[p. 285]

Lexicologische kanttekeningen (II)

Appe(e)l. WNT Suppl. i.v. Appèl citeert sub bet. 1, b) Everaert 72 [1511]:

 
Moet jc hu laten zonder eenich appeel
 
Myn vruecht gheheel zal my ontduucken.

Legt men daarnaast Jan van den Dale Wre van der Doot 978 (uitg. Gilb. Degroote bl. 111) [ca 1516]:

 
Als een cleet ongheacht / dat de motten cnaghen
 
Moet ick sonder appel / haest met der spoet sijn

en vooral Antw. Sp. Rrr ij [1561]:

 
Coemt by de bruyt sonder appeel,

dan rijst de vraag, of we wel moeten blijven vasthouden aan de betekenis ‘hoger beroep’ en of we hier niet veeleer te doen hebben met de daaruit afgeleide van ‘uitstel’, zodat sonder appe(e)l zoveel gaat betekenen als ‘onverwijld’.

 

Appeert. Zie beneden bij Loerdelic.

 

Back. Onder Bak (III) in de bet. ‘waterdier of ook een monster’ rangschikt WNT de zegswijze van den bak gebeten zijn in de zin van ‘alles kwijt zijn’. Als bewijsmateriaal dient een aanhaling uit Antw. Liedb. 63 [vóór 1544]:

 
Wat heb ic met u altijts versleten,
 
Ic en spaerde gelt noch goet,
 
Nu ben (ic) vanden back ghebeten, enz.(!)

Had men dat ‘enz.’ er maar bij gegeven, althans goed gelezen, dan zou men het waterdier of monster met vrede hebben gelaten. Want hier is sprake van een minnaar, die door zijn geliefde ten gunste van een nieuwe amant wordt weggejaagd, zodra hij geldeloos is geworden.

[p. 286]

In hetzelfde verband ontmoeten we deze zegswijze ook bij Jan van Stijevoort (uitg. Lyna en Van Eeghem 1, bl. 22) [vóór 1524]:

 
Al ist nu altemael vergheten
 
ons houeren ons drincken ons eten
 
Ons scossen ons brossen
 
Al hebdi mij inden sythoren gesmeten
 
al ben ic nu vanden back gebeten
 
als mager ossen
 
Mijn rode vossen
 
plaghen wel bequaem te syne enz.

en in Colijn van Rijssele's Spiegel der Minnen 4359 (uig. M.W. Immink bl. 154) [begin 16e eeuw]:

 
Onwaerde ende spijt was doverhoot /
 
Dat sy my vander dueren ontvloot:
 
Soo die honden vanden backe ghebeten zijn.

Van de bak gebeten zijn (in eigenlijke zin gezegd van een dier) betekent dus: ‘van zijn plaats aan de etensbak weggebeten zijn, verdrongen zijn door een ander, weggejaagd zijn’.

 

Bekosten. Ter staving van een bet. 1): ‘iemand van voedsel voorzien’ citeert WNT i.v. Bekosten(I) Louris Jansz Minnevaer 388 (uitg. J.v. Vloten Kluchtsp. I, bl. 161, mijn Vier Excellente Kluchten bl. 52) [1583]:

 
Wy hebben se eerlyck gevoet, becost en becleet
 
Metten arbeyt en 't sweet van onse handen.

Becosten betekent hier echter ‘de kosten dragen voor’. Het citaat hoort dus niet thuis onder Bekosten (I), maar moet ondergebracht worden bij Bekosten (II) = bekostigen, d.i. de oudste, in Mnl W i.v. Becosten uitsluitend opgetekende betekenis.

 

Bestoppen. Onder dit lemma citeert WNT in de bet. 4): ‘niet laten lopen, ophouden, in beslag nemen’ Everaert 10 [1509]:

 
Jc wil naer zeden
 
in andre steden / profyt bestoppen.
[p. 287]

Vergelijkt men echter met deze plaats Den Handel der Amoureusheyt K, 5 [midden 16e eeuw]:

 
Nu ick ligghe hier ter zijen,
 
Als die 'tHerte van Echo zal bestoppen,

dan blijkt bestoppen te hebben betekend: ‘zoeken te pakken, te verkrijgen, najagen, vangen’.

 

Bestranden. Dit artikel in WNT steunt op twee plaatsen, t.w. Rott. Sp. 118 [1561]:

 
Hoe zuldy noch branden, in droefheyts banden,
 
als schaey en schanden, U komen bestranden

en ald. 125:

 
Jammer en verdriet zal hem haest bestranden,
 
En zoo aenranden, dat enz.

De toenmalige redacteuren hebben zich voor de etymologie en de betekenis van bestranden laten verblinden door het ww bestrangen. Het heeft daarmee echter niets van doen, bestranden is een afleiding van strand en betekent niet ‘benauwen’, maar ‘ten deel vallen, overkomen’ (eig. ‘aan het of zijn strand komen’), vg. verstranden = elders heengaan in Louris Jansz Minnevaer 391 [1583]:

 
Wy mogen 't langer aldus niet belanden,
 
Maer souden moeten verstranden op ander enden,

Deenvoudighe Mensch 992 (in Hs T.M.B. Haarlem, F, 7) [2e helft 16e eeuw]:

 
Ons Save conduijt
 
heeft langer geen geluijt // wij moeten verstranden,

en Geb. Joh. Bapt. 274 (in Hs T.M.B. Haarlem, E, 9) [1578]

 
Dus verlosten hij hiskia doer welcke cracht
 
tassirysche leger heel most verstranden.

Bestranden schijnt een typisch Hollands 16e-eeuws woord geweest te zijn, want ik trof het behalve in de Rotterdamse spelen uitsluitend aan bij de Haarlemse rederijker Louris Jansz en wel in Roerende van

[p. 288]

Meestal 85 (uitg. N. v.d. Laan Noordnederlandse Rederijkersspelen bl. 78) [ca. 1564?]:

 
Dus hebdij wat verwurven, dankt hem (t.w. God) grotelijk,
 
Want 't es u niet door uw eigen wijsheid komen bestranden,

Versufte Maeltijt 1046 (in Hs T.M.B. Haarlem, D, 9) [2e helft 16e eeuw]:

 
Want gelyck alst toe ginck bij Loth en Noys tyden
 
doent volck hem verblyden / in alle landen
 
en haer desen dach scielick quam op handen
 
soo salse ons mee bestranden /elck wil hem toch hoeden.

Daarnaast trof ik bestranden éénmaal aan in bedrijvende vorm met de bet. ‘bereiken’, t.w. in L. Jansz Deenvoudighe Mensch 740 (in Hs T.M.B. Haarlem, F, 7) [2e helft 16e eeuw]:

 
Dit was haer concept / dit meendense te bestranden
 
Om ons soo met / scanden // te doen ruymen onsen baen.

Beteest. Zonder één bewijsplaats concludeert WNT i.v. Beteezen uit twee 17e-eeuwse plaatsen met het bnw beteest tot een ww *beteezen. Bovendien wordt daarvoor ten onrechte een betekenis ‘plagen, kwellen’ geconstrueerd. WNT volgt hier de averechtse methode. In plaats van de citaten te laten spreken en uitsluitend hun betekenissen normatief te stellen, wordt er van teezen (‘plukken, uitpluizen (bijv. van wol), daarna ook plagen, kwellen’) een afleiding *beteezen aangenomen in dezelfde betekenis en die geconstrueerde betekenis wordt vervolgens opgelegd aan de twee vindplaatsen met beteest. Daarbij wordt bovendien nog het mnl beteest = ‘verstrikt’ genegeerd (vg. Mnl W i.v. Beteest met één bewijsplaats, t.w. uit de gedichten van Willem van Hildegaersberch (244, 28) als variant van bedeest). Welnu, zowel bij Revius Over-Yss. Sang. 162 [1630]:

 
Haman, die beteest daer binnen staet te prijcken

als bij Van der Veen Raets. enz. 151 [1653]:

 
(Zij) seyden schampelijk hoe was de Weirt beteest
[p. 289]

(toen door rovers alles in zijn huis was gestolen) is beteest = onthutst, ontsteld, zoals ook in Hs T.M.B. Haarlem, C, fol. 18 [16e eeuw]:

 
Ick en sal niet beteest staen.

Dit beteest hangt samen met tees, ties (vg. in de tees, ties, in de war), en tezen in de bet. ‘in de war brengen, verstoren’, beide uitsluitend Hollands-Fries (vg. Mnl W i.v. Tesen, bet. I, 1, met een plaats uit W. van Hildegaersberch en WNT i.v. Teezen, bet. 5, met een plaats uit Hooft). Opmerking verdient nog, dat de betekenis van beteest ongeveer dezelfde is als van bedeesd in oudere opvatting.

 

Bevrijding. Onder dit lemma construeert WNT een bet. 1): ‘bescherming’, op grond van twee plaatsen, die geen van beide daarvoor steun kunnen bieden. Op de eerste, t.w. Gentse Sp. 197 [1539]:

 
Steruelick mensche... Legt af alvoren swerelts bevrydinghe,
 
Ick brenghe u boodtscap... Tot v vermydinghe

is bevrydinghe = behagen, vreugde, genoegen, zaligheid, vg. Antw. Sp. Ll 1v [1561]:

 
Al mijn ghelt en goet sal v sijn bekent
 
In gout / in siluer hebbende bevrydinghe

d.i. behagen, vreugde scheppende, vg. even verder: ‘In bagghen / in ringhen / al v verblijen soet’. Op de tweede plaats, Ps. 32, 7 [1637]:

 
Gy behoedt my voor benauwtheyt;
 
Gy omringht my met vrolicke gesangen van bevrijdinge

heeft bevrijdinge de moderne betekenis van ‘bevrijding’.

 

Borghe. In de Aanm. achter Borg(III), bet. 2) citeert WNT Castelein Pyr. 42 [ca 1530]:

 
Tis al tfy borghe, tfy principael waen,
 
Nauwe ghelooft en zijn wy twee blancken

Aan het woord borghe in deze ‘vrij duistere plaats’ is WNT ge-

[p. 290]

neigd de bet. ‘krediet’ toe te kennen. Waarschijnlijk als gevolg van onbekendheid met de betekenis van principael is de plaats ‘vrij duister’ geworden en heeft men helaas een verkeerde greep gedaan. Borghe duidt hier een persoon aan (het citaat hoort dus thuis onder Borg (I)), zo goed als principael. Borg en principaal vormen in zoverre een tegenstelling, dat de laatste de eerstaansprakelijke schuldenaar is (zie WNT i.v. Principaal (II), bet. C, 4) en de borg eerst in absentie van deze kon worden aangesproken, maar in casu fungeren ze - het zijn sinnekens! - als dief en diefjesmaat. De aangehaalde regels betekenen: ‘'t Is al (d.i. je krijgt overal te horen): “Weg (maak dat je wegkomt) borg! weg schuldenaar! waarachtig; we hebben nauwelijks voor twee blanken krediet (we worden nauwelijks voor twee blanken goed, kredietwaardig geacht)”’.

 

Dolatie. WNT kent slechts één betekenis: ‘lijden, ellende’ en daarvoor beroept het zich o.a. op Everaert 156 [1523]:

 
B. Hoe wort verdreuen / de dolacie quaet
 
Die nv vp staet?
 
V. Reyn vrauwelic zaet
 
Hu dies verlaet. / Der Clergyen raet
 
Sal hu hopic dies bewachten.

Let men op wat er volgt:

 
M. By hu zyn noch / gheleerde mannen jaet
 
Die met wysser daet / voor sulc bescaet
 
Hu sullen bescermen / met alder crachten.
 
V. Al hoort ghy clachten / der kettereghe drachten
 
By daghen en nachten / en wiltse niet achten,

dan is het duidelijk, dat dolacie hier ‘dwaling, ketterij’ betekent, zoals bijv. ook in Rott. Sp. C, vv [1561]:

 
Ick (Svyants temtatie)
 
maeck hem desperaet (door myn dolatie)

Verg. ook ald. M, ij:

 
Synen name is goede informatie /
 
De syn in dolatie // onderwijst hy minlijck.
[p. 291]

Dolatie mag niet alleen worden begrepen als afleiding van doleren, maar ook van dolen.

 

Exploiteren. Onder dit lemma heeft WNT twee werkwoorden verenigd, die historisch niets met elkaar te maken hebben, t.w. sub bet. A, 3 en B het oude (reeds 16e eeuwse) exploteren (ook gespeld exploiteren, exploicteren) een afleiding van exploot, en sub bet. A, 1 en 2 het moderne, in de tweede helft van de vorige eeuw aan het Franse exploiter ontleende exploiteren. Betekent het laatste ‘uitbuiten’, het eerste had oorspronkelijk de algemene bet. van ‘ten uitvoer brengen, uitvoeren’ (van een bevel), zoals nog bijv. in Den Handel der Amoureusheyt F, f 2v [midden 16e eeuw]:

 
dus moet ghy Rampzalighe avontuere
 
V aldaer vinden om t'exploteren:
 
Myn bevel al eest zeer wreet en stuere.

Eerst in de 17e eeuw werd het een specifiek juridische term, als hoedanig het vermoedelijk nog altijd in koers is.

 

Geleerd. Het derde artikel in WNT laat er geen twijfel aan bestaan, dat dit woord (een afleiding van leer, dus zoveel als ‘van leder voorzien, met leder toegerust’) opzettelijk door Roemer Visscher (in wiens Quicken het éénmaal is aangetroffen) zou zijn gesmeed. Deze opvatting wordt echter gelogenstraft door Everaert 444 [1e helft 16e eeuw]:

 
Met sulc een paer / scoens / scaers gheleirt
 
Om den minsten cost zo scieten zy duere,

waar het niet in woordspeling met geleerd = met kennis toegerust, maar volkomen onopzettelijk is gebruikt.

 

Glosen. WNT geeft i.v. Glozen sub bet. 1): ‘verklaren, uitleggen’ de min of meer staande uitdrukking Er is (staat) op (van) gegloosd, ‘de glos, de uitleg er van (er op) is (ergens) gegeven’ en beroept zich daarvoor op twee plaatsen in de Gentse Spelen van 1539, die geen

[p. 292]

van beide aan de veronderstelde uitdrukking steun kunnen bieden. De eerste (Gentse Sp. 56):

 
Daer in scriftueren yewers af gegloost staet

betekent: ‘waarvan ergens melding wordt gemaakt’. De tweede (Gentse Sp. 145):

 
Alser op gegloost is

hoort thuis onder bet. 2, a): ‘acht geven, letten op’.

 

Happeren. I.v. Haperen, bet. III: ‘stotteren, stamelen, hakkelen’ citeert WNT Rott. Sp. 246 [1561]:

 
Hoe staet dees tronghe aldus en happert?

Let wel, er staat happert en niet hapert en de bet. ‘stotteren, stamelen, hakkelen’ past ook volstrekt niet in het verband. We hebben hier dan ook niet met haperen te doen, maar met het ww happeren (= kletsen, zeuren), dat opgevat moet worden als een frequentatief van happen.

 

Hercken. Als Herken (II) introduceert WNT een werkwoord in de bet. ‘luisteren, horen’, waarvoor het zich beroept op Anna Bijns. Van de vindplaatsen i.v. Horken (I), t.w. A. Bijns 113, 128, 134, 150, 160 en 296 kunnen er slechts drie (128, 134 en 296) deze opvatting steunen. De drie andere, 113:

 
Tes goet te merckene,
 
Dat ghij moet wanckelbaer en een licht vracht zijn;
 
Hoe soudt ghij anders so gheringhe bedacht zijn
 
Naer wat nieus te herckene?

150:

 
Om dat de menschen na nieu leeringhe hercken,
 
Hierom gaet de werelt alsoo sij gaet.

en 160:

 
Maer de vleeschelijcke menschen hebt ghij doen hercken
 
Naer u vleeschelijcke leere, dat sij tot u vlien.
[p. 293]

horen thuis onder Herken (III) = ‘verlangen, hunkeren naar’. Het overvloedige materiaal van elders voor de constructie met nae(r) (in WNT uitsluitend bekend uit Mr. Kackadoris 2) vindt men in mijn Rhet. Glossarium.

 

Hondsbruiloft. I.v. Hond (I) Samenstt. vermeldt WNT het woord hondsbruiloft als door de R.K. kerk niet erkend huwelijk, waarvoor het zich beroept op Hist. v. Corn. Adr. I, 255. In Den Handel der Amoureusheyt E, e 2v [midden 16e eeuw]:

 
Wat houwen sy een Honts-bruyloft dan zonder pijpen?

heeft het echter betrekking op geheime geslachtsgemeenschap zonder meer (i.c. van Hero en Leander).

 

Clinckwerck. I.v. Klinkwerk (II) citeert WNT Hist. v.d. Jongen Jacke 37 [ca. 1525]: ‘Dan na den bailiou te loopen sonder falen En mijn clachten daer te doene swaer en sterck Ick en twijfel niet ten sal zijn al clinckwerck’, waar bij clinkwerck wordt gedacht aan ‘het klinken in de boeien’ ofwel (met toespeling op klinken = slaan) ‘geeseling’. Het woord komt intussen ook voor in het Spel van smenschen gheest 551 (uitg. in Versl. Vl. Acad. 1953, bl. 635 [ca. 1560?]:

 
Sonder den tooch compere / twas al clinck // werck
 
elck hadder af ghehoort van hier doer ingelant

waar clinckwerck kennelijk betekent ‘geslaagde onderneming, succes’. We moeten het eerste lid dan opvatten als de stam van het werkwoord clincken = gelukken, zoals in Trudo 1038 (uitg. G. Kalff Trou Moet Blycken bl. 123) [ca. 1550]:

 
B. T'en sal, sag, nyet clincken.
 
L. Hoe! myns werx voortsetten?
 
B. Neent nyet, niet twee vincken.

Wellicht mogen we dan ook besluiten tot het bestaan van een zegswijze het is al clinckwerck = de zaak is beklonken, het is een succes.

 

Letsen, letsich. Deze twee woorden, resp. aangetroffen in Den Handel der Amoureusheyt K, 8b [midden 16e eeuw]:

[p. 294]
 
Och ick en weet niet hoe ick't volherden zal,
 
Want Herte en mochte my alzoo gheletst zijn,
 
Noch zoo moordadelijck ghequetst zijn

en Everaert 356 [1531]:

 
Pieter duer der vreesen / jnzyncken letsich
 
Was Christum alleene / jnden noot laetende

wil WNT i.v. Letten, Aanm. beschouwen als ‘onjuiste vormen’ (resp. van letten en lettig?). Deze opvatting wordt onhoudbaar, wanneer we in letsen en letsich (en letselic) het grondwoord lets = strik herkennen. Dan immers wordt letsen in de aangehaalde plaats uit de Hand. d. Amour. = vangen, verstrikken, letsich bij Everaert 356 = verstrikkend en letselic bij Everaert 354 [1531]:

 
Ghy sult simpel als de duue / ende wys zyn
 
Als serpenten vliende banden letselic zaen

en Antw. Sp. a, ij [1561]:

 
Wij zijn desolaet te deser contreye /
 
Claghende deen dander ons letselic grief

= hinderlijk of pijnlijk.

 

Loerdelic. Onder Loer (I), Afl. citeert WNT Everaert 238 [1526]:

 
Deen es appeert / dander loerdelic tjeghen
 
Deene es bedect ende dander ongheveynst ghaet,

waar loerdelic zou betekenen ‘vals, bedrieglijk’ en dan een afleiding zou kunnen zijn van loerd, door Kiliaen vermeld naast loer. In werkelijkheid is loerdelic identiek aan het mnl. loerdelic = onhandig, lomp (in Mnl W alleen in adverbiale vorm genoteerd, zie ald. i.v. Loerdelike), een afleiding van loer(d), het Franse leenwoord, in eigenlijke bet. (= zwaar) o.a. bekend uit Van der Meulen Ketiuigheyt 96 (in WNT i.v. Loer (IV) en uit De Dene Fab. 41 (in WNT XII, 2744), in figuurlijke bet. (= lomp) bekend uit De Dene Langhen Adieu

[p. 295]

244 (uitg. d. Gilb. Degroote in Den Gulden Passer 25 (1947) bl. 333 e.v.) [ca. 1560]:

 
Dan esser noch een boucxken huut reverentien
 
Voor de buckvysteghen ende zom ruud plomp loer

De onjuiste opvatting van loerdelic in WNT heeft die van appeert meegesleept. Want dit laatste bnw betekent niet, zoals WNT, Suppl. i.v. Apert, bet. I, 2, a wil: ‘openhartig’, maar ‘bekwaam, flink, bij de hand’, zoals blijkt uit De Castelein Const v. Rhetor. 9 en 248 en uit Marcus van Vaernewijck Beroerl. Tijd. 3, 252 (aangehaald in WNT, Suppl. tap., bet. I, 2, b).

 

Loghe(n)pese. I.v. Pees (I), Samenst. citeert WNT Leuvense Bijdragen 4, 346 [begin 16e eeuw]:

 
Die veerthienste (soort dronkaards) wil met vrouwen wesen:
 
Dan schiedt hy metter loghenpesen,

waarin de zegswijze met de leugenpees schieten = liegen wordt herkend. Legt men echter naast dit citaat Jan van Stijevoort 1, 15 [vóór 1524]:

 
Hy scoot achternae mit die loeghepeese
 
Dat speet haer meer dan eenich dinck
 
Sciet ghi mitter loghepeesen naden rinck
 
Sprac tvrouken snoy vuyl kalant
 
Van alle scutters die ic oyt vinck
 
En quammer noyt gheen aen mynen cant

waar met de loghe(n)pese schieten obsceen bedoeld is, dan vraagt men zich af, of dit ook niet het geval zal zijn met de aanhaling uit de Leuvense Bijdragen. Loghe(n)pese is dan geen ‘leugenpees’, maar = membrum virile, een samenstelling van loghe = urine, vg. Kiliaen Looghe, kamerlooge. j. pisse. Lotium, vrina (in WNT i.v. Loog (I)) en pees.

 

Nistich. Zowel Mnl W i.v. Nestich als WNT i.v. Nestig schijnen vast te willen houden aan het verband of liever aan de identiteit van

[p. 296]

nistich en nestig (als afleiding van nest). WNT is daartoe verleid door Verdams foutieve opvatting van nistich op de enige tot dan toe bekende plaats, t.w. het spel van de Vijf Vroede ende van de Vijf Dwaeze Maegden 127 (uitg. Leendertz Mnl. Dram. Poëzie bl. 393 [ca. 1500], waar Hoverdie zegt:

 
Ic ben altoos gheerne een ter tafelen;
 
Als men wilt, ic ben bereet saen,
 
Ja maer, dat (= indien) mijn pareersel zonder waen
 
Al nistich staet zonder letsel, ziet,
 
Want ic en zoude ghelijden niet,
 
Dat ic boven al niet ghepresen en waer
 
In cierheden ende in behaghelicheit claer

Mnl W vertaalt nistich hier met ‘slordig’, wat WNT heeft overgenomen, ofschoon Leendertz zes jaar tevoren Verdams verklaring reeds als onhoudbaar had afgewezen (tap. bl. 592, aant. op r. 126). Volmaakt correct is ook Leendertz' vertaling: ‘Zie eens toe, dat al mijne sieraden zeker keurig staan, zonder dat er iets aan mankeert’ nog niet. Men versta: ‘Ja maar (alleen) indien al mijn sieraden enz.’ Intussen, waar het hier om gaat, is dat nistich = keurig, welverzorgd. In die (althans een verwante) betekenis treffen we het trouwens ook aan in Robert Lawet's spel van het Taruwe Graen ende tCrocke Saet 924 (in Hs K.B. Brussel II, 154) [1581], waar Crockezaet het Taruwegraen aanspreekt met

 
Wel wat mendy maken // au ghy broerken nistich

wat ironisch bedoeld is en zoveel moet betekenen als ‘mooi mannetje’.

 

Ondadich. Zowel Mnl W i.v. Ondadich (2e art.) als WNT i.v. Ondadig, Aanm. zien in de bet. ‘werkeloos’ een germanisme. Verdam is zo gefascineerd door de redenering van WNT, dat het aantreffen van ondadich in de Delftse Bijbel van 1477(!) op Richt. 7 : 3: ‘Die ondadich ende vervaert is, hi keer weder’, hem niet tot inkeer heeft kunnen brengen. Het mnl., althans 16e-eeuwse ondadich zou een ander woord zijn, ‘bloode’ betekenen (dit op grond van de éne vindplaats in de Delftse bijbel!) en het gebruik in later tijden in de zin

[p. 297]

van ‘ledig, lui, werkeloos’ niet rechtvaardigen. - Welnu, het is geenszins mijn bedoeling de Duitse oorsprong van het gebruik van ondadig = werkeloos bij 19e-eeuwse dichters en schrijvers botweg te ontkennen, integendeel. Ik wil alleen ten eerste protesteren tegen de ondeugdelijke redenering en ten tweede de feiten laten getuigen. ‘Terwijl unthätig in 't Hoogd.’, zegt WNT, ‘onberispelijk is gevormd uit thätig, werkzaam, met het voorv. un, is het woord in dien zin met ons taaleigen in strijd, daar een bnw. dadig in den zin van werkzaam bij ons niet bestaat’. Dadig = werkzaam komt in onze taal echter wel degelijk voor, vg. OVL. Lied. en Ged. 33, 116 e.v. [ca. 1350]:

 
Cracht ghef ons hem te zine versmadich,
 
rechtvarich ende in duechden dadich,

Jan de Bruyne 3, 185 [1559]:

 
Niet dat hier een blau doot geloove geldt // iet...,
 
maer een levendich, soot den geest ongequelt // hiet,
 
dat dadich gestelt, // biet
 
dwerck der liefden getroulyck wt meten
 
de gaven Godts, die reyn & ongespleten,
 
Godts eere in des naesten profyt soecken,

Lawet's Judich 376 [1577]:

 
Om eere ende prysen // te behalene ghestadich
 
Voorzienich ende dadich,

Verl. Z. I, 1278 [1583]:

 
(De Verloren Zoon) es gaen trecken / naer den raet onbedachtich
 
Van Zinnelick Ingheven / en Quaden Wille versmadich,
 
Die hem zochten te verleeden ter onduecht dadich,

Taruwegraen 1114 [1581]:

 
Dat zallick zeer dadich
 
want daertoe beradich // zo zyn alle myne zinnen,

en 1586:

 
Dat eedel duechdelicke tarwegraen beseuen ...
 
metter croone des leuens / eerelicken ghecroont // zij
 
als eenen victoorieusen verwindere zeer dadich
 
wyselicken beradich
[p. 298]

Constructies als dadich zijn niet in strijd met ons taaleigen. In de combinatie -ich + sijn etc., treft men naast verbaalstammen (praesentia èn imperfecta) ook nominale stammen aan. Ten overvloede bezitten we echter inderdaad twee oude plaatsen met ondadich, die in die tijd (15e-16e eeuw) wel niet als germanismen verklaard mogen worden. Behalve de Delftse Bijbel op Richt. 7 : 3 is dat Haagsp. (achter de Antw. Sp.)k, iij [1561]:

 
Die oudt is / dien is een yegelijck versmadich
 
Want zeer ondadich // men den Ouderdom acht.

Nu wij het toch over ondadich hebben, is het misschien wel nuttig meteen te wijzen op een ongerechtigheid in Verdam's eerste artikel. Daar wordt o.a. geciteerd Mor. (?) 228:

 
Sint ic Perchevallen verloos...
 
Heeft hi mi menegen ondegen man
 
Te minen hove gesint gevaen
 
dor ondaet, diese hadden gedaen

Ondeech is hier niet ondadich of ondedich, maar ondeeg, een afleiding van deeg = degelijk (WNT i.v. Deeg (III), vg. Lawet Judich 398:

 
Gheen steghere nochte gheen ondeghere.

Ornaet. Onder de bet. 1): ‘het plechtgewaad des priesters’ citeert WNT Everaert 162 [1523]:

 
Wellecomme nacie / huut den Hollandsche bevanc
 
Gheleerde Clergye / ghestileirt ornaet.

Ghestileirt ornaet is hier een vererend praedicaat door Brugghe aan Clergye toegekend en niet het ‘plechtgewaad des priesters’. Verblind door de moderne betekenis van ornaat (sinds Tollens) heeft WNT geen oog gehad voor de typisch-16e-eeuwse van ‘sieraad’, die wij verder nog aantreffen bij dezelfde Everaert 299 [1529]:

 
(Jonstich Begheerren tot Rethoryckelicke Verjolysynghe, een
 
vrouwspersoon)
 
 
 
Och edele greyne zoet
 
Ghestileirde ornate / ter eloquencie
 
Maria ter weerdicheyt / jn elcx presencie ...
[p. 299]
 
Wilt doch Maria dit es de bede myn
 
Byden throon van Salomon / hier ghelycken
 
Met fygueren / scriftueren ende rethorycken,

indien hier ornate (maar dat is ook in het eerste citaat niet uitgesloten) geen bnw is, zoals bij De Castelein Const van Rhetor. 11 [1548]: ‘Thimaeus ornate sententien’, waarnaast als bijwoord bij dezelfde auteur ornatelic (Const van Rheor. 15):

 
Die de redenen vudtten steerck ende matelic,
 
Verchierende haer worden, elegant ornatelic.

De opvatting van ornaet, ornate als bnw kan misschien ook steun vinden in het voorkomen van ornatie als znw in de bet.‘versiering’ (als stijlmiddel of litterair genre?) in Const van Rhetor. 19: ‘Argumenten, Egressien, Teeckenen, Partitien, Ornatien, Exemplen’.

 

Pleyen. Op grond van Everaert 113 [1513]:

 
Adieu heer weert goeden nacht.
 
Jc ghae my jn myn bedde strecken.
 
Of jc my versliepe / wilt my doch wecken.
 
Moorghen willic pleyen den wilde graspat,

(waar een koopman spreekt, die de volgende dag verder wil reizen) construeert WNT een artikel Pleien (II) met de bet.: ‘met de spade eene vore in het land maken, het afspitten’. Het is duidelijk, dat dit een vergissing is. Een koopman moet reizen en niet spitten. Het gehele artikel Pleien (II) dient dan ook te vervallen; het citaat hoort thuis onder Pleien (III): ‘moeizaam begaan, zich met moeite voortbewegen over’ (het ‘wilde graspat’ is geen moderne betonweg).

 

Playsant. Omdat WNT i.v. Pleizant onwrikbaar heeft willen vasthouden aan een betekenis ‘behaaglijk, aangenaam’, worden sub A, a) en sub B) bewijsplaatsen aangevoerd, waarvan verscheidene bij aandachtige lectuur alleen maar bewijzen, dat ze hier niet thuishoren. Bijv. Gentse Ref. 46 [1539]:

 
O heere hoe wonderlick es om vermonden
 
Vwen name, want ghy den mensche playzant
 
Met gloryen ghecroont hebt te dezen stonden,
[p. 300]

Gentse Sp. 68 [1539]:

 
U jolijt zijt
 
Op God stellende, so Paulus playsant, dede.

Van Mander Gulden Harpe 244 [1595]:

 
De Staten Regieren seer playsant, jae want
 
De Conscienty laten Sy in des Heeren hant.

Hier past kwalijk een bet. ‘behaaglijk, aangenaam’, maar veeleer ‘verstandig, wijs’. Dat het overigens niet al te vermetel is aan een dergelijke betekenis te denken, bewijzen enkele plaatsen met onplaysant, waar we met ‘onbehaaglijk, onaangenaam’ beslist niet uitkomen, maar gedwongen worden tot een bet.: ‘ruw, onbehouwen, dom, dwaas’. Het zijn Antw. Sp. p, ijv [1561]:

 
Opdat v weldaet in Syon mach openbaren /
 
En niet beswaren // als Tyro seer onplaisant

en Haagsp. h, iiij [1561]:

 
C. Hier zijn om leeren // ghy heeren triumphant /
 
R. Dry simpel Heybloemkens. S. Van Consten onplaisant /
 
Ontsteken metten brandt // der vierigher minnen.

Wellicht hoort hierbij ook de aanhaling uit Ts 16, 57 in WNT i.v. Pleizant, Afl. [1570]: ‘Eenen berch, ... horende onder een onpleijsanten meyer’.

 

Principael. Onder Principaal (I), bet. A, 2) citeert WNT uit de Nieuwen Jeucht-Spieghel 52b [ca. 1620]:

 
V lippekens rooder als Corael.
 
V soete spraeck is principael,

waarin aan principael de bet.: ‘vorstelijk’ wordt toegekend. Legt men daarnaast Everaert 148 [1523]:

 
N. Vrauwen herte / es lyberael.
 
Se gheuen bet dan de mans.
 
N. Dats tprincipael
[p. 301]

en Trudo 1529 [ca. 1550]:

 
Tes zeer lustich wandelen onder smeys rosieren,
 
Dus willick hier voor by met goeder manieren,
 
Dits principale,

dan kan het niet anders, of principael betekent hier ‘de zaak, waar het om gaat, datgene wat vóór of boven alles gaat’ en ik meen, dat die bet. ook in de aanhaling uit de Nieuwen Jeucht-Spiegel van toepassing is.

 

Rame. WNT geeft van dit woord als bet. 1): ‘staak’. Als zodanig komt het alleen voor in des crucen rame, dat vergeleken of liever gelijkgesteld wordt met mnl des crucen stake. Ik geloof, dat dit op een vergissing berust. In des crucen rame (o.a. ook in Lawet's Taruwegraen 628, 1354) is rame = Raam (I), bet. 1): ‘houten gestel tot het spannen van gevolde lakens’. Aan het ‘raam van het kruis’ wordt Christus gespannen, waarbij hij wel twee voet wordt uitgerekt (zegt Indica Mihi). Deze voorstelling is een der vele, maar ik zou toch geloven, dat ze tot de meest verbreide behoort. Naast die van de gespannen snaar en de gespannen boog houdt ze verband, of liever is ze ontstaan uit de gangbare laatmiddeleeuwse opvatting, als zouden de spijkergaten niet op de juiste plaats zijn aangebracht, zodat armen en benen moesten worden uitgerekt (vg. o.a. Ant. De Roovere in Hs F, fol. 75r [3e kw. 15e eeuw]:

 
Ghy waert die talder bitterste smaken smaecte
 
want v licham zeerder dan laken laecte
 
als men ande cruuce recte uwe leden
 
teder ende cranck

Indien het artikel Rame moet vervallen, kan Ramen (III) dit lot delen; we hebben hier immers slechts een bijzondere toepassing van Ramen (II).

 

Roseren. I.v. Roseeren, bet. I) vindt men in WNT een aantal 16e-eeuwse plaatsen verenigd onder de bet.: ‘zich met rozen versieren, bekransen’. De redacteur heeft zich hiermee gewonnen gegeven aan

[p. 302]

Kiliaen (Rosseren. Rosis et sertis redimiri), die in dit geval blijkbaar leukweg het ww roseren van roos heeft afgeleid en er bovendien nog uit pure ‘Lust zum Fabulieren’ er de versiering of bekransing in heeft gelegd. Nauwkeurige lezing van alle vindplaatsen in hun verband - en van de overige niet in WNT vermelde plaatsen (Stijevoort 1, 112; 2, 92, Doesborch 85, Hand. d. Amour. A, a, 5, TMB, Hs C, fol. 71, 73) - laat ons zien, dat roseren, rosieren moet betekenen: ‘zich vermaken, inz. in de liefde’. Hoe nu dit woord te verklaren? Rosierich, roseerlic, rosierlic trof ik alleen aan als epitheta ornantia, zodat die ter vergelijking weinig opleveren. Voorts moet ons werkwoord roseren, rosieren wèl onderscheiden worden van het gelijkluidende roseren (< fr. rosser, zie Littré i.v.), een toernooi-, althans strijd- of oorlogsterm, aangetroffen in Den Handel der Amoureusheyt T, 3 [midden 16e eeuw]:

 
Wat doet meer Ridderlijcke feyten hanteren, //
 
Tornieren, roseren? dan Vrouwen minne.

Ons roseren, rosieren = ‘zich vermaken, inz. in de liefde’ zal, geloof ik, een afleiding zijn van rosier = rozengaard (Mnl W i.v.). De vorm roseren is dan hypercorrect, althans secundair en de oorspronkelijke betekenis van rosieren zal, indien mijn afleiding juist is, geweest zijn: ‘wandelen in de rozengaard, de rozentuin’ (een speciale liefhebberij van minnende paren).

 

Schoren. Onder Schoren (I), bet. A, 2 citeert WNT Everaert 538 [1538?]:

 
Ghy sult hem (een kan most) tusschen de veynster ende
 
post scooren,

waarin aan scooren de bet.: ‘vastzetten’ wordt toegekend. Nu is het volkomen duister, waarom hier ‘een kan most’ tussen venster en post moet worden ‘vastgezet’. De zaak is dan ook, dat met hem niet een kan most, maar de echtgenoot bedoeld is. De ‘kan most’ stamt uit r. 199, die blijkbaar niet begrepen is. Het ‘wyf’ zegt daar:

 
Van uwen raet en coric niet / een kanne most vooren,
[p. 303]

d.w.z. ik zou Uw (goede) raad zelfs niet voor een kan most willen ruilen, Uw raad is mij meer waard dan een kan most. Daarop vervolgt ‘Nichte’ met:

 
Ghy sult hem / tusschen de veynstre ende post scooren.
 
Alshy hu smyt / ende comt met zynder tonghe synghen
 
Dan sult ghy licht / met eenen spronghe sprynghen
 
Ende hem ter stont tusschen veynster ende post sluut.

Smikse. Misleid door het woord boef (er staat in de tekst hoef) besluit WNT i.v. Smikse (I) uit Antw. Sp. Aaa iiijv [1561]:

 
Buyten der stadt moecht ghy wel luysen en vloyen
 
En met u goute lancx den breederick schoyen
 
Smicse, boef (lees hoef), loerman enz

tot het bestaan van een bargoens woord smikse ‘dat een persoon van gering allooi noemt’. Smikse betekent hier echter ‘boter’ (zoals hoef = brood en loerman = kaas), zodat het artikel Smikse (I) dient te vervallen en het citaat ondergebracht moet worden bij een artikel Smikse, smiksem i.p.v. Smikse (II).

 

Sommen. Onder Sommen (I), bet. 4) citeert WNT Everaert 45 [1512]:

 
Jc zal ghaen peynsen / jnt hooft te nacht nauwe.
 
Thuwen proffyte sallic / een goet vers sommen,

waarin aan sommen de bet.: ‘samenstellen, ineenzetten’ wordt toegekend. De ware betekenis is echter ‘bedenken, concipiëren’, vg. ald. 44:

 
G. Een ander raet hebbic ghesomt schier.
 
W. Gheuare wat rade?
 
G. Ons prochghyepape comt hier,
 
Jc salhem ghaen verhalen hu saken net.

Speelwijs. I.v. Spel, Samenst. afl. en samenst. verenigt WNT onder speelwijs drie vindplaatsen, waarvan alleen in de laatste (‘Het beeldt..., Waar in mijn zinlijckheyt zoo speelwijs haer vermeyden’,

[p. 304]

Bredero 2, 303) speelwijs ‘speels’ betekent, terwijl het woord in de twee andere, t.w. Gentse Sp. 422 [1539]:

 
So wie dit speelwijs...
 
Schriftuerlicst, figuerlicst can bewijsen

en Rott. Sp. 260 [1561]:

 
Men zal u speelwijs verklaren Hoe de Joden enz.,

iets heel anders is, namelijk ‘in de vorm van een spel, in dramatische vorm’. Evenals speelsgewijs behoort dus ook speelwijs onder twee verschillende rubrieken te worden gebracht.

 

Strecsele. In Jan van Doesborch 142 [vóór 1528]:

 
Dat mijn vijf sinnen hem vinden int strecsele
 
Van Amoreusheyt na der natueren plege

betekent strecsele niet, zoals WNT i.v. Strekken, Afl. meent ‘streven’, maar ‘band, bedwang’ (zie C. Kruyskamp's aantekening in zijn uitg., dl. I, bl. 31).

 

Stuenen. WNT heeft i.v. Steunen (I) twee totaal verschillende werkwoorden samengevoegd. Alle aanhalingen onder de bet. B, 1) dienen uit dit artikel te worden verwijderd en overgebracht te worden naar een nieuw artikel Stuenen, stunen = verzetten, zich verzetten (tegen), mnl. stunen (zie J.H. van Lessen in Ts 66, bl. 124 en mijn opmerkingen over Verdam's art. Ongestemmicheit in Ts 71, bl. 196).

 

Tastich. WNT citeert i.v. Tasten, Afl. Gentse Sp. 298 [1539]:

 
Die vruecht des herten is des menschen leuen,
 
Tshertens schat, rijcdom, tselue dit tastich, seyt
 
Sonder begheuinghe der vasticheyt,

waarin tastich echter niet, zoals WNT meent ‘tastende, voelende’ betekent, maar ‘tastbaar, duidelijk’.

 

Verplaisanten. I.v. Pleizant, Afl. citeert WNT Van der Noot 23 [1568]:

[p. 305]
 
(een Fabrike) die niet om verplaisanten
 
Op schoon pilaren stont van fyne Diamanten,

waarin verplaisanten ‘vermaken, vervrolijken’ zou betekenen. Door onbekendheid met de rhetoricale constructie niet om ver- is deze plaats niet begrepen. Verplaisanten betekent hier ‘aangenamer maken’, dus niet om verplaisanten = die niet aangenamer gemaakt kon worden, die alles in aangenaamheid overtrof, vg. Prochiaen 157 (uitg. Van Dis Ref. Red. sp. bl. 155) [ca. 1540]:

 
Want ick hebbe mijnen personael redelijc vaste
 
En mijnen Liber sentenciarum, niet om verplaysanten,

Die Belegeringhe van Samarien 1460 (uitg. K. Ceyssens Hasseltse Historiaelsp. bl. 126) [vóór 1608]:

 
Wat sietmen menige schoon tente staen
 
al open gedaen // niet om verplaysanten

en Haagsp. i, iij [1561]:

 
Wat sal ick nu segghen vant teulen en planten?
 
Der bosschen en haghen niet om verplaisanten.

J.J. Mak