Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 50


auteur:


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 50. E.J. Brill, Leiden 1931


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 33]

De datering van Vondel's Geuse Vesper.

De datering van Vondel's Geuse Vesper staat nog altijd niet vast. De nieuwe Vondel-uitgave tekent, deel III blz. 339, aan: ‘Van omtrent 1631?’, daarmee berustend in een non liquet. Prof. De Vooys voegt hieraan o.a. toe: ‘Al nemen wij dus niet met Van Lennep-Unger aan, dat het onmiddellik na de terechtstelling ontstond, wij zouden het liever omstreeks 1625 plaatsen, gelijk ook Dr. M. de Jong onlangs deed’.

Nu is zo'n voorzichtige berusting begrijpelik, omdat aan de datering van dit zo persoonlik-krachtige gedicht veel vastzit, het hele beeld namelik van Vondel's houding, als mens en als dichter, bij het grootste en bitterste geschil dat hij aanschouwd heeft, de tragedie van Johan van Oldenbarnevelt; die hem diep heeft geschokt, zó, dat hij er onafgebroken maanden, wellicht zelfs jaren (zo Sterck, Vondel II Inleiding) lang mee bezig is geweest, terwijl hij zijn Palamedes dichtte. Het karakterbeeld van Vondel: als spontaan-heftig reagerend dichter, wie al wat op 's harten gront leit naar de keel welt, moet op dit punt wellicht worden geretoucheerd, wanneer de Vesper waarmee hij de Geuzen uitluidt eerst 'n twaalf, of ook maar 'n zes jaren na de terechtstelling van Vader Oldenbarnevelt zou zijn ontstaan. ‘Het beeld des hekeldichters’ kan weliswaar slechts ontworpen worden met behulp van alle gegevens uit alle hekeldichten. Maar de Geuse Vesper is en blijft hèt gedicht dat nog eeuwen nà zal trillen in de oren en harten van het Nederlandse volk. Daarom is er zo zeer veel aan gelegen dat we weten wanneer juist deze strofen Vondel naar de keel geweld zijn.

De uiterlike, bibliografiese aanwijzingen zijn onvoldoende voor 'n nauwkeuriger bepaling dan de tijdsruimte tussen 14 Mei 1619, de datum van Oldenbarnevelt's terechtstelling, en 't jaar 1631, toen verscheen het Antwoord op het Lasterlijck Geuse Vesper.

[p. 34]

Aangezien hetgeen wij weten omtrent Vondel's ‘innerlike ontwikkeling tot hekeldichter’, na alles wat erover geschreven is, ook na de studie van Dr. M. de Jong in dit Tijdschrift deel 48, m.i. ontoereikend is, wegens de niet-overtuigende kracht der uiteenzettingen, willen we beginnen met hetgeen Brandt in z'n Leven van Vondel dienaangaande meedeelt nauwkeurig te lezen. Eerst aan 't eind van ons opstel zullen we de vraag naar 't zogenaamde psychologiese gebeuren bij Vondel nog aanroeren.

Steeds, en terecht, is aan Brandt's mededeling grote waarde gehecht; ook Dr. De Jong maakt van zijn gegevens tenslotte de kern en de steunpilaar van z'n hele betoog (zie bv. blz. 300 en 313). Maar de interpretatie van zijn woorden behoeft mijns inziens herziening.

De totale passage voor ons van belang loopt van regel 440 tot 480 in de uitgaaf van Hoeksma.

Van regel 417 af, waar 't jaartal MDCXXV in de rand staat, tot regel 672, dus zeer uitvoerig, worden Vondel's leven en werken in het jaar 1625 behandeld. In regel 440 wordt het bijzonder Treurspel, de Palamedes, genoemd, waarvan reeds in r. 434 e.v. staat te lezen: ‘Maar ontrent de zelve tydt vondt hy stof, om zich zelven en zynen voortgangk in de dichtkunst naader te vertoonen: niet alleen door zyne Begroetenis aan zyne Vorstelyke Doorluchtigheit Fredrik Henrik, ... maar ook door 't maaken van een byzonder Treurspel’. Dit vinden van stof slaat dus niet op het zoeken on vinden van de stof voor de Palamedes, want het maaken daarvan, niet de mogelik langdurige voorbereiding ervoor, is het middel voor Vondel om zijn voortgang te tonen. Nu volgen r. 440-442: ‘Doch 't geen hier gelegentheid toe gaf, dient van wat hooger opgehaalt’. Hoewel het jaartal MDCXXV steeds, bv. ook naast r. 447, waarover zo dadelik, in margine blijft verschijnen, is het duidelik dat het nu (r. 443 e.v.) volgende gaat handelen over feiten vóór 't jaar 1625 geschied; immers het stuk begint met Vondel's godsdienst: ‘Hy hadde in 't stuk van Godtsdienst

[p. 35]

de leere der Doopsgezinden, volgens 't onderwys zyner ouderen, aangenoomen’, wat vele jaren vroeger is geschied.

Daarop volgt de zeer belangrijke zin r. 447-451: ‘Maar toen de geschillen tusschen de Remonstranten en Contraremonstranten op het hoogst waaren geloopen; en d'eerste veroordeelt waaren, hunne Predikanten afgezet, uitgezeit, gebannen, en, intkoomende, ter eeuwiger gevangkenisse verweezen, koos hy d'onderleggende zijde’. Hoewel nu, toevallig, juist naast r. 447 opnieuw MDCXXV in margine staat, kan deze zin slechts slaan op de gebeurtenissen van 1619, aangezien toen bij besluit van de Dordtse Synode de Remonstrantse predikanten werden veroordeeld en afgezet. Ergo: onmiddellik in 1619 koos Vondel de ‘onderleggende zijde’, wat niemand zal verwonderen, iedere tijdgenoot van hem verwacht zal hebben.

Verder heet het in r. 461-'3: ‘Zyn genegentheit tot de Remonstranten was oorzaak van dat aardigh gedicht op de Hollandtsche Transformatie, dat in yders handen is’. Dit gedicht nu, bij de bekende plaat met de weegschaal, is ontwijfelbaar van het jaar 1618. We willen er dus even bij stil staan. Het wordt door Dr. De Jong aan Vondel ontzegd, op grond van 't feit vooral dat de dichter zich hierin een man toont met een bezonken oordeel en een helder inzicht, en zich onthoudt van sterke uitdrukkingen, uit zelfbeheersing. Andere schrijvers, bv. Te Winkel en Leendertz, leggen deze bezonkenheid anders uit, en wel als hartstochteloosheid, de houding van iemand die buiten de twisten staat. Men bedenke: het gedicht dateert van vóór de katastrofe, en Vondel was een buitenstaander bij 't geding van Gommer en Armijn, want Doopsgezind Dr. De Jong ontdekt in Brandt's opgaven tegenstrijdigheden (blz. 299-300), die hem dan steunen in zijn mening over de Transformatie. Maar die tegenstrijdigheden bestaan niet voorzover ik zie. Immers: de boven aangehaalde zin r. 461-'3 is bij Brandt slechts een toelichting van z'n mededeling in r. 455-'6: ‘Dit gaf elk oorzaak te zeggen, dat hy geheel Remonstrants was geworden’, wat slaat op veel

[p. 36]

vroeger tijd, bv. 1619. De verschillende feiten in de passage 440-480 staan niet in chronologiese orde; was bv. in r. 461 dient men op te vatten als ‘was geweest’, d.i. in 1618. En dus is 't onjuist te zeggen: ‘We vinden de Transformatie hier dus gevat tussen en verbonden met mededeelingen, die Brandt uitdrukkelijk stelt op het jaar 1625’ (De Jong blz. 300).

Dr. De Jong bazeert op zijn ontzeggen van de Transformatie aan Vondel de datering der andere hekeldichten. Het luidt op blz. 313: ‘Ontkent men echter Vondel's recht op Transformatie (en Gespreck), dan verliest de traditie haar grond: de ongedateerde Barneveltiana hangen in de lucht en gehoorzamen aan de kracht van Brandt's uitspraak bovengenoemd’. Deze uitspraak luidt, r. 465-'7: ‘ ... den onthoofden Advokaat, die te deezer tydt stof werdt voor zyne pen; en dat op 't aanraaden, zoo hy plagh te verhaalen, van iemant, daar men 't nooit van zou vermoeden’. Hier dus, in r. 465, keert Brandt, na een intermezzo van 21 regels, terug naar z'n woorden in r. 434: ‘maar omtrent de zelve tydt vondt hy stof’. Deze regels 465-'7 zijn totnutoe, voorzover ik zie, algemeen toegepast op Vondel's hele dichtwerk over Barnevelt, insluitend de hekeldichten, met de Geuse Vesper; ze slaan echter blijkbaar op de Palamedes alleen, wat ten overvloede nog blijkt uit dat van r. 466. De schepen Albert Koenraadts Burgh toch heeft Vondel aangezet tot het schrijven van dat treurspel, niet tot de overige Barneveltiana. Wanneer dat ‘aanraaden’ door Burgh is geschied kunnen we moeilik nauwkeurig vaststellen; het zou van gewicht zijn dit te weten. Het enige houvast is wat Brandt r. 472 zegt: dat Burgh in 't kort andere inzichten hadt of kreegh dan zyne voorderaars, d.w.z. kort na z'n aanstelling in 1618. Ook mogen we wel aannemen dat hij, toen hij Vondel ontmoette, bekend was met diens houding; en is het te gewaagd om aan te nemen dat deze bekendheid berustte op gedichten over Oldenbarnevelt door Vondel gemaakt? Dan zouden we dus ook op deze grond hekeldichten, een geruime tijd vóór de Palamedes gemaakt, mogen aannemen.

[p. 37]

Onze samenvatting over Brandt's passage luidt: zijn mededelingen op het jaar 1625, mèt de inlas over vroégere jaren, laten voor de niet-gedateerde hekeldichten over Oldenbarnevelt de gehele tijdsruimte open na 14 Mei 1619. De Hollandtsche Transformatie van 1618 is een praeludium, waarin Vondel's toon nog niet hartstochtelik-bewogen is, maar waarin men het thema reeds verneemt, dat weldra in alle hevigheid zal opklinken. En wat, ook voor de Geuse Vesper, van belang is: zowel de kerkelike als ook de politieke verhoudingen zijn er voor Vondel onderwerp van behandeling.

De Geuse Vesper namelik vertoont het vereenzelvigen van kerkelike en politieke geschillen in de sterkste graad. En dit is reeds een zeer belangrijke reden om het gedicht te plaatsen kort na Oldenbarnevelt's terechtstelling. Immers: het hoogtepunt der kerkelike twisten werd bereikt op de Dordtse Synode, met de veroordeling en afzetting van de Remonstrantse predikanten, op 24 April 1619. Dat der politieke met de veroordeling van Oldenbarnevelt, en zijn terechtstelling op 14 Mei 1619. Daar beide processen gelijktijdig plaats hadden, werden ze door de publieke opinie licht vereenzelvigd als de machtsuiting van één centrum, waartoe bovendien de houding van Prins Maurits, aangezet door mannen als Graaf Willem Lodewijk van Nassau en François van Aerssen, overvloedig aanleiding gaf. Groen van Prinsterer zegt, met verwijzing naar Carleton: ‘Door de hardnekkigheid der Remonstranten op de Synode ... werden de regters (van Oldenbarnevelt) tot meer gestrengheid gestemd’ (Handboek der Geschiedenis van het Vaderland6 blz. 214). Vondel, de felste en zuiverste tolk van wat in de harten der ‘onderleggende zijde’ klopte, deed niet anders.

De vraag welke van de beide groepen hekeldichten psychologies primair is, de Barneveltiana of de ecclesiasticana, wordt vanzelf beantwoord, wanneer beide motieven van den beginne zó nauw verbonden optreden.

 

Spreekt de inhoud van het gedicht speciaal voor déze tijd

[p. 38]

van ontstaan, de tijd betrekkelik kort na Oldenbarnevelt's terechtstelling? We moeten daarvoor karakteristieke plaatsen trachten te vinden; en die zijn er ons inziens, plaatsen die beter in de jaren 1619-1620, vooral 1620, passen dan ergens anders. Vooreerst de verzen 35 en 36:

 
Vreest den worm, die desen rechter
 
't Hart afbijt.

Er is blijkbaar één rechter geweest die bizonder de aandacht heeft getrokken. Al zou men dit enkelvoud kunnen opvatten als 'n algemene term voor alle 24 rechters, het doet zeker meer recht aan Vondel's echte, spontane toon wanneer we één van hen als het objekt kunnen aanwijzen dat getroffen wordt. Uitvoerig is door Leendertz, dit Tijdschrift 35 blz. 17-23, betoogd dat deze éne rechter geweest zou zijn: Hugo Muys van Holy, uit Dordt. Het lijkt mij echter uitgesloten dat Vondel zou gedacht hebben aan een dode. Veeleer stond hem een levende voor de geest, en wel de spoedig na de voltrekking van 't vonnis krankzinnig geworden Anselmus Salmius (Brandt: Historie van de Rechtspleginge enz., bij Leendertz, t.a.p. blz. 19-20). Niet dat deze zich in enig opzicht tijdens het proces van de rest behoeft onderscheiden te hebben, maar zijn geestes-storing is het schrikkelik symbool voor de gemoedstoestand van al de vierentwintig, een voorafschaduwing als 't ware van wat hen allen te wachten staat. Het komt mij dan ook voor dat H. Moller, dit Tijdschrift 43 blz. 64, aan Vondel een tè uitsluitend bitse bedoeling toeschrijft, nl. ‘hun gewetensangsten niet te sussen, maar nog feller aan te wakkeren’. Wel zijn verscheidene regels scherp en fel, maar de grondtoon van deze Vesper is een diep erbarmen, met de rechters zo goed als met hun slachtoffer. Overigens neemt Moller t.a.p. blz. 68 zonder meer aan dat de Geuse Vesper gedicht is nà de Palamedes.

Deze Salmius nu heeft nog vele jaren geleefd, tot 21 Febr. 1640, en dus zou Vondel, wanneer de toon van zijn verzen en het Antwoord van 1631 dit niet verboden, de Geuse Vesper zelfs nog in 1640 hebben kunnen dichten.

[p. 39]

Nu komen daar echter twee andere verzen bij om de datering nog meer definitief naar achter te schuiven. Het zijn de regels 31 en 32:

 
Niemandt kan de wellen stoppen
 
Van die Moort.

De aantekening in de nieuwe Vondel deel III blz. 340: ‘De eigenlike bron van hun zieleangst, die uit het bedrijven van die moord voortkwam, kan door niemand gestopt worden’ lijkt mij niet zuiver genoeg. De ‘bron van hun zieleangst’ namelik is de moord zelf, terwijl Vondel spreekt van de wellen van die moort. Wat zijn die wellen? De gierigheyt en wreetheyt beyde van vers 17, vooral de eerste, onderstreept door de regels 21 en 22:

 
(Zy) Suchten: Wat kan ons vernoegen
 
Goet en bloet?

Wanneer men dit goed in 't oog vat, dringt zich onafwendbaar de gedachte op dat Vondel met deze twee regels gezinspeeld moet hebben op een zeker gebeuren, een zekere poging om die wellen te stoppen. Anders verbleken ze tot een veel minder zeggende algemeenheid, met weinig kleur, zonder bewogenheid, in de Geuse Vesper al zeer misplaatst. Dié stem van 't geweten kan niet gesmoord worden, zegt Vondel, die steeds weer maant aan de gierigheyt en wreetheyt. Heeft men, hebben de rechters, spoedig na de terechtstelling van hebzucht beschuldigd, een poging aangewend om die stem te smoren, de stem der openbare mening, en waarschijnlik ook de stem in hun eigen binnenste? Het antwoord is niet twijfelachtig: het speciaal bijeenkomen, in Juni 1620, van een aantal rechters om de verbeurdverklaring van Oldenbarnevelt's goederen te rechtvaardigen op grond van een veroordeling wegens het crimen laesae Majestatis, waarover men zie: Leendertz, t.a.p. blz. 22, is zulk een poging; een poging echter, uitgelopen op de verklaring van 6 Juni 1620, die de schuld der rechters eerder verzwaard heeft dan verlicht, en waarop Vondel's

[p. 40]

regels bizonder van toepassing zijn. Het beeld keert overigens weer in de Gysbreght van Aemstel vss. 79-80; de wel die Gysbreght hier zou willen stoppen met een sprong in een poel, waarbij hij zijn leven zou laten, zijn de bitterheid des volx en d'oude wrock in vers 65, die hem jarenlang in ballingschap hebben doen zwerven. In de Geuse Vesper zijn het beeld en de verzen waarin het is vervat fraaier en feller dan in de Gysbreght.

Ik aarzel niet te besluiten dat deze verzen, en dus de hele Geuse Vesper, in 1620, kort na, wellicht ook kort voor de 6de Juni, zijn ontstaan.

 

Stellenbosch.

a.c. bouman.