wasem, die hanget daer, daer of wolken ende mist comet’ (dus precies als wij nog zeggen: dat komt van ...), 1516 ‘dit comt al bi der sonnen cracht’, Rijmb. 1342 ‘tlange leven van wilen ere, het quam om hare groote doogt’; nndl. ‘dat komt doordat ...’, ‘hoe komt 't dat ...?’, ‘daar kan niets van komen’ = daar kan niets van gebeuren, ‘dat komt wel’ = dat gebeurt wel, dat doet zich op den duur wel voor.

In deze verbleekte beteekenis nu kan komen, evenals in zijn oorspronkelijke plaatselijke, zeer goed met een praedicatief attribuut verbonden worden. Zoo vindt men 't herhaaldelijk in de 17de eeuw, op verschillende van de door Verdenius in

[p. 30]

't Tijdschr. XXVIII 260 aangehaalde of aangewezen plaatsen1). Bijv. Sp. Brab. vs. 315 vlgg.:

 
K.
 
Seljer wel ingaan durven?
 
F.
 
Wel souw icker niet in-gaan durven? dat is oock wat; wel dat komt schoon
 
Ick gae 's nachts wel met de Graefmaker in een kuyl van twintich doon.

Hier beteekenen de gecursiveerde woorden: ‘dat doet zich mooi voor, dat ziet er aardig uit!’ (niet: ‘dat wordt mooi’). Evenzoo: ‘Wel dat komt seecker aerdich’, Moortje vs. 3302; ‘Dat komt warachtich aardich’, Coster, Werken blz. 463; zie nog l.a.w. blz. 514 (‘schoon’); Van Moerkerken, Kluchtsp. blz. 351 (‘braaf’); blz. 443 (‘soet’); blz. 450 (‘braaf’)2). - Hetzelfde geval hebben we nu nog bijv. in: ‘Zijn bezoek, zijn vriendelijkheid, kwam niet erg gelegen’, d.w.z.: vertoonde zich niet erg gelegen, was niet erg van pas (niet: werd niet erg van pas; vgl. het oude ‘gelegen zijn’, Cats 1, 189 b, Huygens, Korenbl. 1, 427).

Van dit gebruik van komen tot 't gebruik als koppelww. in den zin van ‘worden’ is de overgang niet groot. Het op blz. 26 genoemde ‘dat hare sone ridder quame’ uit den Limb. is dan eigenlijk: dat haar zoon zich als ridder vertoonde, ‘het komt wel goed’ eigenlijk: het vertoont zich wel goed, doet zich wel goed voor, en vandaar krijgen we: dat haar zoon ridder werd, het wordt wel goed. - Vooral wegens 't straks genoemde schoon krijgen naast schoon komen, en derg., waarin schoon praed. attribuut bij 't object van krijgen is, lijkt mij deze ontwikkelingsgang aannemelijk.

Maar ook langs een anderen weg kunnen we ons de ont-

[p. 31]

wikkeling voorstellen. Wij hebben een aantal verbindingen waarin komen zijn eigenlijke plaatselijke bet. heeft, maar die in hun geheel figuurlijk worden gebruikt. Komen is dan verbonden met praeposities die eigenlijk eveneens een plaatselijke betrekking uitdrukken. Ik bedoel o.a. in orde komen, te recht komen, ten goede komen1), voor elkaar komen, mnl. te goede, te scaden, te voren comen, te baten comen, in de Cron. v. Vlaend. 1, 205 op handen comen. Ten deele vindt men daarnaast verbindingen met zijn: in orde zijn, terecht zijn, ophanden zijn. Hoe licht kon van zulke uitdrukkingen invloed uitgaan om de andere, hier bedoelde, waarin komen hulpww. is, in 't leven te roepen. Men kan al dadelijk uit de evenredigheid het is in orde: het komt in orde = het is goed: x komen tot het komt goed. Ofwel men kan zich de zaak zoo voorstellen, dat in orde en terecht zoozeer synoniem met goed zijn geworden, dat men van het komt in orde, het komt terecht ook kwam tot: het komt goed. - Vooral ligt 't voor de hand, invloed van een gelijkbeteekenende verbinding aan te nemen bij gereed komen en vrij komen, op vrije voeten komen, t.w. invloed van in gereedheiđ komen en in vrijheid komen. En dat men, gereed komen, vrij komen zeggende, ook is gaan spreken van klaar komen, los komen, is waarlijk geen wonder2).

Ten slotte uitdrukkingen als hoe komt hij zoo vroolijk? hoe kwam hij zoo nat? Ik zei reeds, dat komen hier niet ‘worden’ maar ‘geworden zijn’ beteekent. Ook hiervoor kan men bovenstaande verklaring laten gelden: hoe komt hij zoo vroolijk? is dan ‘hoe vertoont hij zich vroolijk? hoe zien we hem zoo vroolijk?’ Maar nog een andere verklaring is mogelijk. De bedoelde zegswijzen kunnen kortere, beknoptere, wijzen van

[p. 32]

uitdrukking1) zijn in plaats van hoe komt het dat hij zoo vroolijk is? en derg., waarin komen de boven besproken beteekenis van ‘zich vertoonen, zich voordoen’ heeft2); immers het beteekent eigenlijk: hoe doet het feit zich voor, dat hij zoo vroolijk is? m.a.w.: waaraan is het toe te schrijven -, wat is de oorzaak er van dat hij zoo vroolijk is?

 

Leiden.

j. heinsius.