|
|
|
| |
| | | |
De Oudfriese formule tiaende ende temende
In artikel XIX van het oude Schoutenrecht wordt thi fria Fresa voorgeschreven, dat hij ‘... thenne sil, ther hi bi banne warath, et sente Benedictus missa skel tiande ende temande habba ...’1). Wat dit precies wil zeggen, d.i. in wélke staat de vrije Fries moet zorgen, dat zijn zijl tegen de vermelde tijd verkeert, is niet zonder meer duidelijk.
Steller vertaalt in de woordenlijst achter in zijn uitgave van het oude Schoutenrecht de woorden met ‘Wasser einziehend und entleerend’2). Bij Fairbanks (The Old West Frisian Skeltana Riucht, 1939) luidt de betreffende passage in Engelse vertaling, waarschijnlijk in het voetspoor van Steller: ‘shall have it freely drawing (water) in and discharging it’. Holthausen kent aan temende, het meest problematische deel van de formule, dezelfde betekenis toe als Steller: achter het lemma †tēma in zijn Altfr. Wb. (1925) vindt men opgegeven ‘leeren?’, met een vraagteken weliswaar3), maar elders spreekt Holthausen zich, overigens zonder nadere argumentatie, pertinenter uit: ‘Da von einer Schleuse die Rede ist kann tia nur “ziehen” und tēma nur “ausleeren” ... bedeuten’4); in zijn Altenglisches Etym. Wb. (1934) stelt hij aan oeng. tōm o.a. gelijk: ofri. tēma ‘leeren’.
Volgens deze opvatting wordt temende beschouwd als het tegenwoordig deelwoord van een werkwoord têma, dat ‘ledigen, leegmaken’ betekent. Zij is echter niet de enige verklaring er in de loop van ruim anderhalve eeuw aan gegeven, en ook niet de jongste: de laatste die zich met tiaende ende temende heeft bezig gehouden, is Dr B.W. Van
| | | | Klaarbergen, in zijn dissertatie ‘Das altwestfriesische jüngere Schulzenrecht’ (1947, p. 102); het jonge-Schoutenrechtartikel (XVI, 2): so aeg di schelta to moniane. hor hit se wanwirk. so ful wirck Alsoe tiaende ende also temende als hi mit riuchta schel - vertaalt hij met: ‘Darauf hat der Schulze zu mahnen, ob es fehlerhafte Arbeit ist oder gute Arbeit, dasz sie (die Schleuse) so Wasser einzieht und in Ordnung ist(?), wie sie mit Recht soll’. In een ander artikel in het jonge Schoutenrecht, waar eveneens sprake is van zijl-onderhoud, wordt tiaende ende temende door V.Klb. op dezelfde wijze vertaald; wat het eerste deel aangaat sluit hij zich dus aan o.a. bij Steller, maar t.a.v. temende wijkt hij van hem af: hij vertaalt het, zij het met een vraagteken, met ‘in orde (zijnde)’.
Een derde opvatting ziet in temende een werkwoord tema ‘temmen’ en vertaalt het met ‘kerend, sluitbaar’. We treffen haar aan bijv. bij Wierdsma - Brandsma (Oude Friese Wetten, 1782; I, 32; II, 296), in het Oudfriese Woordenboek van Wiarda (1786; s.v. tema ‘aufhalten’) en bij De Haan Hettema in zijn Idioticon Frisicum (1874; s.v. temande). Deze oude opvatting heeft zich tot in deze tijd staande weten te houden. De volgende passage in een Oudfriese oorkonde (Sipma II, no. 30): ‘... Disse sylen foers. schillet hoeda thiande ende themen mijt bijndem ende mit dorrem mit planckem ende mit yserwerck ende eerdwerck mit alle hira to bij heer ...’ wordt door M.P. van Buytenen (De Leppa, 1944; p. 40) aldus vertaald: ‘... zullen de zylen sluitbaar en stroomend houden met binten, deuren, planken, ijzer- en aardewerk’5). Winsemius vertaalt tiaende ende temende in het geciteerde fragment uit het oude en jonge Schoutenrecht met ‘(water) trekkend en kerend’6). Von Richthofen, in zijn woordenboek, vermeldt achter tema de betekenis ‘zähmen’ en geeft bij tiaende ende temende de volgende toelichting: ‘Der siel, oder die schleuse, ist (wasser-)ziehend und zähmend (zurückhaltend), weil er das wasser aus dem lande zieht und das einströmende hemmt, jenach seine thore
| | | | sich öffnen oder schliessen’, maar vraagt zich toch af of ‘... hier das alts. temian “vacuam reddere” ... in erwägung (käme)’, m.a.w. Von Richthofen heeft kennelijk al geaarzeld tussen een tema = ‘temmen’ en een tema dat ‘ledigen’ zou kunnen betekenen.
Van de hierboven genoemde verklaringen van temende: légend - in orde - kerend - komt de eerste ons als de meest aannemelijke voor: temende wordt het best beschouwd als het partc. praes. van een werkwoord têma, dat etymologisch hetzelfde woord is als o.a. os. tômian ‘ledigen, vrij maken’.
Over het eerste deel van onze formule (tiaende) zijn de woordenboeken en tekstcommentaren het vrijwel unaniem eens: het is het tegenw. deelw. van het Oudfriese verbum tia, tiaen ‘trekken’. Van Helten heeft echter een andere opvatting verdedigd7):
Behalve tiaende ende temende vindt men in Oudfriese oorkonden in betrekking op het onderhoud van zijlen ook de formule hensich ende herich: ‘... op toe bysiaen dan den Nya syl, oft' er hensich en herich is ...’ (Sipma II, no 107)8). Zij wordt ook toegepast op dijken en dammen, in één opsomming genoemd met zijlen en weteringen in: wy ws flyticheed deer to to dwaen dat dae zee dyken ende dammen sylen ende wettringen hensigh ende herigh macket ende halden wirdit (Sipma II, no 154; vgl. II, no. 129). En éénmaal komt ze in combinatie met tiaende ende temende voor: foerd soo byfella wyt alle dae ienne, deer habbit Zylen iefta Zylroeden, Diken, Weghen, iefta Dammen, datse tyaen ende temen, hensich ende herich halda9).
Deze plaats nu (over de vormen tyaen en temen: tiaende en temende komen we nader te spreken) was voor Van Helten aanleiding Von Richthofens verklaring van tiaende ende temende te verwerpen, omdat, meent Van Helten, ‘(wasser)ziehend’ en ‘zähmend / zurückhaltend’ (of ‘vacuam reddens’) niet kunnen gelden voor dijken, wegen en dammen; hij wil daarom tiaende ende temende dezelfde betekenis toekennen als die hensich ende herich kennelijk in dit en soortgelijk verband heeft: ‘in orde, in goede staat’. Van Helten doet dan een
| | | | poging de etymologie van tiaen(de) en van temen(de) hiermee in overeenstemming te brengen: tiaende beschouwt hij als het partc. praes. van een hypothetisch werkwoord tîan, dat hij via een spitsvondige redenering afleidt van een eveneens hypothetisch adjectief tewi ‘in orde’; temende als het partc. praes. van een denominatief *têma, voor *gitêmian ‘im gehörigen Zustande sich befinden’.
Men kan het met Van Klaarbergen eens zijn, dat in elk geval Van Heltens afleiding van tiaende al te hypothetisch is om aanvaardbaar te zijn. Het geeft bovendien een ietwat gekunstelde constructie, een partc. praes. dat op een toestand zou duiden, adjectivische betekenis zou hebben dus, via een daarvan afgeleid werkwoord terug te voeren op een adjectief dat semantisch dezelfde waarde heeft; dat geldt zowel voor Van Heltens interpretatie van tiaende als van temende. Er komt echter nog dit bij:
de woorden hensich en herich betekenen oorspronkelijk ‘gehoorzaam, tot voldoening van zijn plicht bereid’ en hebben betekking op personen. Door metaphorische overdracht (zur Diensleistung bereit > zur Dienstleistung geeignet’) werden ze ook toegepast op zaken, die ‘in behoorlijke staat’ moeten verkeren, aldus Van Helten. Men kan hierin met hem meegaan, maar vraagt zich af waarom men dan ook voor tiaende ende temende niet een soortgelijke ontwikkeling zou kunnen veronderstellen: ook deze formule zou immers van haar ‘etymologische’ betekenis kunnen zijn losgeraakt en op den duur een vaste omschrijving zijn geworden voor ‘in behoorlijke staat’, zodat zij ook kon worden toegepast op zaken die voor de eigenlijke betekenis der samenstellende delen niet in aanmerking komen. Voor een dergelijke veronderstelling, die Van Richthofens etymologische verklaring nog alle kansen geeft (maar ook de mogelijkheid zou openen om de oorspr. betekenis van tiaende ende temende ik-weet-niet-waar te zoeken!) is weinig reden: de formule tiaende ende temende vindt men alleen in betrekking op zijlen (en zijlsloten); ook het door Van Helten als uitgangspunt genomen fragment hoeft geen uitzondering te maken, als men daar tiaende ende temende alleen op Zylen en Zylroeden, en hensich ende herich op Diken, Weghen en Dammen laat slaan; en daarvoor is, gezien het zinsverband, wel enige reden.
| | | |
Er is in elk geval geen bezwaar de etymologische betekenis van tiaende ende temende te zoeken in haar toepassing op zijlen (en zijlsloten) en dus tiaende (dat Van Helten meent, dat het ‘natürlich nicht zu tiaen “ziehen” gehören kann’, moet wel louter opportunistisch geredeneerd zijn) te beschouwen als het partc. praes. van het in het Oudfries heel gewone werkwoord tia (tiaen) = o.a. mnl. tiën, nhd. ziehen, nfri. tije, Drents (-)tiin ‘trekken’10). En dat tia werd gebruikt om de waterlozende functie van een zijl (of zijlsloot) aan te duiden is heel begrijpelijk, als we zien dat hetzelfde woord ook ten grondslag ligt aan het ndl. tocht (tochtsloot) = ‘sloot die het water naar de molensloot voert’ - ook treksloot geheten, waarin dus het synonieme trekken dezelfde toepassing demonstreert als tiën in tocht (-sloot) -, aan de naam van de Groningse wetering Tjariet en aan het Oostfriese tjade (tjâe, tjâ, tade) ‘kleiner Fluss, Wasserleitung, Abwässerungsgraben’11).
Het eerste deel van onze formule kan dus met ‘trekkend’ worden vertaald, of, als deze vertaling voor een sluis een al te ‘actieve’ werkzaamheid suggereert, worden omschreven door het betreffende artikel in het Schoutenrecht wat tiaende betreft aldus te lezen: de vrije Fries heeft zijn zijl in zo'n staat te houden, dat deze het water behoorlijk kan afvoeren.
En dan nu het tweede deel van de formule: temende. Van Helten wilde er dus in zien het partc. praes. van een werkwoord têma ‘im gehörigen Zustande sich befinden’. Het staat, zegt Van Helten, voor *gitêmian en dit is afgeleid van een met ohd. gizâmi te verbinden Oudfries adjectief dat ‘in behoorlijke toestand’ betekende (en dus ook zou samenhangen o.a. met ndl. betamen, betamelijk). Van Klaarbergen (l.c. p. 102, 103) is geneigd zich bij Van Helten aan te sluiten: hij wil in temende, niet het partc. praes. van een denominatief *têma, maar rechtstreeks een Oudfries adjectief zien, dat beantwoordt aan ohd. gizâmi. En wel op grond van de vorm temen (themen), die behalve in Van Heltens aangehaald citaat, ook in de volgende Oudfriese
| | | | oorkonden voorkomt: Sipma II, no. 12, r. 7 (temen ende thyande), II no, 30, r. 10 en 16 (thiande ende themen), II no. 33, r. 24 (tyaende ende theemen). Van Klaarbergen redeneert dan als volgt: onder invloed van het participium tiaende en door aansluiting bij een werkwoord tema heeft zich uit het adjectief temen een participiale vorm temende ontwikkeld.
Nu kan dat fictieve werkwoord têma ‘zich in behoorlijke staat bevinden’ maar beter helemaal worden uitgeschakeld. Er zijn echter tegen Van Klaarbergens veronderstelling overwegender bezwaren:
| 1. | wat hij zelf er al tegen opwerpt, is dat de vorm temende de oudste is; weliswaar hebben vier oorkonden van 1402-1453 de vorm temen en twee van 1477 (Sipma II, no. 83, r. 17) en 1478(id. no. 85, r. 60) de vorm temande, maar het oude en jonge Schoutenrecht, die althans in Unia op een ouder stadium wijzen, hebben ook de participiale vorm. Er is dus enige aanleiding aan die opvolging van temen en temende in de oorkonden niet te veel waarde te hechten; en eerder van een omgekeerde ontwikkeling uit te gaan: temen < temende. |
| 2. | De vorm temende zou zich uit temen ontwikkeld hebben onder invloed van tiaende. Maar in een oorkonde van 1402 (door Van Klaarbergen zelf geciteerd) komt niet alleen de vorm temen maar ook de vorm tyane voor. Ook een andere oorkonde van 1402 (Sipma II no. 6, r. 7) heeft de d-loze vorm tyane (vgl. ook het citaat van Van Helten hiervóór). Volgens de redenering van Van Klaarbergen zou men hierin dan wel weer analogie naar temen moeten zien en in tiaende analogie naar het zelf al naar analogie (van tiaende!) ontstane temende. Wil men voor tyane niet met een denkbeeldig adjectief (tewi bv.) opereren (hetgeen Van Kl. terecht afwijst), dan ligt het voor de hand dat men ook deze vorm, evenals temen, formeel uit een participium (tiaende) verklaart. Dat de overgang -nd(e) > -n(e) ook in het Fries heeft plaats gehad (vgl. o.a. het ontstaan van de Duitse futurum-omschrijving werden + infinitief < werden + partc. praes.), kan gemakkelijk worden aangetoond: in het tegenwoordige Westerlauwerse Fries bestaan vele adjectieven op -en, die uit participia praes. zijn ontstaan, zoals
|
| | | |
| gleon ‘gloeiend (ofri. gliand, gland), libben “levend, levendig”, derten “dartel”, enz. (soms komen de vormen op -nd en -n nog beide voor: (pür)razen(d); hoeden(d) “behoedzaam”; mijen(d) “bedeesd, schroomvallig”; opljeppen(d) “driftig”; etc). In het 17e-eeuwse Fries van de Sprekwirden van Burmania (ed. Brouwer) vinden we: sliepende hounen heertme naet weytzen (= wakende, wakker) to meijtzen (no. 895) en: hij meij naet ien ijten kat siaen (no. 426).
Van de voorbeelden die we in het Oudoost- en het Oudwestfries hebben gevonden, noemen we: thet hia libbane se (2e ems. codex, ed. Fokkema, bl. 31) - als hyrney folgien is - Dat riucht helpt dae jenen, deer weckien sint, ende naet dae jennen, dyr sint slepen (Jur. Prud. Fris. ed. De Haan Hettema, 2, 116; 1, 6); uit het oude Schoutenrecht: of hi libben is ... - dat dyo berthe libben oen dyo wrald coem (ed. Steller, bl. 121, 109; J. heeft hier libbande); in het jonge Schoutenrecht (ed. Van Klaarbergen) heeft U. de d-loze vorm fiochtane waar Dr. fiuchtende schrijft (III, 21; vgl. III, 24).
In de oorkonden, die ook temen en tyaene vertonen, komen o.a. voor de vormen lidzen (Sipma I, no. 125, r. 9 en 11; no. 141, r. 4) en wennyan (id. I, 194, r. 4), beide ook in praedicatieve functie. Zowel vormen op -ene als op -en zijn dus vertegenwoordigd. Dat tyaene (meestal) -e heeft (tegenover temen) zal een rhythmische aangelegenheid zijn; in het Nederlands hebben participia van éénlettergrepige werkwoorden ook voorkeur voor -nde.
Hiermee zijn de vormen tyaene en temen afdoende verklaard. (Op het verschijnsel als zodanig hopen we elders eens uitvoeriger te kunnen ingaan). |
| 3. | Volgens Van Klaarbergens opvatting (vgl. zijn hiervóór geciteerde vertaling) zou er in de betreffende artikelen gelezen moeten worden, dat de zijl in de eerste plaats “trekkend” moet zijn, in de tweede plaats temen, dat is “in orde, in behoorlijke staat”. Aangezien het laatste het eerste al insluit, krijgen we op deze wijze een zo “onlogisch” geformuleerde eis dat deze interpretatie van tiaende ende temende alleen al daarom weinig aanvaardbaar is. Men ver- |
| | | |
| wacht bovendien na het overgankelijke, verbale tiaende eerder een partc. met soortgelijke waarde dan een “statisch” adjectief. |
| 4. | Daar komt nog bij, dat niet alleen een daarvan afgeleid werkwoord têma hypothetisch is12), ook een adjectief têmen is in het Oudfriese niet aangetroffen. Vanwege de -n van têmen, dat bovendien het prefix gi- mist, kan het ook niet zonder meer met ohd. gizâmi op één lijn worden gesteld; het zou in de geciteerde verbanden een (zwak) verbogen vorm kunnen hebben, maar dat is niet zo waarschijnlijk. |
Het is stellig de moeite waard naar een meer bevredigende verklaring van temende te zoeken. We hebben daarbij eerst de opvatting temende = “kerend, retinens, sluitbaar” nader onder ogen te zien.
Zij geeft aan de betreffende passages in Schoutenrecht en oorkonden op het eerste oog een aannemelijke zin; een zijl immers, zo kan men (met Von Richthofen, hiervóór geciteerd) redeneren, heeft een tweeledige functie: het binnenwater lozen bij eb, het buitenwater tegenhouden bij vloed. Het eerste is voor de afwatering uiterst belangrijk, het tweede is echter niet minder van vitaal belang. Het lijkt dus een alleszins voor de hand liggend voorschrift: te zorgen dat een zijl niet alleen “open” (d.i. “vrij van belemmeringen”) is, of (in tegenstelling tot “sluitbaar”): geopend moet kunnen worden om het binnenwater door te laten, af te voeren (tiaende), maar dat zij bovendien aan haar waterkerende taak behoorlijk moet kunnen voldoen, dus “kerend, sluitbaar” moet zijn.
Om te beginnen kan men zich afvragen of een zo gelezen bepaling niet al te veel weg heeft van een voorschrift vensterramen in een dergelijke staat van reinheid te houden, dat men er zowel door naar binnen als naar buiten kan kijken: als een zijl haar functie van afwateringsluis behoorlijk kan vervullen, o.a. doordat haar deuren geopend kunnen worden, dan kan dit niet anders betekenen, zo is men geneigd
| | | | te denken, dan dat zij daarmee tevens in staat is als keersluis te functionneren; het ene sluit het andere in. In elk geval zijn de voorwaarden voor het ene voor een belangrijk deel dezelfde als die voor het andere (“keren” doet een sluis met haar deuren; soms is een extra stel vloeddeuren aangebracht) en dat geeft aan tiaende ende temende in dezelfde mate een onlogische inhoud. Nu kan men aanvoeren dat voor een ander deel de voorwaarden, waaraan een zijl enerzijds als uitwatering-, anderzijds als keersluis moet voldoen, verschillend zijn; dat een verwaarloosde zijl nog beter haar functie van uitwateringsluis dan van keersluis kan vervullen; dat met tiaende het accent valt op de vrije doorvoer en met temende bv. op de noodzakelijke soliditeit van “waterkeerder”, en voor dit laatste zou dan kunnen pleiten, dat in sommige oorkonden gesproken wordt van ijzer, (eiken) hout, aarde, binten en planken als middelen waarmee een zijl, en dan wellicht in de eerste plaats als keersluis, moet worden onderhouden - maar dit alles is toch niet in staat die “partiële tegenspraak” uit de lezing “afvoerend en sluitbaar (kerend)” weg te nemen. Wij willen echter graag erkennen dat dit niet voldoende argument is om de verklaring “kerend” nu meteen maar af te wijzen. Er is echter meer:
Wij hebben in bepalingen omtrent het onderhoud van zijlen (sluizen e.d.) in het algemeen, nergens gevonden dat met zoveel woorden wordt voorgeschreven een zijl in “kerende staat” te houden, wel daarentegen dat men haar schoon en op voldoende diepte moet houden opdat zij het binnenwater goed kan lozen. Zo staat in de rechten van de drie Delfzijlen: we stenen off eerde off enygerhande ballast off onreinicheit smit in die zijlen of muden daer die zijlen off muden meede worden vervullet ende dat water mede verhindert, de brek vijf R. gld.13). Een Oudfriese oorkonde (Sipma II, no. 6) bevat: ... to wrwariane in wide ende in dyopte in alsodena manere dat disse tweer zylen altida se noglike vrwarat mit yserne ende mit eeke ende mit eertwercke also dat hia tyane ende temen se ..., waarin “wijdte” en “diepte” natuurlijk in de eerste plaats betrekking hebben op de waterdoorvoer. In het Dijkrecht van Bremen leest men: ock schall nemand
| | | |
der landt Syle, Sylgraven, ofte Sielwetteringen bestellen’ (= versperren)14). In het dialect van Sleeswijk-Holstein is een sielmester iemand die de ‘Reinigung der Siele durch seine Leute verrichten lässt’15). Volgens Beekman (Het Dijk- en Waterschapsrecht in Nederland II, 1839) moet de samenstelling zijlrecht wellicht oorspronkelijk opgevat worden als het recht bevattende de bepalingen inzake de afwatering in het algemeen (niet van de een of andere sluis, al hebben dan zijlrechten en dijkrechten beide betrekking zowel op de afwatering als de waterkering (ibidem p. 1842)).
Dit alles hangt dunkt ons ten nauwste samen met de etymologische en tevens oorspronkelijke betekenis van het woord zijl: ‘waterleiding, (gegraven) middel tot waterafvoer’. In Holland had het woord, dat verwant is o.a. met nndl. zijgen en mnl. sîen ‘ziften, filtreren’16) (en dus aansluit bij een grondbetekenis: ‘vloeistof doorlaten’), tot in de 15e eeuw nog die betekenis (hierover uitvoerig Beekman t.a.p. s.v. zijl). Trouwens: in ‘Koenen’ wordt nog als betekenis van zijl opgegeven: ‘waterloop; afloop van water; ook: uitwateringssluis: in Friesl. en Gr.’ Vergelijk verder: Wal. Dijkstra Wb. s.v. syl ‘zijl, sloot of kanaal tot waterafvoer. Ook: sluis’ - mnd. sîl ‘afwateringssloot’ - in het dialect van Ruinen: ziele ‘(houten) duiker onder een dam voor de doorvoer van water’ - in het Noordfries van de Wiedingharde: êrlsil ‘Jaucherinne’17). - Sleesw. Holst: siel ‘Röhre, die Wasser unter einem Damm oder Weg durch ableitet, Durchstoss für Abwasser der Marsch, Abzugsgraben, die verschlieszbare Mündung eines solchen Grabens oder Kanals’15) - in het Versuch eines bremisch-niedersächsischen Wörterbuchs (1770) s.v.: Siel ‘eine Schleuse, oder ein unter dem Wasserdamm durchgehender Kanal, der das inländische überflüssige Wasser in die See, oder in einem Flusz, durch lässt: welcher wenn er klein ist, mit einer
Fallthüre, wenn er aber grösser it, mit zwoen starken Flügelthüren versehen ist ...’.
Vooral de beide laatste aanhalingen (maar bv. ook Wal. Dijkstra's
| | | | omschrijving van nfri. syl) steunen de volgende voorstelling: het woord zijl, dat oorspronkelijk betrekking had op een middel tot wateraf- of doorvoer al of niet naar zee en (of in tweede instantie) op een betrekkelijke korte onderaardse watergang (‘duiker’) die eventueel (met een valdeur bv.) ook afgesloten kon worden, werd, nadat er dijken (zeedijken) waren aangelegd, ook toegepast op de daarin aangebrachte openingen, die het binnenwater moesten doorlaten maar daarnaast natuurlijk zo ingericht moesten zijn, dat bij vloed het buitenwater kon worden tegengehouden. Dit voegde aan zijl het betekenis-element ‘waterkeerder’ toe. In Groningen en Friesland bleef het met die uitgebreide betekenis gangbaar, in andere delen van ons land, voorzover men daar voor een soortgelijk begrip al geen ander woord had of ging gebruiken (bv. sas) werd daarvoor de gebuikelijke aanduiding het ontleende woord sluis, dat in de eerste plaats ‘waterkeerder betekende (< lat. excludere ‘buitensluiten’) maar ook de betekenis ‘waterdoorlaat’ in zich opnam, zodat men spreekt zowel van ‘uitwateringsluis’ als van ‘keersluis’. Daar behield het woord zijl zijn oorspr. betekenis, die in het Fries-Groningse zijl nog altijd primair is: in Friesland (en Groningen) is een zijl allereerst een ‘uitwateringsluis’.
Nu heeft het ofri. sîl wel zeker in de oorkonden, maar toch ook op de oudste vindplaatsen al wel de betekenis ‘sluis’ in de tweeledige zin van het woord, al is het op zichzelf niet ondenkbaar (en wellicht moeilijk weerlegbaar) dat er in bepaalde gevallen nog een ‘afvoerkanaal’, een ‘afsluitbare waterdoorlaat’, of de een of andere nog primitieve vorm van een ‘sluis’ onder verstaan zou moeten worden. Wanneer men echter zou mogen veronderstellen dat de formule tiaende ende temende al op het onderhoud van ‘zijlen’ werd toegepast in de tijd dat zich in Friesland het dijk- en sluiswezen nog niet had ontwikkeld, wèl echter al een regeling bestond voor de af- en ontwatering, dan zou temende oorspronkelijk onmogelijk ‘kerende’ betekend kunnen hebben18).
We moeten in dit verband noemen het bezwaar, dat Van Klaar- | | | | bergen tegen de verklaring van temend = ‘kerend’ aanvoert: in Oudfriese oorkonden heeft tiaende ende temende niet alleen betrekking op zijlen maar ook en tegelijk op zijlsloten. Van K. citeert twee gevallen (p. 102); één van 1453 (Sipma II, no. 33, r. 24): dat wy ... scellet ... to lika, halda zylen ende zylroden tyaende ende theemen ...; en één van 1402 (Sipma II, no. 5, r. 6): dat ... schellat halda da zylrode tyane ende temen ...; bij het laatste voorbeeld merkt Van K. op: ‘Es versteht sich, dasz der Schleusengraben nicht “zähmend, zurückhaltend” sein kann’. Men zou nog kunnen overwegen of temen(de) misschien betrekking heeft op de kerende functie van de eventuele bedijking der zijlsloten. Het is echter niet zeer aannemelijk dat de onderhoudsplicht op dijken van zijlsloten (die bovendien wel niet bedijkt geweest zullen zijn?) op een wijze als dat dan bv. in de eerstgenoemde oorkonde het geval zou moeten zijn, in ‘één adem’ met die op zijlen genoemd zou worden en dat temen betrekking zou hebben zowel op de waterkerende deuren van de zijl als op de waterkerende dijken van de zijlsloot. Een zijlsloot heeft de taak het water af te voeren en aangezien verontreiniging, plantenaangroei, opzettelijke afsluiting e.d. voortdurend deze functie bedreigen, is het zaak zo'n sloot ‘open te houden’; nog altijd oefent de ‘schouw’ in de eerste plaats op de naleving van de desbetreffende waterschapsbepalingen toezicht uit.
Weliswaar is er pas in 15e-eeuwse oorkonden sprake van zijlsloten die tiaende ende temende moeten zijn, maar men zou in deze toepassing nog steun kunnen zoeken voor de boven geuite gedachte, dat nl. tiaende ende temende oorspronkelijk werd gebruikt voor zijlen = ‘middelen tot waterafvoer’.
Na onze bespiegelingen over de ‘zakelijke’ toepassing van onze formule, moeten we thans het tweede deel ervan van een meer taalkundige kant benaderen en de vraag stellen, welk Oudfries werkwoord het zou kunnen zijn, dat aan het partc. praes. temende ten grondslag ligt.
Von Richthofen (Wb.) heeft een lemma tema, welk woord hij vertaalt met ‘zähmen’ en kennelijk ook gelijk stelt aan nhd. zähmen =
| | | | ndl. temmen. Hij geeft drie voorbeelden waarin dit tema in die betekenis zou zijn gebruikt:
| 1. | in tiaende ende temende. Afgezien dus van de vraag of (zijlen en) zijlsloten überhaupt ‘kerend’ kunnen zijn, kan men in twijfel trekken of men ‘temmen’ maar zonder meer mag vervangen door ‘keren, tegenhouden’: noch in het Nederlands, noch in het Duits vindt men toepassingen van temmen resp. zähmen die dit zouden kunnen rechtvaardigen. Men zou in elk geval de nodige argumenten moeten kunnen aanvoeren om de betekenisovergang ‘bedwingen van iets wilds’ > ‘(water) keren’ aanvaardbaar te doen zijn, om van ‘kerend’ > ‘sluitbaar’ maar niet te spreken. |
| 2. | Mey nener handa fisktau, ner settinge, ner theminge -. In werkelijkheid staat hier echter niet theminge maar theninghe (Sipma II, no. 79, r. 15; no. 80, r. 16), dat etymologisch hetzelfde woord zal zijn als o.a. ndl. tuin. Dit voorbeeld van tema = zähmen moet dus vervallen. |
| 3. | dat man da ferdban teme -. Dit is geciteerd uit het 14e punt van ‘Dae Papena Ponten van Wymbritzeradeel’ (O.F.W. II, 292), waar staat: om dat ferdban mogen de greetmaen bifelle, dat ma zie teme. We zullen dit teme nog in ander verband behandelen, maar kunnen hier al vast opmerken, dat vertaling met ‘zähme’ op deze plaats geen zin geeft. Von R. voorziet het citaat trouwens zelf van een vraagteken. |
Ook dit voorbeeld van een eventueel tema ‘temmen’ komt dus te vervallen.
Holthausen noemt in zijn Altfr. Wb. temia ‘zähmen’, zonder †, waarmee hij wil aangeven, dat Von Richthofen het woord ook vermeldt. Geheel juist is dit niet, immers von R. heeft tema. Holthausen noemt ook bitemia, eveneens zonder †, maar bij Von R. is deze afleiding niet te vinden. Naast temia ‘zähmen’ geeft Holthausen tēma ‘leeren?’, dat wel uitsluitend zal berusten op temende in tiaende ende temende; en zelfs †teminge ‘Leerung’. Dat kruisteken vóór tēma is niet helemaal op zijn plaats omdat Von Richthofen s.v. tema rekening houdt met de mogelijkheid dat het in tiaende ende temende niet ‘zähmen’ maar ‘vacuam reddere’ betekent. En waar Holthausen teminge vandaan heeft, is duister, maar het is waarschijnlijk, dat hij, na Von Richthofens tema te hebben overgenomen met de betekenis ‘leeren’,
| | | | diens theminge (lees theninge!) ook maar vertaald heeft met ‘Leerung’!
Holthausens lemma temia (met ‘etymologische’ i?) zal wel uitsluitend op Von Richthofen teruggaan (waar H. bitemia gevonden heeft, is niet na te gaan) en heeft dan ook geen waarde voor het aantonen van een Oudfries tem(i)a ‘temmen’. In de etymologische woordenboeken van Fr.-v.W.-v. Haer. en van Kluge-Götze wordt een ofri. tem(i)a niet genoemd; Kluge-Götze vermeldt Holthausens Altfr. Wb. wel in de litteratuur-opgave. Holthausen noemt het zelf trouwens ook niet in zijn Vergl. und etym. Wb. des Altwestnord., noch in zijn Alteng. etym. Wb.!
Men kan dus wel vaststellen, dat een oudfries tem(i)a ‘temmen’ niet is overgeleverd19) (evenmin als in het Oudsaksisch) en zelfs rekening houden met de mogelijkheid, dat een aan got. (ga-)tamjan beantwoordend werkwoord in het Oudfries niet aanwezig is geweest of in elk geval in een bepaalde periode ervan verdwenen was. In deze richting wijst nl. nfri. tamje, een (nieuw) denominativum (naar tam), evenals neng. tame, dat in de 14e eeuw het oudere temian verving (N.E.D. s.v. tame).
Na het voorgaande is het op z'n minst zeer onwaarschijnlijk dat aan temende een werkwoord tema = temmen ten grondslag zou liggen. Er is dan tenslotte de derde mogelijkheid: temende is het partc. praes. van een werkwoord têma dat de Oudfriese representant vormt van een Oudgermaans werkwoord met de betekenis ‘vrij maken’ = os. tômian id., met het adjectief tôm, tômi, tômig ‘leeg, vrij van’ = ohd. zuomi(g) = oeng. tôm = on. tômr id; on. tøma ‘legen’, tôm ‘vrije tijd’20). In het tegenwoordige Zweeds en Deens zijn tom ‘leeg’ en tömma (tømme) ‘legen’ nog heel gangbare woorden. Ook op tegenwoordig Westgermaans taalgebied is het ogm. *tôm- nog aanwezig: in Schotse en Engelse dialecten worden aangetroffen: toom, tume ‘leeg’; toom, teem ‘legen, stromen’; toom ‘vrije tijd’21). Bij dit
| | | | laatste, trouwens ook bij het bovengenoemde on. tôm, sluit aan het in Oostnederlandse dialecten bekende adj. tuimeg, tumeg (Groningen), tuemeg, teumeg (Drente, Overijssel, Achterhoek) ‘niet druk, rustig, met veel vrije tijd’. Kiliaen vermeldt tomigh Fris. ‘otiosus vacans’22).
Op Fries taalgebied vinden we: in het dialect van Sylt tem ‘een wagen leegmaken, een voer koren of hooi afladen23); Ten Doornkaat Koolman (Wb. der Ostfr. Sprache) noemt ook tömig “rustig” maar dit zal eerder Nederduits dan oorspr. Fries zijn. Het Sylter tem sluit echter rechtstreeks bij os. tômian etc. aan.
In het tegenw. Westerl. Fries hebben we geen woord gevonden dat het ogm. *tôm- zou kunnen vertegenwoordigen. Het ligt echter wel voor de hand, aan te nemen dat het zo algemeen-West- en Noordgermaanse etymon eenmaal ook in het oudere Fries aanwezig is geweest. Wij hebben de volgende plaatsen gevonden die deze veronderstelling kunnen bevestigen:
| 1. | Bij De Haan Hettema (O.F.W. bl. 119) en in de Oudfr. Bloemlezing van Buitenrust Hettema is opgenomen het volgende (daar ten onrechte tot het Schoutenrecht gerekende) fragment: Ic banne ioe, heren alle meenlike, dat i iouwe insilen oen iowe hemmerke maran also rekenad ende temed habbe ti der seburch dat se onbanplichtig se. Hier is dus sprake niet alleen van (binnen-)zijlen maar ook (weer) van sloten die men rekenad en temed moet hebben; het eerste woord is het partc. praet. van reken(i)a “schoonmaken”24), temed kan hier moeilijk iets anders dan een versterkend synoniem zijn, het partc.
|
| | | |
| praet. van een verbum tema “schoonmaken, vrij maken van de waterloop belemmerende obstakels (visnetten e.d.”)25). |
| 2. | In een oudfriese oorkonde van 1483 (Sipma II, no. 111) staat: Ende foerd soe schil Wilka fors. syn eed thema26) en bytellia dae fyftigh ryns-guld ... In dit verband, waar bytellia de inhoud van de bij eedaflegging aangegane verplichting uitmaakt, moet syn eed thema betekenen: “zijn eed nakomen”, hetgeen in het Middelnederlands (Mnl. Wb. s.v.) en in het Middelhoogduits (Lexer s.v.) o.a. wordt uitgedrukt door (sijn eed) losen, resp. (den eit) lôsen. |
| 3. | In het reeds even genoemde punt 14 van Dae Papene Ponten (O.F.W. II, 292) wordt o.a. gesproken over de betaling die de grietmannen mogen nemen van ferdban, landbode en nyar. Er staat: “Ende dae twer greetmaen to gar naeth meer to nymmen fan een ferdbaen to siglien, elck twa pondt, iefta fan een landtbode ende dat nyar twa pond, hwa se habba wol; ende hwa se nath habba wol, dy mey hila ors; om dat ferdban mogen da greetmaen bifelle, dat ma zie teme”. Het is duidelijk dat hier een tegenstelling gemaakt wordt tussen landbode en nyar aan de ene kant en ferdban anderzijds: wanneer de eerste worden aangenomen mogen de grietmannen twee pond nemen, wie ze niet wil hebben mag “hila ors”27). Wat echter de ferdban (de verkoop van land) betreft mogen de grietmannen bevelen “dat ma zie teme28)”. Wij zijn geneigd zie te laten terugwijzen op twa pondt en hier te verstaan, dat men voor (het regelen van) de ferdban in elk gevál betalen moet. |
| 4. | In de Wynyma Wilkeren (De Vrije Fries 39, 89) lezen we: In alle thorpen settema eene jefta moneghera weerdmon mit thera bura kerre jefta des afta presteres ende der fogeda / Thesse werdman schel
|
| | | |
| alle capen warrya / Nemma ne meij nene schelda thema sunder harra jecht, hit nese dat ...’29). Ook hier is dus sprake van ‘kopen’, die de werdman moet ‘passeren’ en van schuld, die men niet mag ‘thema’ zonder zijn officiële bevestiging. Hoewel hier andere oplossingen denkbaar zijn, lijkt ons een vertaling van thema door ‘lossen’ aanvaardbaar; of hier het standpunt van de koper (die de schuld heeft) of van de verkoper (die recht heeft op betaling: ‘schuld’ kan althans in het Nederl. en in het Duits zowel ‘plicht tot betaling’ als ‘recht op betaling’ betekenen) in het geding is, kan in het midden blijven. Het meest voor de hand ligt, te lezen, dat een schuldbetaling niet rechtsgeldig is wanneer zij de werdman niet gepasseerd is. |
In het Oudgermaans bestonden twee adjectieven met soortgelijke betekenis: ‘vrij van, leeg’, nl. *tôm- en *laus-. Van het laatste zijn afgeleid de Nederlandse werkwoorden lozen en lossen, die naast hun etymologische betekenis ‘ledigen, vrij maken van (water lossen, water lozen, een wagen lossen etc.)’ ook ‘figuurlijke’ betekenis hebben ontwikkeld: ‘zich kwijten van, nakomen, inlossen, aflossen, betalen’. Dezelfde situatie vinden we bij het Duitse lösen; vgl. ook mhd. den Kauf lôsen (Lexer s.v.).
Zoals we hebben gezien heeft het van *tôm- afgeleide werkwoord o.a. in het dialect van Sylt de etymologische betekenis ‘ledigen’ (tem = een wagen ledigen, een voer lossen). In het onder 1. geciteerde fragment vertegenwoordigt temed voor het Oudfries deze betekenis.
Is de voor de drie laatste plaatsen gegeven verklaring juist, dan kan de conclusie zijn dat ofri. tema naast die oorspronkelijke ook de ‘figuurlijke’ toepassing kende, als bv. lossen in het Nederlands. Omgekeerd kan de hier bedoelde parallellie de gegeven interpretatie versterken.
Al onze overwegingen tenslotte overziende, achten wij de gevolgtrekking gerechtvaardigd, dat een ofri. têma < ogm. *tôm- ‘ledig, vrij van’ de meeste kans heeft aan temende in tiaende ende temende ten grondslag te liggen. Het in het begin aangehaalde artikel uit het
| | | | Schoutenrecht betekent dan dat de vrije Fries zijn zijl zo moet onderhouden, dat deze het binnenwater behoorlijk kan afvoeren en lozen (lossen). Dat hetzelfde geëist wordt van zylroden en dat t.a.v. hemmerke maran voorgeschreven wordt deze (rekenad ende) temed te hebben, kan niet anders dan voor deze conclusie pleiten. Ook ‘zakelijk’ gezien is de voorgestelde lezing alleszins aannemelijk: ook de Oudfriese bepalingen die voorschrijven dat zijlen tiaende ende temende moeten zijn, zullen in de eerste plaats bedoeld zijn tegen de bedreiging van hun waterlozende functie. Deze functie van een zijl is historisch ook primair. Een ‘zijl’ is nog altijd allereerst uitwateringsluis.
Tiaende ende temende kan dus een voorbeeld heten van een tautologische allitererende formule (in het Oudfries een gewoon verschijnsel30)), waarvan de delen participia zijn met synonieme betekenis en van dezelfde ‘orde’.
Wij hebben voor het bovenstaande meermalen een vruchtbaar gebruik gemaakt van het op het Fries Instituut der Groninger Universiteit samengestelde lexicon op de oorkonden van Sipma. Mr P. Gerbenzon en Mr M. Oosterhout hebben ons waardevolle vingerwijzingen gegeven, waarvoor wij hun op deze plaats gaarne onze dank betuigen.
Groningen
A. Sassen
|
1)W. Steller, Das Altwestfr. Schulzenrecht, p. 17. Het fragment is ook opgenomen in de bloemlezing achter in Stellers Oudfr. Gramm.
2)Ook in de woordenlijst achter in zijn grammatica geeft Steller als betekenis van têma, ‘leeren, leer machen’.
3)† tēminge ‘Leerung’ daarentegen er zonder. Vgl. hierna bl. 110.
4)Zeitschr. f.d. Altert. 82. Band (1950), S. 83.
5)Het chiasme: thiande - themen = sluitbaar - stromend zal wel niet opzettelijk zijn.
6)Mr J.P. Winsemius, De hist. Ontw. van het Waterstaatsrecht in Friesland, diss. 1947; p. 346, 347.
8)Zie ook Von Richthofen Wb. s.v. hensich.
9)Charterboek voor Friesland (Schwb.) I, 350; Von Richth. Rqu., 491.
10)In het dialect van Ruinen antiin ‘(ergens mee) beginnen’; vgl. ook Drentsche Volksalm. 1839, p. 202.
11)Ten Doornkaat Koolman, Wb. der ostfr. Sprache, s.v.
12)Von Richthofen Wb., noemt wel tima “ziehmen”. Een partc. * timende komt niet alleen niet voor maar ziet er ook weinig geloofwaardig uit. Bovendien verzet zich de betekenis van het werkwoord tegen een p. pr. timende = “in behoorlijke staat”.
14)Versuch eines bremisch-niedersächsischen Wörterbuchs (1770) IV, 787.
15)Otto Messing, Schleswig-holsteinisches Wb. (1927-1935), s.v.
16)Fr.-v.W. sv. zijl, zijgen.
17)Wb. der Nordfr. Sprache der Wiedingharde, p. 103.
15)Otto Messing, Schleswig-holsteinisches Wb. (1927-1935), s.v.
18)Of het feit, dat we met een allitererende formule te doen hebben, zou kunnen pleiten voor ‘hogere ouderdom’ wagen we niet in het geding te brengen.
19)Ook in de oorkonden van Sipma komt het blijkens het daarop aangelegde lexicon (Fries Instituut R.U. Groningen) niet voor.
20)Het is bevreemdend, dat Steller (woordenlijst grammatica) by têma ‘leeren’ noemt: oeng. temian, ohd. zemmen, got. - tamjan!
21)N.E.D.; Jamieson's Dictionary of the Scottish Language (1912) s.v. Er kan hier sprake zijn van Scandinavische leenwoorden. Het Schotse ww. teem kan rechtstreeks terugggaan op oeng. tôm ‘leeg’ maar tume, toym ‘vrije tijd’ in Scandinavisch meent G.T. Blom in ‘Scandinavion Influence on Southern Lowland Scoth (1900), p.
21, 22. Arnold Wall beschouwt dial. eng. team, teem ‘ledigen’ als stellig Scandinavisch, toom, tume (adj.) als van onzekere herkomst d.w.z. als oorspr. Engels of Scandinavisch) (Anglia XX, 1898, p. 124, 135).
22)Door Fokkema (Ts. 54, 235) genoemd onder de met ‘Fris.’ aangeduide woorden bij Kil. die in het Fries niet voorkomen. ‘Fris.’ zal hier ‘Oostelijk Nederlands’ betekenen, als bijv. bij ghifte, dat Kil. ook ‘Fris.’ noemt, in Friesland echter niet bekend is (Fokkema t.a.p. p. 234).
23)Solring Uurterbok, Wörterb. der Sylter Mundart von Boy P. Möller, p. 264.
24)Vgl. o.a. gron. dre. rakken ‘schoonmaken’.
25)De constructie ‘hebben + partc. praet.’ heeft hier nog zijn oorspr. praes. functie: het partc. is praed. attribuut.
26)Hierbij volgende noot van Sipma: ‘Dit woord is in het Hs. onderstreept, daarnaast in margine “f. thenia”’.
27)Wat dit betekent is niet duidelijk. De Haan Hettema (Id. Fris. s.v. hila) vertaalt: die kan elders gaan. Deze verklaring lijkt aanvechtbaar. Zou hila een verschrijving kunnen zijn voor hlia? De inhoud is kennelijk: die ze niet hebben wil, is ook geen betaling verschuldigd.
28)In het Hs. staat inderdaad teme (fotocopy Fries Inst. R.U. te Groningen).
29)Mr P. Gerbenzon, de uitgever ervan, was zo vriendelijk ons op deze plaats opmerkzaam te maken.
30)Vgl. geeff ende gens (Sipma I, no 182, r. 10); gangh ( gongh) ende geef (id. II 36, 33; 85, 34; I 359, 26); kuth ende kanlyc (id. I 41, 1; 39, 2; 232, 1 etc.); zie ook Buma, Die brokmer Rechthandschr., bl. 76*.
|
|