|
|
|
| |
| | | |
De ‘Wilde Yr’ bij Vondel en elders.
Na lang weerstand geboden te hebben aan den op haar uitgeoefenden aandrang, geeft Badeloch toe en verklaart zij zich bereid den aangewezen leidsman der vluchtelingen, Broer Peter, te volgen, al ware het ‘of na den wilden Yr, of aen de Noordsche kust’1). De laatste plaatsaanduiding staat mogelijk voor het einde der wereld, ultima Thule; wil zij met de eerste zeggen dat zij den gids de gehoorzaamheid niet zal opzeggen, zelfs indien deze haar eventueel zal voorgaan onder de minst gastvrije barbaren2)? Zoo schijnt de uitgever van Gysbreght in modern gewaad deze plaats op te vatten: ‘de Ieren waren toentertijd [in 1304? of in 1637, toen zij konden bogen op landgenooten als de Protestantsche kerkhistoricus James Ussher en de voortreffelijke annalisten en hagiografen in het Franciscaansche klooster van St. Anthonius te Leuven?] zeer onbeschaafd’3). Van Lennep gaf zijn meening in althans wat welwillender vorm: ‘in de dagen van Vondel was Ierland nog weinig bekend, en de inwoners werden als halve wilden beschouwd’. In den grond is zijn voorzichtiger geformuleerde uitlegging evenwel dezelfde, en ook de toelichting op de spreekwoordelijk verbreide uitdrukking ‘wilde Ier’ bij Harrebomée, Prof. Stoett en in de noot in de Wereldbibliotheekuitgave (III, bl. 596) wijkt hiervan niet af. Evenmin geheel bevredigend is het artikel Ier (I) van het Woordenboek, waarin de oudere
verklaringen zijn verwerkt en aangevuld:
| | | | ‘de Ieren staan van ouds hier te lande als ruwe, woeste lieden bekend’. Dit generalizeerende oordeel moge al ten grondslag liggen aan de latere spreekwoordelijke verbreiding in de volkstaal, aan het ontstaan van de uitdrukking is het ten eenenmale vreemd. Oorspronkelijk, en denkelijk nog bij Vondel, heeft de ‘wildheid’ van den Ier niets met zijn volksaard uit te staan, zoodat de vergelijking met den ‘lompen of norschen Deen’ en den ‘dronken Lap’ (waaraan misschien de ‘wilde Saks’ toegevoegd zou kunnen worden) slechts gedeeltelijk opgaat. Anders gezegd: wild heeft hier, althans aanvankelijk, niet de beteekenis van saevus, maar van silvestris (ME. Lat. ook sylvestris, sylvaticus > Fr. salvage > salvaticus1)), en is in deze vaste verbinding geen epitheton ‘ornans’, doch een distinctivum, hetzelfde, waardoor onderscheiden wordt de int wilde (in silva) voorkomende variëteit van een genus, waarvan ook het getemde of gekweekte type bekend is2). De wilde Ier (Hibernus silvestris) is namelijk de onafhankelijke Gael uit de binnenlanden, die tot zijn onder Engelsch gezag levenden landgenoot in de kuststreek (English Irish) in dezelfde verhouding staat als de gevluchte en vrijheidminnende Boschneger tot den onderworpen
plantageslaaf. Dat de uitdrukking hier te lande niet eerst ten tijde van Leicester spontaan opgekomen is, zooals Harrebomée aannam, wordt door Prof. Stoett en minder stellig in het Woordenboek te kennen
gegeven. Het valt echter op dat ook hier niet gerept wordt van den vreemden oorsprong van dezen geïmporteerden term, die een zoo duidelijk etiket ‘English made’ draagt, en dat terwijl Everhardt van Reyd in de veel aangehaalde plaats van zijn geschiedverhaal daarvan reeds nadrukkelijk gewaagt3). Inderdaad was de uitdrukking ten tijde van Vondel en reeds vroeger
| | | | uit het Engelsch en Latijn in het Kymrisch, Fransch, Italiaansch en Duitsch, en vermoedelijk ook in het Spaansch overgegaan. Voor de latere geschiedenis vooral in de Engelsche litteratuur kan thans verwezen worden naar een belangrijke studie van Edward D. Snyder, welke ongelukkig bij de bewerking van het artikel van het Woordenboek nog niet beschikbaar was1).
Als uitgangspunt is dit rijk gedokumenteerde, ofschoon uiteraard onvolledige overzicht waardevol. Daarentegen kan men bezwaren hebben tegen het gezichtspunt, waaruit het materiaal bewerkt is en de conclusies, die de schrijver eruit trekt. Snyder immers, die een speciale studie gemaakt heeft van de ontvangst, welke den ‘Ossianischen’ zangen van MacPherson ten deel viel, is sterk onder den indruk van den onbarmhartigen spot, waarmee deze nieuwe dichtsoort door een deel van het publiek destijds begroet werd. Zonder voldoende rekening te houden met den klassiek geschoolden smaak der lezers, die het hun moeilijk maakte deze vroege romantiek te genieten, schrijft hij die afwijzende houding toe aan ‘instinctive racial prejudice, political bitterness, and religious differences’ (bl. 688). De uitdrukking ‘wild Irish’ nu, door hem, evenals door onze Vondelcommentatoren, spreekwoordenverzamelaars en lexicografen, te uitsluitend opgevat als een ‘opprobrious term’ (bl. 689)2), is in zijn oog symptomatisch voor deze zonder twijfel overdreven celtophobe geestesgesteldheid, en aldus komt ook hij er toe het dikwijls volkomen neutrale gebruik daarvan, ook in oudere teksten, te miskennen. Voor hem is ‘the Wild Irish phenomenon’ niets minder dan ‘a prejudiced way of writing Celtic history, or an inordinate
| | | | desire to satirize anything and everything Celtic, whether Irish, Scottish or Welsh’ (bl. 687) - het ontgaat hem dat het verschrikkelijke adjectief, waarmee de zelfgenoegzame Engelschman zijn uiterste verachting voor de bewoners van de ‘Celtic fringe’ heet uit te spreken, het eerst toegepast is.. op zijn eigen stamgenooten.
Niet op allen evenwel! Wij zijn in de dagen van Willem den Veroveraar, in 1067. De slag van Hastings is gestreden, de krachtigste voorvechters, koning Harold en zijn broeders, zijn gevallen, het volk, van zijn leiders beroofd, heeft moedeloos het hoofd in den schoot gelegd. Slechts enkele (min of meer) onverzoenlijken trekken zich terug in de minder toegankelijke streken van het westen, waar zij voorloopig buiten het bereik van de Normandische wet zijn, met andere woorden, zij begeven zich in outlawry en gaan de ‘wildernis’ in. Een van de voornaamste verzetsleiders, Eadric, draagt dan ook in de geschiedenis den bijnaam Guilda (latinizatie van wilde), id est Sylvaticus1), en men mag veilig aannemen dat deze term geen veroordeeling van 's mans karakter of manieren inhoudt, doch slechts een tegenstelling met zijn landgenooten, die zich wel onder vreemd gezag konden schikken, uitdrukt. Deze zelfde tegenstelling vinden wij steeds terug waar van Keltische ‘wilden’ sprake is.
Snyder spreekt niet van ‘wild Welshmen’, en toch komt het epitheton het eerst voor in betrekking tot de dikwijls opstandige en altijd frondeerende bevolking van Wales2). Uit een voornaam Normandisch geslacht, dat sedert het einde van de 11de eeuw gevestigd was in Pembrokeshire en zich daar vermaagschapt had aan de inheemsche vorsten, sproot de
| | | | geestelijke en historicus Giraldus de Barri (omstreeks 1146-1223), die zich in 1176 en 1199 niet zonder luidruchtigheid opwierp als kampioen voor de onafhankelijkheid van de metropolis van zijn vaderland, St. David's, ‘propter honorem Walliae’. Sedert draagt hij in de geschiedenis den eerenaam Cambrensis (d.i. ‘de Welshman’); zijn tegenstanders, Anglo-Normandiërs en ‘loyale’ Welshmen, noemden hem om dezelfde reden liever Giraldus Sylvester1). Een nog ouder voorbeeld biedt ons de geschiedenis van den legendarischen Britschen profeet, Merlijn (Myrddin). Galfridus van Monmouth heeft deze romantische figuur, zoo al niet geschapen, dan toch in de wereldlitteratuur ingevoerd door zijn beide groote werken, de Historia regum Britanniae, waarin deze optreedt als de tooverkundige raadsman der koningen Vortegirnus en Uther Pendragon, en de poëtische Vita Merlini, waarin hij de latere avonturen beschrijft van den ziener, die in zijn levensavond het hof van zijn zwager, koning Rodarchus, ontvlucht om profeteerende door het Caledonische Woud te zwerven. De ‘profetieën’ nu, die uit deze beide levensstadia afkomstig heeten te zijn, verschillen onderling niet onbelangrijk in stijl en duidelijkheid, en reeds vroeg heeft men gemeend dit te kunnen verklaren door ze aan twee verschillende auteurs toe te schrijven, die dan als de hoveling Merlinus Ambrosius en de vrijheidminnende boschman Merlinus Silvestris onderscheiden worden. In dit verband is de term lang voor Vondel hier door Maerlant ingevoerd - minder juist overigens, want deze bedoelt den eersten -, in zijn hoofdstuk
Van Merline den
wilden2).
Ook op Schotland, met zijn Germaansche, aan den koning
| | | | te Edinburgh onderworpen bevolking in de Laaglanden en zijn vrijwel onafhankelijke Gaelische clanns in de ontoegankelijke Hooglanden, is deze terminologie van ouds toegepast. Reeds de Fransche dichter Jordan Fantosme spreekt kort voor 1180 van Escoce la salvage1). Duidelijker zijn de verzen, waarin Laurence Minot omstreeks 1352 de beide bestanddeelen van het in 1333 bij Halidon Hill verslagen Schotsche leger onderscheidt:
Thare was crakked many a crowne
Of wild Scottes, and alls of tame2).
Snyder geeft de juiste verklaring van de beide epitheta, maar kan niet nalaten daaraan de opmerking toe te voegen: ‘but the adjective [wild] did not suit the Scottish temperament well enough to come into general use, and in its place we find occasionally another choice characterization, “a wily Scot”’3). Dat de karakterizeering niet in de eerste plaats betrekking heeft op temperament, behoeft na het voorafgaande niet meer betoogd te worden, en ook de gangbaarheid van de uitdrukking wordt hier onderschat. Men kan gerust zeggen dat deze althans in de geleerde litteratuur van de 16de en het begin van de 17de eeuw veelvuldig is, al moet daarbij worden opgemerkt dat daarin een pejoratieve beteekenisontwikkeling begint door te schemeren4). Het is alweer Maerlant, die ook
| | | |
die wilde Scotten bij ons ingevoerd heeft1).
Thans ten slotte, na de wilde Engelschen, Welshmen en Schotten, de ‘wilde Ieren’. Deze verbinding, de eenige, die zich tot heden gehandhaafd heeft, is van jongeren datum, hetgeen geen verwondering zal wekken als men bedenkt dat het na de eerste invasie (vanaf 1169) twee eeuwen geduurd heeft alvorens een Engelsche koning zich opnieuw persoonlijk met de Iersche zaken heeft bezig gehouden. De eerste, welke daartoe weer overging, was Richard II, die in 1394/5 en 1399 tegen de onafhankelijke vorsten een tweetal expedities ondernam, waarvan de laatste hem troon en leven zou kosten, immers,
Te recht vermoedt Snyder dat deze uitdrukking reeds voor 1399 gebruikelijk was (bl. 713): er bestaat een voorbeeld van uit den tijd van den eersten veldtocht. Uit zijn goede stad Develyn (Dublin, Mnl. Duvelingen) brengt Richard aan zijn broeder, den hertog van York, regent van het koninkrijk in zijn afwezigheid, den 1sten Februari 1395 verslag uit over den staat, waarin hij Ierland gevonden heeft. Hij onderscheidt daarin drie bevolkingsgroepen: de inheemsche Gaelen, die zijn gezag
| | | | niet erkennen; de afstammelingen der Normandische veroveraars in het binnenland, die inmiddels vrijwel geheel aan de overwonnenen geassimileerd zijn - dit zijn de zoogenaamde ‘Hibernicis hiberniores’, tegen wier hoogverraderlijke levenswijze (aanneming van Iersche taal, kleedij, recht) in de 14de eeuw herhaaldelijk geprotesteerd wordt -; en de loyale Engelsche bewoners van het reeds voor de verovering door de Noormannen gegermanizeerde Dublin, Waterford en de verbindende kuststreek (de ‘English Pale’): ‘en nostre terre Dirland sont trois maners des gentz. cestassavoir Irrois savages noz enemis. Irroix rebelx et Engleis obeissantz’1).
Van slechts enkele jaren later (1401) dateert een in de NED. geciteerde plaats, waarin de Latijnsche glosse aan elken twijfel aan de oorspronkelijke beteekenis van het adjectief een einde maakt: ‘Si Nicholaus Hogonona capellanus per suggestionem quod ipse fuit Wildehirissheman (Hibernicus et inimicus noster) in prisona... detentus existat...’2).
Nadat de uitdrukking, waarvan wij drie voorbeelden binnen zes jaren tijds vonden, eenmaal ingeburgerd was, verdween zij niet meer uit het spraakgebruik. Het schijnt overbodig uit het volgende tijdvak (1400-1550) nog talrijke Engelsche plaatsen te citeeren, bijv. uit het hoofdstuk Ierland van het merkwaardige tractaat over handelspolitiek, The Libel of English Policy (1436), dat in de volgende eeuw door opneming in Hakluyt's vermaarde Navigations etc. of the English Nation3) groote verbreiding heeft gekregen. Van meer belang voor ons doel is echter de mededeeling van Andrew Boorde in zijn humoristische beschrijving van tal van landen van Europa en daarbuiten:
Irland... is in the west parte of the world, & is deuyded
| | | |
in ii. partes. one is the Engly[sh] pale, & the other, the wyld Irysh ... The people of the Englyshe pale be metely wel manerd, vsing the English tunge; but naturally they be testy, specially yf they be vexed; yet there be many well disposed people, as wel in the Englysh pale as in the wylde Iryshe, & vertuous creatures, whan grace worketh aboue nature. The other parte of Irland is called the wilde Irysh, and the Redshankes1) be among them...2).
Deze plaats is in verschillende opzichten merkwaardig. De toestand in Ierland is blijkbaar vereenvoudigd doordat de oorspronkelijk Normandische baronnen thans zoo volledig in de Gaelische bevolking zijn opgegaan (‘verwilderd’), dat er geen aanleiding meer bestaat om naast de English-Irish in de Pale nog onderscheid tusschen ‘wilde’ en ‘rebelsche’ Ieren te maken. Nog altijd is de uitdrukking uitsluitend een politieke en vooral ethno-geografische term: vermoedelijk onder invloed van het klassieke spraakgebruik wordt met den volksnaam in het meervoud het land aangeduid. De opvatting van ‘wild’ in ongunstigen zin is nog steeds niet geheel doorgedrongen, al is de geest van dit hoofdstuk van Boorde onmiskenbaar ironisch. Trouwens, zelfs in den tijd tusschen 1550 en 1650, de periode van de volledige verovering en de bloedig onderdrukte opstanden, waarin de stemming jegens de Ieren steeds meer verbittert, overweegt nog lang het oorspronkelijk gebruik. Wij vinden dit bijv. zelfs bij Fynes Moryson, een der giftigste Engelsche schrijvers over dit land: ‘This Ireland, according to the inhabitants, is divided into two parts, - the wild Irish and the English-Irish living in the English Pale’3). Dikwijls wisselt het adjectief ook af met het neutrale woord mere < merus.
Bij dit traditioneele gebruik nu van den term in ethnogeografischen zin sluiten de Nederlandsche schrijvers zich vol- | | | | komen aan. Aldus doet reeds de Bruggeling Willem Weydts, die in 1570 te Madrid getuige was van de joyeuse entrée van Anna van Oostenrijk, Philips' vierde gemalin, waaraan luister werd bijgezet door de aanwezigheid van ‘prynsen ende graeven van Hynghelandt, van vylth Yerlandt ende noch veel heedeldom partykelyer van alle canten’1). De tegenstelling, die in de uitdrukking opgesloten is, wordt ter zelfder tijd juist weergegeven door Ortelius in de Nederlandsche versie van de oudere, beknopte redactie van zijn Theatrum Orbis Terrarum:
Al is dit een groot Eylandt op sy seluen aende West-syde van Engelandt gelegen, soo sijn de Coningen van Enghelandt nochtans Heeren daer ouer, principalick ouer de Oost-syde, daert mede na Engelandt siet. Maar anders binnen int Landt ende aen de Westsche Costen, ist al wilt volck, niemanden onderdaen, dan diuersche Heeren, diese onder hun hebben...2).
Zoo schijnt ook nog bij Vondel de volksnaam ‘wilde Yr’, staande naast de ‘Noordsche kust’, dezelfde traditioneele waarde van een aardrijkskundigen term als bij Boorde en Moryson te hebben.
Men kan zich echter afvragen hoe de uitdrukking te zijner kennis is gekomen, en vooral, wat de dichter zelf bij die ‘wildheid’ gedacht heeft. Dan moet rekening gehouden worden met den invloed der geleerde overlevering. Deze is van ouds onwelwillend jegens de Ieren en uiteraard conservatief: de humanistische kamergeleerde is geneigd de berichten zijner voorgangers te copiëeren zonder zich er steeds om te bekommeren dat deze in zijn eigen tijd niet meer met de werkelijkheid overeenkomen. Wanneer Strabo (IV, v, 4) de Ieren omstreeks het begin onzer jaartelling van anthropophagie beticht, en deze aantijging in de geleerde compilatiewerken de reeks karakteristieken opent, is daardoor al een ongunstige
| | | | stemming gewekt. Ernstiger onheil is echter aangericht door den reeds genoemden Giraldus Cambrensis, den goedgeloovigen en kwaadsprekenden geschiedschrijver van de verovering van 11691), die te recht door de Iersche patriotten verfoeid wordt als ‘de leugenachtige belhamel van de kudde’. De quintessens immers van diens onwelwillende aanmerkingen en veelal belachelijke fabeltjes uit de 12de eeuw, verbreid o.a. door het reeds vroeg, in de vertaling van John Trevisa, gedrukte Polychronicon van Ranulph Higden (1482), is critiekloos overgenomen in de meeste beschrijvingen van Ierland, ten onzent in de latere redactie van Ortelius' Theatrum en daaruit in het Caert-Thresoor van Cornelis Claessz. (Amsterdam 1598 en volgende drukken)2). Behalve door Giraldus werd de publieke opinie beïnvloed door een even satirische verhandeling over de zeden der Ieren van zekeren John Good, een priester en schoolmeester te Limerick omstreeks 1566, die door den meest gezaghebbenden schrijver over de Britsche Eilanden, William Camden, waardig gekeurd werd om in zijn standaardwerk Britannia (1586) te worden opgenomen3). In dezen vorm kan zijn geschrift Vondel bereikt hebben door een tweetal publicaties, waarvan de laatste, Blaeu's groote atlas4) hem althans later zeker bekend was, terwijl een handiger uitgave in Respublica,
sive Status Regni Scotiae et Hiberniae5) den dichter onder oogen zou kunnen zijn gekomen vóór hij den Gysbreght schreef. Nu is Camden, na de aantijgingen van Good tegen de Ieren opgenomen te hebben, blijkbaar beducht geweest voor den onaangenamen indruk, die deze karakteristiek op de English Irish in de Pale zou kunnen maken - ‘naturally they be testy’, had reeds Boorde opgemerkt -, zoodat hij het noodig
| | | | achtte te verzekeren dat alleen de ‘wilde’ zich deze critiek hadden aan te trekken: ‘Hi sunt syluestrium Hibernicorum mores, ex authore nostro [Good]; in reliquis qui Anglicam, quam dicunt, Prouinciam [English Pale] incolunt, nihil abest quod in cultu, & humanitate requiratur’1).
Het kan niet twijfelachtig zijn hoe de buitenlandsche lezers na de voorafgaande zedenschildering dien term geduid hebben. De daarin opgesloten tegenstelling ontging hun wel niet - voorbeelden van absoluut gebruik, ouder dan 1600, ken ik niet -, maar in veel sterker mate dan de Engelsche auteurs, voor wier gevoel het politieke antagonisme alle andere tegenstellingen overheerschte, waren zij dikwijls geneigd daarbij te denken aan contrasteerende beschavingniveaus. Nu is het niet te loochenen dat de dankbare herinnering aan het ‘Eiland der heiligen en wijzen’, die in de donkere tijden na de volksverhuizing Christendom en klassieke beschaving in West- en Midden-Europa verbreid hadden, in de 16de eeuw geheel verdwenen was. Erasmus bijv. schroomt niet den Ier in één adem te noemen met den Thraciër en den Scyth als typische barbaren, afkeerig van alle cultuur2). Het is dan ook begrijpelijk dat in de opvatting van Fransche geleerden sauvage en silvestris, indien toegepast op de Ieren, van wier zeden zooveel kwaad verteld werd, niet langer het tegenovergestelde van obéissant en domesticus, maar van civilisé en mansuetus is3).
| | | |
Deze misvatting treedt intusschen niet vroeg op ten onzent, waar men sterk afhankelijk is van de Engelsche berichtgeving over Ierland, welke overigens in het tijdvak tusschen 1579 en 1650 hier krachtig werkzaam is, krachtiger dan men wellicht zal vermoeden. Ik doel hier op de betrekkelijk talrijke en zeer tendencieuze pamfletten, waarin de Engelschen hun successen in Iersche zaken bekend maakten, en die nu en dan onverwijld in het Nederlandsch vertaald werden1). Een uitstekend voorbeeld hiervan is de Warachtighe Tijdinghe ende corte beschrijvinghe van Yrlant, welke in 1599, bij het begin van de grootsch opgezette (en jammerlijk mislukte) expeditie van Essex, door den bekenden Cornelis Claessz. van Amsterdam uitgegeven werd2). Hoewel het eerste gedeelte van dit merkwaardige boekje, dat verdient eens herdrukt te worden, in hoofdzaak een samenvatting is van de onwelwillende schildering van de zeden der Gaelen door John Good bij Camden, en de herhaaldelijk genoemde ‘wilde Ieren’ er af en toe nader beschreven worden als ‘woeste ende wilde Yrischen’, ‘wilde wreede Yren’, is de verklaring van het adjectief volkomen traditioneel en correct:
Comende nu tot de Volckeren ende Inwoonders daer van, die worden overmidts haer verscheyden seden ende costuymen in tween verdeylt, te weten de tamme Yrischen die alle goede Rechten ende Wetten onderdanich zijn, ende die houden een deel van Yrlant, ende twort the Inglishpale, dat is de Engelsche streken genaemt, de andere zijn de wilde Yrischen die een woest onghetempt leven voeren, gheen Wetten onderdanich, maer ghestadich teghen de Majesteyt van Enghelant haren Souvereyn mutineren ende rebelleren, den Spaengiaerts (door het becouten der Jesuiten) liever onderdanich zijnde, die haer Landt ondert decsel van medehelpinghe ende voorstandinghe soecken te vernielen, dan dat sy onder hare Majes-
| | | |
teyts ghehoorsaemheyt willen blyven (bl. A iii, ro-vo) ... Door dese middelen is gecomen datter tweederley volcken altijts gheweest zijn, te weten de tamme die hen onder de onderdanicheyt der Engelschen begeven hadden, waer door de Enghelsche met hen handelden ende traffiqueerden, soo dat sy niet alleenlick haer seden, manieren ende costuymen, maer oock haer tale aengenomen hebben. De andere die altijts rebellerende zijn gheweest, hebben in haer oude costuymen gebleven, ende is een woest wilt volck, allesins rovende ende plonderende daer sy connen oft moghen, nerghens van wetende, dan te mutineren ende oproer te maken, gheen gheloove oft verbondt met niemanden houdende, daer sy in beloften mede staen, onghestadich, wanckelbaer, trouweloos, een yegelic bedriegende, waer door de Engelschen groote moeyten ende oorloghe met die wilde wreede Yren ghehadt hebben... (bl. B i, ro).
Eerder nog dan door de vermelde geleerde geschriften, zal door dergelijke blauwboekjes de term hier verbreid zijn.
Wij zagen evenwel dat de uitdrukking sedert Harrebomée doorgaans verklaard is uit de onbehaaglijke herinnering aan de 1200 Ieren van kolonel William Stanley, aan wie in 1586/7 de verdediging van Deventer was toevertrouwd. Afgezien van het feit dat de ‘wilde Ieren’ minstens zestien jaren te voren in Vlaanderen bekend waren (Weydts, Ortelius), zou ik aan deze kortstondige episode geen zóó groot gewicht willen hechten. Dat deze lieden geen gewaardeerde gasten zijn geweest, valt moeilijk te ontkennen. Blijkens de beschrijving door Van Reydt1) waren het ceatharn - Engelsch: kern(es), of, met een pleonastische vertaling van silvestres, wild wood-kern(es) -, dat is, een afdeeling lichtgewapende, spaarzaam bekleede infanteristen van den laagsten rang2), die een allerminst gunstige reputatie genoten. ‘They do all the beastly behaviour that may be; they oppress all men; they spoil as well the subjects as the
| | | | enemy; they steal, they are cruel and bloody, full of revenge, and delighting in deadly execution, licentious, swearers and blasphemers, common ravishers of women, and murderers of children’, verklaart van dezen Edmund Spenser, de dichter van de Faerie Queen, in zijn View of the present state of Ireland (1596)1), waarin de ‘gentle poet’ zich als een weinig beminnelijk ambtenaar doet kennen. Mogelijk ging die kwade roep hun al vooraf, en in ieder geval sluit de schildering van Van Reyd niet onaardig bij deze karakteristiek aan. Ongetwijfeld zal deze geschiedschrijver, zelf een geboren Deventeraar, door vrienden en magen wel uitvoerig over de zonderlinge verdedigers ingelicht zijn, maar zijn beschrijving (onze eenige directe litteraire bron) is toch iets te rhetorisch om letterlijk aanvaard te kunnen worden. De snoodheden, die hun in de officieele stukken, onlangs door Prof. Brugmans uitgegeven, ten laste worden gelegd, zijn althans niet verbijsterend. Wij vernemen daarin van ‘extorcions and exactions uppon the inhabitantes’ en van ‘grandes insolences, que commettent les soldatz yrlandois dedans la ville de Deventer, et de leurs façons de faire deshonnestés, dont ils usent au grand schandal des gens de bien’, welke hierin schijnen te bestaan dat zij laat in de stad bleven passagieren; bovendien heeft een van hen eens een zwangere vrouw met zijn zwaard bedreigd2). Ontegenzeggelijk afkeurenswaardige gedragingen dus, maar welbeschouwd juist wat men van een vreemd garnizoen in dien tijd mocht verwachten; - van de Waalsche en Duitsche
huurlingen in Staatschen dienst had men wel erger wangedrag gezien!
Het is te begrijpen dat men er te Deventer nog lang verontwaardigd over gebleven is, maar zouden deze onregelmatigheden daarbuiten een zoo algemeenen afschuw hebben gewekt dat de herinnering aan deze ‘wilde Ieren’ een halve eeuw later nog levendig was? Het zwijgen over deze buiten- | | | | sporigheden door Bor en Van Meteren, en door de beide Spaansche bevelhebbers, die bij het verraad betrokken waren, Taxis en Verdugo, in hun memoiren, geeft te denken.
Wat ten slotte de reactie op de fatale ontknooping betreft, men zei in Holland niet dat de Ieren of Stanley Deventer verraden hadden, maar dat de Engelsche bondgenooten en de afwezige landvoogd de stad aan den Spanjaard verkocht hadden, en verkondigde dit zelfs zoo luid en dreigend, dat het verbreiden van dergelijke geruchten bij plakkaat moest worden verboden1). Indien de Iersche soldaten hier echter ooit als echte ‘wilden’ te boek hebben gestaan, dan zullen zij in 1637 - de barbaarsche verwoesting van Maagdenburg lag toen versch in het geheugen - in die waardeering wel door Tilly's Kroaten verdrongen zijn2). Daarentegen moet wel worden toegegeven dat de naam en reputatie der overigens vermoedelijk reeds lang vergeten ‘wilde Ieren’ van Deventer in die dagen door schriftelijke overlevering weer in het geheugen kan zijn teruggeroepen, doordat men zich juist dan in Vondel's omgeving weer met Van Reyd's verhaal bezig houdt. Diens geschiedenis wordt in 1626 eindelijk posthuum uitgegeven en beleeft in 1633 een tweeden druk; Dionysius Vossius vertaalt deze in hetzelfde jaar in het Latijn3); Hooft zal het requisitoir van Van Reyd
weergeven zonder zijn naam te noemen in zijn Nederlandsche
Historien4). Voor de ontwikkeling van de hier bestudeerde uitdrukking is het van belang dat het adjectief bij den Deventerschen historicus eindelijk onjuist geïnterpre- | | | | teerd en in absoluten zin gebruikt voorkomt. Vossius gaat door op de fout door de uitdrukking door feros Hibernos te vertalen (bl. 101)1).
Tot dusver heb ik ter verklaring van de bekendheid ten onzent met de ‘wilde Ieren’ den nadruk gelegd op de aanwijsbare schriftelijke overlevering. Wij mogen echter niet uit het oog verliezen dat de uitdrukking zeer wel het eerst ingevoerd kan zijn door zeevaarders op ‘wild Ierland’. Zonder op onze handelsbetrekkingen met dit land in te gaan, kan hier aangestipt worden dat sedert de 14de eeuw de schepen, die op IJsland stokvisch inlaadden, soms althans ‘Duvelingen’ aandeden, en zich daar dan wel eens moeilijkheden met de bevolking voordeden2). Wij weten bovendien dat reeds vroeg Nederlanders zich blijvend in Ierland gevestigd hebben3). Belangrijker is echter dat in 1576 een stroom der Nederlandsche (Brabantsche?) emigratie zich daarheen gericht heeft, en dat Sir Henry Sidney, de toenmalige onderkoning en vader van den bekenden Sir Philip, toen het initiatief genomen heeft tot een kolonizatie van veertig Hervormde gezinnen te Swords. In 1609 wordt melding gemaakt van een Nederlandsch koopman Maximiliaan, die ijvert voor een vestiging van zijn landgenooten in Ulster, onder de ‘wilde’ Ieren dus, en ook over dit plan wordt gunstig geadvizeerd4). Indien Vondel door zijn ouders nog van deze eerste emigratie in
het jaar van de Spaansche Furie gehoord heeft, bestaat de mogelijkheid dat hij aan deze vluchtelingen gedacht heeft toen hij Badeloch
| | | | deed toestemmen in een uitwijking naar den ‘wilden Yr’.
In de latere teksten, bij Bernagie en vooral bij Wolff en Deken, overweegt het overdrachtelijk en schertsend gebruik van de uitdrukking. Het is waarschijnlijk dat deze ten slotte uit de schriftelijke overlevering (van het bericht bij Van Reyd?) in de volkstaal is doorgedrongen; de plaats bij Brandt is daarvan dan het oudste voorbeeld. De mogelijkheid daarnaast van hernieuwden import uit de Engelsche romanlitteratuur, waarin de 18de-eeuwers zoo goed thuis waren, behoeft daarom nog niet ontkend te worden.
Den Haag.
th.m. chotzen.
Naschrift. Na het bovenstaande voltooid te hebben, trof ik nog een merkwaardig en oud voorbeeld van de daarin besproken uitdrukking aan: het Nederlandsche hs. Libr. Brit. Mus. Add. 28.330 (16de eeuw) bevat een Corte Beschryvinghe van England, Scotlande ende Irlond, waarin op fol. 34 een kostelijke teekening van twee ‘Wilde Iresche’, welke in reproductie te vinden is bij W.C. Borlase, The dolmens of Ireland (3 dln., Londen, 1897), tegenover het titelblad van dl. I. |
2)Aldus was de reputatie der Ieren in Vondel's tijd stellig niet! Zelfs het later te noemen pamflet Knuttel no. 1091, dat hun weinig goede eigenschappen toekent, laat hun de eer dat zij ‘de vreemdelinghen altijts seer wel onthalen’ (bl. A iv, v o).
3)Joost van den Vondel's Gijsbrecht van Amstel ed. W.H. Staverman (Amsterdam, 1929), bl. 154.
1)Ducange, ed. 1883-7, VII, bl. 685-686, scheidt sylvaticus: agrestis, incultus, aspero ingenio, van de relatinizatie salvaticus, die gegeven wordt als tegenovergestelde van domesticus, domipastus.
2)Vgl. wild konijn, zwijn, viooltje enz.
3)‘wilde Yren, ghelijck sy in Enghelant ghenoemt worden’ ( Oorspronck ende voortganck vande Nederlantsche oorloghen, 2 de dr., Arnhem, 1633, bl. 152).
1)The Wild Irish; a study of some English satires against the Irish, Scots, and Welsh, in Modern Philology, XVII (1919), bl. 687 vlgg. Zie daarnaast de beide artikelen van de New English Dictionary, Irish ( Bla) en Wild (A i 5).
2)Dit niettegenstaande de oorspronkelijke beteekenis hem niet onbekend is: ‘the very phrase “a wild Irishman” seems to have been used originally with the natural intent of distinguishing the uneducated Irish kern or woodkarne from his city-bred neighbor, who was often of English descent’ (bl. 688). De tegenstelling uneducated - city-bred is w.i.w. ook niet primair.
1)Ordericus Vitalis, Historia ecclesiastica, ed. A. Le Prévost, II (Parijs, 1840), bl. 166.
2)Deze zijn ook de eenigen onder de Kelten, die zich zelf met gepasten trots als ‘wilden’ ( gwylltion Cymru) aanduidden. Sedert de 15 de eeuw komt daarnaast als poëtische naam voor het land voor de uitdrukking ‘ Gwyllt Walia’, welke door George Borrow, den auteur van de romantische reisbeschrijving ‘ Wild Wales’ (1862), zij het ook in gewijzigde beteekenis, groote populariteit heeft verworven.
1)Toen de humanisten zijn werken gingen excerpeeren - Ortelius en Boxhornius deden dit ten onzent - was de beteekenis van den bijnaam vergeten, zoodat zij hierin een voornaam Silvester zagen en hem soms pleonastisch aanduidden als Silv. Giraldus Cambrensis.
2)Spiegel historiael, III, v, xiv, ed. De Vries - Verwijs, II (Leiden, 1863), bl. 288-290. (Het Latijnsche equivalent schijnt niet voor te komen bij Vincentius, althans niet in den gedrukten tekst).
1)In de uitgave van Chronicles of the reigns of Stephen, Henry II and Richard I door R. Howlett, III (Londen, 1886), bl. 264.
2)Political poems and songs, ed. Thos. Wright, I (Londen, 1859) bl. 60.
3)Bl. 688, n.l. Cf. bl. 712.
4).. praeterea sicut Scotorum vti diximus duplex est lingua, ita mores gemini sunt. Nam in nemoribus Septentrionalibus & montibus aliqui nati sunt: hos altae terrae: reliquos imae terrae viros vocamus. Apud exteros priores Scoti syluestres, posteriores domestici vocantur: lingua Hibernica priores communiter vtuntur: Anglicana posteriores (Ioannes Maior, Historia Majoris Britanniae, Parijs, 1521, bl. xv, v o).
.. Scoti qui meridionalem incolunt partem multo meliorem, benè morati sunt, & ut humaniores lingua utuntur Anglica... Alteram aquilonarem ac montosam tenet genus hominum longe durissimum ac asperum, qui Sylvestres dicuntur... Omnes Hybernicè loquuntur.. (Polydorus Vergilius, Historia Angliae, Londen, 1534; ed. Lugd. Bat. 1649, bl. 14).
.. Alia lingua in hac insula est Scotorum syluestrium atque insulanorum, & haec est hybernica. Scoti uero mansuetiores utuntur lingua Anglicana (Sebastianus Munsterus, Cosmographia Universalis, Bazel, 1554, bl. 46).
.. In the north part of the region, where the wild Scots, otherwise called the Redshanks, or rough footed Scots... doo inhabit, they speake good Irish which they call Gachtlet [sic] (Raphael Holinshed, Chronicles, Londen, 1577; ed. 1807-8, I, bl. 25).
.. Quinta [matrix] Hirlandica cuius pars quae hodie in usu Scotis Siluestribus (J.J. Scaliger, Diatribae de Europaeorum linguis, in Opuscula varia, Parijs, 1610, bl. 121).
.. the fifth [prime or mother language] is the Irish, which the wilde Scots also speake (vertaling van Scaliger's verhandeling door Edw. Brerewood in zijn Enquiries touching the diversity of languages, and religions, Londen, 1635, bl. 201).
1)Stoett, Nederl. spreekwoorden, 4 de ed., I (Zutphen, 1923), bl. 382, naar Mnl. Wbk., VII., bl. 689. (De plaatsaanduiding is daar onvolledig!)
2)De door Richard verbannen Henry Bolingbroke, sedert 1399 koning Hendrik IV.
3)Song on the deposition of Richard II ( Political songs, I, bl. 369).
1)Afgedrukt in Proceedings and ordinances of the Privy Council of England, ed. Harris Nicolas, I (1834), bl. 56. Zie ook Edmund Curtis, Richard II in Ireland, 1394-1395 (Oxford, 1927), bl. 25, 35.
2)New English Dictionary, X, bl. 123, s.v. wild (A iii 16).
3)ed. Londen, 1599, I, bl. 199-201.
1)De Schotsche immigranten in Ulster.
2)The Fyrst Boke of the Introduction of Knowledge (Londen, 1547?); ed. F.J. Furnivall (Londen, 1870), bl. 132.
3)Itinerary (Londen, 1617); hier naar den gedeeltelijken en gemodernizeerden herdruk bij Henry Morley, Ireland under Elizabeth and James the First (Londen, 1890), bl. 413.
1)Chronique flamande de Guillaume Weydts, ed. Emile Varenbergh (Gent, 1869), bl. 156.
2)Theatre, oft Toonneel des Aerdt-bodems [Antwerpen 1571].
1)Topographia Hibernica en Expugnatio Hibernica ( Opera, dl. V, ed. J.F. Dimock).
3)In de 3 de ed. (Londen, 1590), bl. 712 vlgg.
4)Liber XIII: Hibernia (Amsterdam, 1662), waarin de tekst van Camden (en Good), Hibernicorum mores, veteres et recentes, als toelichting, bl. 45-49.
5)Verschenen in de bekende ‘Republieken’-reeks van Elzevier (Lugd. Bat., 1627), met den tekst
van Good bij Camden als De Hibernorum priscis recentibusque moribus, & institutis, bl. 197-214.
1)Britannia, 3 de ed. (Londen, 1590), bl. 719. In de uitgaven van Blaeu en Elzevier, bl. 49 resp. 213-214, met de minder ver gaande beperking: ‘in reliquis plerisque omnibus’.
2).. ut.. neminem patriae poeniteat, adeo, ut nec Hirlandus cum Italo, nec Thrax cum Atheniensi, nec Scytha cum insulis fortunatis cupiat permutare ( Stultitiae Laus, cap. XXII; ed. I.B. Kan, Den Haag, 1898, bl. 36-37).
3).. Ils viuent de laict & de chair, usan for peu de pain, & celuy qu'ils mangent souuent, est de farine d'Auene & Orge. Ce sont les Sauuages qui viuent ainsi, car les autres sont (vn) ciuilisez davantage (André Thevet, La Cosmographie Universelle, Parijs, 1575, II, bl. 671 r o).
.. Ultonia [Ulster] omnium [provinciarum] amplissima ad septentrionem, olim a silvestribus tantum indigenis inhabita, nunc coloniis Anglorum eo deductis sensim mansuescit (J.A. Thuanus, Historiae sui temporis, 1607; ed. Londen 1733, III, 700).
1)Knuttel, Catalogus van pamfletten, n cs 399-401, 520, 1091, 4803, 4804, 4809, 4819, 4955-4957.
2)Knuttel, n o 1091; E.W. Moes en C.P. Burger Jr., De Amsterdamsche boekdrukkers, n o 411. Dit is een vertaling van een Londensche uitgave van Christopher Barker, waarvan mij echter geen volledig exemplaar bekend is.
1)Oorspronck ende voortganck vande Nederlantsche Oorloghen, 1626; 2 de ed., Arnhem, 1633, bl. 152, 170.
2)Militia eorum constat ex equitibus triariis, quos Galeglasios [ Gall-óglaigh] appellant, qui securibus utuntur acutissimis; & levioris armaturae peditibus; Karni dicuntur; qui jaculis amentatis & machaeris, dimicant (Good bij Camden in Respublica... Hiberniae, Leiden, 1627, bl. 210).
1)Bij Morley, ed. cit., bl. 110-111.
2)Correspondentie van Robert Dudley, graaf van Leicester en andere documenten betreffende zijn gouvernement-generaal in de Nederlanden (Utrecht, 1931), I, 317, 341-2; II, 17-18, 34, 39.
1)Pamflet Knuttel n o 781 b.
2)Juist de Iersche huurlingen hadden zich in 1634 in de publieke opinie gerehabiliteerd door het vastberaden optreden van Butler's Iersche compagnie tegen de samenzweerders van Eger en door den welgemikten hellebaardstoot, waarmee kapitein Devereux de verraderlijke plannen van Wallenstein in de kiem had gesmoord. De daad schijnt door beide partijen te zijn toegejuicht, zoodat een Duitsch pamflet, waarin ‘Ebrox’ uitbundige lof wordt toegezwaaid, te Brussel in het Nederlandsch vertaald en te Rotterdam herdrukt kon worden (Knuttel, n o 2525, bl. 26).
3)Belgarum aliarumque gentium annales Auctore Everardo Reidano (Lugd. Bat., 1633).
4)In den 3 den druk (Amsterdam, 1677), bl. 1128.
1)Strada ( De Bello Belgico decas secunda, Rome, 1647, bl. 332) verviel niet in dezelfde fout en sprak van ‘Hiberni.. è siluestri omnes genere atque ferino’.
2)Bronnen tot de geschiedenis van den handel met Engeland, Schotland en Ierland, ed. H.J. Smit ('s-Gravenhage, 1928), I, 224, 369; II, 714-715, 798, 802, 808, 818-819, 820, 824, 828-829, 837.
3)Alice Stopford Green vermeldt een grafschrift op een voornamen Bruggeling in de kathedraal van Waterford: Bruges crie et lamente, Apres son citadin. Waterford s'en augmente, D'avoir fait tel butin ( The making of Ireland and its undoing, Dublin en Londen, 1920, bl. 26, n. 4).
4)Men vindt de desbetreffende teksten bij Constantia Maxwell, Irish history from contemporary sources, 1509-1610 (Londen,
1923), bl. 375-377.
|
|