[p. 47]

Stromp

Tenzij er iets veranderd is sedert dit woord in WNT behandeld werd (1925), is het tot nu toe alleen bekend uit Kiliaan: strompe, strumpe, Sax. Sicambr. Tibiale1). Germ. strumpff. Het Wdb. maakt verder uit de afleiding strompeling en de samenstelling stromphozen (tenzij deze een vertaling is naar Strumpfhosen) op, dat het in de 16de eeuw, althans in een deel van Nd.-Nederland, niet geheel onbekend schijnt te zijn geweest. De veronderstelling wordt uitgesproken, dat stromp ontleend is aan het ndd., alwaar de betekenis ‘kous’ ook niet ouder is dan de 16de eeuw, het woord echter in andere zin al eerder voorkomt. Die andere betekenis kent ook het mhd., zie b.v. Lexer, Mhd. Twtb.: ‘stummel, stumpf; baumstumpf; verstümmeltes glied; rumpf’. Vgl. ook voor het vroeg-nhd. Götze, Frühnhd. Gloss.: ‘Stumpf, Klotz, Rumpf, festes, stumpfes Ende’. Cornelissen, Bijv. op het Antw. Idiot. (1939) vermeldt stromp voor ‘stomp die in den grond blijft als een boom afgekapt of afgezaagd wordt’.

Over de betekenisontwikkeling licht WNT nader in bij het ww. strompen: ‘Verwant zijn o.a. mnd. strump, mhd. strumpf, die eigl. een stompje, een afgeknot voorwerp beteekenen; vandaar de toepassing op een verminkt lid in 't Mnd. en Mhd., op een boomstronk in 't Mhd. en op een kous (eigl. een alstware afgeknotte beenbekleeding, een bekleeding van het onderbeen alleen’). Elders wordt daarvoor gebruik gemaakt van het begrip ‘beneden’ (fra. bas) of ‘helft’ (spa. media).

Mogelijke verwantschap met stronk wordt op dit laatste woord aangeduid; zie overigens reeds Kluge, Et. Wtb. Ter Laan, N. Gron. Wdb., geeft strompel, ‘boomstronk’, met als wisselvorm strampel.

De lectuur van C. de Cock van Kerckwyck's Pest-Basiliscus ('s Hertogenbosch, By Stephanus du Mont; 16682)) deed mij de

[p. 48]

waarschijnlijk eerste niet-lexicalische bewijsplaats van stromp aan de hand, en wel in de oudere betekenis. Dit uitvoerig gedicht van de Doctor en Professor Medicinae in der Stadt en IIlustre Schoole van

2) Vgl. De Haas, Bossche Scholen van 1629 tot 1795; bl. VIII, bl. 127 vlg. 's Hertogen-bosch had ten doel, - om des schrijvers woorden aan te halen: ‘de liefde onder de menschen, indien mogelick zy, in sulcke beangste tijden (nl. van pest-ziekte) soo diep onder d'assche gereeckent, wat uyt te schrobbelen, immers naer mijn vermogen de vrees wat te doen matigen; den bandt des vredes en eenigheyt onder mijne Mede-broeders Genees-Heeren wat nauwer toe te binden; ten eynde wy met liefde en eendrachtigheyt in sulcke bekommerlijcke tijden, weder-liefde vindende sonder verwijt en ondanckbaerheyt, onsen even naesten vrymoedelick mochten te hulpe komen, het zy waer wy mochten geroepen worden’.

Onder de gevallen van onwaardige behandeling van pestzieken, door angst voor de ziekte teweeggebracht, geeft De Cock een lugubere beschrijving hoe het lijk van een vrouw verbrand werd om het besmettingsgevaar te bezweren. Dergelijke praktijk ontstemde hem te meer, omdat naar zijn mening het epidemisch karakter in wezen het gevolg was, niet van oversmetting van zieke op zieke, maar van giftige dampen die uit de aarde opstijgen. Immers, zo verklaart hij in een toegevoegde verhandeling (Ontmaskerde Pest-Mom) na monstering van de verschillende mogelijkheden: er blijft niet anders over, ‘of het moet nootwendich wesen een Mineraels Fenyn, welcke door de groote Ingewande des Aertrijck wydt en breedt verspreyt legt’.

‘Ick sal het Graft-schrift dichten’, zegt de auteur (bl. 61), en inderdaad biedt hij in nota het volgende (nu zonder t, en zelfs bij vergissing van de zetter, zonder r) Graf-Sch[r]ift aan, in de vorm van een monorime:

 
Hier leyt een Menschen romp,
 
Een hooft, een hacht, een homp,
 
Gebrade mensche-klomp.
 
Knaeght nu u tanden stomp
 
O Boeren al te lomp!
[p. 49]
 
Loopt naer een water-pomp,
 
En blust den roock en domp
 
Het smeulend' vet en somp
 
Dat by malkander kromp
 
Door 't vuer tot eene stromp.

Kennelijk heeft het door mij gecursiveerde stromp de waarde van een klomp, een vormloos ding.

Mogelijk heeft de eis van de monorime er toe bijgedragen het woord voor den dag te brengen. Intussen kan ik aan het bovenstaande toevoegen, dat het ook heden nog niet buiten gebruik is. Mij werd medegedeeld dat het in de kring van de nederlandse Minderbroeders bekend is, en wel in de betekenis van ‘voetloze kous’. Het komt niet voor in het artikel van Fr. Plagarius van Delft O.F.M. over de Taal der Minderbroeders (TTL XXI, 1933). Bij navraag werd mij verzekerd dat de nederlandse Kapucijnen het niet gebruiken. De zaak zelf kennen zij wel, maar zij bezigen daarvoor een andere naam, nl. slagkousen. Mijn zegsman opperde de volgende zeer aannemelijke verklaring. In het winterse jaargetijde wordt het onderste deel van de pij op straten en wegen gemakkelijk vochtig als gevolg van regen en sneeuw. Het geregelde ‘slaan’ van het natte kleed tegen het been is zeer hinderlijk, kan zelfs verwondingen veroorzaken. Om de benen tegen die slag te beschermen, dienen de slagkousen.

Intussen geeft de bijzondere betekenis van het ‘franciscaanse’ stromp aanleiding de gegevens van Kiliaan nog iets nader te bezien. Wat hij onder tibiale verstaat laat zich het best vinden in de Synonymia Latino-Teutonica (3. 163-164) waar bij Tibiale, Tibialia de volgende vertalingen worden opgesomd: been-schene, beenlink, vet.3) base; neder-base; neder-kousse; neder-hosen; korte koussen; af-gesneden koussen; half-kousse; onder-koussen; grefkens, fland. strompe, strumpe, sax. sicamb.

Ondanks de overvloed van omschrijvingen is het niet zonder meer duidelijk dat Kiliaan onder tibiale ook de voetloze kous begreep. Het

[p. 50]

kennelijk verband met lat. tibia moet dit wel doen veronderstellen. Met been-schene zal wel ongeveer bedoeld zijn wat even te voren in het Etymologicum onder been-berghe wordt aangeduid als tibialia, ocreae, arma quibus teguntur crura, ofschoon Van Hasselt een verschil tussen beide doet opmerken onder verwijzing naar afbeeldingen bij Th. de Rouck. Een aantal der andere woorden, waaronder bepaaldelijk ook af-gesneden koussen, half-koussen, wijzen op de tegenstelling beenbekleding / onderbeenbekleding. Echter zal ook hier hebben te gelden wat WNT i.v. kous aan de onder 1) opgegeven betekenis toevoegt: ‘al of niet met inbegrip van de voeten’. Dat beenlinc van been-schene dient afgescheiden maak ik op uit het voorkomen van Beinling, naast Strumpf en Halbhose bij Ten Doornkaat Koolman, met de nader omschrijving: ‘kurzes Beinkleid für den unteren Theil (bis ans Knie reichend) des Beines’; dit een en ander i.v. strümp, dat hij in oorsprong gelijkstelt met ofri. strump, strimp (Strunk, truncus), mnd. strump.

Diefenbach heeft beynlynck, von einer bruoche, benelic, decksel van den beenen; daarnaast streiffling, hosen, en uit Junius: neder-hosen, onderkoussen.

Kiliaan's grefkens vind ik nergens terug, behalve dan in het Frans, waarnaar hij verwijst. Littré (1863) heeft grève ‘nom de la partie de l'armure qui couvrait la jambe’; Godefroy (1885): ‘espèce d' arme préservative, bottine de fer, armure de jambes’. Beiden citeren o.m. een plaats uit Froissart, waar gesproken wordt van chausses en greves die geheel ‘emplies de sang’ zijn. Een latere aanhaling bij Littré, uit Paré, spreekt van ‘l'os de la grève ou tibia’. Daar is het dus het onderbeen zelf, bij Froissart echter de (onder)beenbedekking. Met dit laatste vergelijke men de etymologie bij Littré, die grève over het Portugees uit het arab. djaurab afleidt, welk woord hij omschrijft als ‘bas, vêtement pour les jambes’. Kiliaan's verkleiningsvorm -kens sluit de opvatting als ‘partie de l'armure’ buiten.

Duidelijker dan dit alles is de in WNT i.v. strompeling uit Leeghwater aangehaalde plaats: ‘Het Vrouw-Volk (ging) gemeenlyk met strompelingen om de kuiten van de beenen, ende met bezuinen aan haar voeten, gelyk in mijn Ionkheit ook veel gezien heb’.

[p. 51]

Ook waar Kiliaan spreekt van slobbe, sloef-hose, slodder-kousse, wagge, in de Synonymia op tibiale laxum bijeengebracht, zijn wij buiten het terrein van de voetkous.

Volgens een mededeling d.d. 6 Maart 1948 van Dr. Meertens is voor de Atlas de ‘kous’ nog niet definitief in kaart gebracht. Wat stromp betreft, in verschillende gedaante, zijn er gegevens*) uit Terwolde, Oldenzaal, Eibergen, Bredevoort, Boksmeer. De stelligheidsgraad is ongelijk. De vormen maken de indruk, door het meervoud te zijn beïnvloed; Bredevoort geeft zelfs uitdrukkelijk strümpe, ‘kousen’. Die van Terwolde is uitgesproken hoogduits-gekleurd: strümpfe. Eibergen staat alleen met de opgave: ‘been van de kous (dus niet de gehele kous)’. Mondeling werd mij het woord ook gemeld voor Goor, met de betekenis ‘kous’; ofschoon voor de Atlas door drie verschillende medewerkers hoaze is opgegeven, zal men te geloven hebben, dat stromp daar althans vroeger ook bekend is geweest. Ik kan niet beoordelen of de sporen drukker zouden blijken, indien meer in het bijzonder op de betekenis ‘scheen- en kuitbekleding’ acht werd geslagen.

 

Maart 1948.

L.C. Michels