|
|
|
| |
| | | |
De akkernaam fekkenstuk en zijn verwanten
In de marke Usselo onder de gemeente Enschede liggen enige akkers bij het erve Elferink, die door den eigenaar en de naburen als het fekkenstuk [tfekŋstük] worden aangeduid, een naam die - gelijk zoveel andere, niet minder belangwekkende, ofschoon vaak raadselachtig blijvende akkernamen in deze contreien - niet nalaat op de verbeelding van den onderzoeker indruk te maken en waarover en naar aanleiding waarvan ik hier iets te berde zou willen brengen. Het zijn ‘stukken’ - ook in de oude marke, thans ‘buurtschap’ Honesch onder de gemeente Haaksbergen bevindt zich een dergelijke, eveneens het fekkenstuk geheten akker - die zonder enige natuurlijke begrenzing (als een ‘wal’) tussen andere akkers liggen. En te vreemder lijkt de naam, wanneer men bedenkt, dat het boerenlexicon ‘in deze wereld’, om de stad Enschede, een woord fekken bevat in de betekenis: het uit latwerk bestaande schot, dat van voren en vooral van achteren de laadruimte van de wagen afsluit en in- en uitgeschoven kan worden. Het is een onder de boeren algemeen bekend vakwoord, dat eigenlijk - zoals men mij vaak vertelde - betrekking heeft op een afschutsel, waarvan de opstaande latten (zes à tien in getal b.v.) door een tussenruimte van elkaar gescheiden zijn en door enige horizontale latten bijeengehouden worden. Toch spreekt men bij een wagen om Enschede ook wel van fekken, wanneer het schot dicht is (zulk een open fekken kan men thans nog het best bij de turfwagen1) waarnemen, bij een kar heet het dan steeds bröt. Elders in Twente is dat niet het geval. De heer B. Wegdam, een kenner van de taal,
| | | | het leven en bedrijf der marke Hengevelde, schrijft mij hierover: ‘is de wagenladder van planken (niet van latten met stijltijes), dus dicht, dan wordt de wagen gebruikt voor het vervoer van aardappelen, enz.; dan is het fekken ook dicht en heet bröd’. In het Noorden van Twente, zich ook op het stuk der klankleer - ik noem slechts de opmerkelijke, ook Osnabrückse, onderscheiding van oudgerm. ô en au in dat gebied - van het overige landschap veelal onderscheidend, b.v. te Geesteren, Mander, Ootmarsum, spreekt men evenals te Rijssen, Enter, Wierden en in Westelijker gebied van het hek, het achterhekke, de wagenhekken, en de uitdr. ‘hee hef tachterhekke kreegn’ (hij heeft een blauwtje gelopen) geniet ook in de graafschap Bentheim een zekere populariteit; ook uit Drente (b.v. Staphorst, Driem. Bl. VI 61) en Groningen (Ter Laan) zijn mij niet dan achterhekke en achterschot (Ned. Wdb. s.v. bord: achterbord te Axel) bekend. Maar het gebied ten Z. en ten O. van De Lutte, Delden, Neede en Aalten spreekt - om het kort te zeggen en niet over de overigens wel enigszins ter zake doende wagenbouw uit te weiden - van fekken, vèèken, bröt en bret, al schijnen te Varsseveld de opstaande zij stukken van de kruiwagen met de fekkens aangeduid te worden en al heb ik over de verbreiding verder weinig gegevens. Nu heb ik mij door bejaarde boeren om Enschede laten vertellen, dat het fekken van de vorige generaties uit door twijgen samengehouden stokken bestond en er is voor mij - al heb ik zulk een fekken nooit gezien - geen reden om dat niet te geloven. Want dat bedoelde voor- en achterschotten en ook de ladders
van de wagen (niet van de kar, waarin het achterschot om begrijpelijke reden van deugdelijker maaksel diende te wezen) oudtijds uit vlechtwerk bestonden, lijdt geen twijfel, wanneer men bedenkt dat die schotten elders (hier en daar1) ook wel in Overijsel) aan- | | | | geduid worden met het woord krat (men vergelijke de betekenisomschrijving van dit woord in het Ned. Wdb.), dat oorspronkelijk ‘vlechtwerk, gevlochten voorwerp’ heeft beduid; en van enig belang is in dit verband het feit, dat in het Z. van het Teutoburgerwald flechtn wordt gesproken in de betekenis ‘seitliches Wagenbrett’ (Wix § 37), hetgeen Teuchert (Teuthonista III 88) deed uitroepen: ‘das seitliche Wagenbrett wurde also früher aus Weidenruten geflochten!’ Trouwens, Gallée schijnt evenals Halbertsma vèke in de zin van ‘gèvlochten heining van boomtakken’ gekend te hebben1) en de Enscheder (of liever: Usseler) akkernaam fekkenstuk moet wel ‘akker met gevlochten omheining’ betekend hebben. Het woord herkent men verder in de naam Eekter feek bij Elburg (Moerman, NGN VII 45 noot) en in vêken, dat in de IJselstreek een brug van rijshout en zoden, waar het water doorheen kan
lopen, schijnt te betekenen (zie het woord bij Van Marle in Schelde-Weichsel I 534), synoniem dus van spik, enz., dat ook wel omheining (Moerman t.a.p.) beduidt2). Ook de geslachtsnaam Vekeman (vgl. Staverman) was te Deventer inheems; ao 1338 is er een schepen Arnold Vekeman3) en ook in de rekeningen zelf ontmoet men meermalen deze naam. Maar het woord hoort ook in Vlaanderen thuis, al sedert de Middeleeuwen: men zie
| | | | het Mnl. Wdb., waar Verdam s.v. veken uit glossaria en enkele andere bronnen verschillende plaatsen van het woord aanhaalt in de betekenis ‘hek, traliedeur, ook sluitboom, barrière’; de oorsprong van het woord ligt in het duister, zegt hij. Een opmerkelijk feit is dat noch veken, noch het met de samenstelling valveken vrijwel synonieme mndl. valderen/valdore (valdeur) in de Ndl. toponymica een belangrijke rol schijnt te spelen, terwijl Friedrich Prien (Faldera oder Wippenthorp, ein Beitrag zur holstein. Ortsnamenforschung; in: Zeitschr. der Gesellschaft für Schleswig-Holsteinische Geschichte, Bd. 59; 1930) over de Duitse namen met falder, falter (< valdeur, Falltor, gelijk, zoals Prof. J.W. Muller bij Prien blz. 237 opmerkt, bander < bandeur, za. voorder < voordeur, milder < middeldeur, enz.) in Holstein, Oost-Friesland, Oldenburg en Rijnland een uitvoerige en rijk gedocumenteerde verhandeling schreef. Welbekend is echter in Z.-Ndl. de geslachtsnaam Van der Veken, die misschien naar het Noorden overgeplant is door Johan van der Veken, waarvan de familie te Mechelen thuis hoorde, maar die zich, als zovele andere Brabanders, in de loop van de opstand in Noord-Nederland vestigde en van 1583-1616 als koopman en bankier, later nog als bewindhebber der O.I.C. te Rotterdam werkzaam was1). Het woord zelf schijnt echter in Holland2), Zeeland en Utrecht niet bekend te zijn, maar Limburg, althans Sittard kent vaeke ‘hek’, het Rijnland fäken ‘Sitzstangengerüst für das Geflügel’ (ook: slagboom, lampenarm; Rhein. Wtb. II 256)3), waarin men zeker wel hetzelfde woord mag zien (wat Frings, Germ. Romana 232 ook doet), wanneer men aan ndl. roest ‘hoenderstok’ = os. hrôst ‘dakgeraamte’
| | | |

Fragment van de wand van een schuur in vakwerk, waarvan de leem op enkele plaatsen is afgevallen. Deze schuur bevindt zich tussen Rossum en Ootmarsum (op het erve De Veenke).
| | | | (de grondbetekenis zal wel ‘vlechtwerk’ geweest zijn, zegt Fr.-v.W.) denkt1).
Naast dit veken kent Verdam ook vleken in een dergelijke betekenis (bij V. omschreven als ‘hek’), dat in de Dijkregten van Vollenhove tweemaal voorkomt (blz. 11: weert saeck dat ijemant sijn vlekene of hecken weder indroeghe; blz. 13: Ende of ijemants voir des anders dijke vlekene, pale of ander rijs2) brachte), een vorm, die hier en daar nog wel bekend is. In de Driem. Bl. IV 94 worden onder de inventaris van een ouderwetse boerderij te Dalmsholte vlekkens genoemd zonder meer, maar een boer te Diepenveen wist mij onlangs te zeggen, dat met het thans wat in onbruik geraakte vlèèkns een vlechtwerk van staken en twijgen bedoeld werd, waarop het hooi in de hilde rustte (in het Deens slyde genaamd). Vgl. in de omgeving van Kampen vlēkn ‘teenen horde, meestal gebruikt als losse brug’ (Gunnink bl. 235) en de onlangs door den heer Prakken elders meegedeelde akkernaam in de marke Notter bij Rijssen: 't vleekn, die - al koestert Pr. andere vermoedens - met de bovengenoemde vlekens wel identiek zal wezen en ook in de Achterhoek wel voorkomt, zoals mij uit enkele, thans nog moeilijk te verifiëren gegevens blijkt3). Ofschoon het merkwaardig is, dat het juist na een lippenklank vaker geschiedt (men vindt enkele voorbeelden bij Verdam s.v. vleken), kan men zulk een
l-invoeging geenszins als ‘klankwettig’ beschouwen en moet men aan invloed van zin- of vormverwante woorden denken, al zullen weinigen aan die invloed zulk een allesoverheersende betekenis willen toekennen als de Duitser Rogge, die een tragisch boek over dit onderwerp
| | | | schreef1). Men zou bij dit vleken aan invloed van vlechte(n) kunnen denken, maar in het bijzonder komt hier het woord vlaak, mv. vlaken voor in aanmerking2), dat in Groningen: ‘vredegang’ door middel van hout, ‘rieswaark met hulp van de bomen en palen (Ter Laan s.v. vloak), in Sleesw.-Holstein vlechtwerk’ in het algemeen (men zie het artikel flaak bij Mensing, Schl.-Holst. Wtb.), in Vlaanderen ‘schutsel of scherm van gevlochten stroo (Teirlinck s.v. vlake; men vgl. verder Mnl. Wdb. en Weiland) betekent, en dat ik evenmin als Franck-v. Wijk (s.v. vlak) gaarne van vlecht(en) zou willen scheiden, ondanks Falk-Torp I 2343). Aan dit vlaak nu zal vleken vermoedelijk zijn l te danken hebben (dus vleken < veken + vlaak), en omgekeerd zal vlaken, dat te Staphorst en Rouveen ‘vlechtwerk van twijg, gebruikt als brug over een sloot’ (in N.W.-Overijsel blijkens Moerman t.a.p. ook vleken geheten) betekent (Ebbinge Wubben, Driem. Bl. VI 92), wel een versmelting van vlaak en veken zijn. Niettemin zal
Sl.-Holsteins flęken, ‘die auswechselbaren schmalen (meist graden, zuweilen auch geschweiften) Seitenbretter des Kastenwagens’ (ook in de samenstelling flękenwagen bekend) wellicht anders te beoordelen zijn, omdat het woord daar vanouds een umlautsfactor in zich gehad kàn hebben en een veken in West- en Noord-Duitsland niet, voorzover mij bekend, opgetekend is, al zal et fekken in de zin van wagenschot stellig in een deel van Westfalen gebruikelijk zijn4).
| | | |
Dat aan dit woord de betekenis ‘vlechtwerk’ ten grondslag ligt, is wel zeker; en ook weinig opmerkelijk, nu archeologen en taalkundigen van het belang der oude vlechttechniek nog meer dan vroeger doordrongen zijn. Wanneer men echter, nog onder de indruk van Frings' jongste boek, in het etymologisch duistere veken een uit het Zuiden geïmporteerd cultuurwoord zou willen zien, komt men - romaanse aanknopingspunten laten zich niet vinden - bedrogen uit. Maar er is een andere mogelijkheid, waarop prof. J.W. Muller mij wijst en die zo voor de hand ligt, dat ik er prijs op stel haar hier - met toestemming en aansporing van den auctor intellectualis - ter sprake te mogen brengen. Sedert Grimm wordt het, vanouds in alle germ. talen welbekende, woord vak in de etymologische woordenboeken door de bank gecombineerd met gr. πήγνυμι ‘ik maak vast’, πάγη ‘val, strik, net’. Maar dat ook aan het germaanse woord de betekenis ‘opus craticium, vlechtwerk’ eigen geweest is, werd eerst door den Duitsen taalgeleerde Edw. Schröder aangetoond in zijn - mij, evenals het stuk van Prien door prof. Muller ten gebruike toegezonden en (N G N VIII 6) reeds door Schönfeld genoemde - opstel Vacha und Fischbach1), waarin hij de Zndl. en Duitse plaatsnamen beschrijft met ohd. fac, dat in de ‘verengde’ betekenis ‘Querzaun durch einen Flusslauf zum Zwecke des Fischfangs’ sedert 1157 voorkomt; het oudfries kent het woord als ‘paries craticia’ en het Werdener Heberegister spreekt van ‘jugalem sepem quod dicitur iucfac’, welk laatste
woord2) door Gallée
| | | | (And. Wtb.) vertaald werd met ‘umzäunung; hedge enclosing a yoke of land’. ‘Die Grundbedeutung’, zegt Schröder, ‘ist unzweifelhaft “opus craticium”, “Flechtwerk”, was wir in nhd. Fachwerk1) noch bewahrt haben, obwohl es von Unkundigen nicht mehr deutlich empfunden wird. Es ist durchaus verkehrt, wegen das ags. faec “spatium temporis” eine “allgemeine Bedeutung: Abteilung, räumlicher oder zeitlicher Teil”, anzusetzen wie das Kluge tut. Über solche “Grundbedeutungen” sind wir jetzt wohl überhaupt hinweg: sie setzen eine Abstraktion voraus welche der Urzeit durchaus fern liegt’. Verder wijst hij de ‘vak’-plaatsen aan, waar dan volgens zijn zienswijze vis (maar in het bijzonder: zalm) gevangen werd met het ‘vak’, b.v. Vaeke in West-Vlaanderen aan de Leie, Vaeke bij Maldegem (kuststreek), Vaeken bij St.-Laurent en het oudgentse Facum (vgl. Schönfeld t.a.p.), duitse plaatsnamen als Vacha, Vach, Vachdorf, enz. En wel schijnen deze namen niet in het friese en in het vanouds saksische gebied als West- en Oostfalen, Engern voor te komen (noch trouwens in N.-Ndl., al wijs ik - zonder kennis van oude vormen en plaatselijke gesteldheid - op het bij Pott genoemde Vak in de gem. Zeist, Het Vek in de gem. Hoevelaken, Vekhoek als naam van een polder bij Brielle); en wel lijkt het mij niet geheel boven twijfel verheven of ‘vak’ ook in de
| | | | Ndl. namen inderdaad de betekenis heeft, die Schröder eraan geeft (men zou dat tenminste door historische gegevens bevestigd willen zien), en niet die van ‘afdeling, dijkvak, omheining’; maar toch moet men het vroegere bestaan van ‘vak’ in de zin van vlechtwerk van twijgen (en in die zin uit het oudfrie., oudsaks. en oudhgd. overgeleverd) ook in deze streken waarschijnlijk achten1) op grond van de overige ervaringen van cultuur- en taalhistorie. Prof. Muller was dan in het Overijselsche, Achterhoeksche en Vlaamsche fekken, vèèken en veken een oud verkleinwoord gaan zien van het o.a. oudsaksische fak, n.l. veken < fak-în; een vermoeden, waarmee het onzijdige geslacht van veken, enz. en de betrekkelijk geringe afmetingen van de er door aangeduide voorwerpen overeenstemmen. Een oud verkleinwoord dus met hetzelfde, thans archaïsche en niet meer als verkleinend gevoelde, achtervoegsel als in veulen < ful-în, kluwen < kleow-în2), in varken, kuiken en nog enkele andere woorden. En mij althans lijkt die verklaring ondanks bovengenoemde, noodzakelijke veronderstelling, zo geheel aannemelijk, ja (achteraf!) zo voor de hand liggend, dat zij mij aan het ei van Columbus en aan de wat paradoxale, maar begrijpelijke en vaak vergeten verzuchting van Spitzer doet denken: ‘Finde Etymologien, suche sie nicht!’
Enschede, 27 Juli '36
h.l. bezoen
|
1)Een open ‘achterhek’ ziet men ook op de tekening van de boerenwagen bij het stuk van C.H. Ebbinge Wubben in Driem. Bl. V.
1)Gallée, Driem. Bl. IV 31: krat ‘het bret achter op den boerenwagen, ook een vlechtwerk om iets af te sluiten’.
Misschien werd oudtijds ook vlechtwerk gebruikt om het voer hooi op de wagen vast te leggen. Lidén wil bij het woord wezeboom n.l. aan germ. wiska, ndl. wisch denken, waartegen Van Gerwen (Taaltuin III 351) het twijfelachtige bezwaar aanvoert, dat een wisboom thans geen twijgje maar een dikke paal is. Overigens schiet ook Van Gerwens afleiding (mnl. wisse = touw, strop; bij mnd. wede = strik) te kort om de zeer talrijke (door hem trouwens niet genoemde) dialectvormen van het woord in Overijsel en Gelderland te doorzien. Tenzij men daarin niet dan ‘jongere vervormingen’ zou willen zoeken.
1)Gallée, Wdb. Geld.-Ov. Dial. 76, noemt dit vèke terecht in Twente onbekend.
2)Prof. Muller noemt mij nog de volgende mededeling uit het markeboek van Epse, a o. 1784 (zie J. de Graaf, Uit Gorssels verleden, Dev. 1926, blz. 53): in de vergadering der markegenoten van Epse werd, na doorbraak van de IJseldijk, besloten, dat ‘yder binnendijks wonende boer van den 1 November tot 1 May in gereedheid moest hebben en houden twee vekens (noot: Hek of horde van vlechtwerk, dienende voor afsluiting van weiland en ook geschikt om gebruikt te worden bij dijkbreuk), lang 6 voet en hoog 14 voet, yder met ses stakens, en zulks op de eerste waarschuwing der boerrigters op den dijk brengen daar het nodig geoordeeld word’.
3)De Cameraarsrek. van Deventer, Inl. p. XIV.
1)Over hem zie E. Wiersum in Hand. en Meded. van de Mij. der Ndl. Lettk. 1911-2, blz. 165 vlgg. Terloops noem ik nog de geslachtsnamen Veeken (mij alleen uit A'dam bekend) en Valvekens; verder de Veekenstraat in de gem. Oosterhout, N.-Brab., zie Pott.
2)Volledigheidshalve zij hier vermeld het (Hollandse?) niet bij
Kil. voorkomende standveken in de Synonymia Latino-Teutonica, zie ed. Spanoghe CXXXI.
3)Dat daarbij ook noemt: ‘ de fêke, dat fêker, “Scheinhecke aus Baumzweigen” Limburg, Overijssel’ [J.W.M.].
1)En aan Siegerlands hurt (= ndl. horde, enz.) ‘Hühnersitzstange’ (Schmaeckel, Das Siegerländer Bauernhaus 1912, blz. 75).
2)Vgl. in het Dijkrecht van het Noordelijker gelegen IJsselham: Ende ofte ijmandt voor des anderen dijck, vlaken, palen, rijs ofte anders ieet brachte (blz. 23).
3)J. Prakken, De kaart van Kedingen (overdruk uit de Versl. en Med. Overijss. Regt en Gesch. 1936) blz. 16. - Te Neede werd mij vroeger gezegd, dat zich onder Borculo een stuk weiland bevindt, genaamd het fleeken. Zie ook nog NGN. VII 45, noot 1.
1)Maar die aan de ‘holländische Leser, die im allgemeinen den Stand der heutigen Sprachforschung nicht so kennen, wie man dies für Deutschland annehmen kann’, wel geen recht van spreken zal geven! (Chr. Rogge, Der Notstand der heutigen Sprachwissenschaft, München 1929, blz. 129).
2)Hetzelfde vermoedde reeds, zie ik nu, W. de Vries, Tschr. XLIII 133. Ik bevind mij dus in goed gezelschap.
3)Over een (ander?), toponymisch vlake zie Van Ginneken, Taaltuin I 86.
4)Over de met fleken aangeduide gevlochten afschutsels kan men nog allerhande nalezen in het geillustreerde opstel van O. Brüning, Der Flechtzaun im norddeutschen Küstengebiet, Ndd. Zs. f. Volkskunde X (1930) 89 vlgg. In hoeverre men bij feek < veken moet denken aan vervorming door vlaak waag ik ook niet te beslissen; men kan zich voorstellen dat veek ontstond, toen men veken als een meervoud was gaan opvatten. Halbertsma (Overijs. Alm. 1836) kende naast veken ook een ‘platduits’ feek ‘de rand van aangespoeld stroo enz. bij hoog water’. Vgl. met dezelfde bet. deek in Oud-Beierland, dat Opprel in een oude polderkeur van die streek in de plaats wil stellen van veek. Ten onrechte, omdat Kruiningen veek in die zin nog kent (J. Dek, Het Kruiningsche Dialect I). Over deek (< veek + deken, dekken??) zie men Boekenoogen en (waarop Dr. B. zelf mij wees) Beekman, Dijk- en Waterschapsrecht. bl. 290; vgl. bovendien Ned. Wdb.: daak ‘aandrijvend riet, te Giethoorn’. Over de l van vlonder naast vonder durf ik bij gebrek aan
nadere gegevens niets zeggen, maar misschen dat vlonder (vgl. Fr.-v.W.s.v.) ook een dgl. versmeltingsproduct is.
1)Namn och Bygd, Tidskrift för Nordisk Ortnamnsforskning XVI (1928) 39-58.
2)Vgl. ook nog de glosse faho, umbiuaho vallo’ in het Vocabularium van Trier (Tschr. XIII 287, 300).
1)Ook in Twente - en hout wies er eertijds genoeg! - bouwde men vroeger in deze trant. Het huis bestaat dan uit een geraamte van eikenhout; de openingen in het geraamte wordeu opgevuld met vlechtwerk van twijgen, dat met leem bestreken is. Op sommige plaatsen zijn zulke boerenhuizen met ‘vakwerk’ nog aanwezig. Trouwens, herinneringen aan de oudgermaanse huisbouw zijn nog mndl., ndl. weech, weeg ‘wand, muur’, mndl. don ‘leem’ (Verdam, Tschr. XIX 260) tegenover termen der Rom. techniek als muur en metselen. En ‘'n hoes timmern’ is in Twente, ja in Oost-Ndl., nog steeds gewoner dan ‘een huis bouwen’; ook ‘wiemen’, ‘wieme’ (zie Van Wijk, Tschr. XXX 115) getuigt van de oude vlechttechniek, en ‘wand’ wordt door de boeren om Enschede nog steeds van ‘muur’ onderscheiden, terwijl oude stedelingen het woord ‘wand’ niet kennen dan in deze kinderbede (bij het wegwerpen van een tand): taant, ik smiet diej an de waant, leebm heer, gew miej nen taant weer. Juist de term ‘vakwerk’ (elders leest men het woord wel in de bouwkundige litteratuur, maar het zal daar wel een vernederlandsing van het Duitse woord zijn?) kent men hier niet recht; de boer spreekt van de ri-jmuurn (de opvulling geschiedde in latere tijd met ‘halfsteens-muren’) van ri-j ‘lat, die loodrecht op de pöste staat’, (= ndl. rij); vgl. hetzelfde bij Woeste: wfa.
rigge ‘querholz beim fachwerkbaue’.
1)Men zou echter nog eens na kunnen gaan of her of der in de middeleeuwse bronnen vak niet de met leem besmeerde twijgwand aanduidt, al hoeft een citaat bij Verdam als ‘Twee fack ( van den wand) te lemen over den ketel’ in 't geheel niet daarop te wijzen. Tot deze contrôle ontbreekt mij thans de gelegenheid.
2)Vgl. thans Van Haeringen, Supplement op Fr.-v. Wijk s.v.- tje. Bovendien mndl. loope(n) ‘vaatje, schepel’, ndl. loopen ‘zekere inhoudsmaat voor graan’, enz. (zie Ned. Wdb.), twe. (en achterhoeks) leupm vaatje, waarin melk bewaard, boter gekneed
(enz.) wordt, wfa. laipm etensbakje, enz. met hetzelfde suffix.
|
|