[p. 51]

Banjer, banjerheer, banjaard

In Dl. 63, blz. 87 volg. van dit tijdschrift heeft Dr Heinsius terloops de aandacht gevestigd op het weinig bevredigende van de verklaring van banjer uit baanderheer, mede op grond van de verschillende sferen waartoe deze woorden behooren. Bij een lexicologisch onderzoek nu van een groot aantal liedboekjes uit de 18de eeuw vond ik eenige plaatsen die een nieuw licht werpen op de opkomst van dit woord en die ik derhalve hier wil meedeelen. Die liedboekjes bevatten, naast oude, overgeleverde liederen in conventioneele taal, ook veel nieuws in moderner bewoordingen en waarin men veel echte volkstermen vindt. Zoo vond ik in den vijfden druk (1794) van het Vermakelijk Vrouwe-tuyntje reeds het woord jajem, een nog thans zeer gewoon volkswoord voor jenever. In deze sfeer blijkt ook banjer opgekomen te zijn en wel allereerst als telwoord en bijvoeglijk naamwoord met de beteekenis ‘veel’.

 
In Altena of in de Laers Daer vinje banjer hoeren,

aldus de Vrolyke Minnaar (1767), blz. 82. In de Nieuwe Vermakelyke Snuyf-doos (± 1750) heet het (blz. 55):

 
By Haagse Janne of in de Baan, daar vind gy banjer stof

(t.w. voor vermaak)

 

en hetzelfde zegt de Nieuwe Verm. Utrechtse Min-stroom, blz. 58 (1767).

Het lijdt dunkt mij geen twijfel dat dit hetzelfde woord is als het zuidafrikaansche banje, ‘veel, zeer’, dat uit Maleisch komt (banjak) en eveneens als telwoord en als bnw. gebruikt wordt. Mansvelt zegt in zijn Kaapsch Hollandsch Idioticon (1884): ‘Banje, bajang, baing1), veel, zeer. Dit is waarsch. 't Indische banjak (veel)... Banja wordt ook als bvnw. gebruikt in den zin van fluks, flink, dege-

[p. 52]

lijk, bv. 'n banja perd, 'n banja kerel’. Het woord is dus uit Indië geimporteerd en het is dan ook geen wonder dat men het juist in de liedboekjes aantreft, die bijna zonder uitzondering wel een of meer liederen op de ‘Oostinjevaarders’ bevatten.

 

Omstreeks denzelfden tijd duikt in de liedboekjes ook het woord banjerheer op, hetzij als samenstelling, of in twee woorden geschreven:

 
Ook Stremzel, Zoete-melk en Room
 
Kunt gy daar commanderen,
 
Zitten in 't Gras onder een Boom,
 
Leven als Banjer-heeren.

Dit vond ik in de Nieuwe Verm. Gaare-Keuken 1, 21 (1746) en ook in de Amsterdamsche Harlequin van hetzelfde jaar, waar gespeld wordt ‘banjer Heeren’ (blz. 30). Voorts in De Mey-Blom (1762), blz. 4:

 
De Gras-Ridders roemen dus,
 
En zy scheynen banjer Heeren...,
 
Maar haar Spraak verbruyd het al.

En nog eens in een zeemanslied uit iets later tijd:

 
ô Lieve meisjes! weent zo niet!
 
Laat u geen afscheid deeren:
 
Hoopt dat gij ééns ons wederziet,
 
Als eerste banjer heeren

aldus de vertroosting in de Zingende en Spelende Dienstmaagd (± 1802), blz. 34.

Het ligt nu wel zeer voor de hand dit banjer heer te combineeren met het bovengenoemde banjer = veel, groot: ‘groote meneer’ immers is precies de omschrijving die wij er van zouden geven. Het zelfstandige gebruik van banjer is dan eenvoudig een verkorting van banjerheer. Dat men het later met baanderheer in verband gebracht heeft, is zeer begrijpelijk wegens de overeenkomst in klank en beteekenis, en dat het op het ontstaan van banjerheer invloed gehad heeft, lijkt mij niet uitgesloten; opvallend is zeker dat het ook vaak in vergelijkingen gebruikt werd.

[p. 53]

Er is nog een geheel ander woord banjer, dat ook in den vorm banjaard voorkomt en dat ik het eerst aantrof in het Woordenboek der Zee-termen van Ter Reehorst (1845): ‘Banjer, z.m. - Logement de l'equipage. - Crewroom.’ Bij Van Lennep komt het niet voor en ook niet in het WNT, althans niet als artikel; wel wordt het door A. Beets in den vorm banjaard gebruikt als synoniem van voorkajuit of kerk bij de behandeling van het artikel Kajuit (Dl. VII, 868, reg. 5 v. bov.). Het schijnt bij de Nederlandsche marine weinig of niet in gebruik geweest te zijn; uit de literatuur zijn geen plaatsen bekend en ook in eenige boeken over scheepsbouw uit de eerste helft der 19de eeuw zocht ik het tevergeefs. Wel vermeldt Röding in zijn Wörterbuch der Marine het ook in het Nederlandsche deel (1794), maar ik vermoed, dat hij het daarin gewoon overgenomen heeft uit het Duitsche, waar het aldus omschreven wordt: ‘Banjer... Heisst auf Schiffen, die nur ein Deck haben, der kleine Platz vor der Kajüte, wo das Volk logiert’. Kluge heeft dit in zijn Seemannssprache (1911) net zoo overgenomen, zonder een nieuwer voorbeeld te kunnen geven; wel doet hij dat bij de samenst. Banjerdeck, volgens hem alleen bij de Oostenrijksche marine in gebruik; Meyers' Konvers. Lexikon6 4, 567 geeft Banjerdeck als ongewone naam voor halfdek. In het Deensch en Noorsch echter heeft het woord wel opgang gemaakt en is het nog thans een gewone benaming, waarmee ook verschillende samenstellingen gevormd zijn: zie het Ordbok ov. d. Danske Sprog (ODS) in voce Banje1) en Norsk Riksmålsordbok i.v. banjer; het oudste voorbeeld is van 1752. Het wordt in het ODS omschreven als ‘het onderste dek (inzonderheid op oorlogsschepen), vooral gebruikt als verblijf voor de bemanning’. Evenals Falk-Torp leidt het ODS het woord af uit it. bagno, via fr. bagnes (mv. van bagne); de verklaring van Falk-Torp klinkt nogal wonderlijk: na uitgeweid te hebben over bagno2),

[p. 54]

gaan zij voort: ‘Es ist... leicht zu verstehen, dass das deck, wo die sklaven gefesselt wurden, den namen banjedoek erhalten konnte; aber seltsam ist es, dass diese benennung nicht im frz. oder ital. vorzukommen scheint’. Die ‘gefesselte sklaven’ zijn rijkelijk fantastisch; als het woord al iets met bagno te maken heeft, wat ik vooralsnog sterk betwijfel, dan mag men de oorzaak daarvan misschien eer zoeken in hetgeen Mossel, Het Schip (1859) op blz. 336 zegt van de plaats vóór de kajuit (die dan volgens Röding banjer genoemd werd), nl. dat het (op oorlogsschepen) is ‘de gewone plaats, waar de personen en goederen bewaard worden, welke voorloopig in arrest gesteld zijn, en altijd bewaakt worden door een schildwacht, die tevens voor den ingang van de kerk geplaatst is’. Dergelijke gewoonten zijn meestal oud, en het zou te begrijpen zijn als men zoo'n arrestantenplaats schertsend het bagno genoemd had, maar het lijkt mij toch niet zoo waarschijnlijk dat dit Italiaansche woord onder de schepelingen van Noord-Europa voldoende bekend was om aldus toegepast te kunnen worden. Hoe de benaming banjer dan wel te verklaren is, zie ik echter voor 't oogenblik ook niet1); wel lijkt het mij waarschijnlijk dat het van oorsprong een Nederduitsch woord is. Banjaard komt voor als naam van een zankbank ten N.-W. van Walcheren, vroeger ook van een zandbank ten O. van het eiland Oleron, voor de monding van de Charente, thans Boyard genoemd2); of banjer daar iets mee te maken heeft betwijfel ik. Ook de geslachts- en kasteelnaam Banjaart (zie v.d. Aa i.v.) zal er wel geheel vreemd aan zijn.

 

Leiden, Aug. 1944-Oct. 1945.

C. Kruyskamp