Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 49


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 49. E.J. Brill, Leiden 1930  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

Kleine mededeelingen.

156. Kink.

In 't Wdb. d. Ned. T. worden drie woorden van deze vorm vermeld, nl. kink 1. ‘slag of stomp’ enz., 2. ‘draai, kronkel’ enz., 3. ‘pink’, 't Laatste is niet enkel een ‘kindernaam’, maar de algemeen gebruikelike benaming voor de kleinste vinger, altans in Maastricht, Sittard enz.

Niet vermeld wordt dat 't eerste woord vroeger ook voor ‘deuk’ in zwang moet zijn geweest, zoals blijkt uit de volgende plaats bij Hooft, Br. 2, 382: ‘Hoe de studiën ... maghtigh zijn een murw vrouwengemoedt zulx te verstaelen ..., dat de felste schichten der Fortujne kinken, jae, daer in, maer geen' wonden kunnen maeken’, d.w.z. ‘dat de kwaadaardigste pijlen van de Fortuin er wel deuken, maar geen wonden (gaten) in kunnen maken’. In 't Wdb., dat zelf deze plaats aanhaalt (7, 3093), wordt die vragenderwijs, maar m.i. verkeerd verklaard door ‘kinken’ te beschouwen als een verbale vorm met de betekenis ‘afstuiten (op)’, wat niet alleen verboden wordt door ‘in’ (zoals de verklaarder zelf min of meer erkent), maar ook door de woordschikking.

De begripswijziging van ‘slag’ tot ‘deuk’ ('t resultaat van een slag) is te vergelijken met Ndl. beet, breuk, scheur e. dgl. en met Eng. dent ‘deuk’ (vroegere betekenis ‘slag’).

 

Leiden.

j.h. kern.

[p. 160]

157. Vondels Vertroostinge aan Geeraard Vossius (1633).

Met belangstelling heb ik kennis genomen van het artikel van mej. dr. C. Catharina van de Graft, getiteld Eenige Vondelvarianten, in dl. 48, afl. 4 van dit Tijdschrift. Mag ik echter eene vraag doen naar aanleiding van het volgende, dat ik lees op blz. 253?

Vertroostinge aan Geeraard Vossius (1633) bevat, behalve twee taalkundige wijzigingen, één tekstvariant. In de oudste uitgaaf, Verspreide Gedichten 1644, luidt de vijfde strofe:

 
Hij schut vergeefs zich zelven moe,
 
Wie schutten wil den starken vliet,
 
Die van een steile rotse schiet,
 
Naar haren ruimen boezem toe.

In Poëzy 1650 en Poëzy 1682 luidt deze laatste regel:

 
Naar eenen ruimen boezem toe.

De eerste lezing drukt beter de eenheid uit van den stroom met den zeeboezem die hem opneemt, beeld van de ziel die zich vereenigt met God; daarom verkoos ik den tekst van 1644’.

 

Mijn vraag is: had Vondel dan niet moeten schrijven: Naar zijnen ruimen boezem toe? Grammaticaal zou haren wèl kunnen slaan op het femininum ‘steile rotse’ maar niet op het masculinum ‘starken vliet’. Zou dit niet de reden kunnen zijn, waarom de dichter haren in eenen veranderd heeft?

 

c. bake.