[p. 218]

De Getrouwe Haeghdis.

De drie lyrische gedichtjes ‘op de hofstede van de Hinlopens’, waarvan ‘Wiltzangk’ wel het meest bekend is, behooren tot de oprechtste die bij een dichter van Vondel's aard en houding uit arcadische stemming en horatiaansche gedachten konden ontstaan. De motieven en de toon zijn van volkomen gelijke lichtheid, de klassieke ornamenten zijn zonder praal, het verband tusschen natuur en moraal is ongedwongen. In het derde van deze stukjes ‘De getrouwe Haeghdis’ vertelt de dichter een voorval dat twee jongedames, wellicht dus de dochters des huizes, overkomen zou zijn1). De meisjes hadden bloemen geplukt en lagen ergens buiten te rusten; zij schrikten wakker doordat een hagedis hun over hals en gezicht liep, en zagen toen dat een adder op hen loerde. Vondel beschrijft dit als een kleine idylle en hecht er de les aan dat onschuld en deugd overal veilig zijn. ‘Integer vitae, scelerisque purus’ plaatst hij als motto boven het gedichtje. Het geheel is zoo natuurlijk en innemend, dat men zou kunnen gelooven aan een ware gebeurtenis die door den dichter op deze wijze poëtisch was bewerkt. Van Lennep onderstelt dit dan ook in een zijner aanteekeningen bij deze verzen (VI, 171), maar tegelijk wijst hij toch op een zeker verband met wat hij ‘een oude overlevering’ noemt, dat namelijk de hagedis ‘den mensch gunstig en genegen zou wezen’. Van Lennep veroorlooft zich daarbij nog een literair zijsprongetje (dat zijn navolgers weglieten): ‘Men kan er van zeggen wat La Fontaine van den dolfijn zegt: Cet animal est fort ami De notre espèce: en son histoire Pline le dit, il faut le croire’. Inderdaad zegt

[p. 219]

Plinius dat, maar over de philanthropia van de hagedis zoekt men bij hem vergeefs een steunpunt.

Van Lennep is niet de eenige die van dit ‘volksgeloof’ spreekt. Het Woordenb. d. Ned. taal (V, 1518) wijst den weg naar Ph.A. Nemnich, schrijver van een Polyglotten-lexicon der Naturgeschichte van 1793, waarin (III, 292) te lezen is: ‘die Alten bildeten sich ein dass die Eidechsen die Menschen vor Schlangen warne und sie gegen selbige vertheidige, daher gaben sie ihr die Namen Menschenfreund und Schlangenfeind’. En ook Houttuyn's Natuurlijke Historie (1ste dl. 6de st. Amst. 1764) blijkt iets van deze voorstelling te kennen: een grieksche bijnaam van de groene hagedis is ophiomachos ‘omdat zy zig niet ontzagen, met Slangen of Adders in Gevegt te treeden; waar van zy egter gemeenlijk verslonden werden’ (blz. 127); en: ‘De Ouden, zelfs, hebben de Haagdis Menschen-Vriend en Slangen-Vyand geheten’ ... (blz. 161); mogelijk kan hiermee nog iets te maken hebben dat de basiliskus een soort lacerta is, die reeds bij Plinius afzonderlijk wordt genoemd en ‘den baas speelde over alle serpenten’ (blz. 166), en dat ook aan een ander soort leguaan in het bijzonder de naam ophiomachus wordt gegeven (blz. 174). Van de vriendschap voor den mensch is bij deze laatste soorten echter niets te bespeuren en ook in de eerste citaten wordt van het waarschuwen niet gerept.

De gebruikelijke hulpmiddelen voor dergelijke realia uit de klassieke oudheid geven ons over deze vermeende eigenschappen van de hagedis niet het minste uitsluitsel, en ook de bijnaam ophiomachus leidt slechts naar een soort sprinkhanen en naar den ichneumon, die bij Plinius o.a. (Nat. hist VIII, 24) een afzonderlijke behandeling vond. De ‘ouden’, die voor deze voorstelling aansprakelijk worden gesteld zijn dus in elk geval niet de bekende klassieke auteurs.

Toch was van Lennep's opmerking juist, dat het motief niet of niet uitsluitend aan een werkelijke gebeurtenis was ontleend, al ontbrak hem het bewijs. Vondel's gedichtjes op de Hinlopens

[p. 220]

zijn niet nauwkeurig te dateeren, schijnen echter, ruim genomen, tusschen 1650 en 1660 gesteld te mogen worden. Zeker een dertig jaren vroeger had reeds Anna Roemers Visscher van hetzelfde gegeven gebruik gemaakt. Bij haar heeft dit den vorm gekregen van een uitgewerkt emblema, dat, naar zijn plaats in het Haagsche handschrift, van 1616 kan dateeren1). Het opschrift luidt: Op 't Emblema: Een Aechdisch-beet, waerschouwer van de Slangenbeet. Als eigenlijke spreuk van het zinnebeeld volgt daarna: ‘Ik quetst door vriendtschap’, en als besluit staat onder het heele gedichtje:

 
Gij quetst uijt jonst de mensch, om quetsing te verhoen:
 
In trouwe vriendtschap hoort een vriendt ook sulks te doen.

In 7 strophen van 6 korte regels heeft Anna dit thema uitgewerkt en wel geheel in één richting, namelijk: de ware vriend vleit ons niet doch durft ons ‘aantasten’ en kwetsen. Het vriendelijk hagedisje dat den mensch voor zijn vijandin waarschuwt is hier dus wel geheel voor de moralisatie gebruikt en heeft door zijn eigen aard weinig tot de gedachte der dichteres mogen bijdragen. Dit is duidelijk een intellectueele toepassing van een reeds gegeven en wellicht algemeen bekend motief.

Het mocht wederom niet gelukken in de emblemata-literatuur een parallel van Anna's zinnebeeld te vinden, al is hier een stelselmatig zoeken minder gemakkelijk. De middeleeuwsche bronnen, die nog voor het vormen van een literaire traditie in aanmerking kunnen komen, leveren evenmin het gewenschte op.

Wat Maerlant in zijn alphabetische opsomming der serpenten over lacerta geeft is al heel sober (Naturen Bloeme VI vs. 509-523). In het inleidende algemeene gedeelte (vs. 13-16) lezen wij althans iets, dat feitelijk niet van de heele groep maar in het bijzonder van de hagedis gezegd had moeten zijn:

[p. 221]

als men hun de staart afslaat groeit deze weer aan en als men ze blind maakt kunnen zij het gezicht terugkrijgen. Het laatste is inderdaad een geloof dat uit de klassieke bronnen komt en in de middeleeuwen voortleefde. Plinius heeft het uitvoerig over de geneeskrachtige werking van de hagedis in zijn Nat. hist. (boek XXIX cap. 129 e.v.), waarbij o.a. blijkt hoe men deze regeneratiekracht der oogen op ringen overbracht, die met hagedissen, wier oogen waren uitgestoken, in een pot werden gedaan en daarna als middel tegen oogziekten en oogzwakte werden gebruikt. Ook voor zeer verschillende andere kwalen leverde de hagedis geneesmiddelen1). Het oogenwonder heeft in de vroege christelijke literatuur zijn weg gevonden. Isidorus Hispalensis (begin 7de eeuw) vertelt in zijn Origines sive Etymologiae (boek XII, cap. IV, de serpentibus) van de saura, dat zij als zij oud wordt het gezicht verliest en dan een gat in een muur opzoekt dat op het oosten uitziet, als daarna de zon opgaat komt zij naar buiten en kan weer zien (Migne, Patrol. lat. LXXXII, 446). Hugo de S. Victore (12de eeuw) neemt dit letterlijk over (De bestiis etc. boek III, cap. L en LI), maar hij geeft bovendien nog een iets uitgebreider beschouwing van hetzelfde (De bestiis II, XXVIII) onder verwijzing naar den Physiologus, waarbij een moraal gevoegd is voor den mensch, die als de oogen van zijn hart troebel worden een plaats moet zoeken ‘tendentem orientem versus’, om zich daar ‘ad solem justitiae Christum Dominum’ te wenden (Migne, CLXXVII, 74 en 101). Het wonderbaarlijke diertje is volgens hem gevleugeld. Dat de hagedis reeds in de grieksche mythologie als dier van Apollo nauwe betrekking heeft tot de zon zal op deze voorstelling wel eenigen invloed hebben gehad. De heilige Hildegardis van Bingen (12de eeuw) houdt zich in haar Physica (boek VIII, cap. IX) aan den medischen kant; veel waarde hecht zij niet aan de krachten der lacerta, hoewel

[p. 222]

zij toch een recept tegen schurft uit hagedissenasch vermeldt (Migne, CXCVII, 1342). Nog in de reeds aangehaalde Natuurlijke historie van Houttuyn (1764) vindt men onder de vele geneeskrachtige deugden van de hagedis, dat zij o.a. dienstig is ‘tot wegneming van vlakken en puisten in 't aangezigt en ruidigheid der huid’, ook zouden de excrementen in oogwatertjes nuttig effect hebben (1ste dl. 6de st. blz. 128).

Zoo belanden wij uit de literatuur in de folklore. Alf. de Cock (Spreekwoorden, zegswijzen enz. op volksgeloof berustend, 1920, I, 133 v.) weet niet veel goeds van de hagedis, behalve haar liefde voor muziek; zijn meeste gegevens brengen haar in betrekking tot booze vrouwen en heksen. In het Handwörterbuch des deutschen Aberglaubens van E. Hoffmann-Krayer en H. Bächtold-Stäubli (1930) heeft de Eidechse een uitvoerige en veelzijdige behandeling gevonden. Onder de toepassingen in de volksgeneeskunde (II, blz. 684) worden ook de oogkwalen weer genoemd; de rol in het toovenaars- en heksenbedrijf vormt een eigen afdeeling; maar daartegenover treedt hier ook de hagedis als ‘Schutzgeist’ op. Uit Duitschland, de Donaulanden en Frankrijk zijn berichten verzameld over de vriendschap van het diertje voor den mensch; zij volgt den mensch, zij komt als men fluit; en vooral ook waarschuwt zij voor slangen (ald. blz. 681). Als iemand buiten ligt te slapen waar hem een slang bedreigt, dan kruipt zij hem in de kleeren en kriebelt hem, of loopt hem over gezicht en mond, of bijt hem in den voet. Bij dit geloof passen o.a. de bijnamen Natterretterlein (Oostenrijk) en éveillette (Frankrijk). Het is mogelijk dat hierbij ook enkele der door de Cock verzamelde vlaamsche bijnamen aansluiten, slangenartits en derg. (t.a.p. blz. 134). Het middeleeuwsche geloof in het wonderbaarlijke herstel der oogen schijnt niet meer te worden aangetroffen.

Nu blijkt dus het gegeven van de ‘getrouwe hagedis’ een wellicht vrij jong europeesch volksgeloof, dat wel al in de 17de eeuw in onze letterkunde zijn intrede heeft gedaan, maar

[p. 223]

pas later voor een klassieke overlevering werd aangezien. Inderdaad is het waarschijnlijk dat dit de juiste ontwikkeling is en wij kunnen dan thans de ontbrekende schakel herkennen in een van Erasmus' Colloquia, namelijk de Amicitia.

In deze samenspraak tusschen Ephorinus en Johannes behandelt Erasmus de sympathie en antipathie in de natuur, en de hagedis is het eerste voorbeeld dat wordt uitgewerkt. Na eenige inleidende zinnen luidt de vraag van Eph. ‘Kent ghy de hagedisse?’ ‘Ja ick wel’, is het antwoord. ‘In Italien zijnse groot en groen-achtich. Dese beeste is uyter naturen 's menschen vrient, ende een vyandt van de slange’1). Eph. zet dan uiteen hoe de hagedissen overal komen waar menschen wandelen, zich door kinderen in de hand laten nemen en in het algemeen toonen dat zij ‘int aenschouwen van den mensche een sonderlingh vermaken’ stellen. Met eenigen omhaal vertelt Eph. daarna hoe hij buiten Bologna een gevecht tusschen een hagedis en een slang heeft gezien, waarbij de eerste ernstig gewond werd maar dapper volhield2); de slang werd later door menschen gedood. Zoo brengt hij het gesprek op de gevaarlijkheid der slangen, die o.a. een slapenden man in den mond kruipen en zich in zijn ingewanden nestelen, waar zij alles verorberen wat de mensch nuttigt. De mensch sterft daardoor niet ‘maar leeft seer ellendich’. Een middel daartegen is look eten, want de slangen verdragen deze lucht niet. ‘So isset geen wonder, dat de maeyers geern looc eten’. Maar in dit gevaar is ‘dickwils een kleen hagedisse des menschen behoudenisse’. ‘Hoe kan dat zijn?’ ‘Als sy merckt dat de slange op haer lagen leydt, looptse rondtsom over den hals, ende het aenghesicht des menschen, ende houdt niet op, ter tijt toe dat hij door 't gheschrap en krabben der nagelen

[p. 224]

ontwake, voorders die so gewect wort, siende de haghedis dichte bij hem, merckt terstondt dat den vyandt op syn luymen leyd, en rontsom siende wort hy hem ghewaer’. ‘O wonderlijcke kracht der nature!’ Daarna stapt Erasmus over op de krokodil en de dolphijn als volgende tegenstelling.

Een treffende bevestiging van onze conclusie over den oorsprong van het gegeven doen de oude verklaringen aan de hand, die reeds tijdens Erasmus' leven in de latijnsche edities werden toegevoegd. Daar wordt bij dit stukje dialoog reeds over het hanengevecht en over de slangen, over krokodil en dolphijn o.a. naar Plinius, over een fabel van een kreeft en een slang naar Aesopus, over de look naar Horatius verwezen, maar voor de rol van de hagedis komen geen klassieken ter sprake. Door de heele inkleeding schijnt Erasmus ook den indruk te willen vestigen dat dit verhaal berust op italiaansche landelijke overlevering. Of hij de eerste was die deze voorstelling ‘uit den volksmond’ opteekende heb ik niet kunnen nagaan. Na hem moet dit, bij de groote verspreiding zijner Colloquia, in elk geval algemeen bekend zijn geweest onder de latijnsche scholieren. Anna Roemers schijnt nog een eenigszins afwijkende lezing gekend te hebben, daar zij niet van het gekrabbel der hagedissepootjes doch van bijten spreekt. Maar Vondel kan het onmiddellijk aan Erasmus hebben ontleend; zijn voorstelling komt in alle bijzonderheden en zelfs woordelijk met diens vertelling overeen. De ware gebeurtenis met de verschrikte meisjes hoefde dus zeker slechts een enkele aanwijzing te bevatten, om Vondel tot zijn elegante herschepping van het geheele erasmiaansche gegeven te inspireeren.

 

f. kossmann.