Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 48


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 48. E.J. Brill, Leiden 1929  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

Kleine mededeeling.

148. Verhaert.

Van 't verbum verharen ‘ruw of zeer worden, van de huid’, door Verdam, Mndl. Wdb. 8, 1789 vermeld aan 't eind van 't artikel verhaerden, komt 't partic. verhaert voor in Sust. v. Diepenv. (uitg. Brinkerink), 333: Ende den susterken weren die hande wat verhaert dattet niet wal wat doen en conde (verderop: ende hoer ock die hande seer weren). De uitgever en Verdam (8, 1805) leiden het af van verharden en vertalen het met ‘vereelt’, maar daargelaten dat ‘hard’ niet behoort tot de woorden die in Deventer en omstreken een gerekte vokaal hebben - wie heeft er ooit gehoord dat iemand met vereelte handen niet werken kan, en dat die pijn doen? Ten onrechte ontbreekt dus 't lemma verhaert ‘springend, gebarsten, gekloofd, ruw, pijnlik’ in 't Mndl. Wdb. In de Sassiese gewesten en in Zuid-Nederland (zie behalve de bij Verdam 8, 1789 aangehaalde plaatsen ook K. ter Laan's Nw. Gron. Wdb. op verhoard enz.) is 't vb. verharen, en vooral 't partic., nog algemeen bekend. De bijvorm verhaarden bij Schuerm. is verdacht, hoewel mogelik.

 

Leiden.

j.h. kern.