[p. 124]

Nautica (II)1)

Admiraalsschip. Van dit woord, waarvan het WTN I, 818 geen bewijsplaats vermeldt, vindt men in het Suppl. I, 415 een citaat uit 1672. In Kluge's Seemannssprache 13 wordt hd. admiralschiff aangewezen sedert 1678. Dat schijnt dus ongeveer gelijktijdig. Maar natuurlijk is het woord in het Nederlands ouder en ik kan hier dan ook twee bewijsplaatsen geven die een eeuw eerder voorkomen, beide uit 1577. De eerste staat in J.H. de Stoppelaar, Inventaris van het oud archief der stad Middelburg onder no. 2728, waar een brief wordt vermeld, geschreven ‘vuyt des Coe Mats van Hispanien admiraelscepe, rijdende voor Seeburch’, gedateerd 22 September 1577. De tweede vindt men in een resolutie in de Notulen van Zeeland 12, 109: ‘Op den 9en May 1577. Geresolveert, dat ... noch vijff schepen tegen den 20en dezer maent zullen affgedanct werden, ende dat by lootynge onder alle de schepen alsnoch in dienste zijnde, uutgesteken alleene 't admiraelschip’.

 

Bloedvlag. De oudste plaats in het WNT II, 2887: ‘Men werpt de bloed-vlagh uyt, het gaeter op een slaen’ is uit een gedicht van Westerbaen, getiteld ‘Op 't stuck vande Zeeslagh, gevallen tusschen de Admiraelen Tromp en Blaeck, ... Op den lesten Febr. en den 1. en 2. Maert 1653’ (Westerbaen, Ged. 1, 330). Kluge begint zijn Duitse citaten met een uit 1644 (Blut-Flacken) en geeft vervolgens een uit 1672 (Blutflagge), zie zijn Seemannssprache 257. Maar natuurlijk heeft ook hier het Nederlands weer de prioriteit. Een bewijsplaats uit het einde der 16de eeuw is te vinden in de Bijdr. en Meded. van het Hist. Gen. te Utrecht 6, 228: ‘d'selve Portugesen (hebben)... op eenige galeijen Portugese ende bloetvlaggen laten waijen, doch werden door 't groff geschut uyt onse schepen so getreft, datse goetvonden aff te houden ende die schepen te verlaten’ (ao. 1599).

[p. 125]

Boegseren. Over deze scheepsterm zie men het artikel van J.W. Muller in het WNT III, 74-76 alsmede diens uitvoerige opstel in Ts. 10, 294-304. Met grote zorgvuldigheid heeft Muller daar een rijke verscheidenheid van vormen van deze term bijeengebracht, waaruit Kluyver in Ts. 13, 158-159 de gevolgtrekking maakte, dat het woord een ontlening moet zijn aan port. puxar, waardoor de wel enigszins gekunstelde etymologie uit het Arabisch, door Muller geopperd, als vervallen kan worden beschouwd.

Van al de verschillende talrijke Nederlandse verbasteringen van het Portugese woord is de vorm boegseeren de jongste, meent Kluyver, verwijzend naar het materiaal van Muller, waar het woord in deze gedaante het eerst is gesignaleerd bij Brandt, De Ruiter (ao. 1687) en in een werk van S. de Vries (ao. 1685). Toch vond ik de vorm boechzeeren reeds door Abel Tasman gebezigd in diens Journael (W. der Linschoten-Ver. 17, 93): ‘om van het riff ofte de drooghte off te boechzeeren’, ‘waren doende met boechzeeren om van de wal aff te geraecken’ (96), ‘waren noch doende met boechzeeren’ (97), alles in dato Maart 1643.

Een zeer wonderlijke vorm, die tot dusverre blijkbaar onbekend is gebleven, vond ik in het zeldzame werkje van Goeteeris, Iournael van de Legatie ghedaen inde Iaren 1615 ende 1616... naer Sweden ende Moscovien 120: ‘ende wert ons Schip vande voorsz. twee lachten voorts gheboechstaet, tot dicht voor de Stadt van Stockholm’ (29 Mei 1616). Dit vreemde verleden deelwoord gheboechstaet zou misschien kunnen doen denken aan het Portugese participium puxado.

Deze aanhaling uit 1616 is nog iets ouder dan het oudste citaat in een samenhangende tekst, dat Muller geeft uit een Vlissingse notariële acte van 1617, waarin het woord voorkomt in de vorm boucksarden. Maar hij wijst er op, dat de term reeds opgetekend is in de 16de-eeuwse woordenboeken van Kiliaen (boech-seerden, boecht-seerden) en Junius (boechseerden), dat is dus nog ongeveer een halve eeuw vroeger.

In Kluge's Seemannssprache 159 zijn de oudste Duitse citaten uit 1627 (buxireten wir) en 1629 (boucheren).

[p. 126]

Boeireep, het ‘touw van kabelslag, waarmede de boei aan het anker verbonden is’, wordt in het WNT III, 91 met twee citaten uit Brandt, De Ruiter (ao. 1687) geïllustreerd. Meer dan anderhalve eeuw vroeger treft men het woord aan in de Handvesten van Amsterdam 1492 b, waar men leest: ‘Dat men de Boeye-reepen soo kort sal maken aen de anckers, datse op 't water dryvende blijven recht boven de anckers, ende vorder niet’ (ao. 1530).

In het Nederduits is het woord reeds in de 15de eeuw aangewezen in een Danziger oorkonde (Hans. Urkundenb. 9, 95): ‘item noch twee boygerepen’ (ao. 1464). Het volgende voorbeeld, dat Kluge in zijn Seemanssprache 113 geeft, is echter pas uit 1732 (boye-reeps).

 

Bramzeil. Van deze scheepsterm staat de oorsprong van het eerste lid nog altijd niet vast, zie WNT III, 1020 en Kluge, Seemannssprache 136 en 140 alsmede Franck-v. Wijk en v. Haeringen, Suppl. In het Nederlands variëren in de 17de eeuw de vormen bram- en braamzeil, terwijl een vorm brandzeil in één enkel werk eerst omstreeks 1700 is aangewezen. Daarentegen komt brandsegel reeds in 1625 in het Duitsch voor en bramsegel in 1673. ‘Die Belege für beide Lautformen und für beide Sprachen beginnen erst im 17. Jahrh.’ beweert Kluge. En het WNT definieert de bramzeilen als ‘de eerst in het einde der 16de eeuw in gebruik gekomen zeilen boven de marszeilen’. Terwijl nu zowel het WNT als Kluge, Seemannssprache slechts bewijsplaatsen geven te beginnen met de 17de eeuw, zou ik hier op een ndl. plaats uit het einde der 16de eeuw willen wijzen, die voorkomt in het Oecon. Hist. Jaarb. 3, 266, waar men leest: ‘Cornelis Pietersz. Deen, schipper, heeft van de gemeen reeders gecoft een nieut seyl, de beste fock, een braemseyl enz.’ (ao. 1597).

 

Dieplood. De oudste plaats in het WNT III, 2575 is uit Bontekoe's Iournael ... van de Oost-Indische Reyse ... Begonnen ... 1618 en voleynt ... 1625. Dat het woord ook reeds in het midden der 16de eeuw gebruikelijk was, blijkt uit het volgende citaat, te vinden in het Arch. van het Zeeuwsch Gen. 1912, 146: ‘Zy (t.w. dese buyse) was bevonden met een dieploet, dat zy wel ses ofte seven roeden naer

[p. 127]

taechte(r)canael gesoncken was’ (ao. 1546). Men vindt ook nog een plaats in het Econ. Hist. Jaarb. 3, 155: ‘Gegeven om dieploen 1-0-0’ (ao. 1569).

Kluge's oudste bewijsplaats van hd. tieflot is pas van 1732 (Seemannssprache 550).

 

Druil, een ‘klein zeil, inzonderheid door kleine schepen gevoerd, aan een mastje tegen den achtersteven’, is in het WNT III, 3476 sedert Witsen, Scheepsb. (ao. 1671) gestaafd. Een eeuw vroeger treft men het woord reeds aan in het Econ. Hist. Jaarb. 3, 145, waar men leest: ‘9 gulden tot een nieuwe dreuyl’ (ao. 1579).

In Kluge, Seemannssprache 196 komt het aan het Nederlands ontleende drüll niet eerder voor dan op het einde der 18de eeuw.

 

Glas, aan boord van schepen: de tijdsruimte van een half uur, zie WNT V, 37-38. De oudste bewijsplaatsen zijn daar uit Visscher, Sinnep., dus van ± 1600. Natuurlijk was het woord ook al vroeger gebruikelijk. Een citaat uit de eerste helft der 16de eeuw kan men vinden in Die Caerte vander zee: om Oost ende West te zeylen 76: ‘Ende elcke vre seylens is .ij. milen, legt seluen ouer ofte elcke glas een mile’ (ao. 1541). Ook in het Leeskaartboek van Wisbuy komt de term meer dan eens voor, b.v. 161: ‘wy seyldent af van Ganghes Rif af tot Schaghen in vyfuentwintich Glasen’ (ao. 1551).

Kluge's oudste bewijsplaats is uit de Seekarte van 1571, dan volgt een citaat uit 1662 (Seemannssprache 320).

 

Haardoek, een soort van vlaggedoek, wordt door Winschooten, Seeman 75 (ao. 1681) vermeld (zie WNT V, 1440). In Ts. 32, 319 deelt de archivaris A.J.F. van Laer te Albany, N.Y., een zin mede uit een koopbrief van de West-Indische Compagnie van 23 October 1655, waarin het woord eveneens voorkomt: ‘dat aan Mr. W. soo veel haerdoeck sal gelevert worden als noodich is om een Engelse vlagge te maecken’. Een bewijsplaats uit het einde der 16de eeuw vindt men in het Econ. Hist. Jaarb. 3, 255: ‘Om haerdoeck tot de vlaggen te verstellen 30-0-0’ (ao. 1593).

[p. 128]

Nhd. haartuch, ‘art flaggentuch’ staat in Kluge's Seemannssprache 340 niet eerder dan in 1870 vermeld.

 

Handspaak, waarnaast gelijkbet. handspeek: ‘hefboom ... dienende bij ... (o.a.) het draaien van spillen en kaapstanden enz.; aan boord, althans voorheen, niet zelden als wapentuig gebezigd’. Het woord is bij ons sedert Kiliaen aangewezen: ‘Hand-spaecke. Vectis’. Het WNT V, 2008 geeft verder nautische bewijsplaatsen uit Witsen, Scheepsb. (ao. 1671) en Schouten, O.-Ind. Voyagie (ao. 1676). Een citaat uit het midden der 16de eeuw is te vinden in het Leeskaartboek van Wisbuy 190: ‘Marigaert sult ghy brenghen bi suyden aen dat voorschreuen Bosken Boomen op een hantspeck lanckte daer aen’ (ao. 1551).

Het Duitse handspake is in Kluge, Seemannssprache 733 eerst sedert 1795 gestaafd.

 

Kanonneerboot. De beide oudste aanhalingen van dit woord in het WNT VII, 1281 zijn uit de tijd van de Belgische opstand. Maar in de derde aanhaling uit De Jonge, Gesch. van het Ndl. Zeew. 5, 4472) is sprake van: ‘het bouwen, huren en wapenen van een aantal kanonneerboten’ om de Engelse aanval in het jaar 1799 te keren.

Een karakteristieke nog iets oudere bewijsplaats uit het einde der 18de eeuw vindt men in het werk van kapitein Cornelius de Jong, Tweede reize naar de Middellandsche zee, gedaan in de jaren 1783, 1784 en 1785 (Haarlem 1807), 167: ‘De uitvinding der kanonneerbooten, die ik niet weet dat nog ergens anders bestaan, doet eer aan de Algerijnen; en daar ik van derzelver nuttigheid overtuigd ben, zal het mij niet verwonderen dat ook andere Mogendheden zich welhaast van deze vaartuigen voorzien’, vgl. nog a.w. 184: ‘Onder verscheidene vragen welke hij (t.w. de aga) deed, waren ook deze: Hoe wij de batterijen vonden? wat wij dachten van de kanonneerbooten?’ Deze beide citaten zijn uit het jaar 1784.

 

Kielwater in de bet. van: ‘het vuile, stinkende water dat zich, beneden in het schip, boven de kiel, in den durk verzameld heeft’

[p. 129]

komt volgens het WNT VII, 2773 ‘alleen bij Kiliaen en vervolgens in de woordenboeken’ voor. ‘Kielwater. Aqua sentinae’ heeft Kiliaen. In een samenhangende tekst was het woord tot dusverre nog niet aangetroffen. Een bewijsplaats uit Kiliaen's tijd, de tweede helft der 16de eeuw, vindt men in het werkje Dat scip van Patientie ende Penitentie 41: ‘Vroom ende cloeck staende aen die pompe ... ende al vast wtpompende dat vuyle stinckende kiel water, ende ... liet dat in ... die zee loopen’ (ao. 1592).

Kluge vermeldt nhd. kielwasser in deze bet. (‘Grundwasser auf dem Schiffsboden’) eerst in 1836 bij Chamisso, Reise um die Welt (Seemannssprache 446).

 

Kruiszeil, ‘het marszeil van den bezaansmast’, is in het WNT VIII, 446 te vinden met een oudste citaat uit het Dagverhaal der Ontdekkings-reis van J. Roggeveen, in de jaren 1721 en 1722. Ruim anderhalve eeuw ouder is de volgende aanhaling uit het Gr. Placaatb. 1, 799: ‘Ende sullen de Schepen ... moeten voeren Kruys-zeylen’ (ao. 1563).

Kluge's oudste bewijsplaats van kreuzsegel is van 1627 (Seemannssprache 489).

 

Logger, een scheepstype voor verschillende doeleinden gebezigd, laatstelijk voor de visscherij. Op dit artikel leest men in het WNT VIII, 2624 onder meer het volgende: ‘De loggers zijn hier te lande uit Frankrijk ingevoerd, en 't ndl. woord is dus zeker een vervorming van 't fr. De eerstbekende vermelding in 't Ndl. is uit het begin der 19de eeuw, in 't Fr. en 't Eng. uit het einde der 18de (fr. lougre wordt voor een ontleening uit 't Eng. gehouden, te oordeelen naar de bewoordingen in de oudste fr. vermelding - zie Dict. Gén. i.v. Lougre - waarschijnlijk terecht): vermoedelijk zijn de schepen dus spoedig nadat ze 't eerst in gebruik zijn genomen, hier te lande bekend geworden. Later, tusschen 1860 en '70 moeten de loggers als visschersvaartuigen opnieuw uit Frankrijk zijn ingevoerd: de eerste die toen hier in de vaart kwam, was in Frankrijk gebouwd en werd algemeen “de Fransche logger” genoemd (Hoogendijk, Grootvissch. 180).’

[p. 130]

De bovengenoemde ‘eerstbekende vermelding in 't Ndl. ... uit het begin der 19de eeuw’ staat in het woordenboek van Weiland: ‘Logger... Eene soort van fransch vaartuig, met eenen platten bodem’ (ao. 1803). Ik kan hier echter op een nog iets oudere bewijsplaats in het Nederlands wijzen uit het einde der 18de eeuw, waar men eerder dan aan Fransche aan Engelse oorsprong zou willen denken. In het werk van C. de Jong, Reizen naar de Kaap de Goede Hoop, Ierland en Noorwegen, in de jaren 1791-1797 (Haarlem 1802-1803), 2, 343 leest men: ‘In het terug keeren naar de stad (t.w. Bergen in Noorwegen) kwamen een Engelsch oorlogsfregat en logger ons achter op en rakelings de boot voorbij zeilen, waarom ik, ... niet verkiezende ... krijgsgevangen gemaakt te worden mij in de alma viva of grooten mantel wikkelde en zorgvuldig de montering verborg, en dus de vrienden voorbij raakte’ (ao. 1796). Het zal dus misschien voorzichtiger zijn te zeggen, dat de oorsprong der Nederlandsche benaming logger zowel in fr. lougre als in eng. lugger kan liggen. Voor ndl. logger uit eng. lugger vgl. ndl. kotter uit eng. cutter.

Ook in het Duits kan deze scheepsbenaming een tweeledige oorsprong hebben. In Kluge's Seemannssprache 555 vindt men zowel citaten met lugger uit het Engels als met logger uit het Nederlands, maar het oudste citaat uit het zeemanswoordenboek van Röding (ao. 1796) heeft lugger en de jongere (ao. 1837, 1888, 1907) hebben logger.

De oudste bewijsplaats van eng. lugger in de NED is van 1795 en die van fr. lougre in de Dict. Gén. van 1798.

 

Patrijspoort. Deze bekende scheepsterm, die enkel en alleen in het Nederlands en in geen enkele andere taal voorkomt, is in het WNT XII, 802 te vinden met een oudste plaats uit Mossel, Het Schip (ao. 1859). Dat deze benaming reeds in de 18de eeuw gebruikelijk was, kan blijken uit het volgende citaat, ontleend aan de Reize naar de Middellandsche zee, in de jaren 1777, 1778 en 1779 door kapitein Cornelius de Jong (Haarlem 1806), 2: ‘Toen werd mij gezegd ... naar kooi te gaan, ten welken einde mij een vertrekje, hut genaamd, werd aangewezen, waarin naauwelijks zes personen overeinde zouden

[p. 131]

kunnen staan; lucht en licht ontvangt het door een klein venstertje van naauwelijks een voet in het vierkant, bij de zeelieden onder de naam van patrijspoortje bekend’ (ao. 1777).

 

Pier als ‘benaming voor een soort van golfbreker zooals er voor groote havens worden gemaakt’ is volgens het WNT XII, 1564 ‘in de 19de eeuw ontleend uit eng. pier in denzelfden zin (reeds in de ME.)’, hetgeen overeenkomt met wat Van Haeringen schrijft in het Suppl. op Franck-v. Wijk: ‘Evenals hd. pier m. een jonge ontl. uit eng. pier, waarvan de afl. niet vaststaat’. Inderdaad zijn ook de bewijsplaatsen in Kluge's Seemannssprache 615 niet ouder dan het einde der 19de en het begin der 20ste eeuw evenals bij ons.

Toch hebben onze zeelieden het woord reeds veel vroeger gekend en gebruikt nl. op het einde der 16de eeuw. In Waghenaer's Spiegel der Zeevaerdt, kaart 12 leest men: ‘By westen Sanson leyt Gyon, ende heeft een Piere, ofte afstekent hooft daer d'inwoonders haer visschers barcken onder legghen’ (ao. 1584). En in het tweede deel, kaart II: ‘Twee mylen by n. Phila leyt Scherenborch, t'welck twee pieren oft hoofden heeft daermen achter ligghen mach’ (ao. 1585).

 

Rif in de bet. van: ‘een smalle bank of klip in zee’ is volgens het Mnl W VI, 1384 ‘in het Mnl. niet aangewezen’. Zowel daar als in het WNT XIII, 169 is als oudste bewijsplaats het woordenboek van Kiliaen aangehaald evenals in Franck-v. Wijk, waaraan ook Van Haeringen, Suppl. niets toevoegt. Toch komt het woord in de loop der gehele 16de eeuw passim voor: in Waghenaer's Spiegel der Zeevaerdt (ao. 1584 en 1585), met name op tal van kaarten in beide delen, alsmede in onze oude leeskaartboeken uit de eerste helft dier eeuw. Meestal wordt het woord, in overeenstemming met zijn Skandinaafsen oorsprong, toegepast op riffen in Skandinaafse wateren, maar daarnaast toch evenzeer op ondiepten bij onze Waddeneilanden. Zo leest men b.v. in Die Caerte van der zee: om Oost ende West te zeylen 5: ‘Tusschen Schiermonike oghe ende Amelant leyt een rif’ (ao. 1541). En in De Kaert vander zee van Jan Seuerszoon 6 wordt

[p. 132]

rif gebezigd in toepassing op het Bornrif (ao. 1532), vgl. nog a.w. 53: ‘Dat Rif dat strecket van Yutlande oft westwaert in die zee’.

Het woord was bij onze zeevaarders ook reeds in de middeleeuwen bekend en kan dus reeds mnl. worden genoemd. In de Bronnen tot de gesch. van den Oostzeehandel (R.G.P. 35) 641 leest men: ‘Pier Aerntsoen van Swartewale verloes een groten buysse, goet ende vracht op 't riff’ (ao. 1447) en a.w. 473: ‘int upgaent van den Reve’ (ao. 1443).

In het Nederduits is dit oorspronkelijk Skandinaafse woord, waarvoor het Nederlandse equivalent rib is (zie WNT XIII, 10), natuurlijk ouder dan bij ons. Kluge geeft in zijn Seemannssprache 663 reeds een bewijsplaats van 1292 uit het Hamb. Schiffrecht.

 

Schout-bij-nacht. Deze eigenaardige, van ouds uitsluitend in onze taal gebruikelijke titel voor de derde admiraalsrang3) komt volgens Franck-v. Wijk ‘al bij Winschooten (1681)’ voor, terwijl Van Haeringen in zijn Suppl. het woord nog een halve eeuw eerder signaleert: ‘als zeeterm (reeds 1634)’. Deze laatste datering zal wel berusten op het eerste citaat in het WNT XIV, 947, waar de term voorkomt in het gedicht van Herckmans Der Zeevaert Lof 222 (ao. 1634). Maar een kolom verder (948) in het Woordenboek staat een plaats die nog elf jaar ouder is; daar treft men het woord aan gebezigd ‘bij overdracht, in toepassing op het schip waarover een Schout-bij-nacht gezag voert’ in het verzamelwerk van reizen, getiteld Begin ende Voortgangh van de Vereenighde Nederlantsche Geoctroyeerde Oost-Indische Compagnie 19, 2b (ao. 1623). Doch ook hier

[p. 133]

heeft men nog niet met de oudste bewijsplaats van de zeeterm te doen.

Daartoe sla men het werk van De Jonge, Gesch. van het Ndl. Zeewezen2 1, 296 op, waar men het volgende leest: ‘De eerste maal dat deze nieuwe benaming in echte bescheiden voorkomt, is in eene Instructie of Berigtschrift van den jare 1603 voor de Commissarissen in het Vlie en de Sont, die belast werden met het opzigt over de koopvaardijschepen, gaande naar en keerende uit Noorwegen en de Oostzee; uit welke bijzonderheid schijnt te moeten opgemaakt worden, dat de titel van Schout-bij-nacht het eerst bij den handel en de zeevaart is in gebruik gekomen en vandaar, tot het zeewezen is overgebragt. Deze benaming wordt het eerst in het jaar 1614 bij het zeewezen gevonden’.

De door De Jonge genoemde Instructie vindt men in het Gr. Placaatb. 1, 886, waaruit hier slechts het volgende citaat worde aangehaald: ‘Of 't gebeurde datter Schepen in 't Vlye mochten komen, sonder datter Convoyers in 't Vlye waren ... sullen de selve mogen laten uytseylen, mits mede nemende onder hare protectie ende Admiraelschap alle ongemonteerde Schepen voor Zee gereet liggende, ende daer over stellende de bequaemste tot een Admirael, Vice-Admirael, ende Schout by Nacht’ (ao. 1603).

Enige bladzijden verder vindt men in het Gr. Placaatb. 1, 892 een ‘Ordonnantie ende Seyn-brief’ van Februari 1607, waaruit ik nog citeer: ‘Ende houden voor onsen Admirael -, Vice-Admirael -, Schout by nacht -’ en iets verder: ‘Daer voor syluyden sullen genieten van elck Schip thien stuyvers, daer van den Admirael de helfte, den Vice-Admirael een derde, ende den Schout by Nachte een seste ontfangen sullen.’

 

Seizing, ‘van kabelgaren gevlochten platte band’. In het WNT XIV, 1290 sedert Witsen, Scheepsb. (ao. 1671) aangewezen. Bewijsplaatsen uit de 16de eeuw vindt men in de Bijdr. en Meded. van het Hist. Gen. te Utrecht 32, 40: ‘Om 5 stucken spereeps, 4 stucken seysincx, een tros, 3 lopende trossen, een breeltros, een vijfftou vislinen, met 3 trensen in de kaebels te leggen, wegende 1190 pont. ... 120-10-0’ (ao. 1592) alsmede in a.w. 32, 25: ‘Betaelt Trijn Claes

[p. 134]

voer een reep, wegende 400 pont, noch een seysing-tou ende een brailtou, wegende tsamen 138 pont enz. ... facit 92-11-8’ (ao. 1575).

Kluge vermeldt seising in het Duits sedert 1702 (Seemannssprache 725).

 

Stag, het bekende scheepstouw dat dient om het achteroverneigen van een mast of steng te beletten (WNT XV, 476), is volgens Franck-v. Wijk ‘nog niet bij Kil., wel bij Winschooten, Seeman, 1681’ aangetroffen. Van Haeringen in zijn Suppl. signaleert het woord nog een tiental jaren vroeger: ‘Ook al bij Witsen, Scheepsb., 1671’. In het WNT XV, 478 is de term in de verbinding over stag (staag) in Visscher, Sinnep., dus ± 1600 aangewezen. Dat deze oude scheepsterm bij ons ook in de 16de eeuw werd gebezigd, blijkt uit de volgende twee bewijsplaatsen. In het Oecon. Hist. Jaarb. 3, 200 leest men: ‘Om een groete stach, wegende 6 steen, de steen 44 gr., en nog een tros, wegende 8 steen, als voren 30-6-0’ (ao. 1579). De tweede aanhaling is uit J.H. de Stoppelaar, Inventaris van het oud archief der stad Middelburg onder no. 2659: ‘Ende hebben zulcx mette staghe van den schepe de voirnoemde Luegenbrugghe metter vaert opengestooten’ (ao. 1575).

In het Mnd. komt dit oudgermaanse zeemanswoord (on. stag, ags. staeg) reeds in de 15de eeuw voor (Kluge, Seemannssprache 742).

 

Leiden

R. van der Meulen