[p. 213]

Over eenige werkwoorden die ‘kijken’ beteekenen1)

Sedert ik in het 55ste en 57ste deel van het Tijdschrift heb geschreven over ‘Klanknabootsing als taalvormend Element’, twee opstellen waarin ik voor het eerst heb uiteengezet, welke hypothese mij bij mijn etymologisch werk aan het Woordenboek reeds eenige jaren voor den geest stond, heeft dit onderwerp mij niet meer losgelaten. In de jaren die sindsdien zijn verloopen, is mijn geloof in die hypothese stellig niet verzwakt, al ben ik mij er van bewust, dat het opereeren met klanknabootsende wortels gevaar loopt te ontaarden in een soort van truc, waardoor een etymoloog ten onrechte zou kunnen meenen een diep en zakelijk woordonderzoek te kunnen vermijden.

Uit hetgeen De Vooys in zijn laatste Akademierede2) over mijn artikelen zegt, blijkt dat ik naar zijn oordeel aan dat, en zelfs aan een nog grooter gevaar reeds toen niet ben ontkomen. Op blz. 15 daarvan schrijft hij: ‘Zodra een etymoloog of een lexicograaf met een woord geen raad weet - hij wil liefst niet al te vaak zeggen “oorsprong onbekend” - komt de verleiding om te zeggen: “waarschijnlijk klanknabootsend”, waarbij soms ook “waarschijnlijk” achterwege blijft’. Zonder mijn studies van 1936 en '37 uitvoerig te gaan verdedigen, meen ik toch te mogen zeggen, dat ik het mij daarin zóó

[p. 214]

gemakkelijk niet heb gemaakt. Vooral de tweede van de stellingen die ik aan het einde van het eerste opstel (Dl. 55, blz. 256) heb geformuleerd, legt den etymoloog die met de hypothese der klanknabootsingen wil werken, nogal eenige beperking op: met een bloot vermoeden op grond van een woordvorm of -beteekenis komt hij daarbij niet klaar. En ik meen, dat met die stellingen als richtsnoer nog wel het een en ander valt te bereiken op het gebied van het woordonderzoek.

Onder de woorden nl. waaromtrent ik al lang het vermoeden heb dat ze als onomatopeeën moeten worden beschouwd, behooren die met de beteekenis ‘kijken’. Erg voor de hand ligt deze onderstelling niet, en toen ik mijn reeds genoemde studies schreef, had ik ze dan ook nog niet als zoodanig herkend. Doch ik wil nu trachten het te bewijzen, of althans het tot een zekere mate van aannemelijkheid te brengen.

Ik begin daartoe met het woord kijken zelf, waarover W. de Vries in het 34ste deel van het Tijdschr. (ao. 1915/1916) een interessante beschouwing heeft gehouden. Dr. van Haeringen heeft die in zijn Supplement op Franck-van Wijk's woordenboek niet overgenomen; wel begrijpelijk, omdat zij, slechts gesteund door één analogon (eng. to pry, dat hierbeneden nog nader ter sprake zal komen) wat al te onzeker moest blijven. Wat evenwel niet twijfelachtig hoeft te worden geacht, is het formeele gedeelte der etymologie, nl. dat in het Engelsch twee ww. bestaan, to kick en to keek die in de Middeleeuwen (beide woorden dateeren in de bronnen van ongeveer 1380) tot in de 16de eeuw nagenoeg dezelfde vormen te zien geven1). Hij construeert voor to kick een oudeng. * cicc(e)an (of * ciccian), naast * cic(e)an (of *cícian) voor to keek. Of een Ogerm. ww. *kîk(i)an (het woord komt behalve in het Eng. en het Nederl. ook in het Nederd. voor en is vandaar in de Skandinaafsche landen doorgedrongen) oorspronkelijk zwak of sterk was, is niet geheel zeker. Persoonlijk ben ik geneigd het eerste te gelooven, en De Vries is blijkbaar van dezelfde meening.

[p. 215]

Doch Agathe Lasch behandelt in haar Mnd. Gramm. kîken onder de sterke ww. van de eerste klasse (§ 425, anm. 1) en spreekt (anm. 2) van ‘schwache nebenformen’.

Sedert de 16de eeuw nu heeft eng. to kick, met de beteekenis ‘schoppen’ zich duidelijk gedifferentieerd van het thans nog slechts gewestelijk (in het noorden van Engel. en in Schotl.; zie NED) bekende to keek. Het laatste is, althans volgens de Vries, een niet-gediphthongeerde vorm die identiek is met ons kijken1). Om nu de zeer uiteenloopende beteekenissen van kick en keek naast elkaar begrijpelijk te maken, gaat De Vries uit van een begrip ‘zich [naar iets] wenden’ en ontleedt de bet. ‘schoppen’ van to kick als ‘zich met het been -’, en die van to keek als ‘zich met de oogen naar iets wenden’. Dit heeft wel iets van een gelegenheidsverklaring, en toch ligt zij waarschijnlijk niet zoo heel ver van de waarheid af.

Slaat men in Murray's woordenboek het artikel Keek op, dan leest men: ‘It is noticeable that the vowel of keek corresponds with that of other words of similar meaning, as peek, peep, peer, Sc. teet, and may be due to analogy or feeling of appropriateness’. En nu is het opmerkelijk, dat niet alleen eng. to peek en to peep en Schotsch to teet2) naast de opvatting ‘kijken’ een verklankende beteekenis hebben, maar ook ndl. piepen3). Van zelf komt men langs dezen gedachtengang op de interjecties eng. bo-peep, keek-bo, peep-bo en ndl. kiekeboe, en vraagt men zich af, of de beteekenis ‘kijken’ van al deze en zooveel andere ww. haar oorsprong heeft in het primitieve kinderspel, waarbij onder het plotseling te voorschijn komen piep! wordt geroepen. Die verklaring heeft Boekenoogen in het Woordenboek op Piepen inderdaad gegeven en voor zijn geval en de andere hiergenoemde woorden lijkt zij ook niet onaannemelijk. Wil men echter den overgang van ‘een geluid maken’ tot ‘kijken’ meer in het algemeen verklaren, dan kan dat op de volgende manier. Klanknabootsende

[p. 216]

wortels krijgen vaak de beteekenis ‘een snelle of krachtige beweging maken’1). Zulk een beweging, inzonderheid wanneer die met het hoofd wordt gemaakt, kan in het Eng. behalve door to peep ook worden weergegeven door to pop2), een werkw. dat stellig van verklankenden oorsprong is. Bij een snel te voorschijn komen van het hoofd zal de blik der oogen in dezelfde richting gaan als de beweging, of althans beide handelingen zullen met eenzelfde doel worden volvoerd en zoo kan de naam der beweging overgaan op het zien. (Vermeldenswaard is nog, dat beide ww., to peep en to pop, ook met betrekking tot voorwerpen worden gebezigd, en ze beteekenen dan ‘(uit iets) te voorschijn komen of steken’; dit moet men als een figuurlijk gebruik beschouwen.)

De Vries heeft aan het slot van zijn betoog over kijken een soortgelijke, zij het misschien iets minder plastische beschouwing gehouden met betrekking tot eng. to pry, ‘gluren, loeren’. Hij vat dit op als identiek met mnl. priën, ‘belust zijn op, streven naar’, welk ww. weer nauwverwant is met mnl. prigen, ‘zich beijveren, zijn best doen’, ook ‘de hoogte in willen’ en ‘zich schrap zetten of verzetten tegen, tegenstreven, ook met wapenen’. Als gemeenschappelijke grondbeteekenis neemt hij aan ‘zich ingespannen op iets richten’, en dan is de Engelsche beteekenis, die speciaal wordt toegepast op een zich richten met de oogen, waarschijnlijk de jongste van beide. Priën en prigen nu behooren ook bij een verklankenden wortel (zie daarvoor W.N.T. op Priegelen) en zijn nauwverwant met prijken. Een algemeene beteekenis ‘zich inspannen’ moet zijn ontstaan uit de meer concrete ‘zich bewegen’ en die weer uit ‘slaan’ of ‘stooten’; die van ‘zich ingespannen op iets richten’ kan zich uit ‘zich inspannen’ alleen ontwikkelen, wanneer zulk een ww. gevolgd wordt door een richtingaanduidende prepositie. Hetzelfde ziet men bij pogen en streven (zie die woorden in het W.N.T.).

Een soortgelijke ontwikkeling nu als to peep en to pry zal ook to keek, ndl. kijken hebben gehad. Immers het zoo nauwverwante to kick, waarover De Vries spreekt, moet identiek zijn met ndl. kikken

[p. 217]

in den zin van ‘een geluid geven’, en nauwverwant met gron. kekelen, ‘op luiden toon praten’, of ‘twisten’ en mnl. kekeren ‘stotteren, hakkelen’. De Vries zelf wil kekelen van deze combinatie afzonderen en dit alleen als een onomatopee beschouwen; al de andere echter onder een begrip ‘stooten’ samenvoegen (kikken bij ons zou eigenlijk zijn ‘een geluid uitstooten’) en niet als klanknabootsingen opvatten. Daarvoor is echter geen reden: ook een begrip ‘stooten’ is immers van verklankenden oorsprong en eveneens de bet. ‘schoppen’ en vervolgens ‘weerstreven, recalcitrant zijn’, die aan eng. to kick eigen zijn.

Er bestaat dus reden om voor ndl. kijken naar, evenals voor eng. to pry en to peep uit te gaan van een opvatting ‘met inspanning zijn blikken richten op’, en ik vraag mij af, of hetzelfde niet het geval kan zijn met mnl. capen, dat volgens Mnl. Wdb. ‘kijken’ beteekent, een bewering die weliswaar slechts gebaseerd is op één bewijsplaats uit Der Leken Spieghel, doch die onlangs steun heeft gekregen door een tweede plaats, nl. in Heinric van Aken's Die Rose, door De Vooys vermeld in Tijdschr. 60, 235. En niet alleen in het Mnl. en in het Nd., doch ook in het Middeleng. treft men dit woord aan1). Daarnaast schijnt het Hd. in de Middeleeuwen een voorliefde te hebben voor den vorm met gegemineerde middenconsonant: reeds in het Ohd. vindt men kaphên2), in het Mhd. kapfen (naast kaffen), ‘schauen, besonders verwundert schauen, gaffen’. In al die talen zijn deze woorden met ‘anlautende’ k af en toe verward met gapen, dat in vorm en beteekenis groote overeenkomst vertoont, doch niet als een variant er van mag worden beschouwd. Gapen komt nl. ook herhaaldelijk voor in den zin van ‘kijken’, maar men houdt dat algemeen voor een afge-

[p. 218]

leide beteekenis, en soms meent men1) dat de beteekenis van bv. mhd. kapfen bepaald gunstiger is dan die van gaffen. De vraag is echter of dat juist is: gapen is in het Mnl. bv. lang niet altijd ‘met open mond, dus dom staan te kijken’, maar evenzeer2) ‘met nieuwsgierigheid of belangstelling kijken’, of wel - en hier komt men reeds op een volgende beteekenis - ‘met begeerte of verlangen naar iets (uit)kijken’, en dan ook ‘hijgen, snakken, jagen naar iets, iets begeeren’3). Vandaar tot ‘trachten te bereiken, grijpen, pakken, rooven, stelen’ is geen groote stap meer, en zoo zou kapen, ‘zeerooverij bedrijven’ wellicht een natuurlijke verklaring kunnen vinden4).

Zooals naast kapen een vorm met gegemineerde middenconsonant voorkwam, bestaat dialectisch naast gapen ook zoo'n vorm. In het Groningsch zegt men nl. niet * goapṃ, maar gapṃ, en ook gapperd, in de eerste plaats voor een gaper, maar ook voor iemand die graag bij een ander in de ramen kijkt. Gapperg is niet alleen ‘gaperig’, maar heeft ook een passieve beteekenis; het wordt gezegd van een kamer met groote onbedekte ramen of van de menschen die zich daarin bevinden: ‘open of zichtbaar voor de menschen op straat’. Dezelfde beteekenis heeft ook gaps5). Hoewel niemand in Groningen gapm in den zin van ‘stelen’ voor hetzelfde woord houdt als het zoo juist genoemde, omdat gapṃ, ‘stelen’ uit Holland is binnengedrongen5), lijkt het toch niet onmogelijk, gezien de ontwikkeling der beteekenis bij kapen, dat beide woorden gappen in den grond identiek zijn. Gappen zou dan niet, zooals Van Wijk6) gist, vervormd zijn uit

[p. 219]

kapen, doch men zou zijn oorsprong wel langs een evenwijdigen weg te zoeken hebben1). Doch zekerheid is over dit woord, waarvan men nog zoo weinig gegevens heeft (in het W.N.T. ontbreekt het), voorloopig niet te krijgen.

Wel zijn er nog andere woorden wier semantische ontwikkeling ter versterking van deze suppositie kan dienen. In het Mnl. zijn twee plaatsen gevonden van een ww. kipen (met lange ongediphthongeerde vocaal), waarvan één reeds onder Capen is opgenomen: ‘Den beniders..., die altoos kapen ende kipen, hoe datsi moghen begripen, dat dichters bringhen voort’ (Lsp. Prol. 31; een variant heeft gapen ende kyken), en waar kipen wordt verklaard als ‘op de loer liggen’. De andere plaats is uit Van Vrouwen ende van Minne: ‘Tes sonde dat yemant met hem (den kerel) kijpt’, wat Verdam vertaalt door ‘zich met hem bemoeit’. En beide beteekenissen vat hij samen onder ‘zich moeite geven, zijn best doen, zich inspannen’.

Naast kipen kan men nu kippen plaatsen, zooals kikken naast kijken, en dit brengt het woord meteen in een reeks van verklankingen en de daarbij behoorende beteekenissen. Immers kippen beteekent o.a. ‘pikken’ en dus ‘stooten’, doch het kent ook de opvattingen ‘vangen, grijpen, betrappen’, die weer vlak liggen bij die van kapen en gappen. En verder heb ik het vermoeden dat ook het ww. kappen, dat ‘splijten, hakken’ beteekent, in de groep van kapen, ‘kijken’ en kapen, ‘rooven’ mag worden genoemd. Het zou dan in vorm2) en beteekenis het best het karakter van onomatopee hebben bewaard. Ook het Bargoensche kappen in den zin van ‘praten, klappen’ hoort hierbij; zie Kappen (III) in het W.N.T., waar beide woorden kappen reeds als identiek zijn onderkend. En verder komt men op de gedachte of misschien eng. to keep hierbij genoemd moet worden. Dit woord, zegt NED, heeft waarschijnlijk eerst behoord tot de vulgaire,

[p. 220]

ongeschreven taalsoort, maar omstreeks het jaar 1000 komt het plotseling in de bronnen te voorschijn en dan meteen in allerlei beteekenissen, wat er op wijst dat het daarvoor reeds een heele ontwikkeling moet hebben doorloopen. In zijn oudsten tijd dient het vaak om lat. observare te vertalen, ook wel servare, con-, prae- en reservare, dus ‘bewaken, bewaren, het oog houden op’. Als andere beteekenissen uit dien eersten tijd noemt NED o.a. ‘to try to catch or get; to seek after’ en ‘to seize, lay hold of; to snatch, take’, juist dezelfde dus als die van kapen. Merkwaardig is dat die beteekenissen (evenals die van ohd. kaphên; zie blz. 217, noot 2) aanvankelijk met den genitief geconstrueerd werden en later een gewoon object bij zich kregen. Het zou niet onmogelijk zijn dat to keep, evenals kaphên, ook in dit opzicht opheldering gaf over de genoemde woordgroep. Immers dat een intransitieve opvatting als ‘begeerte koesteren naar’ overgaat in een transitieve als ‘grijpen, stelen’, wordt gemakkelijker te begrijpen als men weet dat daarmee een overgang van een genitiefconstructie tot een accusatiefconstructie gepaard ging: de genitiefconstructie staat blijkbaar op één lijn met een prepositiebepaling.

Trouwens, ook bij andere werkwoorden ziet men zoo'n overgang van intransitief naar transitief; ik denk aan krijgen, dat algemeen als identiek wordt beschouwd met krijgen, ‘twisten, oorlogvoeren’, een opvatting die weer uit ‘zich hevig te weer stellen, zich hevig weren of inspannen’ is te verklaren1). En nu beteekent het meer algemeene ww. krijgen weliswaar nooit ‘stelen’, maar tot aan ‘grijpen, pakken’ loopt de beteekenis toch wel toe2).

NED neemt aan dat to keep zich ontwikkeld heeft uit een Ogerm. * kôpjan; verwanten in andere Germ. talen zouden er niet zijn, tenzij misschien ohd. chuofa, os. kôpa, doch deze worden ook uit een bijvorm van het lat. cûpa verklaard3). Zou * kôpjan nu niet ‘ablautend’ bij

[p. 221]

*kapên kunnen staan, zooals kipen bij kippen en kijken bij kikken? Mogelijk is dit, dunkt mij, wel.

Doch ik wil nu over iets anders spreken.

Tot nu toe is alleen kwestie geweest van woorden waarbij een bet. ‘kijken’ zich gewijzigd had tot ‘met begeerte uitzien naar’ en vervolgens tot ‘grijpen, pakken, stelen’. Daarnaast, of liever daartegenover kunnen ww. die ‘kijken’ beteekenen zich echter ook ontwikkelen in een geheel andere richting. Om dit aan te toonen, begin ik met loeren, waarvan de verandering der beteekenis in twee richtingen is gegaan: loeren op iemand of iets omschrijft Dr. Heinsius1) als ‘scherp (vaak met valschen blik) er naar kijken... om er zich op 't juiste oogenblik meester van te maken’. Tot ‘grijpen’ of ‘stelen’ heeft de bet. zich echter ternauwernood ontwikkeld: onder Loeren (II) vindt men, slechts door één voorbeeld uit Alewijn gestaafd, iets loeren, ‘'t door bedrog afhandig maken, stelen’. Dr. Heinsius houdt dit voor een bijzonder gebruik van loeren, ‘bedriegen’, doch die overgang is niet bijzonder helder. Het begrip ‘bedriegen’ zal zich veeleer hebben ontwikkeld uit dat van ‘oneerlijk te werk gaan’ en dat uit ‘knoeien, morsen’, opvattingen die bij verklankende wortels vaker voorkomen (zie in Tijdschr. 55, 254 bv. morsen en kladden) en die dus verder van het begrip ‘stelen’ afliggen dan in het Wdb. is aangenomen.

Maar nu komt bij loeren nog een geheel andere beteekenis voor, en wel ‘slapen’2). Dr. Heinsius heeft daarvan een afzonderlijk artikel gemaakt; dat lijkt mij onnoodig. Vergelijkt men nl. andere ww. met soortgelijke opvattingen, die merkwaardigerwijze ook alle in vorm veel op loeren gelijken (ik denk aan gluren, pluren, turen en het gewestelijke, mij uit het Groningsch bekende kuren3), dan ziet men daarbij een semantische reeks als de volgende: ‘scherp en met

[p. 222]

inspanning kijken’ > ‘zitten te kijken’ > ‘werkeloos of moedeloos neerzitten’ > ‘zitten te soezen of suffen’ > ‘slapen’. In tegenstelling met den gang der ontwikkeling hierboven drukken deze woorden een geleidelijk grooter wordende inactiviteit uit. Bij loeren ontbreken in het Nederlandsch de tusschenschakels, maar in het Elzassisch heeft de correspondeerende vorm de beteekenis ‘faulenzen, halb schlafen’1) en zw. lura, deensch lure worden weergegeven door ‘schlummern’2). In het Nederlandsch is het sedert de 16de eeuw bekend (zie bv. Kiliaan), in het Hd. sedert de 14de3) en in het Engelsch komt to lour (lower) nog vroeger (sedert ± 1290) voor.

De overige ww. van deze reeks hebben thans gemeenlijk ü als stamvocaal, maar naast pluren komt in het Friesch ploeren voor4), en het Mnl. coeren, ‘de wacht houden, waken, op den uitkijk staan’ is ongetwijfeld hetzelfde woord als gron. kuren5). Pluren en kuren kennen nog een beteekenis, die hierboven niet is genoemd, t.w. ‘met half dichtgeknepen oogen kijken, soms een natuurlijk gebrek, soms het gevolg van te fel licht of van vermoeidheid’, en pluren kan bovendien nog ‘lonken, scheel kijken’ beduiden, een opvatting die wellicht ontstaan is uit die van ‘lonken, verliefde of dartele blikken werpen, knipoogen’, welke o.a. ndl. gluren kent en die Kiliaan voor loeren opgeeft (‘retortis oculis intueri’). Naast pluren geeft Boekenoogen een bijvorm pluurten, naast koeren moet, blijkens de afl. koerter, ‘torenwachter’6), * koerten zijn voorgekomen en het bestaan van ploeren en pluurten heeft mij indertijd doen besluiten tot een derden bijvorm, t.w. * ploerten, waarmee ik het znw. ploert in verband heb gebracht. De juiste verhouding van znw. en ww. heb ik, toen ik pluren voor het Woordenboek maakte, nog niet gezien, maar wel heb ik toen begrepen, dat pluur staat tot pluren, als ploert tot

[p. 223]

* ploerten, als loer (in W.N.T. het eerste artikel) tot loeren. De beide laatste znw. zijn benamingen voor een ongunstig manspersoon, die het best kunnen worden verklaard uit een oudere beteekenis ‘lap’ of ‘vod’, en pluur beteekent ‘pluis’, allemaal opvattingen die in een verklankende reeks thuishooren.

Coeren beteekent, zooals gezegd, in het Mnl. ‘de wacht houden, op den uitkijk staan’, doch het staat vast dat eng. to cower, hd. kauern, zw. kura daarmee identiek zijn. Die ww. beteekenen echter, zooals men weet, ‘hurken’, een overgang die wel verklaarbaar is, als men daartusschen denkt aan ‘ineengedoken op de loer liggen’. Doch men kan ook hurken om zich te verbergen of om te schuilen en van die laatste beteekenis geeft het W.N.T. twee voorbeelden onder kuren1) uit de 16de eeuw; het woord moet echter in een deel van Zuid-Holland nog bekend zijn in dien zin. Dat ook coeren (kuren) een onomatopee is, ligt na hetgeen over loeren en pluren is gezegd wel voor de hand, en als men zoekt naar verwanten die dat nog kunnen aantoonen, vindt men in de eerste plaats het ww. koeren dat het geluid der duiven weergeeft (in het W.N.T. echter zeer begrijpelijk als een afzonderlijk woord behandeld) en dat oudtijds ook ‘zuchten, steenen, jammeren’ beteekende, maar bovendien het znw. kuur2) in den zin van ‘streek, poets, gril’, dat altijd, maar nooit bevredigend, is verklaard als identiek met kuur, geneeskundige behandeling’. Diezelfde opvatting van ‘streek, grap’ en derg. hebben immers vele andere substantiva, zooals kwak, kwinkslag, poets en streek, hd. scherz en schwank3), en die moet ontstaan zijn uit die van ‘snelle, onverwachte beweging’. Ik vermoed dat ook loer in iemand een loer draaien zoo verklaard moet worden.

[p. 224]

Nog een formeele bijzonderheid moet ik bespreken, en wel het feit dat behalve een t-suffix ook een k-suffix achter deze wortels voorkomt, waarbij de stamvocaal een verkorting heeft ondergaan. Boekenoogen vermeldt naast pluren plurken, in den zin van ‘op eens anders werk turen om dit af te schrijven’; eng. to lurk, dat nu nog alleen in de geschreven taal voorkomt1) en dat o.a. beteekent ‘zich verbergen, in hinderlaag liggen’, maar vroeger ook ‘verborgen en teruggetrokken leven’ en ‘heimelijk loeren’, moet op dezelfde manier naast loeren staan. Nu komt naast hd. kauern, waarvan Weigand-Hirt als oudste plaats een van 1734 noemt, een reeds uit 1556 dateerend hauern voor in denzelfden zin, en het is duidelijk dat ons hurken daarnaast den vorm met k-suffix representeert.

Ik kom ten slotte nog tot twee werkwoorden: hd. gucken en ndl. (ook nd. en noordgerm.) koekeloeren. Naast gucken bestaat gewestelijk en in ouderen tijd ook kucken2), en wat de beteekenis betreft valt op te merken dat het de inactieve opvatting van ‘stil voor zich uitkijken’ en derg. niet kent en alleen wordt gebezigd voor ‘nieuwsgierig, onderzoekend, verbaasd of starend kijken’3). Opmerkelijk is nu dat er ook een ww. gucken bestaat (thans nog alleen in het Opperduitsch, maar vroeger meer verbreid) dat dient om den roep van den koekoek weer te geven4) en dat een soortgelijk geval zich voordoet bij ndl. koekeloeren, daar dit immers een begrip weergeeft dat met ‘kijken’ in verband kan worden gebracht, doch ook o.a. voor het kraaien van den haan wordt gebezigd. Voor gucken mag men stellig aan een soortgelijke ontwikkeling denken als bij peep en keek, want dat beide woorden gucken in den grond niet identiek zouden zijn, is na al hetgeen ik reeds heb meegedeeld niet erg waarschijnlijk meer, ook al ligt het voor de hand dat noch in D. Wtb., noch in het W.N.T. is

[p. 225]

gepoogd de beide woorden gucken, resp. koekeloeren te identificeeren.

In het W.N.T. wordt koekeloeren beschouwd als een afl. van kokeloer, een bijvorm van kokerol, ‘slak’, doch tegen deze van Kiliaan afkomstige etymologie is reeds door W. de Vries1) bezwaar gemaakt, en nog onlangs heeft Dr. de Tollenaere die bezwaren nauwkeuriger geformuleerd2). De Vries stelt voor koekeloeren te beschouwen als een koppeling van twee synonieme ww. koeken en loeren, doch zegt niet waar in Nederland een dialectische vorm koeken voor ‘kijken’ te vinden is, en evenmin vermeldt hij het homonieme woord dat in Z.-Nederl. het hanegekraai en het gekoer van een duif imiteert en ook wordt gebruikt voor ‘rumoeren, gekheid maken’. De Tollenaere heeft beide woorden wel voor identiek gehouden, doch zijn verklaring, die ik hier natuurlijk niet kan weergeven, heeft het bezwaar dat ze voor de tweelingwoorden gucken niet onveranderd is te gebruiken. Het znw. koekeloer dat ‘lummel, sukkel’ beteekent, mag men misschien beschouwen naast het ww. koekeloeren, zooals ploert naast pluurten en loer naast loeren, derhalve als een woord dat aanvankelijk de naam voor een waardeloos voorwerp, een vod of lap was, waarschijnlijk met het vr. geslacht3). Wil men daar niet aan gelooven, omdat van die oude beteekenis ‘vod’ niets blijkt, dan kan men koekeloer opvatten als een zw. masc., nomen agentis bij het ww. Wat dit ww. betreft, moet men van de verklankende beteekenis (die reeds bij Kiliaan voorkomt) uitgaan. Naast koekeloeren geeft Verdam een vorm koereloeren4) op, waarvan althans het eerste lid, koeren, een geluid kan weergeven. Dat dit ook voor * koeken in koekeloeren het geval kan zijn, bewijst de gelijkluidende bijvorm kucken5) naast gucken voor het geluid van den koekoek. Zou men koereloeren nu niet het best verklaren als tureluren of tierelieren, d.w.z. als gevormd met een rijmend verlengstuk dat geen eigen beteekenis heeft? Als

[p. 226]

koekeloeren later de bet. ‘kijken’ heeft gekregen, zal de gedachte aan loeren natuurlijk zijn opgewekt, maar als een speelschen vorm naast loeren zou ik het langere ww. in principe niet willen beschouwen.

 

Na hetgeen ik tot dusver uiteengezet heb, en daarop steunend, wil ik trachten iets te weerleggen dat De Vooys in zijn reeds genoemde1) akademievoordracht heeft ter sprake gebracht. Op blz. 23 daarvan heeft hij het over de ‘kameleontische betekenisontwikkeling’ als een karaktertrek van ‘slang’ en zegt dan: ‘Het duidelijkst komt bij de werkwoorden uit, welke onverzoenlijke betekenissen met hetzelfde woord verbonden kunnen worden. Piepen betekent b.v. slapen, vluchten, stelen, gebeuren; pieren betekent bedriegen..., maar ook: 2o zwieren, nachtbraken, 3o turen, loeren (Zuid-Nederl.), 4o (bij Van Rusting) fluiten (een deuntje pieren) en zelfs: “complimenten pieren”’.

Zijn de opvattingen van-ieder dier werkwoorden nu inderdaad zoo ‘onverzoenlijk’? Dat een onomatopee als piepen ‘slapen’ en ‘stelen’ kan beteekenen, is in het voorgaande voldoende verklaard. Wat de opvatting ‘gebeuren’ aangaat, mag piepen misschien worden vergeleken met een beteekenis van eng. to pop, ‘to come on or upon abruptly... or by chance; to light upon, happen upon2), dus ‘over iemand komen’, wat kan overgaan in ‘iemand gebeuren’, doch dit blijft onzeker. Het moeilijkst te verklaren is echter hem piepen, voor ‘stil weggaan’, omdat in al dergelijke gevallen (verg. bv. ook hem smeren) nog altijd onzeker is, welke bet. aan hem toekomt. Zonder die toevoeging zou een bet. ‘vluchten’ wel te verklaren zijn uit die van ‘zich snel bewegen’. De beteekenissen ‘bedriegen’ en ‘turen’, die pieren kan hebben, zijn hierboven ook reeds verklaard. Dat het ‘fluiten’ kan beteekenen, is zeker niet verwonderlijk, en opvattingen als ‘zwieren’ en ‘nachtbraken’ kunnen berusten op een als ‘rumoer maken’, of wel op een begrip als ‘plassen’ of ‘brassen’3).

Dat de bovengegeven constructies niet geheel willekeurig zijn en

[p. 227]

niet naar believen door geheel andere kunnen worden vervangen, blijkt dunkt mij daaruit, dat men in andere talen bij de etymologisch identieke woorden ook dezelfde beteekenissen kan vinden. Wie bv. meenen mocht dat piepen in den zin van ‘slapen’ jong is, zij er op gewezen dat reeds in 1700 in het Engelsche Bargoensch to peep voor ‘slapen’ werd gebruikt. NED1) geeft een voorbeeld: ‘As the Cull Peeps let's Mill2) him’ (when the Man is a Sleep, let's Kill him)’. Aan ontleening kan in zoo'n geval al heel moeilijk worden gedacht, immers het betreft hier woorden die voor ontleening eigenlijk niet in aanmerking komen. En dan blijven maar twee mogelijkheden over: dat de woorden reeds van oudsher verwanten zijn of dat ze hun ontstaan danken aan een ‘feeling of appropriateness’. Deze laatste verklaring nu, hoe bruikbaar die ook mag zijn, wanneer men met onomatopeeën in hun eigenlijke beteekenis te doen heeft, ontaardt onmiddellijk in een geloof aan mysterieuze associaties tusschen klank en begrip, wanneer ze ook op andere woorden worden toegepast of op onomatopeeën in hun jongere opvattingen. Wie prijs stelt op heldere voorstellingen en begrippen in de taalkunde, doet verstandig zich van die manier van verklaren te onthouden. Men zal dus aan oerverwantschap moeten denken, in dit geval aan Oudwestgerm. verwantschap. Niet dat het in dien ouden tijd reeds de bet. ‘slapen’ zal hebben gehad; noodig is dat tenminste volstrekt niet, want die jongere beteekenissen kunnen zich in de afzonderlijke talen langs evenwijdige wegen hebben ontwikkeld.

Men heeft vaak gewezen op het vele onlogische dat er in semantische ontwikkeling is. Ik wil dat niet ontkennen, maar soms bekruipt mij toch het gevoel dat zulk een bewering wat al te lichtvaardig wordt geponeerd. Wie een mozaïek aan stukken ziet liggen, zal geneigd zijn te zeggen dat er geen teekening in is te ontdekken, maar wie met geduld en toewijding tracht het te herstellen, voorzoover het materiaal nog aanwezig is, zal die symmetrie wel degelijk zien ontstaan. Iemand zal mij kunnen tegenwerpen, dat deze vergelijking fout

[p. 228]

is, omdat taal iets levends is, dat in voortdurenden groei verkeert. Ik weet dat waarlijk wel, maar daartegen meen ik toch weer te mogen zeggen, dat symmetrie ook in de levende natuur niet zeldzaam is, en verder, dat taal een schepping is van den geest en daarom ook niet volledig te vergelijken met een physieken groei. Nu heeft zelfs de ongeschoolde geest een natuurlijken zin voor het logische, en alleen uit geringschatting van het menschelijk verstand of uit de overtuiging, dat het helder denken het privilege is van de ontwikkelden, kan iemand gelooven aan een pure grilligheid in de semantische ontwikkeling. Ik hoop in de hier gegeven proeve van reconstructie een bewijs voor het tegendeel te hebben geleverd.

Leiden, Maart 1941

j.h. van lessen