[p. 287]

Middelnederlandse woordgeografie
Tondalus' Visioen

Prof. De Vooys, de grondlegger van de Mnl. woordgeografie, besprak in zijn artikel, dat in Ts 54, blz. 15 verscheen, de vertalingen van Tondalus' Visioen en Sint Patricius' Vagevuur. Dit artikel is het uitgangspunt geweest van een woordgeografisch onderzoek, waaraan ik op aansporing van Prof. Dr. R. Verdeyen de Tondalus-teksten heb onderworpen.

De zeven Middelnederlandse handschriften, die Verdeyen en Endepols hebben uitgegeven1), worden in drie groepen verdeeld, die aan drie zelfstandige vertalingen van het Latijnse origineel beantwoorden. De vertalingen dateren waarschijnlijk uit de tweede helft van de 14e eeuw. De taal der teksten is, aangezien alle handschriften afschriften zijn, van iets latere tijd (± 1400)2).

De eerste groep (groep A) omvat vier handschriften (Br, B, N, Bl), alle in Saksisch gekleurde taal geschreven. Hun tekst stemt overeen met die van een Keuls handschrift (K), in Ripuarisch dialect geschreven. De vraag of K op een Middelnederlandse tekst teruggaat, ofwel of groep A van een K-tekst afhankelijk is, de vraag dus of de oertekst Duits of Nederlands is, kan met het bestaande materiaal niet worden opgelost3).

 

De door Verdeyen vastgestelde localisering van de eerste vertaling (groep A) in het ‘Oostelijk gebied onzer taal’4) wordt bevestigd door de aanwezigheid van de volgende woorden:

[p. 288]

GARVE (54,3; 60,5; 60,14)5). Verdam kent het woord uit twee Overijselse bronnen. Vgl. De Vooys in NTg XV, blz. 233. Uit hedendaagse dialecten wordt het door Draaijer6), Gallée7) en Gunnink8) vermeld, terwijl Teirlinck9) schrijft, dat garf, garve in zijn dialect niet bestaan.

INGEWEIDE (84,19) is volgens Kiliaen sicamb. Naast Lanfr. hs. heeft Verdam het - in de betekenis ‘darmen’ - uit Stadr. van Kampen, Arnh. Oudh. en het Geneeskundig Handb. opgetekend. In de Nederlandse dialect-woordenboeken heb ik het niet gevonden. Het bestaat nog in Schleswig-Holstein10).

Op blz. 86,2 staat INGEDOEMTE, dat Verdam uit Hollandse en Gelders-Overijselse bronnen kent. Kiliaen kent inghedom, sax. sicamb. holl. Het leeft voort in Schleswig-Holstein10): ingedöm, en in Westfalen11): ingedömte.

LUTTIC komt in hss. Br en B voor: 110,5-6; 130,6; 132,5; 134,3. Alleen in Br: 236,20; 140,3. Br en B kennen ook luttel: 14,19; 26,5; 28,17; 54,16. In N en Bl staat uitsluitend luttel. Luttic12), door Kiliaen als fris. gekenmerkt, is volgens Verdam in de Saksische en Friese dialecten even gewoon als luttel in de Frankische. Vgl. de Vooys in Ts 58, blz. 52. Vgl. ook Boekenoogen13) s.v. luttik, waar hij schrijft ‘Thans is luttik, lüttik, nog gebruikelijk in Groningen, Oostfriesland en Nederduitsland’. In Br en B 126,11 staat de vorm luttinck, die Middelnederduits is14).

OMMELANC, in hss. Br, B, N 70,2 en 112,11; in hss. Br en B 104,13 (lat. circum). In Teuth. staat ommelanges (umblanghs). Het wordt door Verdam in bet. 4 ‘rondom, aan alle kanten’ uit de Overijselse Markerechten, de Rek. van Elburg en het Heiligenleven opgetekend. Het bestond ook in het Middelnederduits15). Het leeft voort in Schleswig-Holstein (ümlangs).

ONSTUUR (zelfst. nw.) komt in hs. N voor; de andere hss. hebben ongesture

[p. 289]

(50,21), dat Verdam als var. in de Rijmb. en bij Ruusbroec kent. Voor onstuur wijzen de vindplaatsen in het MnlW naar het Oostelijke Middelnederlands (Deventer, Vollenhove, Ommen...). Het staat ook in Teuth. Molema16) heeft s.v. stuur het zelfst. nw. onstuur. K. ter Laan17) kent de uitdrukking op 't onstuur weezn ‘onstuimig zijn, gezegd van 't weer’. Over het bijv. nw. onstuur, zie De Vooys in Ts 58, blz. 53 en Ts 64, blz. 152.

PLATTE (hss. Br, N, Bl 86,13). ‘Waarschijnlijk is het woord in deze zin tot de Oostelijke tongvallen beperkt geweest’, schrijft Verdam die het eenmaal heeft gevonden (D. Orde). Platte komt in Teuth. voor, is volgens Kiliaen germ. sax. fris. sicamb. en volgens het WNT ‘bij ons alleen in Oostelijke dialecten bekend’.

VLOEREN (werkw. 132,15) staat bij Kiliaen. Verdam kent het uit de R. van Elburg en de R.d. Cam. (Deventer).

 

Tegenover de Noordoostelijke geboorteplaats van groep A ligt het Zuidwestelijke taalgebied, waar de derde vertaling (groep C) vertegenwoordigd door een Gents handschrift (G) thuis hoort. Ten bewijze dat, naast de taalvormen18), ook de woordvoorraad een Vlaams karakter draagt, geef ik de volgende woorden op:

 

DEEMSTER (137,6) door Verdam uit Vlaamse en Brabantse bronnen opgetekend, volgens Kiliaen hol. fris. flandr., leeft in Westvlaanderen19) en het land van Waas20) voort. Hs. G gebruikt ook doncker (29,5; 36,3; 40,1). En eenmaal staan beide woorden in één zin: 64,4 herde donckeren wech daert herde deemster was.

DEEMSTRELIC (35,5) wordt door Verdam slechts uit deze plaats vermeld.

DEEMSTERHEIT (30,1; 72,4; 99,5; 120,7; 123,7). Verdam heeft Vlaamse en Brabantse vindplaatsen. Vgl. De Bruin, o.c., blz. 390.

DUUST (42,3) staat in het Naembouck21) en bij Kiliaen. De bronnen, waaruit Verdam het aanhaalt, zijn Vlaams en Brabants. De Bo, Teirlinck en Joos kennen het nog22).

[p. 290]

LISE (165,1) staat in het Naembouck, is volgens Kiliaen flandr. en wordt door Verdam beschouwd als een vooral Vlaams woord. Uit hedendaagse dialecten wordt het door De Bo (s.v. lijs en lijze), Schuermans (Bijv) en Joos Lambrechts opgetekend.

MEERSEN (12,4), synoniem van vermeersen (Kiliaen: vermeersen, fland. augere) is volgens Verdam gevormd van meren met een vooral in het Westvlaams vaak bij werkwoordstammen op r gebruikelijke suffix s. Zie De Vooys in Ts 60, blz. 237 en De Bruin, blz. 78. Ook WNT, De Bo en Schuermans.

MERGEN (146,2). Verdam vermoedt dat dit woord ‘reeds in de Middeleeuwen aan het uitsterven’ was; hij heeft het in Westmiddelnederlandse, vooral Vlaamse bronnen gevonden. Ik heb het in geen 16de-eeuws woordenboek en in geen modern idioticon aangetroffen.

SCOPPEN (108,4) volgens Kiliaen flan. vetus., wordt door Verdam uit Ferguut aangehaald. In WNT wordt schoppen (IV) ‘spotten’ uit De Castelein, Const. v. Rhet. vermeld.

TOGEN, niet tonen, wordt in hs. G gebezigd: 2,3; 18,4; 26,4; 62,6; 78,2; 87,5; 107,2; 109,4; 123,4. Togen staat in het Naembouck, is voor Kiliaen flandr. Zie De Bruin, blz. 392. Het wordt door Schuermans en Teirlinck vermeld. Terwijl Verdam s.v. togen schrijft, dat in het Vlaams der Middeleeuwen tonen weinig bekend is merkt De Bo op, dat tonen in het Westvlaams verstaan maar weinig gesproken wordt.

TROPPEN (69,1 en 104,5) komt in het Naembouck voor (troppen over hoop ‘s'assembler en une troupe’); Kiliaen beschouwt het als vetus. flandr. Verdam haalt het uit Walewein aan. Het werd uit moderne dialecten door De Bo, Schuermans (Bijv.) en Teirlinck opgetekend.

VLEDERIC (161,5). Hs. G heeft ook het algemene woord vlogele (81,1; 108,1; 161,6). Voor vlederic geeft Verdam Vlaamse en Brabantse vindplaatsen. Kiliaen noemt het vetus. flandr. De Bo en Schuermans: vlerik; Teirlinck: fleurik. Vgl. De Bruin, blz. 290.

 

Naast woorden, die specifiek gewestelijk zijn, bestaan tussen groep A en groep C afwijkingen in woordgebruik, die op een tegenstelling Noord-Zuid in de woordenschat wijzen. Zij dienen opgetekend te worden om met soortgelijke gevallen, voorkomend in andere dialectisch uiteenlopende teksten, vergeleken te worden23). Op dergelijke afwisselingen in onze teksten heeft De Vooys in een artikel (Ts 54, blz. 15-24) reeds de aandacht gevestigd. Daarbij valt op te merken, dat zoveel mogelijk alle gevallen te excerperen zijn, waar

[p. 291]

een bepaald woord voorkomt. Anders loopt men gevaar, een geheel verkeerd beeld van het woordgebruik te geven en ten slotte verkeerde gevolgtrekkingen te maken. In Ts 54, blz. 18 geeft De Vooys voorbeelden van Westvlaamse woorden uit hs. G met de equivalenten uit de andere groepen. Onder die woorden wordt verlaten als Westvlaams tegenover vergeven aangehaald; de vindplaatsen 72,20; 74,4; 76,5 bevestigen dit, maar op blz. 74,5 staat verlaten in groep A; op blz. 131,4 en 140,1 staat vergeven in G. Een ander voorbeeld is verademen, dat Vlaams zou zijn: het staat inderdaad in G (16,1; 114,4); maar het komt ook in groep A voor, nl. op blz. 16,2. Setele, volgens De Vooys niet Vlaams, staat in G 133,4; 171,2 en 3 en 4; terwijl sitten, volgens hem het Vlaamse woord, in groep A (uitgezonderd hs. B) 148,2 en 150,2 voorkomt.

Andere gevallen van afwijkingen tussen groep A en groep C heb ik opgetekend er hieronder opgenomen. Voorop staat het Latijnse woord uit Wagner24), waarna het Nederlandse, eerst uit groep A en dan uit groep C.

 

aperire opdoen (48,10; 174,16) - ontdoen (40,4; 49,2; 127,2; 160,6).

Bij De Vooys in Ts 54. blz. 22. Blijkens de aanhalingen in het MnlW (s.v. opdoen bet. 7) en De Bruin, blz. 386 komt opdoen met alleen in Noordelijke, maar ook in Zuidelijke teksten voor, terwijl ontdoen uitsluitend Zuidelijk schijnt te zijn.

 

conjugium echtscap (138,18; 142,16 en 17) - huwelic (139,2; 143,3).

Zoals De Vooys in Ts 58, blz. 49 schrijft, is echtscap uitsluitend Noordelijk. In het Zuiden gebruikt men daarvoor huwelic. Vgl. De Bruin, blz. 388.

 

errare dwalen (86,8) - dolen (86,4)

Deze afwijking, Noordelijk dwalen-Zuidelijk dolen, is reeds meermalen aangetroffen. Zie De Vooys, Ts 43, blz. 243 en 248; Ts 54, blz. 287; Ts 58, blz. 46. Ts 63, blz. 276. Ook De Bruin, blz. 387. Hs. G heeft op blz. 91,5 dolinghe, dat Verdam in de betekenis ‘doolweg’ alleen uit deze plaats kent. Het zal wel Zuidelijk zijn. Dwalinge, dat door De Vooys in Ts 43, blz. 243 uit een Noordelijke

[p. 292]

vertaling van het Nieuwe Testament wordt vermeld, werd echter ook door Verdam opgetekend uit de Reinaert II, die als Zuidwestvlaams wordt beschouwd.

 

familia gesinde (14,9; 136,6; 142,18) - meisniede (14,6).

In de betekenis ‘onderhorigen’ wordt gesinde uit geen Vlaamse bron opgetekend, wel uit één Brabantse, maar vooral uit Noordelijke en Oostelijke, terwijl meisniede, volgens Kiliaen vetus. flandr., in de Vlaams-Brabantse literatuurtaal van de 13e eeuw zeer gebruikelijk is. De aanwezigheid van het woord in het Leven van Jezus is voor De Bruin (blz. 149) een bewijs van het Vlaams karakter van het Leven van Jezus. Het is echter heel goed denkbaar, dat een Limburger b.v. het woord zou gehaald hebben uit andere letterkundige werken. Het bestond overigens ook in het Middelhoogduits25).

 

inclinare neigen (164, 9) - helden (155,7).

Op grond van de bronnenaanduidingen in het MnlW is neigen als Noordelijk, helden als Zuidelijk te beschouwen.

 

inextinguibilis onlesschelike (40,19; 80,14) - onverblusschelike (41,4) - lesschen (20,6) - blusschen (89,3).

Dezelfde afwisseling doet zich in de Bijbelse teksten voor (De Bruin, blz 387). Blusschen is blijkens de vindplaatsen in het MnlW overwegend Zuidelijk, terwijl lesschen uit een groter aantal Noordelijke bronnen vermeld wordt.

 

instrumentum reetscap (66,8-9; 68,11-12) - instrument (35,1-2; 66,3-4; 66,5; 69,2; 104,5).

Reetscap is, te oordelen naar de citaten in het MnlW (in bet. 4 en 5), Noordelijk. Instrument komt in alle hss. voor in de betekenis van ‘muziekinstrument’ (b.v. 154,20; 156,5 en 11). Lat. instrumentum wordt door groep A op blz. 104,11 met getouwe vertaald.

 

judicium - judicare ordeel - vonnisse, ordelen - vonnissen.

Groep A (ook hs. K) heeft uitsluitend ordeel (26,1 uitg. Br: wkw. ordelen; 98,7; 108,9; 114,2) en ordelen (30,19; 44,13; 50,6; 54,20; 56,3; 70,16; 98,8; 120,17; 138,15), terwijl hs. G overal vonnisse (26,1; 75,2; 98,4) en vonnissen (50,2) gebruikt, uitgezonderd op blz. 144,1 inden daghe des ordeels (Lat. in extremo judicio) waarvoor G driemaal (98,4; 124,8; 125,6) de uitdrukking ten hutersten daghe gebruikt. Uit het MnlW blijkt, dat voor vonnisse, vonnissen meer Vlaamse plaatsen aangehaald worden dan voor ordeel, ordelen. De Bruin (blz. 182) beschouwt vonnisse als gangbaar in Zuidelijke teksten en als karakteristiek voor den vertaler van 1360. (Zie ook De Bruin, blz. 278 en 330).

[p. 293]

lavare wasschen (150,6; B, N: dwaen) - dwaen (151,2).

Zoals De Bruin (blz. 377) uitlegt, is wasschen overwegend Noordelijk, dwaen overwegend Zuidelijk.

 

misericordia barmherticheit - ontfaermicheit.

Hs. G kent uitsluitend ontfaermicheit26). K gebruikt overal barmhertzicheit. Groep A gebruikt regelmatig ontfermherticheit; maar op volgende plaatsen heeft groep A barmherticheit: in alle hss. van de groep 74,3; 146,10; in B, N, Bl. 72,13; in Br, B, N 50,3; in Br, B 26,6; in Br 18,13. Het woord ontbreekt in het MnlW, maar staat in het Handwdb. en De Bruin (blz. 164) heeft het in het Haagse hs. van het Leven van Jezus aangetroffen. Vgl. ook De Bruin, blz 388.

Het bijv. nw. barmhertich (gewoon in K: barmhertzich) staat éénmaal in groep A, nl. in hs. Bl 73,17.

Als werkw. wordt in alle hss. (buiten K: erbarmen) ontfermen gebruikt op blz. 138,8. In Br 44,11 staat ontbarmen, dat in de Teuth. voorkomt, terwijl hs. B op dezelfde plaats verbermen heeft, dat Verdam uit Noordelijke bronnen aanhaalt.

 

pondus last (54,3 en 12; 174,13) - burdene (54,2).

Last werd door Verdam in Zuidelijke en Noordelijke bronnen aangetroffen, terwijl s.v. bordene de plaatsen naar Vlaanderen en Brabant wijzen. Zie De Bruin, blz. 388 en De Vooys, Ts 63, blz. 272.

 

presbiter priester (36,17; 78,12; 134,9) - pape (37,5; 42,3; 78,5; 87,1; 134,5).

Priester staat ook in G. 71,4; 173,8; 174,12. Pape, dat in G voorkomt en niet in groep A, was in de Middeleeuwen de algemene term voor de priester, aldus Verdam, die naast Zuidelijke plaatsen er ook enkele uit Holland en één uit Gelderland aanhaalt.

 

rostrum nebbe (84,4: Bl snebbe; 82,18: Br nevele27)) - beck (83,4; 84,1).

Voor nebbe, volgens Kiliaen sax. fris. holl., heeft Verdam drie Noordelijke vindplaatsen. Snabbe kent hij alleen uit Teuth., Kil., Plant. en hij verwijst naar De Bo en Schuermans. Hs. Bl heeft nog eenmaal snebbe in de Patricius-tekst: 247,7.

 

ruga rimpe (140,16) - niet vertaald door G.

Ook De Bruin (blz. 389) heeft het in een Noordelijke tekst gevonden. Over runse ‘rimpel’ zie De Vooys in Ts 60, blz. 234.

[p. 294]

sanare gesont maken (62,18; 90,4) - gansen (51,3; 63,4; 90,3).

Gesont maken komt ook in hs. G voor 99,1. Gansen werd door De Vooys herhaaldelijk (Ts 43, blz. 222 en 230; Ts 54, blz. 292) als Westvlaams beschouwd, maar de aanwezigheid van het woord in het Leven van Jezus, in het Leven van S. Lutgart28) en in Christina wijst op het algemeen Zuidelijk karakter van het woord.

 

sapiens wijs (16,4; 46,10; 72,11; 78,17) - vroet (73,2; 108,4).

Uit de artikelen in het MnlW kan men besluiten, dat wijs een ruimere verspreiding had dan vroet, dat vooral Zuidelijk is. In G 70,5 staat het werkw. gevroeden ‘verstand hebben’. Vgl. De Bruin, blz. 389 (prudentia).

 

scintilla vonke (84,11; 102,15) - gleinster (84,3; 103,1).

In hs. G 96,3 staat éénmaal gheinster, in de uitdrukking te gheinsteren van viere, die Verdam aanhaalt uit Blommaert's uitgave onder de vorm te gleinsteren van viere. Verdam (s.v. vonke) en De Vooys (Ts 60, blz 242) beschouwen vonke als het Noordelijke woord tegenover het Zuidelijke genster. Glenster is volgens De Bruin (blz. 78) een Vlaams woord. Zie ook De Bruin, blz. 389.

 

secta ewe (44,7 en 12) - wet (44,4).

Volgens Verdam (s.v. wet) bestaat in het Mnl., naast wet, dat vooral in de oorspronkelijk Frankische gewesten voorkomt, ewe in de Noordoostelijke, Friese en Saksische gewesten (ook in Limburg); Holland heeft ewe en wet gekend. Zie De Vooys in Ts 43, blz. 237 en 244; 54, blz. 296; 58, blz. 49. Ook De Bruin, blz. 388 (lex).

 

spargere verstrooyen (114,8) - spreeden (114,4; 115,2).

Verstrooyen als vertaling van spargere komt in de Noordnederlandse vertaling van het Nieuwe Testament voor: De Bruin, blz. 390. Spreeden is nog bekend in West-Vlaanderen (zie De Bo).

 

tenebrae duisternis (B 72,5; Bl 121,14) - deemsterheit.

Voor duisternis geeft Verdam drie Noordelijke vindplaatsen op, naast één uit Ruusbroec. Vgl. De Bruin, blz. 390. In groep A komen nog voor: donckerheit (20, 6-7; 30,2; 98,17-18; 110,8; 116,8; 120,10; 122,18) en duisterheit (Br, N, Bl 72,5). Voor deemsterheit zie hierboven blz. 9.

 

umbra sceme (72,5; 76,8) - scaduwe (72,4).

Voor sceme overwegen in het MnlW de Hollandse vindplaatsen. Scaduwe is, blijkens de aangehaalde bronnen, eerder Brabants. Zie De Bruin, blz. 390.

[p. 295]

viscera ingedoemte (86,1-2) - ingewant (86,1).

Het Noordelijk karakter van ingedoemte blijkt niet alleen uit de aanhalingen in het MnlW, maar ook uit De Bruin's bevinding (blz. 470), dat het in de Noordnederlandse vertaling van het Nieuwe Testament herhaaldelijk terugkeert als vertaling van viscera (één voorbeeld op blz. 457, voetnota 5; andere in het tabellarisch overzicht blz. 390). In de Vlaamse en in de Brabantse vertaling van het Nieuwe Testament staat inader, dat voorkomt in K en groep A (uitg. B aderen) op blz. 82,5.

 

De tweede vertaling (groep B) is in twee hss. H en A bewaard. Verdeyen29) heeft geschreven, dat de tweede vertaling ‘eveneens in het Oostelijk taalgebied’ ontstond. De Vooys (Ts 54, blz. 17) neemt deze localisering niet aan: ‘de gemeenschappelijke woordvoorraad van H en A wijst naar de Zuidelijke Nederlanden’. Ik heb de indruk, dat De Vooys onder het ‘Oostelijk’ van Verdeyen Noordoostelijk verstaat, waartegenover hij het Zuidelijk gebied stelt, waar volgens hem de tweede vertaling het licht zag. Is deze veronderstelling juist, dan zou Verdeyen niet alleen de eerste maar ook de tweede vertaling in de IJselstreek localiseren. Dat is, meen ik, Verdeyen's bedoeling niet. Beide vertalingen zijn Oostelijk; de eerste - gezien het Saksisch karakter der hss. - eerder Noordoostelijk, terwijl de tweede - hs H heeft een duidelijk Zuidlimburgs karakter - in het Zuidoostelijke gebied thuis hoort. Doch ook deze localisering zou De Vooys niet aannemen; aan het slot van zijn artikel in Ts 54 schrijft hij, dat de tweede vertaling van Vlaams-Brabantse oorsprong is: hij sluit dus het Zuid-Oosten uit. Het zou niet de eerste maal zijn, dat De Vooys Oostelijke teksten naar het Westen meent te moeten verschuiven. In Ts 43, blz. 219 vlg. beweerde hij dat de woordvoorraad in het Leven van Jezus op een Vlaams origineel wees30). Er

[p. 296]

komen in het Leven van Jezus inderdaad woorden voor, waarvoor de Vlaamse en Brabantse bewijsplaatsen talrijker zijn dan de Limburgse. Maar het is gewaagd, uit de vindplaatsen in het MnlW op te maken, dat woorden uitsluitend Vlaams-Brabants zijn, omdat zij uit talrijke Vlaamse en Brabantse bronnen zijn opgetekend. Want terwijl Verdam voor zijn MnlW talrijke Vlaams-Brabantse documenten tot zijn beschikking had, zijn de bronnen, waaruit de Limburgse woordvoorraad bekend is, uiterst schaars. Het gemis aan Limburgse bewijsplaatsen heeft dus weinig bewijskracht tegen het bestaan van het woord in Limburg. Dat zekere woorden ons uit de werken van Maerlant en zijn streekgenoten bekend zijn, is m.i. niet voldoende om alle werken, waarin deze woorden aangetroffen worden, daarheen te verplaatsen, te meer daar men omgekeerd weet, dat Maerlant zelf uit andere gewestelijke talen heeft geput.

In zijn woordgebruik staat groep B wel is waar dichter bij hs. G dan bij groep A. In groep B staan b.v. ontdoen (173,12) naast opdoen (127,13); huwelic (139,16; 143,13); dolen (83,7; 87,8) mesniede (15,6; 143,14) naast gesinne (139,3); helden31) (A 165,8); onblusschelike (21,5; 41,16; 81,11-12; H 65,6-7); vonnisse (51,4), vonnissen (99,8); vonnennisse (H 99,6 en 109,8; A vonnisse); dwaen (151,3); bordene (55,3; 175,9); pape (15,20; 37,17; 79,10) naast priester (135,8); beck (83,20; 85,5); vroet (47,9; 79,15) naast wijs (17,4; 73,9); geinster32) (97,8 en 11); scade (H 73,4; A scaduwe).

Hieruit blijkt het gemeenschappelijk Zuidnederlands karakter van beide vertalingen.

Groep B heeft een aantal woorden, die hem eigen zijn. Twee woorden, die De Vooys (Ts 43, blz. 221) als bewijzen van Vlaams woordgebruik uit het Leven van Jezus aanhaalt, komen ook in deze groep der Tondalus-hss. voor. Het eerste is ONTPLUKEN, dat in hs. A 139,4 staat tegenover opluken in H. Ontpluken wordt door De Vooys gerangschikt onder woorden, ‘die ons in de

[p. 297]

sfeer van Maerlant en zijn landgenoten verplaatsen’. Volgens De Bruin (blz. 151) is het in het Brabants b.v. in de werken van Hadewijch en Ruusbroec zeer gebruikelijk. Als men het artikel in het MnlW doorleest, ziet men, dat het woord algemeen Zuidelijk was, terwijl voor opluken (in H) de bronnenaanduidingen eerder naar het Noorden wijzen.

Het tweede woord is SOLFER (31,21; 35,10; 37,7 en 8; 47,19; 115,13), waarvoor op de overeenkomstige plaatsen in groep A swevel, in groep C sulfer staan. Volgens De Vooys (Ts 43, blz. 222) is solfer het Westelijke woord tegenover het Oostelijke swevel. Maar swevel was ook in het Westmndl. gebruikelijk: Kiliaen heeft swevelstocksken, fland.j. solfersteck, en uit Bartholomeus Engelsman haalt Verdam sulphur dat is swevel aan, waaruit blijkt, dat swevel ook daar het gangbare woord was. Solfer werd door Verdam minder aangetroffen; misschien was swevel het gebruikelijke woord terwijl solfer meer geleerd was.

ONDERHORICH, volgens Kiliaen fland., staat in groep B 155,2. Het woord was niet tot Vlaanderen beperkt; L.v. Velthem en Ruusbroec hebben het gebruikt; het staat ook in het Leven van S. Lutgart en zelfs in twee hss. van onze groep A, nl. B en N 120,1.

HORNIC (H 19,19-20), volgens Kiliaen eveneens vetus. fland., wordt echter ook uit het Oosten vermeld: Verdam citeert de Limb. Serm. en Nijhoff; Van Mierlo33) wijst op de aanwezigheid van het woord in het Leven van Jezus.

Flandr. holl. zijn volgens Kiliaen stappans en vorevoets die in H voorkomen en in A door terstont vervangen worden.

STAPPANS (H 85,4 en 105,9) is zeer gebruikelijk in ons hs. G (31,5; 48,5; 98,6; 102,4; 108,5; 137,6; 173,5; 174,11), maar het wordt door Verdam ook uit Brabantse teksten er zelfs uit het Leven van S. Lutgart vermeld, waarin ook vorevoets (H 13,20) voorkomt.

VOLLIKE (69,2), te oordelen naar het artikel in het MnlW vooral Brabants, staat ook in het Leven van Jezus en in het Leven van S. Lutgart34), evenals het werkw. VERTRECKEN (111,6). Een woord, dat voor de localisering van H naar het Oosten wijt, is SANGE (55,3; 61,5), volgens Kiliaen germ. sax. sicamb. Verdam heeft het uit het Mnl. niet opgetekend; hij kent het alleen uit een Limburgs geschrift uit de 18e eeuw (Limb. Wijsd.). Hs. A heeft daarvoor sante, dat ook ons Vlaams hs. G gebruikt en dat Verdam uit Bijbelse teksten kent35).

OVERVAREN (69,8) wordt door Verdam in bet. II,3 ‘iemand op het lijf vallen’ uit Nijhoff en het Leven van Jezus aangehaald.

Lat. afflictam wordt door TEBLOUWEN (H 97,15) vertaald. Het werkw. teblouwen kent Verdam in de bet. ‘aandoen’ alleen uit het Leven van S. Lutgart.

[p. 298]

Deze gegevens laten ons niet toe, de geboorteplaats van groep B met beslistheid, zelfs niet met waarschijnlijkheid aan te duiden. In alle geval leidt ons een onderzoek naar het woordgebruik in groep B niet tot de conclusie, dat men Verdeyen's localisering van groep B in het Oosten - opgevat als Zuid-Oosten - zou moeten opgeven.

Ten slotte zou ik de aandacht willen vestigen op de methode, die voor het Middelengels gevolgd wordt door Rolf Kaiser in zijn werk Zur Geographie des mittelenglischen Wortschatszes36). Om uit te maken welke woorden in het Middenengels eigen zijn aan het Noorden of aan het Zuiden, gaat hij, evenals De Vooys en De Bruin trouwens hebben gedaan, uit van een tekst, die met zekerheid is te localiseren en in Noordelijke en Zuidelijke hss. is bewaard, nl. de Cursor Mundi. De resultaten van dit eerste onderzoek toetst hij dan aan andere dergelijke teksten en stelt aldus reeksen van woorden op. De uitkomsten van dit tweede onderzoek past hij dan toe op de localisering van andere documenten. Het geheel sluit met een overzicht van de verspreiding en het gebruik van de behandelde woorden, waarbij alle bronnen worden opgegeven. Het tabellarisch overzicht van De Bruin37) gaat in dezelfde richting. Het verschil ligt in de systematische en progressieve behandeling van de stof, die wel, dunkt mij, tot vrij definitieve resultaten leidt, voor zover men dit natuurlijk op dit gebied kan verwachten.

 

Luik.

P. Halleux