|
|
|
| |
| | | |
De vergelijking maagd: boom bij Vondel
Vondel gaf een Lofzang der geestelijke Maeghden in plano uit1). De W.B.2) dateert het gedicht niet, maar het moet geschreven zijn tussen 1660 en 1667. Immers blijkens de spelling trou (vs. 12), trout (16), getrouden (39), flaeu (53), dau (60), naulijx (68) is het vervaardigd na 1660, en blijkens de constante spelling weerelt (2, 17, 31, 67, 104) vóór 16673). Deze spellingeigenaardigheden gelden wel allereerst voor de datering van Vondel's handschriften, waar we zeker zijn eigen spelling en niet die van de zetter voor ons hebben, maar de consequentie om klanken op een u zonder w te schrijven, als er geen andere klinker onmiddellijk volgt, een spelling die in haar consequentie opmerkelijk afwijkt van de gebruikelijke van zijn tijd, geeft waarborg dat we hier inderdaad met de spelling van Vondel te doen hebben.
Vondel zingt in dit gedicht dat een vrouw, die de maagdelijke staat verkiest boven het huwelijk, zich geheel aan God kan geven en met genaden overstort wordt. Zij is als een boom die in zegenrijk klimaat rijke vruchten draagt. De gehuwde vrouw geeft God slechts de vruchten, de maagd daarentegen de boom zelf met al zijn vruchten.
De weerelt, zoo vergangkbaer,
Den leenheer naulijx geeft
Een' appel, al t'ondankbaer:
De maeght, die zuiver leeft,
Schenkt wortel, boom, en bladen,
Zwaer geladen. (vs. 67-72).
In de Vondelkroniek4) is er op gewezen dat Stalpart dezelfde beeldspraak gebruikte, hetgeen het vermoeden wekte dat Vondel op dit punt van Stalpart afhankelijk was. Tevens werd aan de mogelijkheid gedacht dat de beeldspraak bij beide dichters middellijk of onmiddellijk van een derde afhankelijk is. En inderdaad treffen we reeds in de
| | | | werken van de Benedictijner-monnik Eadmer5) dezelfde vergelijking aan.
‘Hoofdstuk 84. Gelijkenis van de Monnik en de boom. - Uit een vergelijking kan blijken, dat het goed werk van een monnik God aangenamer is dan dat van een mens in de wereld. Twee mensen, onder één Heer staande, hebben, zoals dat voorkomt, elk een boom op eigen grond. Beide bomen dragen goede vruchten. Maar omdat zij hun Heer niet evenzeer liefhebben, zijn zij hem met de vruchten niet even dienstbaar. Want die hem minder liefheeft, zamelt de rijpe vruchten en brengt er van naar zijn Heer zoveel hem goeddunkt. De ander echter heeft zijn Heer zo lief, dat hij hem de boom zelf gaat aanbieden.... Wiens dienst zal die Heer het meest aangenaam zijn? Van hem, die wanneer en zoveel hem belieft van de vruchten van de eigen boom geeft? Of van hem, die de boom met vruchten volledig wegschenkt? Natuurlijk van hem, die hem de hele boom geeft mèt de vruchten. Zo derhalve is de dienstbaarheid van de monnik God aangenamer, dan die van een mens in de wereld.’6)
Sint Thomas van Aquino nam deze beeldspraak over7). ‘Het is beter en verdienstelijker een werk te doen met gelofte dan zonder ge- | | | | lofte, ... omdat hij die iets belooft en het ten uitvoer brengt, meer afhankelijkheid aan God betoont, dan die alleen maar iets doet; want hij onderwerpt zich aan God niet alleen met de daad, maar ook met zijn vermogen, omdat hij niet anders kan doen; evenals hij, die iemand de boom met de vruchten zou schenken, hem meer gaf, dan hij die hem slechts de vruchten geven zou, zoals Anselmus zegt in het Boek over de Gelijkenis, cap. 84, in het begin.’
Hierbij valt op te merken dat pseudo-Anselmus en Thomas slechts spreken van een boom en zijn vruchten, Vondel daarentegen van wortel, boom, bladeren en vruchten. Nu zou dat een uitbreiding van Vondel zelf kunnen zijn. Maar, zoals in de Vondelkroniek8) reeds werd gezegd, komt dezelfde uitbreiding reeds bij Stalpart voor. In zijn Extractum Catholicum heeft hij als Dosis 140 een gedicht over de Gracy, waarin hij van de genade zingt op de tekst van Sint Paulus: ‘Want God is het, die naar zijn welbehagen in u het willen uitwerkt en het handelen’9). In de zevende strofe bezigt Stalpart dezelfde beeldspraak, zij het anders toegepast, en met dezelfde vier elementen: wortel, boom, vrucht, bladeren:
Het eerste end' het leste
M.a.w.: God, heel het deugdzaam leven behoort U toe: begin en einde, wortel en vrucht, het middel (de boom) en de reste (al het overige, in concreto: de bladeren).
Vondel past het beeld toe op gelofte en daad van een geestelijke maagd, evenals Eadmer en Thomas, Stalpart op Gods genaden. Daaruit mag men besluiten dat Vondel zijn beeldspraak wel niet bij Stalpart borgde. Van de andere kant heeft hij dezelfde vier elementen in de beeldspraak als Stalpart, en daarom is de conclusie gewettigd, dat er tussen Eadmer en Thomas enerzijds en de beide 17e eeuwse dichters anderzijds nog een of meer schakels zijn, die Vondel en Stalpart met de Middeleeuwse schrijvers verbinden. Maar hoe dan ook, het beeld van beiden gaat terug op de monnik van Canterbury.
Voorschoten.
P. Maximilianus, o.f.m. cap.
|
1)J.H.W. Unger, Bibliographie van Vondels Werken, no. 764. Amsterdam, 1888.
3)H.W.E. Moller, Vondel's spelling, in Ts 1908 (27) 121 en 117.
4)1937 (8) afl. Juli, blz. 41-42.
5)S. Anselmi Opera, Lutetiae Parisiorum, 1721. Hierachter Eadmeri cantuariensis Monachi Liber De Sancti Anselmi Similitudinibus, p. 171-172.
6)‘Caput 84. Similitudo inter Monachum et arborem. - Etenim rursus a simili potest videri, acceptabilius esse Deo bonum opus monachi quam hominis cujuspiam saecularis. Solet quippe accidere duos homines sub Domino uno, singulas habentes arbores in proprio solo. Arbores autem illae fructum ferunt bonum utraeque. Verum quia illi Dominum inaequaliter diligunt, etiam ei de fructu earum impariter serviunt. Unus enim eorum, quia minus eum diligit, cum arboris suae fructus fuerit maturus, colligit, fertque inde Domino suo, quantum fuerit visum. Alter autem adeo Dominum amat, ut ad eum veniens, arborem ipsum ei offerat... Cujus igitur horum obsequium Domino illi magis videtur acceptum? An illius, qui quando quantumque voluerit, dat ei de fructu propriae arboris? Vel illius qui arborem et fructum totaliter offert? Immo magis illius, qui arborem totam dat ei cum fructu. Sic ergo servitium monachi Deo est magis acceptum, quam hominis saecularis.’
7)Summa Theol. 2.2, q. 88, a. 6: ‘Facere idem opus cum voto est melius et magis meritorium quam facere sine voto... quia ille qui vovet aliquid, et facit, plus se Deo subjicit, quam ille qui solum facit: subjicit enim se Deo non solum quantum ad actum, sed etiam quantum ad potestatem, quia de caetero non potest aliud facere; sicut plus daret homini qui daret ei arborem cum fructibus, quam qui daret ei fructus tantum, ut dicit Anselmus in libro De Similitudine, cap. 84, a princ.’
|
|