[p. 92]

Gorlegooi

Van Helten heeft reeds in 18721) getracht een verklaring te vinden voor gorlegooi, een woord dat op het eerste gezicht een zeer vreemden indruk maakt, doch dat, zooals genoemde geleerde waarschijnlijk terecht heeft ondersteld, niettemin een samenstelling is van twee Germaansche woorden. Van zijn gissing wordt melding gemaakt in het Ndl. Wdb. (Dl. V, 444), en men ziet daar dat het woord behalve in toepassing op personen ook bekend was als benaming voor zaken. Van de aldaar onder 3) vermelde beteekenis ‘slechte, slappe kost’ is bovendien nog een plaats te vinden in Bormeester, 't Nieuwsgierig Aegje, waar men op blz. 2 leest:

 
Se kenne my geen bier te gaar, te klaar, te nat brouwen,
 
Of ik wil nogh wel ien kit ten minsten op mijn sat stouwen,
 
Waar toe dan 't gorrel gooy, daar 's dogh gien leven in.

De vorm is hier eenigszins anders dan in de aanhalingen van het Woordenboek en bij Van Helten: men ziet het in tweeën geschreven, wat pleit voor de mogelijkheid dat het een samenstelling zou zijn, en het eerste lid luidt hier gorrel, niet gorle, zooals overal elders. Het verschil tusschen deze vormen is trouwens zeer gering.

Van Helten heeft gemeend dat het tweede lid het znw. gooi was, in den zin van ‘hoop, boel’; bij Gooi (II) in het Ndl. Wdb. vindt men die beteekenis onder 3): ‘Als benaming voor eene hoeveelheid. De gooi, het (heele) zoodje, de (heele) boel’. En vergeleken worden voor een soortgelijken overgang der beteekenis kwak en smijt. Een bezwaar, waarop Van Helten niet heeft gewezen en dat wellicht ook niet van heel groot belang zal blijken, is, dat dit znw. gooi de als lidwoord heeft,

[p. 93]

terwijl gorlegooi bijna zonder uitzondering onzijdig voorkomt. De schrijver geeft slechts één plaats (die in het Woordenboek niet genoemd staat, doch die in beteekenis onder 2) zou passen) waarin het met die wordt gebezigd, te weten:

 
'k Zou altyd van schaamte hiel bezwyken
 
Te laaten 't manvolk al die gorlegooi (kwikken en strikken) zo kyken

(een dienstmaagd spreekt tot een dame die aan haar toilet bezig is), Benjamin, De Minnaar van zijne Vrouw 4. Wellicht is het onzijdig geslacht dus onoorspronkelijk.

Voor de verklaring van het eerste lid is hetgeen Van Helten zegt niet overtuigend: dat goor > gorle zou worden door een verkorting der vocaal en door dissimilatie, zal niemand nu nog kunnen gelooven. Doch in de hedendaagsche dialecten vindt men vormen die wellicht meer helderheid kunnen geven. Zoo komt in Noord-Holland voor garldegooi, volgens Boekenoogen te Wormerveer. Het wordt gebezigd in den zin van ‘klein grut, prullegoed’, in toepassing b.v. op vruchten die klein van stuk zijn, of op afval (schillen, pitten en derg.). Het is zeer wel mogelijk dat de dentaal van dit woord zich phonetisch heeft ontwikkeld; in het Hollandsch kwam dat meer voor (zie b.v. haverdegort < havere(n)gort). Verder is in dit gewest bekend garlgoed (garrel-, gorrelgoed) voor ‘klein, nietswaardig goed, uitschot’, bij overdracht voor kleine kinderen (Boekenoogen), ook garlement (garrele-, gorrelement), in denzelfden zin als gruizelement in de algemeene taal en evenals dit laatste woord gewoonlijk in het mv.1). Eindelijk noemt Boekenoogen nog garl, dat alleen in de uitdrukking aan garlen (stukken) gooien voorkomt, en gorrelen, ‘fijnmaken, fijnstampen’.

Doch ook buiten Noord-Holland worden vormen gebezigd die van belang zijn. In Dordrecht kende men een bnw. gierelegooiig met betrekking tot soep: ‘weinig krachtig, slap’ (Taalgids 4, 33), te Sliedrecht een znw. gierlegôi voor slappe koffie

[p. 94]

(Taal- en Letterb. 5, 194), en op Urk heet dunne brij of slappe koffie wel girlegorrel (Taal- en Letterb. 6, 34)1). Het verschil in stamvocaal bij al deze woorden is opmerkelijk, doch voorloopig zal ik het buiten beschouwing laten; men zie echter aan het einde van dit opstel.

Boekenoogen zegt dat de oorsprong van garlegooi nog niet is aangewezen, doch meent dat het wellicht is: ‘dat, wat aan garlen (stukken) gegooid is of zonder nadeel gegooid kan worden, dus uitschot, afval’. Met het oog op de andere bij hem genoemde samenstelling garl- (gorrel-) goed is die verklaring niet bijzonder aannemelijk. Het liefst zou men beide woorden opvatten als composita van adjectief + substantief. Nu is een bnw. gorrel (met zacht-korte ó) thans nog in Groningen bekend in den zin van ‘half gaar, niet gebonden’, met betrekking tot brij van rijst of gort2). In die opvatting zou het bij het znw. gooi goed passen: gorrele gooi zou zijn ‘ongare, niet gebonden, dus dunne, slappe kost’, wat dicht komt bij de bet. 3) van gorlegooi in het Ndl. Wdb. En de beteekenissen van gierlegôi en gierelegooiig sluiten daarbij ook zeer goed aan.

Doch de oudste opvatting van het adj. gorrel zal waarschijnlijk niet geweest zijn ‘ongaar’ of ‘krachteloos, slap’, maar ‘uit niet-samenhangende, kleine, fijne deeltjes bestaande’; zie b.v. een tweede toepassing van het woord in Groningen: men gebruikt het daar nl. ook met betrekking tot droog zand of tot pasgewasschen haar. En die beteekenis zal het ook hebben in Zaansch gorrelgoed, het best te omschrijven met ‘klein goed’. In toepassing op vruchten, visch en derg. krijgt het dan vanzelf de bet. ‘waardeloos goed, rommel’; ook garldegooi komt in dien zin voor. Het Zaansche ww. gorrelen kan men verklaren als een denominatief van dit bnw. en zijn beteekenis maakt die opvatting wel aannemelijk.

Maar men moet zich afvragen of gorrel wellicht oorspronkelijk een znw. is geweest en of het misschien later, als

[p. 95]

collectivum en praedicatief gebruikt, als bnw. is opgevat. Garl in den zin van ‘brijzel, gruizel’, garlement (gorrelement) voor ‘gruzelement’ en girlegorrel zijn het best op die manier te verklaren; gorrelen kan evengoed een afleiding van een znw. als van een bnw. zijn1). Een andere mogelijkheid is dat er twee verschillende afleidingen van één wortel zijn: een adjectivische en een substantivische. Hoe dit ook zij, men zal het bestaan van een bnw. en een znw. moeten aannemen: uit één van beide zijn alle vormen bezwaarlijk te verklaren.

Wat ten slotte het verschil in stamvocaal betreft: men denkt onwillekeurig bij garrel en gorrel aan een ander vormenpaar, t.w. karrel en korrel, die ook nagenoeg dezelfde beteekenis hebben2); vergelijk verder kladde naast klodde, padde naast podde, plassen naast plossen enz. - Girle- (gier(e)le-) maakt den indruk een jonge ablautsvorm te zijn, zooals men vindt in zigzag, wipwap, piefpaf en derg.

 

Leiden, April 1933.

jacoba van lessen.