Mnl. geëeut

Enige tijd geleden werd mij de fotocopie voorgelegd van een perkamenten dubbelblad uit de bibliotheek van de Benedictijnerabdij te Beuron. De tekst bestond uit twee maal 300 regels Middelnederlandse poëzie die, naar mij weldra bleek, deel moesten hebben uitgemaakt van de z.g. tweede bewerking van Die Rose. Het dubbelblad heeft tot dezelfde codex behoord als de bladen, waarvan Verdam in 1896 de tekst heeft uitgegeven. Toen de uitgave van dit fragment aan mij werd overgelaten, besloot ik ook alle eerder gevonden fragmenten van deze tweede Rose aan een onderzoek te onderwerpen. Dat onderzoek heeft een aantal nieuwe lezingen opgeleverd, waarvan de publicatie evenwel rustig kan wachten tot de uitgave der gezamenlijke fragmenten gereed zal zijn. Er was echter één plaats bij, die afzonderlijke bespreking

[p. 60]

verdient, omdat de foutieve lezing van de eerste uitgever in het Mnl. W. van Verdam een hele lexicografische nasleep heeft gehad.

In de editie-Verwijs vindt men op blz. 246a de volgende regels (waarvan het gecursiveerde gedeelte door de uitgever op grond van de Oudfranse tekst is aangevuld):

 
Want dorpre herten sijn so gehent
 
So meer dat men hem bidt of vlent...

In het Oudfrans vindt men:

 
Vilain cuer sunt de tel fierté:
 
Cil qui plus les ont en chierté,
 
Plus les prient et mains les prisent.

In de geciteerde Middelnederlandse verzen zijn de beide rijmwoorden onbegrijpelijk. Ten behoeve van deze plaats heeft Verdam in zijn woordenboek een artikel *vlenen, opgenomen. Vlenen zou een iteratiefvorm van vleen moeten zijn, maar Verdam is zelf niet zo erg van zijn constructie overtuigd. Hij merkt op: ‘Voor vlendi (Rijmb. 32016 varr.; t. vleyde hi; and. varr. smekede hi) kan ook vleudi gelezen worden (zie vleeuwen (vleuwen). En Rose bl. 246, v: “dorpre herten sijn so gehent, so meer dat men hem bidt of vlent”, is het woord zelf wel door rijm gedekt, maar het rijmwoord zelf (gehent) is niet volkomen zeker’. I.v. gehent verklaart Verdam de eerste regel als ‘zij zijn zoo gesteld, “genatuurd”’, wat alleszins aannemelijk klinkt. Minder overtuigend is echter zijn afleiding van gehent van het werkwoord enten. Bij dat artikel wijdt hij ook weer een uitvoerige passage aan deze plaats, waarin hij de rijmwoorden eerst onverstaanbaar noemt, maar vervolgens vlent toch als vleent opvat, wat voor gehent meebrengt dat het geheent of geëent moet zijn. ‘Of is de bedoeling de figuurlijke opvatting van geënt, nl. gegrondvest?’ laat Verdam er nog twijfelend op volgen.

Het handschrift van de onverstaanbare regels is een perkamenten strookje dat De Hoop Scheffer in 1844 uit een 16de-eeuws bandje te voorschijn heeft gehaald en dat sedertdien op de U.B. te Utrecht is bewaard. De ontdekker heeft de tekst uitgegeven in de Verslagen en

[p. 61]

Berigten van de Ver. tot bev. der Oude Ned. Lett. 1, 44 vgg. Verwijs heeft voor zijn standaarduitgave van 1868 de tekst van De Hoop Scheffer blijkbaar overgeschreven zonder het handschrift opnieuw te raadplegen, en zelfs dat overschrijven heeft hij niet geheel nauwkeurig gedaan. (In de eerste regel van het fragmentje waartoe onze regels behoren heeft V. bijv. versieren, D.H.S. in overeenstemming met het hs. verfieren; in de laatste regel van fragment VII (I) heeft V. daer naer hi stoet, D.H.S. daer hi naer stoet, het hs. daer hi na stoet.) Verdams speculaties blijken dus te berusten op een nooit gecontroleerde lezing van De Hoop Scheffer. Raadplegen wij het handschrift op de plaats in kwestie, dan blijkt het tweede rijmwoord onmiskenbaar vlent te zijn, maar het eerste bij goed toezien (de opening bovenaan de u is inderdaad nauw) als geheut gelezen te moeten worden. Het eerste rijmwoord vervalt daarmee als steun van vlent en er is nu wel alle aanleiding om hierin een verschrijving van vleut te zien. Vleut is een vorm van het werkwoord vleeuwen (zie Verdam) en het daarop rijmende geheut kan worden opgevat als geëeut. Een onjuist gespelde h komt in het handschrift (ook het Leidse fragment, Verwijs blz. 249 vgg., en het Jenase fragment, Ts. 7, 284 vgg. behoren tot dezelfde codex) wel vaker voor en verschrijvingen van de copiïst zijn er bepaald talrijk in.

Een woord geëeut is tot dusver niet uit het Middelnederlands opgetekend, maar tegen de vorming kan men geen bezwaar maken: het is afgeleid van cwe, dat behalve ‘tijdperk’, ‘wet’ en ‘huwelijk’ ook ‘aard, natuur’ kan betekenen (zie Mnl. W.i.v.). Verdam sloeg dus met zijn vertaling ‘genatuurd’ precies de spijker op de kop. Afleidingen van dit type waren in het Mnl. heel gewoon. Men vergelijke, om in dezelfde sfeer te blijven, bv. gemaniert, genaemt, genatuert, gesint. Er kan dus niet alleen een artikel *vlenen uit het Mnl. W. geschrapt worden, maar ook een artikel geëeut (zonder sterretje) worden toegevoegd.

K. Heeroma