[p. 301]

Sparsa (V)1)

Aanleg in de betekenis van: ‘de plaats, waar men aanlegt, om uit te rusten of iets te gebruiken’ wordt in het WNT I, 219-220 geïllustreerd met het volgende voorbeeld: ‘De Nieuwe Aanleg, naam van verschillende herbergen’. In het Suppl. I, 94 vindt men daarop een verbetering: ‘Niet De Nieuwe Aanleg was gewoon als naam van koffiehuizen (inzonderheid buiten of even binnen een plaats), maar De Eerste Aanleg’. Dat deze naam nog heden ten dage gebruikelijk is, blijkt uit het volgende wel zeer recente voorbeeld, te vinden in de Nieuwe Rotterdamse Courant van 18 Januari 1956, blz. 5, waar men leest: ‘Tot slot werd de thee gebruikt in hotel-restaurant De eerste aanleg (te Lelystad)’. Daarnaast komt thans ook nog voor De Laatste Aanleg, b.v. als naam van een koffiehuis op het Samuel Mullerplein te Rotterdam.

Het Duits kent de benaming legan voor ‘kleine, am Ufer schiffbarer Ströme und Binnengewässer liegende Schenken und Herbergen für Schiffer’. Men vindt deze definitie in Kluge, Seemanssprache 529, waar verwezen wordt naar Jahn, Werke (ed. Euler) I, 532 en waaruit de volgende aanhaling (ald. I, 487) wordt gegeven: ‘Die mitleidige Gesellschaft fand in dem Wunsche, am andern Ufer in einem Legan etwas Warmes genieszen zu wollen, nichts Unziemliches’. Dit woord legan moet zijn oorsprong hebben in de vorm van de gebiedende wijs van het werkwoord, bij ons welbekend in de uitdrukking Leg reis aan of Leg eens even aan, zie de aanhalingen in het WNT I, 226.

 

Bezaantje als eigenaardige Nederlandse benaming voor de zeeblaas, een geslacht van zuigkwallen, wordt in het WNT II, 2442 vermeld met een verwijzing naar het woordenboek van Chomel (ao. 1778) en naar de bekende dierkundige werken van Schlegel en Burgersdijk uit de 19de eeuw. Een eigenlijk citaat ontbreekt. Nu vindt

[p. 302]

men twee zeer mooie en de betekenis van de naam verduidelijkende citaten in de onderhoudende reisgeschriften in brieven van kapitein Cornelius de Jong, dagtekenend evenals Chomel uit het laatste kwart der 18de eeuw. De eerste bewijsplaats staat in zijn Reize naar de Caribische eilanden, in de jaren 1780 en 1781, 302: ‘Dagelijks zeilden er vele Bezaantjes voorbij ons Schip, een kwalachtig schoonkleurig Vischje, die zijnen naam verkregen heeft door een vlies of vin welke hij op den rug draagt en in den vorm of gedaante van een driekant zeil verheft, waar mede hij altoos bij den wind, langs de oppervlakte der Zee, even als een klein vaartuigje voortstreeft. Wanneer men hem vangen wil, legt hij dezen vin neder en zinkt’ (ao. 1781). De tweede plaats wordt gevonden in zijn Reizen naar de Kaap de Goede Hoop, Ierland en Noorwegen, in de jaren 1791-1797, 2, 145: ‘Inzonderheid zag men van tijd tot tijd de schoonste bezaantjes, die ik ooit vond, het blaauw, het rood en het purper was op de fraaiste wijze door een gemengd, en de overgangen dezer kleuren zoo zacht, zoo smeltend als die van den regenboog. Dit vischje heeft den naam van bezaantje waarschijnlijk gekregen, omdat het, even als de nautilus, onder welk soort men het om deze eigenschap welligt zou kunnen rangschikken, een vlies in den vorm van een bezaanzijl opsteekt en zich daarmede als een bij de wind zeilend vaartuigje vertoont’ (ao. 1795).

Maar dit kwalachtige visje, deze zeekwal droeg deze eigenaardige op een vergelijking met de bezaan berustende benaming reeds veel vroeger bij onze zeelieden. Ongeveer anderhalve eeuw vóór Cornelius de Jong, in het midden der 17de eeuw, treft men de naam van het dier reeds aan in de vorm van bezaanskwalletje in de Reize van Maarten Gerritsz Vries naar het Noorden en Oosten van Japan 56, waar men in het journaal in dato 7 Mei 1643 leest: ‘Saegen, wat naar de middach, een groote streeck schuyms, vermengt met een raveling van stroom, waarin veel besaens qualities ende steencroos, ende ronde qualities ende een stuck hout saegen dryven: 't welck seeckere teeckens van lant behoorde te wesen; dan conden geen lant sien’. En op de volgende dag: ‘Naer de middach saegen veel cleyne ronde ende besaen qualities dryven, met menigte meeuwen ende veel swaluwen vliegen’.

[p. 303]

Javaan. Wanneer men het WNT op dit woord opslaat, dan vindt men daar de oudste bewijsplaatsen uit het einde der 16de eeuw genomen uit het Itinerario van Jan Huygen van Linschoten. De daar voorkomende vormen van de benaming van het volk der Javanen: Jauwen en Javen zijn eigenaardig, doch worden in het Woordenboek niet nader verklaard, evenmin als H. Kern dit eigenlijk heeft gedaan in zijn monumentale uitgave van het Itinerario. Toch lijkt het mij wel de moeite waard er op te wijzen, dat deze vormen ontleend moeten zijn aan de oudste Portugese benaming der Javanen t.w. Jáos, mv. van Jáo, waarvan R. Dalgado in zijn Glossario Luso-Asiatico 1, 487 zegt: ‘É ... o nome que os nossos escritores antigos davam aos naturais de Jaoa ou Java, agora denominados javaneses’. Zijn oudste bewijsplaats van deze oude, ook in het Portugees sedert lang verouderde benaming is uit het jaar 1511, ontleend aan Gaspar Correia, Lendas da India 2, 240: ‘O jáo... chegou a Ruy de Brito e o ferio com um cris’. Zo zingt ook Luiz de Camões in de 44ste strophe van de 10de zang van zijn beroemde gedicht Os Lusiadas van: ‘Jaos valentes’2) (ao. 1572), vgl. de ‘jaos, gente bellicosa e esforçada’ bij Diogo do Couto, Vida de D. Paulo de Lima 89 (ao. 1612).

Voor een Javaanse vrouw bezigt Van Linschoten in zijn Itinerario 140b de vorm Java: ‘een lava met twee Slavinnen’. Ook het Spaans heeft de vormen Javo, -va gekend, zowel znw. als bnw.; Nuñez de Taboada vermeldt ze nog in zijn Dict. Esp.-Fr. (Paris 1820) met de bet.: ‘de l'île de Java’.

Eigenaardig is de betekenis die Alewyn en Collé in hun bekende Woordenschat der twee talen, Portugeesch en Nederduitsch (Amsterdam 1714) toekennen aan de jongere afleiding Javaneira t.w. die van: ‘een onbeschaamde vrouw, schaamteloos wyf, oneerlyk vrouw-mensch’. Het woord is met hetzelfde suffix gevormd als b.v. port. Brasileira: ‘een Braziliaanse’ en beteekent dus eigenlijk niets anders dan een Javaanse vrouw, die reeds sedert lang gewoonlijk Javanesa genoemd wordt naast Javanes: ‘Javaan’ (zie de bovengegeven aanhaling uit het Glossario Luso-Asiatico van Dalgado).

[p. 304]

Kalkoen. Over dit woord zie men Ts 70, 281-283. Op blz. 282 schreef ik aldaar: ‘Dit zeer vroege voorkomen van de (plaats)naam Calcoen3) zou misschien onwillekeurig tot de vraag kunnen leiden, of de vogelnaam kalkoen ook niet rechtstreeks uit de plaatsnaam Calcoen afkomstig zou kunnen zijn op de wijze zoals de Portugese benaming van deze vogel t.w. perú, vr. perua, rechtstreeks uit de landnaam Peru schijnt te zijn ontstaan. Men zie b.v. het woordenboek van Alewyn en Collé (ao. 1714): “Perú Een Pauw [vgl. de Spaanse naam van de kalkoen pavo, vr. pava], zynde een Indiaansche voogel”... Toch is deze gissing niet zeer waarschijnlijk als men ook de namen in de andere talen vergelijkt’. Inderdaad, en ik kan hier thans de verbetering aan toevoegen, dat ook port. perú niet rechtstreeks uit de landnaam Peru is ontstaan. Immers, zoals Dalgado in zijn Glossario Luso-Asiatico 2, 207b schrijft: ‘Os nossos escritores antigos, como Diogo do Couto e Fr. João dos Santos, escrevem ‘galinhas do Perú, gallo do Perú’.

 

Karwats, in oudere vorm karbats, is volgens Franck-v. Wijk en het WNT VII, 1692 door bemiddeling van nhd. karbatsche afkomstig uit een Slavische taal (v. Wijk noemt po. karbacz of čech. karabáč) en ten slotte ontleend aan het Turks. De oudste bewijsplaats in het WNT is van 1740. Een ongeveer 125 jaar oudere plaats vindt men in het zeldzame werkje van Goeteeris, Iournael van de Legatie ghedaen inde Iaren 1615 ende 1616 ... naer Sweden ende Moscovien 77, waar men leest: ‘de Russchen te paerde sittende... hebben ordinairis een corte dicke Sweep, dewelcke een Carbats ghenaemt wert, aen haren riem hanghen, met een snoerken aen de handt vast, om de handt daer door te steecken, twelck haer meest te passe comt als de Sweden haer achter haer garen comen, ende de vlucht moeten nemen, latende alle haer ander instrumenten varen, ende ghebruycken dan alleen dese Carbats, ghestadelick int omsien de paerden daer mede toedeckende, alst op vlack velt is, ende spoeden haer dapper om in haer Vestinghen

[p. 305]

te comen, alwaer sy wederom staen als Switsers, als de Poort naer haer naers toe is, ende van achter bevrijdt sijn’ (ao. 1616).

Vermoedelijk is dit de oudste bewijsplaats in een Nederlandse tekst. Want I. Danckaert, die zich enkele jaren vroeger (in 1613) in hetzelfde tussen Russen en Zweden betwiste gebied van Nowgorod bevond, noemt in zijn Beschryvinge van Moscovien ofte Ruslant (Amsterdam 1615) 70 niet het woord karbats, maar wel het gewone, algemeen Russische woord voor een zweep t.w. bič, een afleiding van het ww. bit': slaan. Hij schrijft: ‘De Russen en ghebruycken gheene sporen, maer alleen eene pietse oft sweepe, daer de peerden toe ghewent zijn, dese hanghen sy met een cleyn coordeken aen de pinck oft cleynsten vinger des rechte handts, opdat sy, die willende ghebruycken, deselve grypen moghen ende ghebruyckt hebbende, laeten sy die weder vallen ende hanghen, om de handt altijt vry te houden ende daer neffens eenige wapenen in deselve te connen voeren’. Zoals men uit deze beschrijving ziet, is deze pietse (russ. bič)4) van Danckaert dezelfde zweep als de carbats van Goeteeris.

Goeteeris moet dit woord uit Russische mond hebben vernomen, want karbač (met het accent op de tweede lettergreep in tegenstelling met po. karbacz5) en čech. karabáč die de eerste lettergreep betonen) is ook Russisch. Weliswaar niet algemeen Russisch, maar zoals men in het Russisch woordenboek van Dal' kan lezen, meer bepaaldelijk in het Westen van Rusland gebruikelijk, waar het vermoedelijk wel aan het oudere po. karbacz ontleend zal zijn (zie het woordenboek der Russische Akademie). In het Westen van Rusland, dus ook in het gebied van Nowgorod, waar Goeteeris in 1616 vertoefde. Ook Lokotsch noemt in zijn Etym. Wtb. der europäischen Wörter orientalischen Ursprungs onder al de Slavische, Germaanse en Romaanse ontleningen aan Turks kyrbač (no. 1279) russ. (dial.) karbač.

Ten slotte zou ik hier dezelfde vraag willen doen, die Van Haeringen in zijn Suppl. op Frank-v. Wijk stelt i.v. Schabrak: ‘Het ndl. woord wellicht in eerste instantie uit het Russisch?’

[p. 306]

Oerhaan. In het WNT, Suppl. I, 2038 vindt men een artikel Auerhaan, waarin men het volgende leest: ‘Uit hd. auerhahn. Het woord is stellig een germanisme, maar daar de ndl. vorm, die *oerhaan zou moeten luiden, nooit gebruikt wordt (in tegenst. tot oeros), dient het toch wel vermeld te worden. Evenzoo auerhen, -hoen’. De oudste bewijsplaats is dan van 1773 (ourhaan) en de volgende van 1856 (auërhaan). Dat komt overeen met hetgeen men op Aueros leest: ‘Sinds het midden van de 18de eeuw aangetroffen’.

Nu zou ik er op willen wijzen, dat de vormen oerhaan en oerhoen niet zo hypothetisch zijn als hier blijkens het sterretje wordt aangenomen, maar dat deze woorden in de 17de eeuw wel werden gebezigd. Ten bewijze daarvan moge de volgende aanhaling dienen uit de Dagelykse voorvallen op myn Moscovische Ryse van Nicolaas Witsen6), fol. 17a: ‘Dien dach (17 October 1664) wiert tonsen huyse verhaelt hoe gering7) het wilt daer (t.w. in Lijfland) is: so een heer aen sijn schut geeft een pondt kruyt en loot daertoe, daervoor brengt hy 80 stucken wilt, hasen, hasel(h)oenen, partrijsen, oerhoenen etc., en dan deede die noch winst daermeede, over de 100 kennende treffen’. De slordige kopiist van Witsen's handschrift maakt verderop (fol. 19a) van het woord oerhanen: oeverhanen: ‘partrijsen, hasen, hasel(h)oenen, phesanten, oeverhanen, corhanen etc. sij(n) hier geringe spijs’ en fol. 22b wordt dit verder tot overhanen. Blijkbaar waren dier en naam hem onbekend.

Maar kan men het woord oerhaan wel als de Nederlandse vorm van auerhahn beschouwen? Zoude het niet veeleer eveneens ontleend zijn aan ouder Duits urhan, dat in de 16de en 17de eeuw gebruikelijk was blijkens een citaat in het Deutsches Wörterbuch I, 602 uit Fischart, Gargantua in de editie van 1594? Zegt ook niet Franck-v. Wijk in overeenstemming daarmede: ‘Het ndl. oeros is blijkens de oe een ontl. uit het Du.’? De Nederlandse vormen, die men eveneens in de 16de en 17de eeuw aantreft, zijn uurhaan en uuros; het eerste staat bij Junius, Nomenclator 45a, het tweede wordt door Oudaan gebezigd (zie

[p. 307]

WNT X, 52). Deze volgens het WNT ter aangehaalder plaatse ‘echt Nederlandsche vorm’ uuros ‘kon wisselen met oeros: verg. ons boer met buur’. Maar gaat deze vergelijking hier wel op, al is ‘de vorm oeros... thans door het gebruik geijkt’? Duitse oorsprong ook van de vormen met oer- lijkt toch misschien aannemelijker.

Kiliaan geeft de vernederlandste vormen oorhaan en ooros, maar deze vormen met oor- zijn onzuiver en berusten op misverstand zoals in het WNT X, 52 wordt uiteengezet en waar men verder leest: ‘Het kan... niet bevreemden dat men met den vorm der benaming van eene uitgestorven, hier te lande althans sedert lang onbekende diersoort in verwarring geraakte’. Geldt dit van de oeros, de auerhaan komt bij ons te lande ook niet voor.

 

Seroen. Over de etymologie en de betekenissen van dit woord heb ik gehandeld in Ts. 62, 214-215. De oudste bewijsplaats, waarover ik toenmaals kon beschikken, was het oudste citaat in het WNT XIV, 1316, gedateerd ao. 1596. Het woord komt echter nog welhaast een halve eeuw vroeger voor in een rekening van de ontvanger te Middelburg van de ingekomen en uitgevoerde goederen, te vinden in de Bronnen tot de gesch. van Middelburg 3 (R.G.P. 75), 593, waar men leest: ‘pro Martijn de Posa 26 zeroenen vygen, weert 30 £ gr.’ (ao. 1551). Deze aanhaling is slechts 6 jaar jonger dan het oudste citaat van seron in de NED (ao. 1545). In het Frans is serron volgens de Dictionnaire Général van Hatzfeld-Darmesteter pas aangetroffen sedert 1723 en in 1762 werd het in de Dictionnaire de l'Académie opgenomen. Het heeft daar dan ook, al is het thans verouderd, de jongere betekenissen van: ‘Ballot recouvert de peau de boeuf (contenant des produits exotiques)’ met de voorbeelden: ‘Un serron de cochenille, d'indigo’ (Dict. Gén.) en ‘Boîte dans laquelle on apporte des drogues des pays étrangers’ met de voorbeelden: ‘Un serron de baume. Un serron d'ambre (Dict. de l'Acad.5 ao. 1825).

 

Verhemelte en het minder gebruikelijke gehemelte zijn afleidingen van hemel, dat bij Kiliaen zowel in de bet. van palatum als van coelum voorkomt, gelijk nog thans in zuidndl. dialecten. Het Mnl. en

[p. 308]

Mnd. kenden reeds de afl. hemelte in de zin van palatum. In Franck-v. Wijk wordt naar aanleiding van deze dubbele betekenis van hemel gewezen op twee parallellen in andere talen t.w. gr. οὐρανός ‘hemel, verhemelte’ en russ. nëbo ‘verhemelte’ in klankwettige russ. vorm: nebo ‘hemel’ in kerkslavische vorm.

Men zou hieraan nog kunnen toevoegen, dat dit verschijnsel zich ook in het Baltisch voordoet. In het Oudpruisisch betekende dangus in de 14de eeuw (Elbinger Vokabular) zowel ‘Himmel’ als ‘Gaumen’ en in een Litouwse tekst van 15738) wordt het verhemelte genoemd debesis nasrų d.i. hemel van de mond, hetgeen in modern Litouws wordt uitgedrukt door dangus burnos.

Ook in het Duits van Oost-Pruisen bezigt of bezigde men himmel tevens voor: ‘Obergaumen, obere Wölbung in der Mundhöhle’9). Omgekeerd wordt in Latijnse poëzie het hemelgewelf wel palatum coeli genoemd.

 

Waaghals. Dit woord is tot nu toe niet vroeger aangetroffen dan in de tweede helft der 16de eeuw. Verdam wijst het aan bij Goedthals (ao. 1568) en Plantijn (ao. 1573) en in Franck-v. Wijk wordt naar Kiliaen verwezen. Toch moet het woord bij ons (evenals mnd. wagehals ‘waghalsiger mensch’) reeds in de middeleeuwen bekend zijn geweest, getuige het gebruik van het woord als eigennaam op het eind van de 15de eeuw in Zeeland. In de Bronnen tot de gesch. van den handel met Engeland 1 (R.G.P. 65), 1196 leest men van zekeren ‘Zeeussche Neele Waeghals van Arnemuiden’ (ao. 1482).

 

Wolf. In zijn Vergleichendes Wörterbuch der Gotischen Sprache3 op het woord Wulfs (blz. 576) zegt Feist: ‘Ob man in idg. u̯ḷkuo-Wolf eine Abl. von idg. Wzl. u̯elku- (oder u̯elk-) in gr. ἕλϰω; abulg. vlěkǫ; lit. velkù reisse, schleppe sehen darf, erscheint fraglich. Weitere Kombinationen (mit lat. vello reisse; s.u. wulla) bei F. Solmsen, K.Z. 32, 279 ff.’

[p. 309]

Ten gunste van de eerste combinatie in semasiologisch opzicht zou ik willen wijzen op een Russische spreekwijze, die aldus luidt: taskal wolk, potaščili i wolka d.w.z. de wolf heeft gesleept (onbepaald: herhaalde malen, zoals dat de aard van het dier is) en nu hebben ze ook de wolf gesleept (perfectief: eens en voor altijd).

 

R. van der Meulen