[p. 282]

De vergelijking maagd: boom bij Vondel

Vondel gaf een Lofzang der geestelijke Maeghden in plano uit1). De W.B.2) dateert het gedicht niet, maar het moet geschreven zijn tussen 1660 en 1667. Immers blijkens de spelling trou (vs. 12), trout (16), getrouden (39), flaeu (53), dau (60), naulijx (68) is het vervaardigd na 1660, en blijkens de constante spelling weerelt (2, 17, 31, 67, 104) vóór 16673). Deze spellingeigenaardigheden gelden wel allereerst voor de datering van Vondel's handschriften, waar we zeker zijn eigen spelling en niet die van de zetter voor ons hebben, maar de consequentie om klanken op een u zonder w te schrijven, als er geen andere klinker onmiddellijk volgt, een spelling die in haar consequentie opmerkelijk afwijkt van de gebruikelijke van zijn tijd, geeft waarborg dat we hier inderdaad met de spelling van Vondel te doen hebben.

Vondel zingt in dit gedicht dat een vrouw, die de maagdelijke staat verkiest boven het huwelijk, zich geheel aan God kan geven en met genaden overstort wordt. Zij is als een boom die in zegenrijk klimaat rijke vruchten draagt. De gehuwde vrouw geeft God slechts de vruchten, de maagd daarentegen de boom zelf met al zijn vruchten.

 
De weerelt, zoo vergangkbaer,
 
Den leenheer naulijx geeft
 
Een' appel, al t'ondankbaer:
 
De maeght, die zuiver leeft,
 
Schenkt wortel, boom, en bladen,
 
Zwaer geladen. (vs. 67-72).

In de Vondelkroniek4) is er op gewezen dat Stalpart dezelfde beeldspraak gebruikte, hetgeen het vermoeden wekte dat Vondel op dit punt van Stalpart afhankelijk was. Tevens werd aan de mogelijkheid gedacht dat de beeldspraak bij beide dichters middellijk of onmiddellijk van een derde afhankelijk is. En inderdaad treffen we reeds in de

[p. 283]

werken van de Benedictijner-monnik Eadmer5) dezelfde vergelijking aan.

‘Hoofdstuk 84. Gelijkenis van de Monnik en de boom. - Uit een vergelijking kan blijken, dat het goed werk van een monnik God aangenamer is dan dat van een mens in de wereld. Twee mensen, onder één Heer staande, hebben, zoals dat voorkomt, elk een boom op eigen grond. Beide bomen dragen goede vruchten. Maar omdat zij hun Heer niet evenzeer liefhebben, zijn zij hem met de vruchten niet even dienstbaar. Want die hem minder liefheeft, zamelt de rijpe vruchten en brengt er van naar zijn Heer zoveel hem goeddunkt. De ander echter heeft zijn Heer zo lief, dat hij hem de boom zelf gaat aanbieden.... Wiens dienst zal die Heer het meest aangenaam zijn? Van hem, die wanneer en zoveel hem belieft van de vruchten van de eigen boom geeft? Of van hem, die de boom met vruchten volledig wegschenkt? Natuurlijk van hem, die hem de hele boom geeft mèt de vruchten. Zo derhalve is de dienstbaarheid van de monnik God aangenamer, dan die van een mens in de wereld.’6)

Sint Thomas van Aquino nam deze beeldspraak over7). ‘Het is beter en verdienstelijker een werk te doen met gelofte dan zonder ge-

[p. 284]

lofte, ... omdat hij die iets belooft en het ten uitvoer brengt, meer afhankelijkheid aan God betoont, dan die alleen maar iets doet; want hij onderwerpt zich aan God niet alleen met de daad, maar ook met zijn vermogen, omdat hij niet anders kan doen; evenals hij, die iemand de boom met de vruchten zou schenken, hem meer gaf, dan hij die hem slechts de vruchten geven zou, zoals Anselmus zegt in het Boek over de Gelijkenis, cap. 84, in het begin.’

Hierbij valt op te merken dat pseudo-Anselmus en Thomas slechts spreken van een boom en zijn vruchten, Vondel daarentegen van wortel, boom, bladeren en vruchten. Nu zou dat een uitbreiding van Vondel zelf kunnen zijn. Maar, zoals in de Vondelkroniek8) reeds werd gezegd, komt dezelfde uitbreiding reeds bij Stalpart voor. In zijn Extractum Catholicum heeft hij als Dosis 140 een gedicht over de Gracy, waarin hij van de genade zingt op de tekst van Sint Paulus: ‘Want God is het, die naar zijn welbehagen in u het willen uitwerkt en het handelen’9). In de zevende strofe bezigt Stalpart dezelfde beeldspraak, zij het anders toegepast, en met dezelfde vier elementen: wortel, boom, vrucht, bladeren:

 
Het eerste end' het leste
 
De wortel en de vrucht,
 
Het middel en de reste
 
Komt U toe van de tucht.

M.a.w.: God, heel het deugdzaam leven behoort U toe: begin en einde, wortel en vrucht, het middel (de boom) en de reste (al het overige, in concreto: de bladeren).

Vondel past het beeld toe op gelofte en daad van een geestelijke maagd, evenals Eadmer en Thomas, Stalpart op Gods genaden. Daaruit mag men besluiten dat Vondel zijn beeldspraak wel niet bij Stalpart borgde. Van de andere kant heeft hij dezelfde vier elementen in de beeldspraak als Stalpart, en daarom is de conclusie gewettigd, dat er tussen Eadmer en Thomas enerzijds en de beide 17e eeuwse dichters anderzijds nog een of meer schakels zijn, die Vondel en Stalpart met de Middeleeuwse schrijvers verbinden. Maar hoe dan ook, het beeld van beiden gaat terug op de monnik van Canterbury.

Voorschoten.

P. Maximilianus, o.f.m. cap.