Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 76


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 76. E.J. Brill, Leiden 1958-1959


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 132]

Rapzak

In zijn bespreking van de door Dr. W.J.C. Buitendijk uitgegeven Nederlandse Strijdzangen uit de 16e en de eerste helft der 17e eeuw heeft Meertens in dit tijdschrift (jg. 74, blz. 313) de verklaring die B. van rapzak (in ‘G'lyck den grootsten Rapsack’) geeft, ‘een ware trouvaille’ genoemd. Dit is, zo zegt hij, door ‘alle Valerius-commentatoren tot dusver als een scheldwoord (schurftzak, schurftige hond) ... verklaard’, maar B. heeft daarin voor het eerst ‘de Oudtestamentische Rabsaké, de maarschalk van Assur,... herkend’. De heer G.C. de Waard heeft korte tijd later in een schrijven aan de redactie erop gewezen, dat de verklaring van B. volstrekt niet nieuw was, maar dat zij bv. ook al te vinden was in een populair werk als het Groot Vertelboek van de Geschiedenis des Vaderlands door D. Wouters en J. Hoogwerf, deel 1, blz. 452, verschenen in 1928. Ongetwijfeld heeft deze, door Buitendijk weer gelanceerde en door Meertens met instemming begroete, verklaring al een lange traditie achter zich. Bij een bespreking in de redactie bleek, dat zij ook aan verschillende van haar leden niet onbekend was. Dat zij niettemin door geen van de Valerius-commentatoren aanvaard is, heeft echter zijn goede gronden. Als bewerker van het artikel Rapzak in het W.N.T., waarin de traditionele verklaring van het woord als ‘schurftzak’ is gehonoreerd, wil ik gaarne uiteenzeten, hoe ik mij de verhouding tussen Valerius' rapsack en de Oudtestamentische Rabsaké voorstel.

Toen Leiden ontzet was in 1574, hebben de bijbelvaste tijdgenoten onmiddellijk de Spaanse bevelhebber Baldeus vergeleken niet de maarschalk van Assur. In de Corte Beschryvinghe vande strenghe Belegheringhe ende wonderbaerlicke Verlossinghe der Stadt Leyden in Hollandt, die in het jaar van het ontzet anoniem in Delft verscheen (de schrijver was J. Fruytiers) lezen wij: ‘Dit alles voorby slaende is (gelijck eensdeels geseyt is) de voorscr. Baldeus min noch meer voor de belegerde Stadt Leyden ghecomen, dan Rapsake voor de belegerde

[p. 133]

Stadt van Jerusalem ten tijden Ezechie. Dit waren dan de woorden die de Spaensche Rapsake der Stadt voor hiel: Hoort, sprack hy, de woorden des grooten Conincx van Assyrien, namentlicken des grooten Commendadoors: Laet v van Hiskia, te weten, uwen Prince van Orangien, niet verleyden noch bedrieghen, want hy en can v niet verlossen’ (Bijv·). En verder: ‘De voorscr. Spaensche Rapsake oft zijn lidtmaten quamen daghelicx voor de Stadt, met dreyghingen, met spotwoorden ende leugenen’ (Cir·). Deze gelijkstelling van Baldeus met Rabsaké is in die tijd ongetwijfeld algemeen bekend geweest. Wat ligt nu meer voor de hand dan dat de volksmond met de naam Rabsaké is gaan spelen en hem heeft geassocieerd met het scheldwoord rapzak, een synoniem van het nog in onze dagen bekende rotzak? Baldeus-Rabsaké was een ‘rapzak’, een ‘rotzak’! Gewoonlijk werd het scheldwoord rapzak of rotzak toegepast op Franse of Waalse huursoldaten, die geacht werden schurftig, oftewel syphilitisch, te zijn. Ik citeer uit Scheurleer, Van Varen en Vechten, 3, 83 de volgende twee plaatsen: ‘Jou rappige rottige Beeren en Muggen’, en: ‘Matroos in sijn bouw, de Rotsack in Rouw’. Het betreft hier een lied tegen de Fransen uit het jaar 1692, maar men kan gevoegelijk aannemen, dat dit scheld-vocabulaire toen al een oude traditie had. Maar Frans en Spaans was in de sfeer van dit spraakgebruik gemakkelijk verwisselbaar: de syphilis (of een verwante ziekte, verg. het W.N.T.) werd beurtelings aangeduid als Franse en als Spaanse pokken (het laatste o.a. in het Geuzenliedboek). Het lag dus alleszins voor de hand om bij gelegenheid, als de situatie er aanleiding toe gaf, ook een Spaanse soldaat uit te schelden voor rapzak. En de situatie gaf er gelegenheid toe, ja nodigde er toe uit, door de gelijkstelling van zo'n prominente Spanjaard als Baldeus met de bijbelse Rabsaké!

Toch is hiermee de regel uit het lied van Valerius nog niet geheel verklaard. De Spanjaard treedt in dit lied op onder zijn specifieke scheldnaam speck en hij wordt niet geïdentificeerd, maar alleen maar vergeleken met een rapsack. Men kon de Spaanse soldaten van veel betichten, maar zij waren in hun tijd, naar het mij voorkomt, niet de spreekwoordelijke lafaards. Als zodanig konden eerder de (meer naburige en langer bekende) Franse en Waalse huursoldaten gelden, de

[p. 134]

‘rotfransen’ en ‘rotwalen’. In het lied van Valerius wordt nu triomfantelijk vastgesteld, dat bij het beleg van Leiden de fiere Spanjaard, de trotse ‘Speck’ er vandoor ging ‘g'lyck den grootsten Rapsack’, dat wil, overgezet in moderne taal, zeggen: ‘als de grootste rotwaal’. Men heeft bij deze verklaring de hele Rabsaké niet nodig, noch de veronderstelling dat zijn naam volksetymologisch zou zijn aangepast aan rapzak. Toch twijfel ik er niet aan, dat dit inderdaad gebeurd is. Valerius zal er ook wel van gehoord hebben, ofschoon in zijn eigen taalgebruik rapzak anders werd toegepast. Als het woord rapzak niet op de een of andere manier behoord had tot het verhaal van Leidens ontzet, was Valerius er niet licht toe gekomen om het op zo'n opvallende plaats, als rijmwoord in de eerste regel, te pas te brengen. Men kan dus wel de stelling verdedigen, dat de naam Rabsaké er indirect invloed op heeft gehad, dat het woord rapzak juist in dít lied op déze plaats gebruikt is.

Maar dat is heel wat anders dan dat Rapsack eigenlijk een andere spelling zou zijn voor Rapsake (zoals Fruytiers het schrijft). Zelfs als we zouden wilen aannemen, dat de spraakmakende gemeente deze naam in de 16de eeuw zou hebben uitgesproken met een toonloze en kleurloze e in de derde syllabe, een e die dus vatbaar was voor apocopering, dan nog had de geapocopeerde variant alleen maar Rapsaeck kunnen luiden en geen Rapsack. Maar bovendien is de superlatief grootsten bij een eigennaam bijzonder moeilijk te verklaren. Alleen met opvatting van Rapsack als soortnaam, dus als ‘rapzak, rotzak’, is de versregel van Valerius zonder gewrongenheid te interpreteren.

De Tollenaere, die in het gesprek over deze kwestie in de redactievergadering degene is geweest die op Fruytiers heeft gewezen, heeft ook nog de mogelijkheid geopperd, dat tijdens het beleg van Leiden de Spanjaarden in de volksmond al rapzakken zouden zijn genoemd en dat dit bij mensen als Fruytiers de associatie zou hebben opgeroepen met de bijbelse Rabsaké. Ik acht dit minder waarschijnlijk, omdat de typische scheldnaam van de Spanjaard spek of spekjan was en men dus wel een speciaal motief moet aanvoeren voor het gebruik van een incidenteel rapzak. Dat motief is inderdaad aanwijsbaar, wanneer we rapzak associatief laten voortkomen uit Rabsaké. Toch wil ik de door

[p. 135]

De Tollenaere genoemde mogelijkheid openlaten. Het aantal bewijsplaatsen van rapzak en rotzak uit de 16de en 17de eeuw is zo klein, dat de exclusieve toepassing ervan op Fransen en Walen er nauwelijks uit kan blijken. En anderzijds waren, zoals ik hierboven al aanduidde, Frans en Spaans tot op zekere hoogte verwante en verwisselbare begrippen. Tenslotte zou men nog kunnen veronderstellen, dat er in het Spaanse leger voor Leiden ook Franse of Waalse huursoldaten meevochten en daarin dus de rapzak naast de spek stond. De interpretatie van de regel van Valerius blijft er echter volkomen gelijk om, of men de rapzakken door Rabsaké, dan wel Rabsaké door de rapzakken wil laten voortbrengen.

 

K. Heeroma