Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 52


auteur:


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 52. E.J. Brill, Leiden 1933


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 301]

Bij ‘oe-relicten...’

Doordat bovengen. stuk (blz. 18 vv. hiervóór) ten slotte niet meer in dl. LI plaats heeft gevonden, klopt in mijn aanhalingen de paginering niet. Men leze op blz. 20, r. 14 v.o.:38 v.; 24 r. 17:32; 25 r. 14 v.o.:39; 26 r. 12 v.o.:31; 30 r. 1:38, r. 18:20; 31 r. 7:26; 38 r. 13 v.o.: 25, 10 v.o.:29, 6 v.o.:36. Voorts 35 noot 2 l.r., in plaats van boven: Ts. LI.

Tevens moge ik het betoog, dat in Westerwolde zich Friezen hadden gevestigd, versterken door naast Westerwolds beetse (bov. blz. 20) te plaatsen wat ik in Nieuw Groninger Wb. vind: Ww. mij ‘groenland dat bij hoog water onderloopt’, De Mijn̥ ‘laag land tussen de dijken van de Westerwoldse A’. Dit is even Fries als Hogelands mij ‘laag gelegen land’ en als elders in Gr. maidn̥ en dgl. (pl.) ‘veld van laag grasland’. [Ofri. mêde ‘weide’ (ags. mǽd) is in 'n deel van Gr. behandeld zoals de dranknaam mēde, oude Hogelandster uitspr. mij: ēde en êde contraheren, en daarna diftongeren ze]. Verder komt hammerk (bekend op de Dollardpolders in plaatsn.) in Ww. voor als ‘marke, dorp’; het zet voort oostfri. hā̆mmmerk(e) (-reke met epenth.) ‘dorpsgebied, mark’. Koem, dat in andere sfeer hoort, z. volg. al.

In NGN VIII 26 vv. bepleitte ik de aanwezigheid van 'n oude Friese bevolking in en bij de stad Gron.; daarvóór spreekt ook hemmerk. Men gewaagt telkens van Ooster- en Wester (stads) hamrik, maar - ik hoop het elders nader te tonen - de middeleeuwse bronnen hebben hem-, zoals in 't owestfri., dat hemmerk, hem(me)rick heeft. En ten Z.v. Gr. was 'n Heltmer Osterhemmerke. (Ham- uit het Oosten opgenomen toen de stadstongval 't woord niet meer had? Tans in de stad alleen uit de schrijftaal bekend; vandaar mv. tans -ikken, want men

[p. 302]

leest (en zegt) ì). Zulke bodenständige woorden zijn even veelzeggend als b.v. pet - niet put - ‘gegraven kuil, inz. veenplas’ dat evenzo in 't Gorecht gebruikt wordt als in 't Westerkw., De Marne en Frsl. In dit licht beschouw ik ook als fri. Westerw. koem ‘kom (subst.)’, (in de Ommel. en in Frsl. deels oe deels o; dit kûm kom in Frsl. is als krûm krom e.v.a.); rekking van u vóór nas. + muta is niet Saksies, altans niet in deze streken. - Verdere fri. woorden ken ik wel als Stadgronings, maar moeilik is te bewijzen dat ze niet afkomstig zijn uit het land; het verkeer daarmee was steeds biezonder groot. Maar daar de steden, niet het minst Groningen, veel grond bezaten, is toch wel echt Stads de lengtemaat ‘ga(a)rdvoet’; 't Stadboek heeft veerteen gaerd vote als de stad rode daermen erve ende lant bi verkopet, en blijkens Rijksarch. Gron. 1317, no 3, (afs.) verkocht de stadsregering 'n erf bij de Markt, twalff garde voeten breet. Mnl. Wb. kent buiten Gron. alleen geerdvoet uit 'n plaats in Fri. Stadsrechten; het is dan ook = ofri. ierdfôt ‘roedevoet’, met i als pal. spirans.

En reeds in 1499 noemt 'n or., Rijksarch. no 3, de steen tyll in de stad met het fri. til(le), oorspr. ‘houten brug’ < ‘plank’.

 

Groningen.

w. de vries.