Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 49


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 49. E.J. Brill, Leiden 1930  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 127]

Rederijkersspelen in de bibliotheek van het Leidsche gemeente-archief.

De straks volgende klucht komt voor in een handschrift met rederijkersspelen van verschillende, niet altijd vermelde1), N.- en Z.-Nederlandsche kamers2), berustend ter bibliotheek van het Leidsche Gemeente-archief (no 7693). Over de herkomst van dezen bundel, die, naar uit de daarin genoemde jaartallen 1600, 1615 en 1618 blijkt, van het begin der 17de eeuw dagteekent, zijn geen rechtstreeksche gegevens bewaard, doch, volgens mededeeling van Mr. Dr. J.C. Overvoorde, neemt men aan, dat hij afkomstig is van den bekenden Pieter Cornelisz. van der Morsch (1544-16293)), stadsbode en rederijker, lid van De Witte Acoleyen te Leiden.

Het handschrift bevat:

1o. Een stichtelijck Spel van Sinnen, daer in speelswijse verthoont wort de volstandicheyt dijn een Christen behoort te thoonen, om de Croone der salicheyt te verwerven (fol. 3; 1234 r.).

Personages: Wanhopich gepeijs } twee sinnekens.
  Twijffel der genaden } twee sinnekens.
  Christelijcke ruijter
  Troostelijcke hope, een vrouwe, cyerlyck gecleet.
  Schriftuerlijck ingeven, een man als een leeraer.

[p. 128]

  Quaet des drucx, een man vreesselijck gecleet.
  Scherpe wraecke, een man met bloedige armen.
  Eijgen betrouwen } oock sinnewijs gecleet.
  Ydel glorieren } oock sinnewijs gecleet.
  De wet, de oogen geblint.
  Patijentye, een vrouwe.
  Goedertijerenheijt, een vrouwe, in blynckende cleederen.

Wanh. gepeijs en Twijffel verbinden zich met Quaet des drucx om Christ. ruijter te bestrijden, die door Schrift. ingeven, Troostel. hope en Patijentye wordt getroost en bemoedigd. Bij de tegenstanders voegen zich de Wet, ‘hebbende de banijer der gerechticheyt inde hant’ en Scherpe Wraeck. Door hen allen bestookt, valt de ruiter in onmacht, doch Hope ‘heft hem oppe’. Dan treden als nieuwe vijanden op Ydel glorieren en Eijgen betrouwen ‘schyetende met een pijl genaemt Eijgen opijnye’, terwrjl ‘Wanhope’ en Twijffel schieten met Inborstige nijt en Tijrannije. Ten slotte ontfermt Goedertijerenheijt zich over Christ. ruijter: ‘Hijer leijdense hem int huys van vrede, daer speeltmen op alderleij instrumenten, na de pausa comen de sinnekens uijt ende sluijten tspel’.

Dit stuk, Z.-Nederlandsch van taal, is afkomstig van 't Bremblomken te Ghele1).

2o. Een Spel teghen de Verachters van Rethorycke (fol. 42; 959r.).

Personages: Sgeests verblijdijnge, een vrouwe cijerlijck gecleet.
  Vrolyck wesen, een man ruijterlijck gecleet.
  Menich quaet herte } sinnekens.
  Onwetende voortstel } sinnekens.
  Sinlijcke begeerte, een jongelijnck int wit gecleet.
  Der sinnen berader, een man statich gecleet.
  Wijse beleijdinge } als twee nimphen ofte godinnen gecleet.
  Goetgrondige taele } als twee nimphen ofte godinnen gecleet.

[p. 129]

Na een ‘prologe a en b’ op het thema: ‘retorycke is een dochter vanden heyligen geeste’1), gaan Sgeests verblijd. en Vrolyck wesen voort met Rhetorica te prijzen, terwijl Menich quaet herte en Onwetende voortstel aan de muziek de voorkeur geven. Sinl. begeerte vraagt nu raad in deze moeilijkheid aan Der sinnen berader, die eveneens Rhetorica prijst en zegt, dat Wijse beleijd. en Goetgr. taele, ‘dochters van rhetorijcken’, die wonen ‘int hof van alder genadicheijt’ Sinl. begeerte verder zullen onderrichten. Zij beiden prijzen ook wel de muziek, maar verkiezen boven haar ‘Rhetorica, alder konsten segel’. Na een lange uiteenzetting toont Goetgr. taele ‘der Rhetorijcken vloeijende fonteijne met seven conduiten, ende den Heyligen Geest daer boven’, waarop Wijse beleijd. onder aller instemming - de sinnekens uitgezonderd - eindigt met: ‘alle consten vloeyen van den Heijligen Geest’. Een kamer is hier niet genoemd; de taal is Z.-Nederlandsch.

3o. Een constich ende leerlijck Spel van Sinnen, genaemt Het Saet van Rhetorica (fol. 64; 906 r.).

Personages: Geleerde tonge, als een doctoor gecleet.
  Rhetorica, een maecht cierlyck gecleet.
  Hatige spijt } sinnekens.
  Schempige nijt } sinnekens.
  Inwendich begrijp } beyde heerlyck gecleet.
  Subtijl bedencken } beyde heerlyck gecleet.
  Een wachter, met een horen inde hant.

Rhetorica zegt, dat ‘swerelts prieel woest leijt en desolaet’ en dat het onkruid (ijdelheid, leugen) er welig tiert. Tonge heeft reeds dikwijls dezen akker willen bezaaien, maar is steeds met smaad bejegend. Op aandringen van Rhetorica zal ze het echter nog éénmaal probeeren. Hatige spijt en Schempige nijt zijn voornemens dit werk te verstoren.

Als Inw. begrijp en Subtijl bedencken alle menschen hebben aangespoord om vlijtig te werken, zoolang het dag is, komt

[p. 130]

Tonge met het Saet van Rhetorica, Gods Woord, ‘de grave Verstant’ en ‘de rijve Memorie’. ‘'t Godlyck woort’ wordt dan gezaaid, ‘'t welcke doet bekinnen’ hoe Gods Zoon, het levende Woord, op aarde vleesch geworden is.

De Wachter verkondigt hoe het zaad opwast, waarna Rhetorica uitlegt:

 
‘die vrucht vanden sade is 't verstant principael
 
dat in Christo t'eenemael werde excellentelijck
 
getoont door den rechter minnen strael
 
als 't serpent van metael verheven patientelyck.
 
 
 
Hier wort tserpent vertoont rijsende in't middel van des werelts prieel’.

Tonge, Subtijl en Rhetorica eindigen dan met een referein op den ‘stock’:

 
‘lof saet precieus aen den kruijce gebloeijt’.

4o. Een Spel van Sinnen vanden voorleden tijt (fol. 86; 748 r.).

Personages: Den voorleden tijt, een out man met een kricke.
  D'oude trouwe, een out wijf doof zijnde,
  Eendrachtige wille, een jongeling blint synde.
  De magere tijt, een man armelyck gecleet.
  Elck een, een man gecleet als een jager.
  De goedertierenheijt Godts, een vrouwe statich gecleet.

Gemeen proffijt en Eendr. wille zijn beiden zoons van Den voorl. tijt en D'oude trouwe. Gem. proffijt is verdwenen en moet gezocht worden. Zijn ouders en broeder zijn door hun lichaamsgebreken daartoe niet in staat. Daarom zenden ze hun ‘knape’ er op uit, De magere tijt, die in het Bos van ondanckelycheden een jager, Elck een, tegenkomt. Deze bekent, dat hij Gem. proffijt heeft verjaagd en gedood, met twee ‘gesellen’, Vreeseloose winninge en Bedriechelycke coopmanschap, met zijn honden, Eijgen oorboor en Geveijnsde heijlichede, en met zijn ‘horenken’, Geconfijte leugen. Aan de klachten over het verdwijnen van Gem. proffijt maakt De goedert. Godts een

[p. 131]

eind, door ieder aan te sporen tot dankbaarheid, want ondankbaarheid stort Elck een in 't verderf.

5o. Een stichtelyck ende leerlyck Spel van Sinnen Vander Tonghe (fol. 104; 572 r.).

Personages: De Duivel.
  De Duisternis } sinnekens.
  De Logen } sinnekens.
  Onverstant, een man.
  Onwetenheijt, een vrouw.
  De Waerheijt.
  Het Licht.

De Duivel met zijn vriend Duisternis gaan visschen om menschen te vangen, met als aas: Overspelig aes, Nydich bewijs en Ydel glory, terwijl Logen, 's duivels zoon, met Quade leere vischt. Onverstant en Onwetenheijt nemen beiden het aas in den mond, maar Licht en Waerheijt trachten hen uit den droom te helpen: medicijn en hulp kunnen ze vinden in hun eigen tong, waardoor ze ook in 's vijands macht gekomen zijn. Ze bekeeren zich dan, smeeken om genade en spreken ten slotte tot het publiek een woord van vermaan.

No 3, 4 en 5, Z.-Nederlandsch van taal, zijn geteekend Meest Godt vreest, zinspreuk van den dichter of bewerker1) Michiel Reygersz.2).

6o. Een stichtelijck ende leerlijck Bruijloftsspel van vier persoonen (fol. 116; 533 r.).

Personages: Ruydt3) verstant, gecleet als een sot.
  Rachel, een vrouwe } alle drij cierlijck gecleet.
  Sara, een vrouwe } alle drij cierlijck gecleet.
  Thamar, een vrouwe } alle drij cierlijck gecleet.

De zot, die zich bekend maakt als ‘Ruyt verstant van Bottegem geboren’ opent het stuk. Dan komen Thamar, Rachel,

[p. 132]

en Sara, die eerst heelwat op elkaar te zeggen hebben, doch daarna het bruidspaar gelukwenschen en elk een geschenk aanbieden: Rachel ‘een leeu van crachtich vermaen’ (uit 't geslacht van Juda); Sara een visch, dien Tobias, haar man, met de hand greep, ‘als hy na rages1) reijsde een stadt der meden’; Thamar den ring, dien Juda, de patriarch, haar gaf. De zot geeft een steen ‘op kalvaryen groijende’. Ook bij dit spel, Z.-Nederlandsch van taal, is geen kamer genoemd.

7o. Een boerdighe Cluchte van Een Boer die wil leeren schieten Inden Doelen (fol. 132; 554 r.).

Personages: Aert, gecleet als een boer.
  Eerste } schutters.
  Tweede } schutters.
  De waert inden doelen.
  d' Abteker, een jong gast.
  Aerts wijf, een boerinne.

Aert, een boer, begeeft zich naar de stad (Mechelen) en ontmoet daar twee Schutters, wien hij vraagt of ze hem willen leeren schieten. Zij verklaren zich hiertoe bereid, maar gaan eerst met hem naar den Waert, waar hij kennis maakt met den ‘conijnck’. Aart raakt flink aan 't drinken. Nu moet hij, op raad van de schutters, ‘'t schijetcruijt’ leeren kennen, ‘'t poijer daer de busse af geeft soo swaren slach’. Ze gaan daartoe met hem naar ‘den gulden mortijer’, om ‘senepoeder’ te koopen. Maar eerst moet Aart zijn harnas aandoen en zich geheel toerusten voor het schieten. In de apotheek vragen ze dan ‘poijer quod retro exit’ en Aart neemt dit in. Spoedig begint het schietkruid te werken, zoodat het weldra ‘van hem selfs losset’. Aart, die intusschen zijn bekwaamheid in het schieten getoond heeft, wordt nu tot schutter gedoopt en zal den volgenden dag den eed komen afleggen aan den koning. Hij gaat naar huis en wordt om zijn domheid door zijn vrouw geweldig afgeranseld.

[p. 133]

Deze klucht, die veel eigenaardige spreekwoordelijke zegswijzen bevat, is door De Koorenblommen van 's-Gravenhage den 4den Augustus 1615 op het bekende landjuweel te Kethel gespeeld, maar is stellig van Zuid-Nederlandschen oorsprong1).

8o. Een Batement van vier personagien (fol. 146; 510 r.).

Personages: Meester Hoon, een quacksalver.
  Sijn wijff.
  Lippen slechthooft, een boer.
  Beele, een boerinne.

Terwijl Meester Hoon, in afwachting van klanten, zijn kunst tegen alle mogelijke kwalen aanprijst, gaat zijn vrouw naar de markt om eieren te koopen, waarvan ze ‘een goet suypen’ zal maken. Intusschen wordt Lippen slechthooft van Escamp te Eijckenduijnen door zijn vrouw Beele met eieren naar de markt gezonden om ze daar te verkoopen. De eieren zijn nog warm: ‘ons henne heefter soo lange opgeseten, wel veertijen dagen en warm gehouwen’, zoo zegt hij. In de stad gekomen hoort Lippen hoe de kwakzalver zijn middeltjes aan den man tracht te brengen en vraagt hem of hij ook raad weet voor Blare, zijn koe, die aan één poot mank gaat en voor Tijtken, de hen, die een zeer oog heeft en ‘met allen kranck’ is. Voor haar kwaal verkoopt de kwakzalver hem zalf, die Lippen betaalt met de eieren, terwijl hij hem voor Blare olie geeft in ruil tegen ‘een roo-leeu’, een mooien bond, dien Lippen later brengen zal. De vrouw van den kwakzalver, die op de markt geen eieren gezien heeft, komt terug en zal nu van Lippens eieren een drank maken, maar er ‘liggen schepsels van kijeckenen’ in. Als Lippen en Beele 's avonds den hond komen brengen, werpt zij Lippen de eieren op het lijf en beklagen beiden zich over het bedrog, want ook de hond is den kwakzalver veel te oud.

Ook deze vlot geschreven. klucht is van De Koorenblommen afkomstig.

[p. 134]

9o. Een belachelijcke kluchte van Crimpert-oom (fol. 159; 509 r.).



illustratie

Simpel-schalck en Heijmelijck-loos zijn in dienst bij den rijken Crimpert, die altijd Maria looft, omdat ze hem zoo gezegend heeft. Simpel wil nu ook trachten Maria's gunst te winnen. Hij zal haar bidden om honderd rozenobels, waaraan echter geen enkele ontbreken mag. Crimpert hoort van zijn voornemen en raadt hem aan, naar de kerk te gaan en daar maar vlijtig te blijven bidden. Simpel doet dit en Crimpert ‘schijet’ hem van achter 't altaar negenennegentig rozenobels toe. Al ontbreekt er een, Simpel neemt ze toch in ontvangst en borgt de honderdste aan Maria. Maar Crimpert zegt nu dat hijzelf ze gezaaid heeft en eischt ze terug, omdat het er immers toch geen honderd zijn. Als Simpel weigert, gaat hij om den ‘dijenaer’.

Door ‘eenige liefhebbers’ is hier later bijgevoegd, hoe Crimpert zijn knecht voor den Rechter daagt, maar in 't ongelijk wordt gesteld en bovendien zijn mantel verliest, dien hij Simpel geleend heeft om behoorlijk te kunnen ‘compareeren’ voor het gerecht. Ook hier is geen kamer vermeld; de taal is N.-Nederlandsch.

10o. Brulofts spel van drije personagien (fol. 170; 332 r.).

Personages: Amoureus herte.
  Minlyck gesichte.
  Lachenden mont.

Na een twistgesprek over de vraag of inzake de liefde aan Herte, Gesichte of Mont de voorrang toekomt, brengen alle drie ten slotte als geschenk een letter aan bruid en bruidegom: Herte een V (Veritas, Virginitas, Vrijendelijcheijt, Vreese

[p. 135]

Gods); Mont een R (Reden, Rijng, Rekeninge1)); Gesichte een E (Eendracht, Eerbaerheijt, Eewige eewicheijt): tezamen Vre.

Dit spel vermeldt weer De Koorenblommen als kamer.

11o. Een boerdighe Cluchte van Kijck inde krijch (fol. 180; 539 r.2)).

12o. Een nieuw vermakelijck Bruijlofts-spel van drij Persoonen (fol. 194; 441 r.).

Personages: Jongeling.
  Wulps leven.
  Reden.

Een Jongeling klaagt, dat de gulden dagen van zijn kindsheid voorbij zijn en hij nu door een ‘inwendigh swaer en pinkelend gepijn’ wordt gekweld. Wulps leven komt hem naar de oorzaak van zijn verdriet vragen en geeft zelf het antwoord: het is de min. Genezing is mogelijk door ‘een dierken soet met lodderlijck aenschijn’. Hij moet zich optooien en zorgen bij alle publieke vermakelijkheden aanwezig te zijn om de aandacht der meisjes te trekken. Als dit niet helpt, moet hij gaan naar de ‘vroukens vande gildt’. Wulps leven noemt hem allerlei steden, waar bordeelen te vinden zijn. Nu komt Reden den jongeling waarschuwen. Hij moet - zoo is Gods beschikking - een vrouw nemen. Na een lang dispuut tusschen Wulps leven en Reden krijgt de laatste ten slotte de overhand en het stuk eindigt met een wensch aan bruid en bruidegom en een lofrede op het huwelijk. Dit stuk, het eenige in den bundel dat in alexandrijnen geschreven is, is met tal van namen uit de klassieke oudheid opgesierd en geteekend Luijckt geen deught3). Een kamer is niet genoemd; de taal is N.-Nederlandsch.

13o Een tafelspel van twee persoenen (fol. 204; 319 r.).

Personages: Van als genoech.
  Luttel hebben.

[p. 136]

Na een lang gesprek bieden beiden den gasten een geschenk aan: Van als genoech geeft ‘alder werelt vreucht, een rolle geschreven op een blaese vol wints’; Luttel hebben geeft de letters N.I.E.T en zegt: ‘keert om die rolle, soo vint gij 't bediet van mijnen presente’. Want ‘niet is al swerelts glorie, maer die deucht is ijet, die na elex mortorie volcht, wanneer wij doots bitter not craecken’.

Dit stuk, geteekend Reijn geneucht, is afkomstig van De Fontein te Dordrecht.

14o. Een cluchtich tafelspel van drie personagien (fol. 211; 395 r.).

Personages: Wel hebben.
  Wel meugen.
  Goet geselschap.

Wel hebben komt uit ‘Cresus hof’ en wordt gebracht door ‘Theseus arent’. Wel meugen is gezonden door ‘Alexander, Clitus en 't geselschap met dosijnen, doen daer gelt te verdienen was voor die meest dronck’. Zonder Goet geselschap beteekenen Wel hebben en Wel meugen niets; daarom schikken ze zich bij de gasten aan tafel.

Dit spel, afkomstig van De Koorenblommen te 's-Gravenhage, is, evenals de beide volgende, geschreven door Hendrick Smout onder den zinspreuk Godt kent 't hert.

15o. Een leerlijck Spel van Sinne, op de vraghe gedreven: Wat dat de deuchde baert in 't tijdelijcke leven En wat d'ondeuchde ons hier op de werelt geven? (fol. 219; 858 r.).

Personages: Basilides, een rijck wreet man.
  Comates, slave van Basilides.
  Arates, van gelijcken.
  Philemon, een treffelijck koopman.
  Geveinstheijt } sinnekens.
  Sonder vreese } sinnekens.
  Centurio, schiltknaap van Basilides.
  Calliope, sang-godinne.

[p. 137]

  Mercurius, goden bode.
  Nemesis, wraakgodinne.

Eerste Uijtkomste.

Basilides geeft zijn slaven Comates en Arates bevelen. Hij behandelt hen barsch en wreed, gelooft bovendien niet aan God, maar aan de natuur, die, volgens hem, alles regeert. Na Basilides' vertrek vertellen de beide slaven elkaar hun levensgeschiedenis. Arates is oorspronkelijk voor den handel bestemd geweest, maar op reis naar Corinthe door zeeroovers gevangen en sedert slaaf gebleven, terwijl Comates, ‘tot dienst der konstgodinne bereijt’, na de vermoording zijner ouders gevangen genomen en verkocht is. Philemon verwijt Basilides dat hij zijn slaven beestachtig behandelt, waarna de Sinnekens een nabetrachting houden over zijn ongeloof.

Tweede Uijtkomste.

Comates zegt tot Arates, als deze zich over zijn hardvochtigen meester beklaagt, dat, hoewel ze naar het lichaam slaaf zijn, de ziel altijd vrij blijft. Weldra gaat Basilides ‘ter landouwe’ om zijn schapen te laten scheren. Voor de veiligheid neemt hij Centurio mee. De Sinnekens genieten in zijn ongeloof.

Derde Uijtkomste.

Comates en Arates offeren aan de goden en zingen daarbij een lied, doch Basilides en Centurio komen en gaan hen te lijf. Comates wordt door Centurio in een hollen boom gespijkerd.

Vierde Uijtkomste.

Na een gesprek der Sinnekens geeft men ‘boven’ een ‘vertooninge’ van ‘de negen Muses, Apollo int midden, Mercurius voor haer staende, Calliope met een bijekorf inde hant’, die door Mercurius in den boom wordt gezet, om Comates te redden. Mercurius draagt dan aan Nemesis op, Basilides langzaam te ‘bederven’. Nu Comates gestraft is, moet Centurio met Arates het vee hoeden, waarin hij niet veel lust heeft, want, sinds Comates weg is, zijn er driehonderd schapen gestorven, wier

[p. 138]

vachten hij naar Basilides moet brengen, die daarop zelf poolshoogte gaat nemen.

Vijfde Uijtkomste.

Als Arates vertelt, dat ook het koren door den vurigen wind is verbrand, krijgt Basilides berouw over de mishandeling van Comates en wil, dat Centurio hem zal dooden. Maar tot zijn blijdschap ziet hij, dat Comates nog leeft. Deze wordt nu bevrijd, waarop Basilides belooft hem de helft van zijn vermogen te zullen geven met zijn eenige erfdochter en hem ook verder als broeder te zullen beschouwen. Comates vraagt nog of hij ook Arates en Centurio wil vrijlaten, hetgeen gebeurt.

Den 4den Juni 1618 is dit spel gespeeld op het landjuweel te Bleiswijk1).

16o. Een leerlijck Taefel-spel van drie Persoenen (fol. 239; 462 r.).

Personages: Patrija.
  Respublica.
  Lijbertas.

Patrija beweert, dat het de gesteldheid van het vaderland is, die de helden van vroeger en nu de overwinning heeft bezorgd en verwijt Respublica, dat ze zoo vele verdienstelijke mannen met ondank heeft bejegend; Respublica beteekent alleen iets, als ze goed geregeerd wordt en vooral, als er goed op de geldzaken wordt gelet.

Respublica zegt, dat de toestand van het land niet alles beteekent, bijv. in Holland: wat zou Patria alleen hebben uitgericht ‘sonder 't republijc der hollanders en seeuwen die den vijant verdreven vechtende als leeuwen’.

Beiden zijn het er over eens, dat het nergens zoo slecht gaat, als waar de vrijheid geheel wordt verworven, doch Lijbertas stelt er prijs op, te verklaren, dat zij niet ‘de onbetoomde vrijheyt’ is. Ten slotte geeft elk een letter; ‘sy spellen E.E.R.’

[p. 139]

17o. Een Taefel-spel van drie Personagien (fol. 298; onvoltooid).

Personages: Philosophische Scientie.
  Poetelijcke Inventie.
  Geleerde Eloquentie.

Dit is een fragment van een spel dat in 1600 door De Witte Acoleijen te Leiden op St. Jacob ‘over de maeltijt van de Schepenen, in de Stadtsdoelen’ is gespeeld1). Van dezelfde kamer, wellicht bij een dergelijke feestelijke gelegenheid vertoond, is No 11 (zie blz. 135), een tafelspel (vgl. r. 349), dat hier nu in zijn geheel moge volgen.

Een boerdighe Cluchte van Kijck inde krijch.

Personages: Kijck inde krijch, gecleet als een soldaet.
  Werck-noo, gecleet als een vagebond.
  Luije waert, kael gecleet.

 
1. kijck inde krijch.
 
't Is misselyck2) hoe 't geluck noch draijt.
 
Och ick was te nacht soo qualyck gepaijt3),
 
Met dat4) ick uijt mijnen slaep ontspranck,
 
Maer tis noch al wel geluckt, God danck,
 
Want ick meende dese feest was achter gebleven.+
 
Nu wilt mij dat en noch meer vergeven,
 
Ick wasser alsoo qualijck om gestoort5),
 
Dus moet ick van vreuchde yet brengen voort.
 
Believet u mijn heeren ick denck wel jae 't,
 
Want niet gaern en scheyd ick uyt sulcken staet6),+
 
Die ick dus heerlijck hier vinde versaemt.
 
Mijn naem is kijck inde krijch met luttel schaemt,
 
Geen engelsche dogge7) soud mij hier van daen ‘bijten.
 
2. Werck noo.
 
Ontbeyt, wat mach hier desen haen ‘krijten?
 
Of meent gij de meester hier alleen te maken?+
[p. 140]
 
Help! hoe ruycktet hier1).
 
K.i.k.
 
Ja, denckt hoe moet den bout2) dan smaken,
 
Kost gij u soo onbeschaemt aen tafel schicken,
 
Want ongenoot te comen sijn pas u sticken3),
 
Ja d'onbeleeftheyt is aen u dick gebleken.+
 
W.n.
 
't En is niet soo; ick moet mijn heeren spreken,
 
Die hier tans vergaert in groot getal ‘zijn,
 
En die moet ick groeten.
 
3. luije waert.
 
Godt segen u, mijn heeren, ick moeter voor al ‘zijn,
 
Met spijs en dranck, die ter tafelen behoort.+
 
K.i.k.
 
Ja, nu moet ick lachen, al waer ick gestoort,
 
Want nu den bout comt, nu zalt wel tieren4).
 
Gaet nu weer wech, ick salt hier wel regieren,
 
Mijn dienst is tot mijn heeren bereijt.
 
W.
 
Wel hebdij kommissie, soo toont u bescheijt5),+
 
Of sijt gij genoot hier bij mijn heeren?
 
W.n.
 
Twaer beter dat gij u weer na u vaendel ginckt keren,
 
Al eer u de rooroe6) van hier comt halen,
 
Want eene quade reijs salt al betalen7),
 
Dus maeckt u op de been en laet u seggen.+
 
K.i.k.
 
Neen, ick sou gaeren hier mijn winterlaege8) leggen,
 
Want op 't velt te slapen staet mij al tegen,
 
En quaem dan de vijant, ick mocht werden verslegen,
 
Bleef ick dan niet van mijn leven berooft?
 
Neen, neen, ick ben al liever daer men hooft9);+
 
Hier en lijde ick geen perijckel van de doot.
 
W.
 
Hoe na10) soud hij wel gaen sitten?
 
W.n.
 
Ja, waer hij maer half genoot,
 
De eer van onbeleeftheyt sou hij wel bewaren.
 
K.i.k.
 
Ick moet bij mijn heeren mijn saken verclaren,+
 
Dus moet gij passeren en ick sal hier blijven, staen.
 
W.
 
Wat dats een meester!
[p. 141]
 
W.n.
 
Wel, dat is een haen1)!
 
Van duysenden sal mij al wat goets van u geschien.
 
W.
 
Met oorlof, heb ick hem niet wel meer gesien?+
 
Zijn wesen2) dat loopt mij door mijn sinnen3).
 
Dan, waer hij tuijs hoort kan ick niet vinnen,
 
Hebdijer kennis aen, doetet mij weten.
 
W.n.
 
Ja ick, sijn vaer was een burger en ingeseten,
 
En de trom word' lest geslagen van sheeren wegen4):+
 
Isser ijemant lustich of tot de krijch genegen,
 
Die come inde herberch bij de kapiteijn.
 
W.
 
Soo ken ick hem wel inder waerheijt, certeijn,
 
Want ick sach hem lestent met sijn sessen uijt rijen.
 
W.n.
 
Tis van 't selfde volck, want welige dagen sijn quaet om lijen5),+
 
En seer braef6) was de wagen besteken met meijen7).
 
W.
 
Elck riep: adieu burgers, adieu, stadt van Leijen,
 
Hel, duijvel noch doot en dede ons vresen.
 
K.i.k.
 
Ja, want ick had de lof van Scipio gelesen,
 
En Hannibals Romeynsche heerlijcke daden8),+
 
Dat lockte mij uijt, want sonder genaden
 
Meende ick den vijant alleen te krencken.
 
Ick was sonder vreese en achterdencken.
 
't Volck gijnger met kleeren doorhackelt9), doorsneden,
 
Al ofse inden ommegang10) souden hebben getreden.+
 
Mij docht ick most mede en ick volgde den hoop.
 
W.n.
 
Grj mocht beter tuijs gebleven hebben
 
W.
 
Ja seecker, al beter koop.
 
Ick meende, gij hadt den vijant al verwonnen.
 
Hoe zij t gij gevaren?+
 
K.i.k.
 
Ick hebber de waert wel tuijs gevonnen11),
 
Mijn ijst dat icker 't volck soo sach uijtrechten12).
 
W.n.
 
Wast daer oock altemet kermis?
[p. 142]
 
K.i.k.
 
Ja, alle daegh aen 't vechten.
 
Som sijnder gequetst, som doot geslegen,+
 
D'een heeft een hou in 't hooft of een loot int lijf gekregen,
 
Soo dat ick van vreesen niet en wist waer blijven,
 
Ick sach daer sulcke feijten van wapenen bedrijven,
 
Kruijt en loot was den buijt diemen daer deelden,
 
Doen docht ick om mijn moers keucken en groote weelden,+
 
Ick liep na den boer1) en spaerde mijn leven.
 
W.
 
Soo staet u naem te recht op u borst geschreven2),
 
Hier staet kijck inde krych, gy sult niet bederven3).
 
W.n.
 
Gij sult seker wel een out krijchsman sterven,
 
En u trecken door 't lant sullen de boeren beclagen.+
 
W.
 
Alsulcken soldaet?
 
W.n.
 
Soudmen uijt de kool niet jagen4),
 
U geweer past u, al waert op u lijf gebonnen.
 
K.i.k.
 
Daer heb ick nochtans menich feijt me begonnen,
 
En tocht en wacht gedaen als een vroom soldaet.+
 
W.
 
Gij sijt een dapper man.
 
W.n.
 
Daer twee mijlen voor een borstweering staet,
 
Dan kondij onmanierlijck5) snorcken6) en baeren7).
 
W.
 
Dat doet hij slechts om de boeren te vervaren,
 
En stoutelijck te brantschatten na sijn eggen sin.+
 
W.n.
 
En op de gaerde loopen8).
 
W.
 
Om groot gewin
 
Den huisman te travailleren9), bijlo, hij gaeter na10).
 
W.n.
 
Hij lijckent11) wel een soldaet.
 
W.
 
Ja, sijn gat staeter na+
 
Gelijck een Hollantsche koe tot vliegen.
 
W.n.
 
Seecker, hij sal de vijant niet bedriegen,
 
Noch geen angst aenjagen, wat hem geschiet12).
[p. 143]
 
W.
 
Goeden dach, kijck inde krijch.
 
W.n.
 
Goeden dach, boeren verdriet,+
 
U vrome daden syn op veel dorpen wel gebleken.
 
W.
 
Dats waer, de ham hebdij inde boter gestoken1),
 
En soo gesoden tegen natuer en reden.
 
W.n.
 
Niemant en dorst hem straffen.
 
W.
 
Ja, wat hij oock dede,+
 
Hij mochtet op zijn soldaetschap al voeren2).
 
W.n.
 
't Is maechdeschenden.
 
W.
 
't Lant raseren3).
 
W.n.
 
Tis al vrijbuijt4), dat gij krijcht tot de boeren.
 
W.
 
Hoe menich goetmans kint hebdij gemaeckt tot hoeren,+
 
Die eerlijck van geslacht plachten te leven.
 
W.n.
 
Kijck inde krijch, wie salt u al vergeven?
 
Want gij wonnet al hoe gijt hadt gewet.
 
W.
 
Menich welgestelt huisman hebdij op den dijck5) geset,
 
En door u gewelt zijn beesten doen verkoopen.+
 
W.n.
 
't Wyf most om tgebraen.
 
W.
 
De man most om de wijn loopen,
 
Of gij smeet hem tlijf ontween, een mensch most ijsen,
 
Al dese stucken sal ick u bewijsen,
 
Sijn dit niet al feijten, dat u inden krijch vroomt6)?+
 
W.n.
 
Dan most den boer noch ree maken
 
W.
 
Dat gij snachts hadt gedroomt.
 
Vier kroonen onder u tafelbort mosten daer leggen7).
 
W.n.
 
Dit sijn u vrome daden, wat weet gij te seggen,
 
Of suldij mij met valsheijt hier doen liegen?+
 
W.
 
Den boer hebdij selfs zijn varckens doen wiegen8)
 
En u honden doen kaeuwen het best uyt de platiel.
 
W.n.
 
Hoe gaet hijer me deur
 
W.
 
Al9) en had hij geen siel.
[p. 144]
 
In plaets dat hij 't volck en lant sou beschermen+
 
W.n.
 
Soo bederft hijt dat den huisman moet swermen1),
 
En doetse vreesen met sijn sweren en vloecken.
 
W.
 
En alst dan op een vechten gaet
 
W.n.
 
Dan is hij te soecken.
 
Tis pas een soldaet om bijde straet te gaen proncken.+
 
W.
 
Maer daer den trom allarm slaet
 
W.n.
 
Daer hebdij den Bremer loop2) of jongbier gedroncken3).
 
De vijant derfdij niet sien onder sijn oogen.
 
W.
 
Hoe dick hebdij den kapiteyn en de Staten bedrogen
 
Want al daer perijckel was sijdij verkroopen.+
 
W.n.
 
Ja, wel tienmael uijt u vendel geloopen,
 
Sonder oorlof paspoort4), tegen wet en reen.
 
W.
 
En daer dan minst te doen was
 
W.n.
 
Daer trockt gij dan heen,
 
Vragen om dienst met een loosen vont. 155
 
W.
 
Gij gelijckt wat te wesen.
 
W.n.
 
Ja, trots inden mont,
 
Al soudij drij man seven armen af smijten5),
 
Dit moet ick u seggen, al sout u spijten,
 
En ick salt u met al dit volck betuijgen,+
 
Gij blomesel6)!
 
W.
 
Groot spreker!
 
W.n.
 
Lant verderver!
 
W.
 
Die den huisman tbloet uijt tlijf kan suijgen.
 
W.n.
 
Soo wint gij u soudije7) in tijden van noot.+
 
W.
 
Ja, maer hij denckt: de stoutste blijven eerst doot,
 
En hij wil maken sijn jaren veel in tgetal.
 
W.n.
 
Somers inde krijch,
 
W.
 
Swinters met de koeijen opt stal,
 
Een leugen koorts daer onder om tuijs te blijven.+
 
W.n.
 
Wat heerlijcke wercken kondij bedrijven!
 
't Is wonder dat mijn heeren u niet laten vangen.
[p. 145]
 
W.
 
En 't lant uijt bannen.
 
W.n.
 
Ja geesselen .....
 
W.
 
Of aen den hoogsten boom hangen.+
 
W.n.
 
Soo en sout gij de boeren niet meer verbijten1).
 
K.i.k.
 
Gans felten, wist ick dat gij mij niet weer sout smijten,
 
Ick sloech u met dien vederstaf2) op u reggen3).
 
Wist gij moort van mij, gij soutse hier staen seggen,
 
En mij in last helpen, soot is gebleken,+
 
Nu seggen tot seggen comt sal ick oock spreken:
 
Sijt gij de heilichste van al u magen?
 
Wie sal ick toch best hier na gaen vragen,
 
Op dat ick mach weten, wie gij meught wesen.
 
W.
 
Dat meucht gij wel op sijn borst lesen,+
 
Hier staet werck noo, die gaet altijt 't lichtste soecken.
 
K.i.k.
 
Werck noo! nu sou ick mij wel vervloecken,
 
Soo moet ick oock seggen, wat u groot lot4) ‘is.
 
Gij sijt tgortichste vercken dat in tschot ‘is,
 
En wildij mij hier de huit van 't hooft raken?+
 
W.
 
Men mach hem seker wel roeren5).
 
K.i.k.
 
Wel dapper heeft hij hier staen kaken6).
 
Werck noo! nu spijt mij dat ick dus lang heb geswegen.
 
Wat kan hij toch doen?
 
W.
 
De straet met aers billen vegen7),+
 
En oude schoenen maken8) tot zijn behagen.
 
K.i.k.
 
Kan hij oock tin en steen slijpen9)?
 
W.
 
Meesterlyck kan hij hem daer in dragen,
 
En alle leugen stofferen10), die hij hoort achter straet,
 
En alle man weet hij te geven raet,+
 
Slachtende den aep die ijder wil begecken.
 
K.i.k.
 
Maer van hem selven
 
W.
 
Kan hij sijn eijgen aers niet decken11).
 
Tis niet dan roepen, krijten, elex gehoor blussen12).
[p. 146]
 
K.i.k.
 
Wat is toch een luij mensch?+
 
W.
 
Maer1) een duijvels oorkussen2),
 
Die van alleman wert veracht en geblaemt.
 
K.i.k.
 
Mij verwondert, wercknoo, dat gij u niet en schaemt,
 
Hier te comen in dit hof van eeren.
 
W.n.
 
't Gaet u niet aen, ick moet deese heeren ijet presenteren,+
 
Die Godt almachtich in wijsheyt wil verstercken.
 
K.i.k.
 
Wie gij? ......
 
W.
 
Loopt seker weer tuijs ......
 
K.i.k.
 
Gaet sitten wercken,
 
Soo brengdij 't volck in geen quaet vermoen.+
 
W.n.
 
Swijcht toch van wercken, want ick kan niet doen,
 
En noijt mijn dagen heb ickt willen leeren,
 
Daer ick van wercken hoor, dunckt mij 'thert om te keeren,
 
Want in een ambacht te groot perijckel gelegen ‘is.
 
W.
 
Ja, weet gij wel waerom?+
 
K.i.k.
 
Om dat sijn hert tot geen werck genegen ‘is,
 
Hij prijst voort best leegh bij de straet te gaen gapen,
 
Hij heeft 't werck soo lief, hij souder wel bij slapen,
 
't Wercken daer heeftmen hem wel by te binnen3).
 
W.n.
 
Weet gij tans wel een ambacht om de kost te winnen,+
 
Trouwen dat eerlijck is, sonder perijckel van leven?
 
W.
 
Genoech, ick sal u wel de keur van tien geven,
 
Hadt leeren schoemaken, dat ambacht niet vergaet.
 
W.n.
 
Schoemaken! dat heb ick overlang gehaet,
 
Want elck sou vreesen met mij te drincken,+
 
't Zijn pecklappen4), kalfvillers, die altijt stincken,
 
't Smeer om de mont, datse uijt 't leer recken.
 
K.i.k.
 
Wat dunckt u dan van 't metselen?
 
W.
 
Of suldij daer me weer gecken?
 
Dat is tans tbeste ambacht van allen.+
 
W.n.
 
Soo mocht ick wel te pas vande steijger doot vallen,
 
Dien angst dede mij dat ambacht schouwen.
 
K.i.k.
 
Hebdij dan geen sin in timmeren?
 
W.n.
 
Neen ick, seker, ick had mogen in mijn been houwen,
 
Soo had ick krepel geweest, van elck verschoven5).+
 
W.
 
Hadt dan leeren tuijnen en reynigen de hoven,
[p. 147]
 
Soo wint gij u broot op der aerde sterck.
 
W.n.
 
Och neen ick toch, want dat is paerdewerck,
 
Oock soud' ick dan moeten veel jocken1) ‘lijen.
 
K.i.k.
 
Wel waerom dat? ......+
 
W.n.
 
Maer elck sou seggen, dat ick liet artisocken ‘snijen
 
Uijt ander luijden tuijnen, om groot gelt te genieten,
 
En die over al te bruijcken.
 
W.
 
Wat dunckt u van 't tinnegieten?
 
Dats een ambacht daer veel profijten op loopen.+
 
W.n.
 
Dats waer, om gestolen lood en tin te koopen,
 
Dat ick dieven op hiel2) sou ick moeten hooren,
 
Evenwel tinnegieten heb ick lang versworen,
 
Want 't heet tin had mij mogen in d'oogen springen.
 
Neen, dat lietgen en leerdij mij niet singen,+
 
Want ick sou moeten als een blinde voor de kerck ‘staen3),
 
Dus in geener manieren staet mij dat werck ‘aen,
 
Dat gij mij noemt, cleijn ofte groot.
 
K.i.k.
 
Wilt gij dan niet leijdecken?
 
W.n.
 
Soo viel ick welte pas van de kerck doot,+
 
Is dat sonder perijckel, dat soud ick wel sijn gewaer.
 
W.
 
Hadt dan leeren schilderen, dats puntich en claer,
 
Soo hadt gij de kost onder droogh dack ‘gekregen.
 
W.n.
 
Soo had ick lang int dolhuis met ongemack ‘gelegen,
 
Door 't practiseren datmen dan moet doen.+
 
K.i.k.
 
Nu weet ick noch een ambacht, dat sal u wel voen,
 
De smits die varen wel, soomen mach mercken.
 
W.n.
 
Om gestolen yser te smeen van huisen en kercken?
 
Dat gij, kijck inde krijch, hebt gerooft en gehaelt,
 
En dat is u 't pont voor een penning betaelt,+
 
Waerdeur datter noch veel rijcke smits sitten.
 
W.
 
Laet dat loopen, sullen wijt soo nau vitten?
 
Die doen niet en kochten die waeren al bloo.
 
K.i.k.
 
Dats waer, maer den almanack hiel4) doe alsoo,
 
En datse vermaeckt is spijt mij, want ick moet swijgen5).+
 
W.n.
 
Wil ick u wat seggen? Tot smeen suldij mij niet krijgen,
[p. 148]
 
Want tvier sou altezeer mijn gesicht krencken.
 
W.
 
Nu begin ick noch om een ander ambacht te dencken,
 
Seemtouwen1), daer wert veel komenschap me gedaen.
 
W.n.
 
Wie plaech2) sou een heelen dach in sulcken stanck staen,+
 
Ick kreech de handen vol gaten, dat doet mij ijsen.
 
K.i.k.
 
Wel 't riet maken3) is een ambacht waert om prijsen,
 
Dat sal u wel gevallen en sonder smart ‘lucken.
 
W.n.
 
Wie sou een heelen dach soo over zijn hart ‘bucken,
 
Met de neus op straet soo zoud ick best raken.+
 
K.i.k.
 
Had gij dan bijtijts leeren glasemaken,
 
Soo sout gij met lusten mogen u broot ‘winnen.
 
W.n.
 
Soo soud ick moeten nacht en dach loot ‘winnen4),
 
En grooten arbeijt doen om weinich gelt,
 
Soud ick dat moeten doen, mij schiede gewelt,+
 
Want dien arbeyt die gaet boven schreven5).
 
W.
 
Staet u alle ding tegen, leert dan weven,
 
Soo kondij een ambacht, seytmen van oude tijden.
 
W.n.
 
Weven! dat sal ick toch voor al wel mijden,
 
Sij zyn te veracht, dat is mij een kruis,+
 
Want men seijt, daer is een wever in huis,
 
Daer een kaers qualijck brant, soomen kan mercken6).
 
Dus, plat uijt geseijt, ick heb geen sin int wercken,
 
Wilt gij mij vrientschap doen, wilt daer af swijgen.
 
K.i.k.
 
Wel, wat is dan u meening?+
 
W.n.
 
Om een dienst van mijn heeren te krijgen,
 
Dat soud' ick versoecken, dorst ick sonder vreesen.
 
W.
 
Sout gij wel bode met de roe7) willen wesen,
 
En mijn heeren ten dienste staen by nacht en dagen?
 
W.n.
 
Ja, had ick datte.+
 
K.i.k.
 
Soo soudij moeten menich spijtig woort verdragen,
 
Soo wel op u, als op mijn heeren.
 
Tis altijt: Is de blaeuwe sack8) noch niet vol van schatten en scheren9)?
[p. 149]
 
Vervloeckt is de bode, die ons comt uijtsuipen.
 
Ick sie alsoo lief een padde over de vloer kruipen,+
 
Dit moeten sij hooren en niet tegen seggen.
 
W.n.
 
Dat sou ick met een praetgen wel of leggen1),
 
Een klein gerucht slae ick niet veel merck ‘aen.
 
W.
 
Mits dat gij niet2) en doet.
 
W.n.
 
Ja, myn moer en hiet mij noyt te werck ‘gaen,+
 
Twelck ick gaern dede uijt goeder trouwen.
 
W.
 
Hoe na leerde sy u aen 't hof houwen3),
 
Om alsoo temet een dienst te verwerven,
 
En dat om leech by de straet te gaen swerven,
 
Maer daer valt wat anders te doen met schrijven en lesen,+
 
Daer om en mach een bode niet luij noch traech wesen,
 
En gij, werck noo, soeckt anders niet, na myn vermoen,
 
K.i.k.
 
Dan lecker te eten .....
 
W.
 
Lang te slapen,
 
K.i.k.
 
En niet veel te doen.+
 
Met vingeren wystmen u na met schande,
 
Gij, werck noo!
 
W.
 
Gij syt de verachtste,
 
K.i.k.
 
De versmaetste,
 
W.
 
Diemen vint in alle landen,+
 
Mijn ijst dat ick u naem moet hooren.
 
K.i.k.
 
Door u werden kasteelen en steden verloren,
 
Om datse door u traecheijt niet werden volmaeckt4),
 
Gij verslaept u tijt daer een ander waeckt,
 
Soo dat door u menich mensch moet betreurt ‘sijn.+
 
W.n.
 
Als gij al geseijt hebt, salt oock mijn beurt ‘sijn,
 
Al hebdij mij hier voor mijn heeren geblaemt.
 
Wat is dit doch voor een?
 
K.i.k.
 
Maer een sonder schaemt!
 
W.n.
 
Dat moet zijn,want hij doet mij in mijn reden dwalen.+
 
K.i.k.
 
Sus, sus5), of hij wech liep.
 
W.n.
 
Ick sal hem niet weer halen,
 
Mijn heilicheit6) in als moet hem bewaeren.
 
Hoe mach hij heeten?
 
K.i.k.
 
Ick salt lesen en u dan verclaren.+
[p. 150]
 
Ick soud oock garen weten trechte bescheit.
 
Hier staet ‘un hoste’.
 
W.n.
 
Un hoste? Wat is dat geseit?
 
Isser ijemant aen de tafel1) diet kan verstaen?
 
Die wilt mij seggen, of ick moetet raen,+
 
Want sijn groote hovaerdie doet tlichaem swellen.
 
K.i.k.
 
Dats een waert te seggen.
 
W.n.
 
Een waert! Sal ons die quellen?
 
Hier isser zoo veel, men kanse niet tellen.
 
Wie een tonnebiers heer is gaeter hem toe schicken,+
 
Vande waerden, als aerdstricken2) geset,
 
Daer mach niet een grondeling3) door haer net.
 
Meent gij dat mijn heeren van4) u zijn danckbaer?
 
K.i.k.
 
Gaet seker deur, u penning is niet ganckbaer5).
 
Eij, spreekt hem toch aen, wat zijn begeeren ‘is,+
 
Want groote hovaerdij in zijn hert en kleeren ‘is,
 
Tschynt of mijn heeren hem selfs souden moeten dienen.
 
W.n.
 
Segt doch, heer waert, wat is u mienen?
 
Meendij ons te verdrucken? Soo zijn wy sulcken manier ‘sat.
 
K.i.k.
 
Ick had liever dat sulcken waert op een stier ‘zat,+
 
En reet na de hel, die wyt vermaert ‘is.
 
W.n.
 
Ja, men weet toch wel wat een waert ‘is,
 
Luij, lecker, die van alle man moet gegouwen6) ‘zijn.
 
K.i.k.
 
En dan twee jongwyfs
 
W.n.
 
Moetender neffens haer vrouwen ‘zijn,+
 
Tmurmureren van tvolck is, waer sijt mee betalen.
 
W.
 
Die niet en comt, ick sal hem niet halen,
 
Dus durfdy myn onwil7) niet soo plat ‘seggen.
 
W.n.
 
Neen, heer waert, ick moet u noch dat ‘seggen,
 
Hoe gy sondags na middach comt op de straet,+
 
Gelyck een jongen met syn meeseknip uyt gaet,
 
En fluyt tot dat hijt vogelken in zyn knip ‘leijt.
 
K.i.k.
 
So loopt hy na de gasten tot hyse by de slip ‘heijt8),
 
Ja, dat elck geen voocht is waer hij zijn gelt sal verteren.
 
W.n.
 
Men weet de waerden qualyck van 't lijf te keeren,+
 
En dan noch tmeeste dat de beurs verveelt9),
[p. 151]
 
Seggen: hoe sit gij dus stil, dat gij niet en speelt?
 
En dat gij niet en kunt dat salmen u leeren.
 
K.i.k.
 
Tsij quaerten1),
 
W.n.
 
Ticktacken2),+
 
K.i.k.
 
Of verkeeren.
 
Dat duert tot middernacht, dat de wijfs comen soecken.
 
W.n.
 
Had gy dan al de plagen,
 
K.i.k.
 
Diemen u dan int tlijf gaet vloecken,
 
Want dick naeckte kinderen en alleman schoech3).+
 
W.n.
 
Waeren de drij deelen vande waerden wech,
 
K.i.k.
 
Daer waerender noch meer dan genoech.
 
Al waeren sij gebannen, de wijfs soudent niet keeren.
 
W.
 
Met al dit schimpen suldij mij niet deeren,
 
Dat sal ick doen blijcken met woorden en wercken.+
 
Meyndij dat ick u in u boosheyt sal stercken?
 
Wat waer den koopman bij dagen en bij nachten,
 
Waer icker niet, wie sou op hem wachten?
 
Som komt hongerich, en vermoijt van reijsen,
 
Soutgijse al waernemen4), dat geef ick u te bepeijsen,+
 
En alderley hoofden wachten, die sonderling van sin ‘zijn.
 
W.n.
 
Seecker, dat moet al tot u eijgen gewin ‘zijn,
 
Al u kost en moijte, die dan moet verhaelt5) ‘wesen,
 
Die moeten dan wel dubbel betaelt ‘wesen,
 
Dat sal ick u bewijsen, gij moget niet missaken6).+
 
W.
 
Maer, hoe sijt gij soo stijff in de kasecken7)?
 
Saegt gij het get om de kost uijtgeven,
 
Alsser groote heeren comen die leckerlijck leven,
 
Menichte van dienaers, die daer volgen thof,
 
Elck tast dan toe even dick en grof,410
 
Wat ick voor bewaer, ick van achter quijt ‘bin.
 
K.i.k.
 
Nochtans sulcke maeltijden hebben meest profijt ‘in,
 
Dan gaet gij u konste aldermeest bedrijven.
 
W.n.
 
Dan kondyt gaer8) ontreeckenen9)
[p. 152]
 
K.i.k.
 
Onttappen1) ......+
 
W.n.
 
Onttellen2) ......
 
K.i.k.
 
En ontschrijven2) ......
 
Den wijn te vervalschen als den dranck int hooft dwaelt.
 
W.n.
 
Al waert dan maer betou3)
 
K.i.k.
 
Die most voor Rijnse wijn sijn betaelt,+
 
Dit maeckt u hovaerdich, datmen u niet mach spreken.
 
W.n.
 
Heer waert, hoe menich capiteyn hebdij wel deur gestreken?
 
K.i.k.
 
Dan bleef de betaling vande soldaten half inde loop4).
 
W.n.
 
Dan ist al base los manos5).
 
K.i.k.
 
Al wat gij hebt te koop,+
 
U been achter uijt en tlijf gebogen.
 
W.n.
 
Wat hebben sij dan voor haer gelt?
 
K.i.k.
 
Een schoon samblant voor d'oogen6).
 
Tis: vergeet mijn huis niet, als gij hier comt reijsen.
 
W.n.
 
Maer als sij dan in haer beurs sien ......+
 
K.i.k.
 
Raet eens, wat sij dan peijsen?
 
Menigen vloeck moet gij voor u kruis7) ‘houwen,
 
En met gramschap sij seggen ......
 
W.n.
 
Gij wolf ......
 
K.i.k.
 
Gij vetsack ......+
 
W.n.
 
Gij leckertant ......
 
K.i.k.
 
Gij leegwagen8)......
 
W.n.
 
Sal ick oock moeten u diercoop huis ‘houwen9),
 
Ick denck ja, want gy doetet aen u rekening blijcken.
 
K.i.k.
 
Heer waert, ick weet u niet beter te gelycken,+
 
Dan by de papen of waerden inde kaets banen.
 
W.
 
Wel wat gelijckenis is dat?
 
K.i.k.
 
Dat sal ick u vermanen10),
 
Want sij vercopen elcke bal wel drijmael daegs,
 
En de papen haeren Godt, alsoot comt slaechs11).+
[p. 153]
 
Soo doet gy oock, u spijs doet gy uyt spreijen,
 
Want drijerley tafels moet men met eene kost bereijen,
 
D'een op, dander af, dattet de gasten niet en weten,
 
Soo wert u spys wel op sijn oorboor1) gesleten,
 
Dat is de practijck2), die daer op is.+
 
W.n.
 
En alst dan op een rekenen gaet ......
 
K.i.k.
 
Dan slaet gij gewis,
 
Elck moet betalen of hij vers had gehadt.
 
W.n.
 
Sulcken spel soud ick wel haest werden sat,
 
En deur sulck rekenen soud' ick becommert3) ‘sijn.+
 
K.i.k.
 
Sulcken huis mach wel een dobbele lommert ‘sijn,
 
Al hangter voor de deur geen sauve gaerde4).
 
W.n.
 
Wilt gij my dan verwijten? Gij syt min van waerde,
 
Gij sijt van mijn naeste bloet soomen can mercken.
 
Waer vint men waerden of krijchslijeden die willen wercken?+
 
Alle avonts buys5) al oft waer gewet.
 
K.i.k.
 
En met een geladen korpus ......
 
W.n.
 
Tijen sij dan te bedt,
 
Een watergal6) van een emmer moet twyf dan krijgen.
 
W.
 
Hoort, hoort, laet ons van malcander swijgen,+
 
Want sulcke daden will ick mij niet aantrecken.
 
Ick sal myn heeren dienen en tot vreucht verwecken,
 
En al u raserij en is niet half gelogen.
 
W.n.
 
Seecker, gy hebt mij wel over den hekel getogen,
 
Dat ick niet weet waer ick mijn eer weer sal vinnen,+
 
Ick meende van quaetheijt schier t'ontsinnen,
 
Want die d'een deucht doet gaet d'ander sorch bereijen.
 
K.i.k.
 
Maer wat had ick gedaen een van u beijen,
 
Hadt gy geweest daer ick heb moeten leggen,
 
Gij sout vande krijch dan niet veel deucht seggen,+
 
Twas altijt aent vechten en nimmermeer gelt.
 
Mijn beurs en maech waren soo dick ontstelt,
 
Wel beijgelijck leegh als ijdele huisen7).
[p. 154]
 
In plaets van eten heb ick mij wel sitten luisen,
 
En ick was van weelde hier uyt geloopen,+
 
En van armoe quamen wij weder met hoopen.
 
Ick en comer niet weer myn levens dagen,
 
Of men souder my tegen mijn danck moeten dragen,
 
Ick wed, gij en hadt daer oock niet gebleven.
 
W.
 
Hebdij niet me gebrocht om dees heeren te geven?+
 
Teen present of tander om u te gedencken?
 
K.i.k.
 
Ick heb niet t'over dan een liedeken te schencken,
 
Daer ick de boeren over tafel me placht te verheugen:
 
Heij, dat de wijn soo diere is,
 
Dat doen de besuckte1) ‘bedruckte,+
 
Behenckte2) ‘bewenckte2) ‘bekrenckte3) ‘boeren.
 
Sij suijpen zich vol ‘sij rasen zich dol,
 
En makent al in roeren.
 
Loop, boeren, loop ‘gij karels, loop,
 
Behenckte ‘bewenckte ‘bekrenckten hoop,+
 
Loopt melcken uwe koe,
 
En hebt Sint Felten4) toe, toe, toe.
 
W.
 
Maeckte gijse daer me bly? Dat warense haest moe,
 
Dat heeft haer meer tot gramschap verweckt.
 
Maer wat was u bootschap, mij dat ontdeckt,+
 
Dat gij soo stoutelijck hier sijt gecomen?
 
K.i.k.
 
Dat myn heeren hier vergaert souden zyn had ick vernomen,
 
So docht ick mij selven daer toe te vercloecken,
 
Om ootmoedelijck bij requeste te versoecken,
 
Voor mijn getrouwen dienst, die ick wel mocht hebben gedaen,+
 
Om mijn betaling hier van dese stadt tontfaen,
 
Voort perijckel, daer ick mijn lijf wel mocht hebben geset5).
 
W.n.
 
Een request te presenteeren? Soo had ick oock gelet,
 
Datse den suppliant toch souden willen verlienen.
 
Teen offitij of 't ander om te bedienen,+
[p. 155]
 
Want twercken is mij thans ongelegen,
 
En daer is geen offitij of daer sijn hondert handen tegen,
 
Dus ist best onder den duijm1) versocht.
 
W.
 
Soo heb ick den besten raet voor ons drijen bedocht,
 
Want luttel moijte is doch ons begeeren.+
 
Wij sullen ons selven hier gaen presenteeren,
 
Dat dunckt mij best, als getrouwe knechten.
 
W.n.
 
Dats waer, ick sal mijn heeren wel waernemen2),
 
W.
 
En ick de maeltijt versorgen,
 
K.i.k.
 
En ick voor 't lant vechten.+
 
Neemt ons drijen doch in danck voor een present.
 
W.
 
Het gaet wel daer elck hem selven kent,
 
Al hebben wij twistich tegen malcander gekeven.
 
K.i.k.
 
Tis tans quaet onbenijt op de werelt te leven,
 
Dus oorlof, mijn heeren, wij moeten verspreijen.+
 
W.n.
 
Nochtans soud ick niet gaern uijt dit hof scheijen.
 
U willige dienaers wij tot allen stonden ‘staen.
 
W.
 
Hoordij van onsen grooten arbeijt, wiltet van monde ‘slaen3),
 
Want niemant en gaet hem tot wercken pijnen.
 
Wij en sijn niet veel beter dan wij hier en schijnen,+
 
Dat neem ick4) op de deucht, die ons overschiet.
 
K.i.k.
 
Want om de keur en viel ick vande balck niet5).
 
Hier mede, oorlof, mijn edele heeren.
 
W.
 
Wilt onse faūten ten besten keeren,
 
Al is de konst kleyn, laetet wel zijn genomen.+
 
K.i.k.
 
Gij meuchtet soo maken, wij sullen morgen weer comen. Liefd' is 't fondament.
 
finis.

n. van der laan.