[p. 156]

Orgaan

Voor dit woord kent het Mnl W alleen de betekenis van een muziekinstrument. Bij de lectuur van het artikel is ons niet duidelijk geworden, waarop Verdam's mening steunt, dat het ook wel een blaasinstrument kon zijn. Naar aanleiding van de tekst: ‘David speelde op die organen ende hi spranc al sijn machte voor den here’, waar het Latijn slechts heeft: ‘David saltabat totis viribis ante Dominum’, en een niet nader aangehaalde, vermoedelijk overeenkomstige plaats uit het hs. B.v. 1357, oppert hij deze mogelijkheid, onder verwijzing naar een aanhaling uit Augustinus bij Ducange: ‘Organa dicuntur omnia instrumenta musicorum non solum illud Organum dicitur quod grande est, et inflatur follibus, sed quicquid aptatur ad cantilenam et corporeum est, quo instrumento utitur qui cantat, organum dicitur’. Hier wordt toch veeleer gedoeld op draagbare instrumenten waarmee een zanger zichzelf begeleidt. Het is niet gangbaar van blaasinstrument te spreken alleen op grond van de omstandigheid dat een instrument met lucht wordt aangedreven. Op een blaasinstrument in de normale betekenis van het woord kan iemand zichzelf niet begeleiden. Het is nauwelijks denkbaar, dat Verdam misleid is door Augustinus' woorden: ‘inflatur follibus’; te minder omdat dit ‘blazen’ in verschillende van zijn teksten vermeld wordt, zo o.m. uit de rekeningen van de St. Jacobikerk: ‘Den blaser op ons organen van dat heel jaer te blasen... V. cromst(eerten)’. Hier is het nederig ambt van de ‘orgeltrapper’ bedoeld.

Nog niet wordt uit het Mnl. aangewezen de door WNT ‘jonger’ genoemde toepassing van orgaan als ‘deel van een levend wezen, dat door zijn bouw enz. voor eene bepaalde verrichting dient’, in het biezonder ‘de gezamenlijke spraakorganen van den mensch, de menschelijke stem; zoowel met betrekking tot spreken als zingen’.

Toch is het vermoeden gewettigd, dat deze betekenis ouder is dan wordt aangenomen. Hetgeen ons beweegt om althans die mogelijkheid open te houden is het aantreffen van een tekst uit het Obituarium van

[p. 157]

Groenendael, die wij geciteerd vinden in de bijdrage van Fr. Lyna tot de Miscellanea Gessler (p. 781). Op het jaar 1502 leest men daar een bericht betreffende de ten vorigen jare overleden kanunnik Henricus Vanden Hecke, tot wiens lof o.m. gezegd wordt dat hij ‘bonum organum habuit et semper fortiter cantavit’. Het lijdt toch wel geen twijfel dat hier precies hetzelfde bedoeld wordt als wat wij noemen: ‘een goed orgaan hebben’.

Er volgt uit dat men althans voor het Latijnse woord deze toepassing kende. Zou dit ook niet voor het Nederlandse aequivalent het geval zijn geweest?

 

L.C. Michels