|
|
|
| |
| | | |
Pharmaceutische vaktaal uit het begin van de veertiende eeuw
In mijn artikeltje Broeder Thomas' traktaat over natuurkennis in dit tijdschrift1) wees ik terloops op de traktaten van medische en pharmaceutische aard, achterin hetzelfde Utrechtse handschrift, die m.i. een taalkundig onderzoek verdienden. Het was mij toen niet bekend dat reeds twee jaren te voren een gedeelte van deze tekst door Prof. P. van der Wielen gepubliceerd was in het Pharmaceutisch Weekblad van 19162). Onlangs is in dit Weekblad opnieuw een groot stuk afgedrukt3), zodat nu bijna de gehele tekst gemakkelijk geraadpleegd kan worden. Aangezien de beoefenaren van het Middelnederlands deze publicatie licht over het hoofd zouden zien, kan het nuttig zijn er hier de aandacht op te vestigen en er een korte beschouwing aan te verbinden.
Deze teksten, van dezelfde hand als de voorafgaande teksten in het oude perkamenten handschrift van ± 13254), zijn blijkens de woordvoorraad - gelijk wij weldra zullen aantonen - van Noordnederlandse, waarschijnlijk van Utrechtse oorsprong5). De stof is verwant met de door De Vreese uitgegeven Middelnederlandsche geneeskun- | | | |
dige recepten (Gent 1894; na één aflevering gestaakt), de Middelnederlandsche vertaling van het Antidotarium Nicolaï (ed. W.S. van den Berg, Leiden 1917), Een Vlaamsche Leringe van orinen (Leids proefschrift van J. Munk, 1917) en de geschriften van de Yperse chirurg Jan Yperman, door Van Leersum uitgegeven.
De Utrechtse teksten zijn in de eerste plaats interessant door de taalvormen. Strenge eenheid is daarin niet te bespeuren: men vindt er scarp, warp, warmoes naast scerp, werp en wermoes; oevel naast evel, cleynsen naast clensen, nase naast nese, tieghen (= tjegen) naast teghen, gemecht naast gemacht, es naast is. Maar bij nader toezien zijn de Noordnederlandse vormen overheersend. Regelmatig wordt het voorzetsel mit gebruikt; naast duutsch, lude, ruken, duden vindt men geen afwisselende vormen met ie. Vluus (= vlies), dat sune (= dat sien = het gezicht)1) zijn kenmerkend voor de eigen taal van de schrijver, evenals de o van grone, overvlodich, de ei van vleisch, heilen, de substantieven zonder slot-e: die steect (= pijn), die hitt (= hitte), het ontbreken van ge: swel (= gheswel). Een enkele maal komt de Noordhollandse ft voor den dag (kraft). Naar het Oosten wijzen caren (= coren = braken), gebraken (= gebroken), swevel en het bovengenoemde gemecht. Dit alles maakt het waarschijnlijk dat de schrijver in Utrecht thuis was. Maar - zal men vragen - kan hij niet een Zuidnederlandse tekst afgeschreven hebben? Hij heeft toch ook de Natuurkunde van 't Heelal naar een Zuidelijk voorbeeld
gecopieerd? Dat hij Vlaamse of Brabantse bronnen geraadpleegd of gevolgd heeft, is op goede gronden aan te nemen. Er is zelfs een duidelijk bewijs: de recepten voor ‘syrope van rosen’ op fol. 35 (in de uitgave van 1941 op blz. 62) vindt men met dezelfde inhoud, maar zonder woordelijke overeenkomst, in de door De Vreese uitgegeven Recepten No. 53 en No. 54. Enkele Brabantse vormen (b.v. het hoofd kemmen, ghelas = glas; misschien ook vormen zonder intervokalische d: gebayt van baden) maken het mogelijk dat hij ook Brabantse recepten kende. Merkwaardigerwijze trof ik eenmaal een gediftongeerde i aan; nl. spleyt = splijt, imper. van het ww. spliten (fol. 47v). Er
| | | | zijn ook Oostbrabantsche elementen als vreysom en wasom, terwijl bestopden milte aan Limburg doet denken. Dat alles wijst op compilatie uit teksten van verschillende afkomst. Dat hij evenwel een volledige tekst woordelijk gevolgd heeft, achten wij onwaarschijnlijk. Dan zou hem wel eens een Vlaams up, een infinitief met e (te makene), een ou in drouf, douck e.d. ontsnapt zijn. Maar de doorslag geeft de typisch Noordelijke woordvoorraad. Wij kennen soortgelijke Vlaamse teksten, die hiervóór vermeld zijn, en daarin de telkens weerkerende woorden, waarvoor wij in onze tekst bijna zonder uitzondering het corresponderende aequivalent vinden: borne × water; hanke × hoepe; corts × rede; huuf × huuch; zeem × honigh; slaep of tempel × dunninge; fledercijn × gichte; vede × manlijcheit; gansen × genesen; orboren × besighen; walken (= kneden) × bouwen1); claersen × claren; sugen × suken.
Hoe is dan de boven aangeduide verscheidenheid te verklaren? Men zou kunnen denken aan taalmenging in een zo centraal gelegen plaats, een bisschopstad bovendien, met wisselende bevolking. Behalve overneming uit geraadpleegde bronnen kan er echter ook opzet in het spel zijn. Het viel mij op, dat de wisselvormen soms vlak bij elkaar staan. Herne is het Noordelijke woord voor het later algemeen geworden hersene. Op fol. 11 lezen wij: ‘dat sterct die herne ende maket goede hersen in allen menschen’. Even verder, op fol. 12: ‘Nem pulver ende blaset in die nese; dat stopt tbloet ter nasen’. Wanneer een afschrijver zich tot taak stelde, een tekst te normaliseren, of wanneer een auteur zijn eigen taal hanteert, dan zou dat ons een slordigheid lijken. De Middeleeuwer hield van zulke variatie, ook in zijn spelvormen. Ik herinner mij een aardige vergelijking met de Middeleeuwse houtsnijder, die in de mensen- of dierenkoppen aan een zelfde koorbank steeds naar verscheidenheid streeft.
Dat de Mnl. woordgeografie interessante gegevens kan putten uit een vergelijking van de Utrechtse teksten met soortgelijke en bijna gelijktijdige Vlaamse, is reeds duidelijk geworden uit de weinige opgesomde voorbeelden, die nog met verscheidene andere te vermeerde- | | | | ren zijn1). Daarnaast leveren ze enige lexicografische aanwinsten, aangezien nòch Verdam voor het MnlW, nòch H. Heukels voor zijn Plantennamen2) dit handschrift geraadpleegd heeft.
| Averute (= abrotanum). De naam averuit komt nog voor (Heukels, blz. 28), maar als oude naam werd door hem, op gezag van Dodonaeus, slechts averone opgegeven3); het MnlW geeft aefruy en averuy. |
| Mercke of merc, synoniem van eppe, wordt nòch door Heukels, nòch door Van den Berg vermeld. Heukels (blz. 25) noemt echter wel een oude samenst. nl. Joffrouwmerk (ook in enigszins andere vormen). |
| Doder (= custuca)4) = warkruid, komt overeen met de moderne naam doderkruid (Heukels, blz. 81, waar het onder de oude namen ontbreekt. Verdam heeft het nergens aangetroffen). |
| Aurine (= centaurea) komt onder de zeer talrijke oude en nieuwe namen van deze soort bij Heukels (blz. 58-60) niet voor. |
| Beverswijn, dat herhaaldelijk voorkomt, is een volkseigen vervorming van beversijn (Mnl HandW). Het MnlW kent slechts het synoniem beverscul: daar wordt reeds verondersteld dat het ook een plantnaam is. |
| Scelwortel (= celidonia)4) ontbreekt bij Van den Berg; zie echter Heukels, blz. 62. Het MnlW kent als bijvorm schelleworte. |
| Peperraep is blijkbaar een vervorming in de volksmond van peperradic, dat Heukels (blz. 70) als een oude naam voor de mierikswortel vermeldt. |
| Levercruut komt ook bij Heukels (blz. 118) als oude naam voor, naast leverbloeme en leverworte. Het MnlW noemt slechts leverbloeme. |
| Billensaet. Het MnlW heeft slechts billencruut, als vervorming van bilsencruut. Heukels (blz. 123) geeft uit Den grooten Herbarius (ao. 1514) bilsaet. |
| | | |
| Dolre1) (= lolyum)2) = raaigras. Heukels (blz. 143) geeft als tegenwoordige en als oude naam dolik, bij Kiliaen dolck (wellicht drukfout voor dolek?). Hoe dolre daarmee samen kan hangen is niet duidelijk. |
| Papple (= malva) is een bekend woord (Heukels, blz. 149), maar ons handschrift onderscheidt huuspappel en groetpappel ‘die men heet hoemse’. Dit laatste woord, dat later terugkeert in hoemswortel, vindt men bij Heukels op blz. 16 onder het opschrift heemst (vgl. ook MnlW i.v.). |
| Almente of alment (= mentha) komt nòch in het MnlW nòch bij Heukels voor. Als samenstelling met mente kent Verdam alleen hofmente3). Daarnaast kent ons handschrift ook rosment (vgl. rossement bij Heukels, blz. 155) en steenment, dat bij Heukels niet voorkomt. |
| Steenclever of melloet (= mellilotum)2) = honigklaver. In de tekst staat: ‘oec heytment coninx crone’. Heukels (blz. 154) vermeldt deze namen geen van beide onder de oude namen; onder de nieuwe namen geeft steenklaver en steenkloover. |
| Kaernote of kaernenote is een nergens elders aangetroffen vertaling van nux vomica; het reeds hiervoor genoemde werkwoord caren (= coren = braken) en het daarvan afgeleide caringe komen in deze tekst herhaaldelijk voor. |
| Mancopsaet (= papaver). Het MnlW kent maencop en maensaet. |
| Verkensvencoel wordt bij Heukels (blz. 178) onder de oude en de nieuwe namen genoemd, maar ontbreekt in het MnlW. |
| Berchpoley (= polium). Zie voor deze samenstelling met poleye (MnlW; Heukels, blz. 155) WNT XII, 3114. |
| Lamstonghe, synoniem van bredeweghe (= plantago) = weegbree. Eigenaardig is dat onder de tientallen namen die Heukels verzamelde (blz. 186-188) juist deze niet voorkomt; wel lamsooren en schapetongen in Utrecht en schaapsooren in Vlaanderen; daarnaast op veel
|
| | | |
| plaatsen: hondetong. Wij vestigen ook de aandacht op de eigenaardige, volkseigen omzetting bredeweghe uit weghebrede, die intussen reeds bij Verdam vermeld is. |
| Peperwort (= rafanus)1) = radijs. Heukels (blz. 208) geeft dit woord niet onder oude of nieuwe benamingen. Zie echter MnlW i.v. peperradic. |
| Zukarey of weghenwise. Een aardig bewijs hoe oud de volksetymologische vervorming van cichorei reeds is. De andere naam is wel in het MnlW (i.v. wegewise) opgenomen, maar Heukels (blz. 67) kent onder de oude en nieuwe namen slechts weghewaert (wegenwaart, wegenwachter). Als Latijnse naam geeft ons handschrift niet cichorium, maar de dichterlijke naam: sponsa solis. |
| witgummi (= sercocolla) troffen wij in geen woordenboek aan. |
| serpentine (= serpillum)1). Bij Heukels (blz. 190) komt dit woord voor als naam voor een andere plant; bij Van den Berg (blz. 263) weer voor een andere (= hertstonghe). Het MnlW kent serpentine alleen als naam van een steen. |
| fiolenbloem. Onder dit hoofd komt als afleiding het nog niet opgetekende woord fiolaet voor, een stroop, die ook met de samenstellingen zukerfyolaet en syroepfyolaet genoemd wordt. |
| Uit het verdere deel van het handschrift noemen wij nog als plantennamen lubbesteec (MnlW alleen lubbestekel en lubbestock), roeloke (= tormentilla) en wellicht bocsbloet, dat in een recept (fol. 32v) tussen plantennamen voorkomt. Een raadselachtig woord is hennenkerse (fol. 49) voor herderstas (bursa pastoris). |
Deze teksten brengen, behalve de plantennamen, nog enige lexicografische aanwinsten. Van het reeds genoemde dunninc = slaap van het hoofd kende Verdam geen enkele bewijsplaats. Het was hem bekend uit de Teuthonista, het Middelnederduits, terwijl hij schrijft: ‘Nog heden is dunegge in Overijssel de gewone benaming.’ De vele plaatsen in dit handschrift zijn dus welkom.
Een ander woord dat het MnlW zonder bewijsplaats opnam, is de ziektenaam vreissem. Deze vindt men op fol. 26v: ‘Dit cruut nuch- | | | | teren ghegheten verdrijft dat vreysom ende slinct ghezwollen vreysom.’
Een aardige vondst is ook het werkwoord vrewen = van koude verstijven. Het MnlW kent één plaats van vervrewen, ‘maar een ww. vreuwen... is nergens gevonden.’ Het komt in dit handschrift op twee plaatsen voor: Dit cruut ghedroncken mit wine en laet dat lichaem niet vrewen (fol. 16). - ‘Mit dien water wrijf die ghevrewet is, hi sal ghenesen’ (fol. 18).
Het woord boemwol = pluksel van katoen ontbreekt in het MnlW, maar daar het opgenomen is in het HandW zijn er dus reeds meer plaatsen opgetekend. Dat zelfde geldt voor hons appetit = razende honger, dat slechts het HandW onder honthonger vermeldt.
Versmert = ontveld kan men bij Kiliaen vinden, maar het MnlW kent maar één plaats uit Maerlant, waar het ‘bezoedeld’ schijnt te betekenen. Ons handschrift heeft een duidelijke plaats: ‘Is dat kijnt versmert erghent, nem subtile blomen van ghersten mele’ etc. (fol. 46).
Enige afleidingen en samenstellingen, toevallig nog niet aangetroffen, zijn, behalve de reeds genoemde: swiminghe (MnlW swimel en swimelinge), caringhe (= het braken) en blootcaringhe (= bloedspuwing), hantevel, ghesproet (= sproeterig), vleysesode (= vleessap).
Met ongewone betekenis noteerden wij: droefheyt der oeren (= hardhorigheid; het MnlW kent slechts de betekenis: troebelheid); regioen ‘omtrent den regioen vander leveren’ (in het MnlW slechts de betekenis: landstreek); regeren = medisch behandelen: ‘men sal den zieken regeren als in cotidiaen’ (fol. 51; vgl. 't regiment der ghesontheit).
Andere vreemde en bastaardwoorden uit deze vaktaal zijn: secundine (‘Secundine dat is die humoer die in der moeder blivet als die vrouwe van kijnde gheneset’ fol. 8); een mij niet duidelijk passarien (‘van passarien ter medicinen’, in een opschrift op fol. 30), gespumeert, gezegd van honing, en collys (‘dat sop van eenre hennen of dat collys daer af’, fol. 50).
Ten slotte noemen wij nog enige woorden, waarvan de verklaring mij twijfelachtig lijkt, of waarin de betekenis mij duister gebleven is:
| | | |
fol. 12v: ‘Nem dijsel ende scone breke ende sietse in wijn ende drinc dat.’
Vermoedelijk is met breke de steenbreke (saxifraga) bedoeld, maar deze afkorting is in het MnlW niet vermeld. |
fol. 17v. ‘Ziede ment in water ende azijn ende maec daer in een doec nat ende lechen heet op die maghe of ette die mente in wermoes.’
Een werkwoord etten (causatief van eten) = doen eten past goed in het verband, maar in het Mnl., en nog in Westfriesland, komt het uitsluitend voor in de betekenis: doen afgrazen. |
| fol. 31v. Opschrift: ‘Water ter gheesten ziecheyden van binnen ende ter krancheit der ruueren’ (afgedrukt in de tekst als ruveren). Dit woord heb ik nergens aangetroffen, evenmin als gleyen in de volgende passage: |
| fol. 50. Bi urine die gheelachtich is of roedachtich ende vet ende die inden rinc een luttel gleyt of omtrent den rinc een luttel doncker is’. |
Van de juistheid van deze lezingen heb ik mij overtuigd door de uitgegeven teksten met het zeer duidelijke handschrift te collationneren. De zinstorende fouten bleken niet talrijk. Alleen waren herhaaldelijk c en t verwisseld, b.v. scadelike voor stadelike, scamine voor stamine (= zeefdoek, zie MnlW i.v.). Mijn collatie (nl. van de tweede publicatie) is afgedrukt in het opvolgende nummer van het bovengenoemde Pharmaceutisch Weekblad.
Utrecht, Sept. 1941
C.G.N. de vooys
|
1)Ts xxxvii (1918), blz. 271-277. Zie de laatste noot op blz. 277.
2)N o 27. onder de titel: Een middeleeuws Nederlandsch kruidenboek. Afgedrukt is fol. 8-28.
3)Pharm. Weekblad 1941 N o 26 en 27: De Pharmacie in Nederland in de Middeleeuwen II. Afgedrukt is fol. 28v-fol. 51v. De tekst is letterlijk weergegeven zonder interpunktie of verklaring. Enige onnauwkeurigheden zijn later verbeterd.
4)Dr W. de Vreese heeft zich m.i. vergist, toen hij in de Bouwstoffen dit handschrift een eeuw jonger schatte en de oorsprong op ± 1440 stelde. Ook de Utrechtse bibliothekaris Dr Hulshof en Dr Lieftinck zijn van mening dat het uit de eerste helft van de veertiende eeuw dagtekent.
5)Zie de beschrijving in de Utrechtse Catalogus onder N o 1328. Van de 56 folio's zijn nu nog ongepubliceerd fol. 1-8 ( Boec van medicinen) en fol. 52-56: de aanhef van een interessante vertaling van De regimine sanitatis, die op blz. 56v afgebroken wordt. Hoeveel daaraan ontbreekt is moeilijk na te gaan.
1)De vorm sune was tot nu toe niet aangetroffen. Elders in dit hs. staat: ‘tghesien der oghen’.
1)bouwen is, blijkens het gebruik van Yperman, ook Westvlaams.
1)o.a. bouwelude en in den bouw, eemte (mier), keseling (door Kil. ‘Sax. Sic. Holl.’ genoemd) en het voegwoord thent = totdat.
2)H. Heukels: Woordenboek der Nederlandscht volksnamen van planten. (Amsterdam - W. Versluys - 1907).
3)W.S. van den Berg (blz. 194) citeert uit het Brusselse Herbarius-hs: averone of iagerande.
4)De Latijnse naamsvormen zijn niet de officiële, doch die van het hs.
4)De Latijnse naamsvormen zijn niet de officiële, doch die van het hs.
1)Aldus in het opschrift. De paragraaf begint met olre, waarbij waarschijnlijk een hoofdletter D weggevallen is.
2)Zie noot 4) op de vorige blz.
3)Ook Van den Berg (blz. 241) geeft als Nederlandse naam alleen hofmente.
2)Zie noot 4) op de vorige blz.
1)Zie noot 4) op blz. 130.
1)Zie noot 4) op blz. 130.
|
|