Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 76


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 76. E.J. Brill, Leiden 1958-1959


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 126]

Middelnederlands (op-)terven.

Enige tijd geleden vestigde Fokkema1) de aandacht op het Oudfriese verbum terwa (terwia), dat, gelijk hij bewees, zijn voortzetting vindt in Nieuwfries teare ‘vouwen; kantelen, omvallen’. Toevallig vond ik, kort nadat Fokkema's beschouwingen verschenen waren, in een waarschijnlijk vroeg-vijftiendeëeuws Vlaams handschrift nu ook een Middelnederlands verbum (op-)terven, dat, wat zijn betekenis betreft, met Ofri. terwa (terwia) en Nfri. teare te vergelijken is. Het staat in de - waarschijnlijk Oost-Vlaamse - verklaring over het leenrecht, die ons is overgeleverd in handschrift 285 HS van de Provinciale Bibliotheek van Friesland te Leeuwarden2), fol. 19r:

‘DJe manscepe doen sal die sal hem ontghorden ende zijn caproen wech doen ende teruen zine mauwen vp so dat hi zij bloot van wapenen bloots hoofts kele ende handen ende zine handen te ghader lecghen sonder knielen ende commen tote hem omoedelike. Ende danne sal zijn here nemen zine handen tusschen zijns selues handen aldus’.

Er wordt achter het woord aldus verwezen naar een tekeningetje, dat het manschapsgebaar afbeeldt: de armen van een leenheer komen uit ruches te voorschijn en zijn tot aan de vingers toe met mouwen bedekt; tussen zijn handen houdt de heer de van de pols af zichtbare blote handen van de vazal.

De betekenis van het woord terven in het hier gegeven citaat staat én uit het zinsverband én uit de parallel met Nfri. teare en Ofri. terwa volkomen vast: de vazal moet zijn gordel afdoen, zijn kaproen afzetten en zijn mouwen omvouwen, terugslaan. Verdam heeft onze plaats ten gevolge van een leesfout onder een verkeerd lemma gezet. Hij leest (MnlW. V, kol. 1886, s.v. opternen): ‘Die manscape doen sal, die

[p. 127]

sal hem omghorden ende zijn caproen wech doen ende ternen zine mauwen up’. Opternen verklaart hij als ‘optornen, opentornen’3).

Het compositum opterven: ‘omvouwen, terugslaan (gezegd van mouwen)’ vooronderstelt het bestaan hebben van een simplex Mnl. terven met ongeveer dezelfde betekenis als Nfri. teare: ‘vouwen; kantelen, omvallen’. Nu is ons het simplex terven inderdaad overgeleverd: Verdam geeft (MnlW. VIII, kol. 268) drie plaatsen uit de ‘Cyrurgie’ van Meester Jan Yperman op, waar het voorkomt. Het duidt daar echter een oogziekte aan, naar Verdam aanneemt: het leep zijn. Leest men de uitvoerigste van deze drie plaatsen in zijn context na in de editie van Van Leersum4) - de andere twee plaatsen zijn slechts opschriften, die weinig zeggen -, dan krijgt men inderdaad wel de indruk, dat daar het ‘leep zijn’ (blepharitis) bedoeld is, maar helemaal zeker is het niet5):

‘Cap. 19. Van leepen ogen of tervenden.

Het comen sulke lieden die haer ogeleden gelepen of terven. ende dat comt bi dat si tranen of lopen. ende dat comt biden souten humoren toe. die doge leden vlaen [= ontvellen] ende open maken. bi den welken datter wast wey [= wild] vleesch. ende werden die oge leden geswollen.’

De oogleden zijn gezwollen en ontstoken. Maar van vouwen, kantelen, omvallen van het ooglid is bij deze kwaal geen sprake. Het naar onderen en naar voren uitzakken van het (onderste) ooglid is een andere, van de blepharitis wel te onderscheiden ziekte, die de medici ectropium noemen.

[p. 128]

Zien we nu naar de Ofri. plaatsen, die Fokkema voor terwa heeft aangevoerd6), dan vinden we daar, als ik goed zie, de ‘missing link’ tussen de gepostuleerde grondbetekenis van het simplex Mnl. terven ‘vouwen, kantelen, omvallen’ en de speciale betekenis ‘leep zijn (gezegd van ogen)’. In de Oudfriese teksten is namelijk sprake van een verwonding van het (onderste) ooglid, ten gevolge waarvan het to dele terft: naar beneden vouwt. Dat ís inderdaad het ectropium (littekenectropium bij de medici).

We kunnen nu concluderen, dat:

1. Mnl. terven als grondbetekenis heeft ‘vouwen; kantelen, omvallen’;

2. daarnaast voorkomt de speciale betekenis ‘leep zijn (gezegd van ogen); aangetast zijn door blepharitis’;

3. de ontwikkeling van de grondbetekenis naar de speciale betekenis gelopen moet zijn via de in het Mnl. niet, maar in het Ofri. wel overgeleverde betekenis ‘lijden aan ectropium’, misschien bovendien nog via de betekenis ‘lijden aan een ziekte van de oogleden (welke dan ook)’7).

 

Haren (Gr.)

P. Gerbenzon