Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 77


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 77. E.J. Brill, Leiden 1959-1960


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 33]

Verandzaden
Een woord uit de oude landbouw

I. Wat er was

Het bestaan van verandzaden is al bekend sinds 1873. In het in dat jaar verschenen, onvolprezen Westvlaamsch Idioticon van L.L. de Bo, schrijft deze dat men het woord, in de vormen Verantzaaien, verhandzaden, veransaan, ‘bij onze vorige schrijvers vindt in den zin van Een bouwland bederven met het gedurig te herzaaien zonder te laten rusten’. Met dit rusten bedoelt hij de tijd van de braak, waar elke akker, tijdens het drieslagstelsel, eens in de drie jaar aan toe was. De Bo geeft vier bewijsplaatsen: een uit de Cost. v. Aelst xiv, 20, van 1625, een uit de Cost. v. Cortrycke vii, 16, van 1558, een uit de Cost. v. Audenaerde ix, 9, te dateren in 1615, en tenslotte de laatste uit het Vl. Setting-boec. van het jaar 1694. Hoewel deze citaten door De Bo niet gedateerd werden, heeft hij ze toch in chronologische volgorde geplaatst, op het eerste na, blijkbaar omdat hij - dat blijkt uit zijn ‘kopje’ - de vorm met -zaaien als tweede lid, de enige van de drie, als de beste beschouwt. Vóór het ‘kopje’ heeft hij ook een sterretje geplaatst, waarvan de betekenis niet duidelijk is, althans niet in de voorrede verklaard wordt. De bedoeling ervan op deze plaats is blijkbaar, verandzaden te kenmerken als een verouderd woord, dat alleen in oude bronnen, costumen en derg., wordt aangetroffen1).

Uit het Westvlaamsch Idioticon is het woord overgenomen in het in 1916 verschenen achtste deel, blz. 2227 van het Mnl. W., met De Bo's definitie, waarin alleen een paar woorden naar 's lands gelegenheid ‘verduitst’ werden: gedurig wordt aanhoudend en herzaaien heet bezaaien. Verdam heeft De Bo blijkbaar slechts vluchtig gelezen.

[p. 34]

In de eerste plaats schrijft hij: ‘Het woord, dat nog heden in verschillende vormen in het WVlaamsch bestaat... kan ook in het mnl. WVlaamsch bekend zijn geweest’; in het Westvlaamsch Idioticon echter wordt over dit voortbestaan niets gezegd. In de tweede plaats heeft Verdam zich niet gehouden aan de oude vormen van het woord in de 16de en 17de eeuw; hij spelt immers *verontsaden, met -ont- dus, wat hij nog erger maakt door sub verand- en verant- geen verwijzingen aan te brengen2). Aan dit -ont- heeft De Bo echter ook een beetje schuld; immers aan het slot van zijn artikel heeft deze de etymologische gissing gewaagd, dat -ant- hier eigenlijk zou staan voor -ont-. Daartegenover staat dat Verdam De Bo's vorm met -zaaien als tweede lid negeert.

Het Middelnederlandsch Handwoordenboek heeft dit artikel verontsaden ook, niet de eerste door Verdam zelf bewerkte druk van 1911, doch wel de tweede, van het woord sterne af, door C.H. Ebbinge Wubben bewerkte en in 1932 verschenen herdruk3). Alleen heeft deze laatste het sterretje weggelaten.

In het Zuid-Oostvlaandersch Idioticon wordt de woordenschat beschreven van een gebied begrensd door de Schelde, het dal van de Markebeek en het dal van de Zwalme4). Van dit gebied tussen Oudenaarde en Zottegem vormt Teirlincks geboorteplaats Zegelsem, ‘een afgezonderd dorpje van landbouwers’5), het middelpunt; daar vooral heeft de schrijver ‘de elementen voor dit Idioticon... vergaderd’6). In het derde deel [1921-'22] op blz. 273a heeft Teirlinck het volgende, merkwaardige artikel opgenomen:

Veronzaan, ww. Zie Veronzaden.
Veronzaden (uitspr. -zaan...), bedr. zw. ww. Veelal in 't verl. dw. veronzaad (met de a verkort). Uitputten met er gedurig hetzelfde zaad (de-

[p. 35]

zelfde akkervrucht) op te zaaien. Da' land es veronzaad. Veronzaad land. - Fig. Van een oude jonge-dochter: bedorven door liederlijkheid en ontucht. Da' maisk' es, mijn dzielke, veronzaad!

Als Teirlinck alleen de eerste, eigenlijke betekenis had opgenomen, dan had men kunnen denken dat hij, De Bo als legger gebruikend, de ont- van zijn voorganger door on- had vervangen, omdat hij het niet eens was met diens etymologische slotbeschouwing (ant- < ont-). Maar de tweede, figuurlijke beteekenis kan toch bezwaarlijk verzonnen zijn; die heeft hij blijkbaar zo gehoord en opgetekend te Zegelsem. Dat het woord niet voorkomt in de lijsten van Zuidoostvlaamse woorden die tussen 1888 en 1894 verschenen in het tijdschriftje Volk en Taal, waaruit Teirlinck heeft geput, sterkt ons in deze opvatting. Dat hij als tweede lid -zaden heeft, i.p.v. het -zaaien dat door De Bo werd vooropgeplaatst, pleit ook voor echtheid, tenzij we hier aan invloed van het Mnl. W. zouden hebben te denken. Als argument voor de authenticiteit kan men wellicht ook aanvoeren, dat de bewoordingen van zijn eigenlijke betekenis iets afwijken van die van De Bo; ik heb hier het oog op ‘hetzelfde zaad’, want het woord uitputten gebruikt De Bo ook, t.w. aan het slot van zijn artikel. Er kan wel nauwelijks twijfel aan bestaan dat Teirlinck hier een overblijfsel, zij het dan met gewijzigde betekenis, heeft opgetekend van het oude landbouwwoord verandzaden*).

Uit Teirlinck is het woord een paar jaar later terechtgekomen in de grote Van Dale. In de zesde druk [1924] heeft de door P.J. van Malssen Jr. niet genoemde ‘Vlaamsche taalkundige’7) het volgend artikeltje ingevoegd:

Veronzaaien, (veronzaaide, heeft veronzaaid), (Zuidn.) (een land) uitputten door er steeds hetzelfde zaad op te zaaien; (fig.) dat meisje is veronzaaid, door ontucht bedorven.

De Vlaamse medewerker heeft, zoals men ziet, Teirlincks -zaden vervangen door -zaaien. We zullen daarbij wel niet hebben te denken

[p. 36]

aan invloed van de -zaaien-vorm die de voorkeur van De Bo had; het ligt meer voor de hand te denken aan een ‘normalisering’ in zgn. A.B.N. van een gewestelijke vorm. In de zevende druk van Van Dale [1950] is dit artikeltje letterlijk overgenomen, op een detail na, de aanduiding van het accent, dat hier is geplaatst achter on, wat betekent ‘achter de lettergreep waarop bij normale uitspraak de meeste nadruk valt’8).

Hiermee is, voor zover mij althans bekend is, de lexicografische inventaris van verandzaden voor de tweede helft der twintigste eeuw opgemaakt.

II. Wat er thans is

Sinds enkele jaren zijn er echter met één slag tal van bewijsplaatsen van verandzaden aan het licht gebracht. In 1952 verscheen namelijk bij ‘De Sikkel’ te Antwerpen de Geschiedenis van de Landbouw in België door ir. Paul Lindemans. Voor dit grote werk heeft schrijver gebruik gemaakt van oude pachtbrieven in de zuidelijke Nederlanden; in de uitvoerige noten die op elk hoofdstuk volgen, vindt men een schat van archivalische excerpten. De schrijver heeft er bovendien voor gezorgd dat lexicologen en lexicografen uit zijn werk als uit een rijke bron kunnen putten. Immers in het tweede deel, blz. 487 vindt men een uitvoerig woordregister op de bladzijden waar landbouwtermen, zowel Nederlandse als Franse, worden behandeld of vermeld9).

Wat was verandzaden?

Het begrip ‘verandzaden’ hoort thuis in het pachtsysteem van het

[p. 37]

oude zgn. drieslagstelsel10), dat een verdeling van de bouwgrond in drie ongeveer gelijke stukken (zgn. zaden, aarden of seizoenen11)) kende met een vaste, voorgeschreven vruchtomloop: wintergraan, zomergraan, braak. Week men van de vaste vruchtomloop af, door andere gewassen te zaaien dan was toegestaan, b.v. uitputtende handelsgewassen als vlas, hennep, meekrap, wouw, of door meer vruchten te verbouwen dan waartoe men gerechtigd was, b.v. door na het oogsten van het wintergraan nog een stoppelgewas, b.v. spurrie te telen12) of door het bezaaien van de braak13), dan heette dat het gepachte land verandzaden14). Het verandzaden, was het bezaaien, bebouwen van het pachtland in strijd met de voorschriften van het pachtcontract, dat een vaste, contractueel voorgeschreven vruchtopvolging behelsde. Het verandzaden vormde een inbreuk op de zgn. ‘loyale pacht’. Wie zich niet aan de vaste, voorgeschreven vruchtopvolging houdt, put het land uit, bederft het, schendt het.

Nu werd in Vlaanderen reeds in de 14de eeuw toestemming verleend tot verandzaden van het gepachte land, althans van een gedeelte ervan of gedurende een zekere termijn van het pachtcontract. De conditie is evenwel dat men extra bemest, d.w.z. meer dan eens in de drie jaar. In de laatste drie jaren van de pacht mag men in de regel niet meer verandzaden, de bouwgrond mag immers niet in uitgeputte toestand aan een volgende pachter worden overgedragen. Toch werd het verandzaden gedurende de laatste drie pachtjaren, althans van een gedeelte van het bouwland, toegestaan, mits men overvloedig be-

[p. 38]

mestte15). De voorschriften wisselden uiteraard met de streek, de bodem, de tijd en de eigenaar.

I.p.v. verandzaden zei, althans schreef men ook wel: (gepacht land): niet ‘in syn aerden ende saisoenen’ laten of houden16); niet op ‘siin drecht ende saet’ laten17); niet ‘in syne gherechte noten’ laten18); ‘buyten syne gewanten brengen’19); ‘misa(a)rden’20); ‘denatureren’21); ‘ontaarden’ (zie noot 37).

Het Oudfrans kende voor het begrip verandzaden o.m. de termen: dessaisonner22), desreer23) en desregler24); daartegenover stonden: mettre a due saison25), arroyer26), mener en leurs droites royes27).

Bewijsplaatsen.

De bewijsplaatsen waarover we thans beschikken volgen nu, verdeeld naar de verschillende betekenissen en toepassingen. De meeste citaten zijn afkomstig uit het rijke werk van P. Lindemans; ze werden echter naar de originelen geverifieerd28), en voorzien van een exacte datering en lokalisering. Voor dit laatste geldt als norm de plaats waar de pachtcontracten werden verleden en geschreven.

1) (Gepacht land) bebouwen op een manier die in strijd is met de vaste vruchtomloop zoals die door de
[p. 39]
pachtcontracten onder het drieslagstelsel was geregeld; (het) schenden, uitputten door inbreuk te maken op de vaste vruchtomloop. ‖ Dit vors. land es Lieuin... sculdech te messene telken drien jaren... ende also vele alse Lieuin van desen lande sal doen grauen so mach hij verandzaden... ende daer naer messen wel ende soffichantelike ter brake, ende vp de achterste drie jaar en mach hij gheen verandsaden, Stadsarch. Gent, reeks 301/2, 43 ro, pachtbrief betreffende Herzele [Gent, 1365]. (De pachter zal) niet... moghen verandsaden binnen den achtersten drien jaren, het en ware bij den wille ende consente van Gillisse, Stadsarch. Gent, reeks 301/2, 128 ro, pachtbrief betreffende Hillegem [Gent, 1367]. Voert so zullen Gillis... alle jare verantzaden twee buunren lands ende nemmeer ende dat zelue so moeten zij doen messe also dicke alzijt veranzaden, Stadsarch. Gent, reeks 301/5, 27 ro, pachtbrief betreffende Appelterre [Gent, 1375]. (De aankomende pachter mag) verandsaden, marghelen, grauen of messen also vele lants ende alsulc als hem ghelieuen sal tsinen coste naer dachterste vrome die de vorn. Jan vanden vors. lande doen sal, Rijksarch. Gent, fonds Abdij Ninove, no. 26, fo 25 ro, pachtbrief betreffende Ninove [Ninove, 1440]. (De pachter) mach maer verandzaden binnen den achtersten drien jaren twee buunre lants elcx jaers, maer dies moet hij wel doen ouermessen eer hij dat verandsaet of daer naer, Rijksarch. Gent, fonds Abdij Ninove, no. 26, fo 25 ro, pachtbrief betreffende Ninove [Ninove, 1440]. Ende gheen stuc in sinen lesten drie jaren veransayen ende yeghelyc stuc te latene int afscheyden van synder voerseyde pachtingen, Rijksarch. Brussel, Kerkel. Arch. no. 12-675, betreft Hof Ter Cluysen [Klooster v. Jericho te Brussel, 1470]. Ende ten lesten van hueren pachte ende jaerscharren, zo en zullen die voors. pachters binnen den lesten drie jaren gheen landt moghen veranchaerden noch ooc eenich mest vuytvueren, Stadsarch. Gent, reeks 301/64, 124 vo, pachtbrief betreffende Massemen [Gent, 1497]. Al waert dat een pachtere t'goed veransaedt hadde, zoo en es hy daeromme niet ontsleghen van pachte, maer toespreckelick by den meestere van schaden ende interesten; te wetene, om den dobbelen pacht van elcken bundere dat hy veransaedt heeft, Cost. Kw. v. Gent 30 [Kortrijk, 1557]. De welcke partien van lande... den voorn. pachtere ghehauden es ende werdt wel ende loofelicken te labuerene met ghetydighe vrome... sonder de zelve te veransane oft oock voghelweede ende onghecultiueert te latene, Rijksarch. Gent, fonds abdij Ename, no. 247, fo 31 ro, pachtbrief betreffende Vloesberg [Ename, 1558]. Den pachtere (en sal) nyet vermoegen de voerschreven goeden te verhantsayen oft verhoelvruchten binnen den voerschreven termyn maer wel lestelycken te moeten over mesten zou in dleste als indieiste ende besundere inde drye leste jaeren, Rijksarch. Brussel, Kerk. Arch. v. Brab., no. 11.831, betreft Hof te Alsingen, St.-Martens-Lennik [Brussel, 1623]. (De pachters) sullen schulden ende gehouden sijn de voors. landen wel ende loffelijck labeuren op hunne behoirlijcke voren soo wel die van de herte als somervruchten. Midtsgaders deselve thunnen coste jaerl. besaeden ende overmessen naer den heysch van voors. landen sonder die eenichsints te moegen verhantsaeden, Rijksarch. Brussel, Notariaat generaal v. Brab., no. 4419,
[p. 40]
betreft hoeve het Reynshuys te Zaventem [Brussel, 1658]. Dat de selve Pachters de Landen behoorelijck moeten labeuren, vetten, ende besaeyen, sonder de selve Landen eenighsins te moghen verhantsaeden ofte bederven, Vl. Placcaertb. 3, 416 [Gent, 1671]. Den pachtere (en zal) de voorscreven landen nyet moegen verhantsayen oft verholvruchten op pene van de schade ende interest aen die vanden goidshuyse te moeten goet doen, Rijksarch. Brussel, Kerk. Arch. v. Brab., no. 11.767, betreft ‘pachthof... titterbroeck van den goidhuyse vande Chartreysen binnen... Brussele’ [Brussel, z.d. (1675)]. Sonder die (goederen) te misbruycken: met de Landen te verhandtsaeden, de Meerschen ende Weeden te scheuren..., de Haeghen en Kanten te destrueren, de Huysinghen af te trecken, ofte laeten vervallen, ende soo voorts, Vl. Settinghb. 80 [Gent, 1694]. Zal den Pachter... alles voorder doen 't gene ordinaire Pachters... gewoone zijn te doene, sonder de Landen te verhandsaeden, de Meerschen te scheuren, ende de scheuten van de Bosschen ende Kanten door syne Beesten te laeten of eten, Vl. Placcaertb. 4, 328 [Gent, 1696]. Item, sal den pachter niet moegen verhantsaijen de drij leste jaeren van sijnen termeyen ten waer hij het eerste van dese drij jaeren hadde behoorlijck gebraeckt ende gemest in welcken cas hij sal moegen het selve landt besayen de twee leste jaeren met hardtgraen, Rijksarch. Brussel, Kerk. Arch. no. 14.794, betr. ‘'t hof tot Vaerenbergh’, Pepingen v.d. Priorij v. Klein-Bijgaarden [Brussel, 1756]. Dat de huerder de selve landen wel ende loffelyck sal moeten labeuren ende overmesten, sonder de selve te mogen verhandtzaijen, ten zij die behoorelijck mestende, in welcken gevalle den huerder in cas van scheyden sal genieten de hellight der herte graenen, Rijksarch. Brussel, Kerk. Arch. no. 5.724, betreft Hof te Landrode, St.-Genesius-Rode v.d. Abdij v. Cameren (Elsene) [Brussel, 1773].
- De inbreuk op de vaste vruchtomloop kan bestaan in het verbouwen van andere gewassen dan die of van meer gewassen (b.v. door het bezaaien van de braak, zoals in de meeste oude aanh. die volgen) dan waartoe men krachtens het pachtcontract, de zgn. ‘loyale pachtgemachtigd is. ‖ *Verantzaaien, verhandzaden, veransaan, b.w. dat men onder deze verscheidene vormen bij onze vorige schrijvers vindt in den zin van Een bouwland bederven met het gedurig te herzaaien zonder te laten rusten (d.i. zonder braak) De Bo [1873]. Verandzaden wil zeggen: de oorspronkelijke bestemming van de ‘zaden’ wijzigen; in een der ‘zaden’ een andere vrucht zaaien dan de traditionele ‘granen’. Zo bijv. een tweede wintergraan, of vlas of wouw in de zomerling; kemp in de winterling zaaien, P. Lindemans, Landb. 1, 102 [1952]. - Ende thoghe land sal de pachtre sayen twee waeruen in een mes ende terde jaar brake laten ende niet veransaden, Stadsarch. Gent, reeks 301/15, 16 ro, pachtbrief betreffende Zwijnaarde [Gent, 1399]. Item zo en mach de vors. Cornelis maer verandsaden binnen zinen achtersten drie jaren van desen termine alle jare viue buunre lants met wouden (wouw) of met zade (raapzaad) ende dan moet hij tvors. lant na dat verandsaet es wel doen messen, Rijksarch. Gent, fonds Abdij Ninove, no. 26, fo 14 o, pachtbrief betreffende Okegem [Ninove,
[p. 41]
1438]. Ende ne zal ne gheen lant verhansaden binnen den achtersten 3 jaeren met coren of andersins, Stadsarch. Gent, reeks 301/39, 114 ro, pachtbrief betreffende Wontergem [Gent, 1447]. Men verstaet, als een Pachtgoed, Lant oft Mersch ghegheuen es te Loyalen pachte, dat de Pachtere niet en vermagh tselue land te veransane: maer vermagh alleene twee vruchten in een Mess te zayene, ende moet tderde iaer braeke laten ligghen, Cost. v. Curtrijcke 24 [1558]. Eenen pachtere en vermach tghepachte landt niet te verant saeden, maer alleendelyk twee vruchten in een mes te sayen, op peyne van te betaelen schaeden ende interesten, Cost. Kw. v. Brugge, Kl. St. 2, 98 [Kaprijke, ± 1611]. Vermach den pachter t'lant... niet te verhandsaden, maer vermach alleenlick twee vruchten in een mes te saeyene... ende t'derde jaer moet het ligghen braecke, Cost. v. Avdenaerde 147 [1615]. Men verstaet als eenich landt ghegheuen es in loyaelen pachte, dat den pachter t'zelue niet en vermach te verantsaeyen, maer vermach alleen twee vruchten in een mes te saeyen, ende moet het derde jaer braeke laeten ligghen, Cost. v. Aelst 93 [1625]. - Door Teirl. 3, 237a [1922] nog vermeld in den vorm veronzaden (uitspr. -zaan), ‘veelal in 't verl. dw. veronzaad’. Als omschrijving geeft hij: ‘uitputten met er gedurig hetzelfde zaad (dezelfde akkervrucht) op te zaaien29). ‖ Da' land es veronzaad, Teirl. [1922]. Veronzaad land, Ald. [1922].
2) Naderhand ook m. betr. t. vruchten: met inbreuk op de vaste vruchtopvolging telen. Alleen aangetroffen in de vorm van een als bnw. gebruikt verl. deelw. verandzaad. ‖ Sal den pachter niet moegen verhandtsaijen de drij leste jaeren van sijnen termeyen ten waer hij het eerste van dese drij jaeren hadde behoorlijck gebraeckt ende gemest in welcken cas hij sal moegen het selve landt besayen de twee leste jaeren met hardtgraen, ende dat oppene dat al sulcken verhandtsaijt graen sal wesen geconfiskeert voor de vrouwe verhuerdersse, Rijksarch. Brussel, Kerk. Arch., no. 14.794, betreft ‘'t hof tot Vaerenbergh’, Pepingen v.d. Priorij v. Klein-Bijgaarden [Brussel, 1756]30).
3) Gewest. in Vl.; in fig. toepassing van de bet. 1). (Een ongehuwd vrouwspersoon) ‘schenden’, ‘bederven’, ‘misbruiken’ d.w.z. herhaaldelijk gebruiken31), ‘bederven liederlijkheid en ontucht’ (Teirl.). ‖ Da' maisk' es, mijn dzielke, veronzaad! Teirl. [1922].
[p. 42]



illustratie

Lokalisering.

De hierbij gevoegde kaart spreekt duidelijke taal: het woord verandzaden is overwegend Vlaams, Oostvlaams zelfs. Van een totaal aantal van 25 bewijsplaatsen vallen er 17 of driekwart binnen O.-Vlaanderen. Slechts twee plaatsen, of nog geen achtste, liggen binnen W.-Vlaanderen en deze laatste zijn merkwaardig genoeg tot het Kort-

[p. 43]

I
I, 1
verandzaden.........saden verantsaden verandsaden.........zaden veransaan
14de e.      
1365 Gent { verandzaden    
1365 Gent { verandsaden    
1367 Gent   veransaden  
1375 Gent   veranzaden  
1399 Gent   veransaden  
       
15de e.      
1438 Ninove verandsaden    
1440 Ninove verandsaden    
1440 Ninove verandzaden    
1447 Gent      
1470 Brussel      
1497 Gent      
       
16de e.      
1557 Kass. Kortrijk   veransaedt  
1558 Kortrijk   (heeft) te veransane
1558 Ename     te veransane
       
17de e.      
±1611 Kaprijke verant saeden    
1615 Oudenaarde      
1623 Brussel      
1625 Aalst      
1658 Brussel      
1671 Gent      
1675? Brussel      
1694 Gent      
1696 Gent      
       
18de e.      
1756 Brussel      
1773 Brussel      

II III
I, 2 II, 1 II, 2
verhan(d)saden verhand(t)saeden veransayen verantsayen verhandtsaijen............zaijen verhantsayen veranchaerden
14de e.        
1365 Gent {        
1365 Gent {        
1367 Gent        
1375 Gent        
1399 Gent        
         
15de e.        
1438 Ninove        
1440 Ninove        
1440 Ninove        
1447 Gent verhansaden      
1470 Brussel   veransayen    
1497 Gent       veranchaerden
         
16de e.        
1557 Kass. Kortrijk        
1558 Kortrijk        
1558 Ename        
         
17de e.        
±1611 Kaprijke        
1615 Oudenaarde verhandsaden      
1623 Brussel     verhantsayen  
1625 Aalst   verantsayen    
1658 Brussel verhantsaeden      
1671 Gent verhantsaeden      
1675? Brussel     verhantsayen  
1694 Gent verhandtsaeden      
1696 Gent verhandsaeden      
         
18de e.        
1756 Brussel     verhandtsaijen  
1773 Brussel     verhandtzaijen  

[p. 44]

rijkse beperkt; de volkstaal van W.-Vlaanderen schijnt de uitdrukking - wat nog iets anders is dan de ‘zaak’ - niet te hebben gekend, als we tenminste niet het slachtoffer zijn van het toeval32). Brabant is vertegenwoordigd met 6 plaatsen uit het Brusselse, dus zowat een vierde van het totaal; rekent men echter Ninove en Aalst, met hun sterk Brabantse inslag bij Brabant, dan krijgt men iets meer dan een vierde. Veelzeggend is ook dat de oudste citaten alle in Gent thuishoren. Zou verandzaden eigenlijk een Oostvlaams woord zijn dat een zekere expansie in oostelijke en zuid-westelijke richting heeft gekend? We durven de vraag niet in bevestigende zin te beantwoorden. Het lijkt echter geen toeval dat alleen de Oostvlaamse volkstaal, t.w. in het Zegelsemse, althans in de tweede helft van de 19de - begin 20ste eeuw, nog een relict van het oude, sinds het eind der 18de eeuw verdwenen verandzaden heeft bewaard.

Opvallend is verder dat de plaatsen waar het verandzaden wordt toegepast alle in het Vlaams-Brabantse kleigebied liggen*). Alleen Kaprijke vormt een vreemde zandeend in de kleibijt; bij deze tekst uit de Costumen heeft men blijkbaar aan slaafse overname te denken.

Vormen.

Uit het overzicht van de verschillende vormen van verandzaden op bladzijde 43 blijkt dat we twee typen kunnen onderscheiden: een type I met -zaden en een type II met -zaaien als laatste lid.

Type I omvat de overgrote meerderheid van alle gevallen (17 op de 25) en is duidelijk ouder; type II omvat slechts een minderheid (6 op de 25) en is in zijn geheel duidelijk jonger, waarbij de Brusselse plaats van 1470 weliswaar al vrij vroeg optreedt. Type I valt weer uiteen in 1 en 2. In 1 vindt men de vormen verandzaden, -saden, verantsaden, verder een variant met geassimileerde dentaal veransaden, -zaden, en een variant met d-syncope veransaan, die men later nog bij

[p. 45]

Teirlinck terugvindt. Type I, 2 is verhandzaden, -saden met hypercorrecte h, waarvan men reeds vroeg een voorbeeld vindt in het Gentse verhansaden van 1447; de meeste voorbeelden zijn echter eveneens jong, ze behoren namelijk tot de 17de en 18de eeuw.

Type II, met -zaaien als laatste lid, kent 1. vormen znder h, de oudste, en 2. vormen met h vóór -and-, welke laatste jonger zijn. Ik ben geneigd in het jonge en minder gewone II, slechts een papieren, althans hypercorrecte vorm33) te zien.

Of wij bij de hand-vormen (typen I, 2 en II, 2) mogen denken aan invloed van fr. main, dat eveneens voorkomt als een van de vele benamingen34) voor elk der drie afdelingen waarin het bouwland met het oog op de vruchtwisseling verdeeld werd, is niet waarschijnlijk; immers naast zaad, aard, gewand, seizoen, alle woorden met de betekenis ‘slag’35), schijnt ndl. hand in dezelfde betekenis niet voor te komen. Erg nodig is die invloed trouwens niet, want vormen met hypercorrecte h voor vocaal zijn in zuidelijk-Middelnederlandse bronnen geen uitzonderlijk verschijnsel.

Naast de typen I en II zijn nog een paar geïsoleerde vormen te bespreken.

De eerste veranchaerden [Gent, 1497] is een hapax en blijkbaar een contaminatie van veran(d)zaden met de synoniemen misaarden36) of ontaarden37), tenzij deze laatste alleen maar Haspengouws zijn geweest. Is dit laatste het geval geweest, dan zal men bij veranchaerden hebben te denken aan invloed van het met zaad synonieme znw. aard38).

De tweede is het merkwaardige relict veronzaan, veronzaden bij Teirlinck. In het licht van de oude citaten die alle op een praefix and wijzen, lijkt on- nogal verdacht, en zelfs nauwelijks correct. Men kan misschien denken aan veranzaan met een [a] die iets meer gesloten

[p. 46]

is dan de gewone [a], en de richting van de o opgaat, dus ± [⊃], tenzij Teirlinck eenvoudig een hem onbegrijpelijk voorkomend an- in een begrijpelijker on- heeft omgezet39).

III. Etymologie

Voorgestelde verklaringen.

Over de etymologie van verandzaden bestaan twee gissingen.

De eerste is afkomstig van De Bo, die in 1873, over de vorm verantzaaien, waaraan hij de voorkeur meende te moeten geven boven verandzaden, schreef: ‘Zou Verantzaaien dan misschien zooveel zijn als Verontzaaien, d.i. afzaaien, zoo dikwijls een land bezaaien dat het eindelijk af en uitgeput is?’. Deze gissing berust hierop dat ‘De West-Vlamingen, vooral in Veurne-Ambacht, zeggen ant- voor ont-, b.v. anthouden, antvluchten, antzeggen, enz.’. Verdam heeft deze gissing overgenomen blijkens zijn lemma *verontsaden, in deel VIII [1916] van het Mnl. W.

Deze gissing van De Bo is van weinig waarde, in de eerste plaats omdat er van verandzaden geen vorm met het praefix ont- valt aan te wijzen, in de tweede plaats omdat men een and-woord als verandzaden, dat in W.-Vlaanderen, afgezien van het Kortrijkse, niet bekend schijnt te zijn geweest, bezwaarlijk met een jonge klankverandering uit Veurne-Ambacht te lijf mag gaan.

De tweede is afkomstig van de broer van de schrijver der Geschiedenis van de Landbouw in België. In deel 1, 124, noot 22, van het genoemde werk leest men van de hand van dr. J. Lindemans: ‘Verand-

[p. 47]

saden... lijkt een volks-etymologische vervorming te zijn van mnl. verandersaten, “veranderen, verandering of wijziging aanbrengen; vervangen door iets anders” (Verwijs en Verdam); saten wordt zaden (veranderen van de “zaden”) en aarden (veranderen van de “aarden”)40)’.

De door J. Lindemans voorgestelde verklaring nu strandt o.i. op onoverkomelijke bezwaren. In de volksetymologie is er veel mogelijk, waarschijnlijk zelfs een verandering van een ouder saten in zaden. Voorwaarde echter blijft dat het volk dat verondersteld wordt te etymologiseren, twee woorden, het oorspronkelijke woord en dat waarnaar het eerste etymologiserend omgebogen wordt, inderdaad kent. Het znw. zaad, mv. zaden, kende men in Vlaanderen en Brabant ongetwijfeld, doch kan hetzelfde wel worden gezegd van verandersaten, dat het uitgangspunt, de oorspronkelijke vorm van het ‘volks-etymologische’ verandzaden zou zijn geweest? Het valt te betwijfelen. Immers verandersaten is, zoals duidelijk bleek bij de bewerking van het artikel veranderzaten voor het W.N.T., en zoals trouwens uit het Mnl. W. onmiskenbaar was op te maken, een woord dat slechts wordt aangetroffen in oostelijk-Nederlandse rechtsbronnen tussen 1387 en 1734. Een noordoostelijk, ‘Saksisch’ woord, waarvan de oudste bewijsplaats in 1387 gevonden wordt, kan bezwaarlijk in 1365 te Gent al gewijzigd zijn in verandzaden. Ook de volksetymologie heeft ten slotte haar grenzen! Niet alleen de geografie, doch ook de semasiologie verbiedt elke samenhang tussen veranderzaten en verandzaden. Veranderzaten betekende: 1) (Bedr.) In een andere hand brengen [1387-1500]; 2) (Wederk.) Zich in een andere staat brengen; bepaaldelijk hertrouwen [1438-1734]; 3) (Bedr.) Veranderen, wijzigen [1523-1734]. Wie in deze laatste betekenis voldoende reden tot samenhang met verandzaden, b.v. ‘veranderen van de “zaden”’41), ziet, mag bedenken dat verandzaden niet betekent ‘(de “zaden”) veranderen’, zoals J. Lindemans het woord etymologiserend

[p. 48]

omschrijft, doch ‘(pachtland) bebouwen in strijd met de in het pachtcontract beschreven vaste vruchtomloop’.

Het is verleidelijk, zelf ben ik er een ogenblik voor bezweken, in verandzaden een vertaling te zien van het gelijkbetekende ofra. dessaisonner ‘déranger l'ordre de la culture et des semailles’42). Immers fr. saison is de voortzetting van lat. satiônem, acc. van satiô ‘bezaaiing, inzaaiing’ (daarvandaan ‘zaaitijd’ > ‘tijd, seizoen’43)). Satiô staat tot het werkwoord serô ‘ik zaai’, zoals zaad staat tot zaaien. Behalve ‘bezaaiing kan lat. satiô44) ook betekenen ‘zaadveld, bezaaide akker’, evenals mnl. saet45), dat echter, evenals ofra. saison46), tevens de betekenis heeft: ‘elk der drie delen waarin bouwland onder het drieslagstelsel wordt verdeeld’47). Verandzaden kan echter onmogelijk een vertaling van ofra. dessaisonner zijn. In dit geval zou men immers *ontzaden, met privatief ont- verwachten, dat dan later door het praefix ver- versterkt, respectievelijk expletief verzwaard kon worden tot *verontzaden, met de klemtoon op -zad-. Een dergelijke vorm met -ont- is, zoals we gezien hebben, volkomen onbekend en komt niet in aanmerking.

[p. 49]

Nieuwe verklaring.

Van welke vorm moet men uitgaan?

Bij het zoeken van een nieuwere en betere verklaring van verandzaden moeten we de jongere vervormingen van dit woord, dus de vormen met -zaaien als tweede lid, en de varianten met -hand- en -on- ter zijde laten. Als we uitgaan van de oudste vormen, dus die uit de 14de eeuw, hebben we er slechts twee met varianten: verandzaden (verandsaden) en veransaden (veranzaden); hiervan kan de tweede, waarin de d geassimileerd is aan de voorafgaande dentale nasaal eveneens buiten beschouwing blijven. We houden dan alleen over verandzaden en verandsaden.

Waar lag de klemtoon?

Een belangrijke vraag die men bij de bestudering van verandzaden, verandsaden vanzelf stelt, is die naar de klemtoon. Deze vraag is bij mijn weten nog niet gesteld en ook niet beantwoord, of het zou moeten zijn door de bewerker van de zevende druk van Van Dale Woordenboek [1950], die bij een niet bestaand veronzaaien de klemtoon op -on- legt; bestond de vorm, dan zou men trouwens, in overeenstemming met mnl. veronreinigen, nndl. verontreinigen, mnl. veronschuldigen, nndl. verontschuldigen en dergelijke, de klemtoon op -zaaien verwachten.

De vraag naar de klemtoon hangt ten nauwste samen met de vorm van het praefix. And- met etymologische, resp. ant- met fonetische spelling is een oud nominaal praefix. We vinden het in verschillende mnl. woorden: andach ‘achtste dag na een kerkelijk feest’ (uit ant- -dach, eig. ‘tegendag’), ant-hovet ‘smalle zijde van een stuk land, gelegen tegen een weg of water’, ant-werde ‘tegenwoordigheid’, ant-willen, bijw. (eig.: op tegentijden), al(l)ame (met assimilatie < andlame) ‘gereedschap’, antwerp ‘tegen de oever aangeworpen land, aanwas’; we hebben het nog in antwoord48). Welnu, evenals het van antwoord

[p. 50]

afgeleide werkwoord antwoorden de klemtoon op het nominale praefix heeft, zo ook zal een werkwoord verandzaden, de klemtoon op het nominale praefix and- hebben gehad. Deze klemtoon is voor ons moderne taalgevoel niet storend.

Het praefix and-: ont-.

Naast het nominale praefix and- staat in het Nederlands het verbale praefix ont- (oeng. on-, os. ant-, ohd. int- (ant-), nhd. ent-)49). In oorsprong vormen ze een soort tweeëenheid; het zijn, evenals b.v. hd. ur-: er-, ‘verschiedene Erscheinungsformen eines identischen Wertes’50). Het werkwoord heeft daarbij steeds het praefix and-, het erbijbehorende, ervan afgeleide nomen het praefix and-, het erbijbehorende, ervan afgeleide nomen het praefix and- of meestal de vollere vorm anda-. Men vergelijke b.v. de volgende paren: got. and-ʹstaldan ww. ‘voorzien van’: ʹand-stald znw. ‘aanreiking, bijstand’; got. and-ʹsitan ww. ‘verafschuwen’: ʹanda-set znw. ‘gruwel’, ʹanda-sets, bnw. ‘te verafschuwen’; got. and-ʹwaurdjan ww. ‘antwoorden’51): ʹanda-waurdi znw. ‘antwoord’; got. and-ʹniman ww. ‘opnemen, ontvangen’: ʹanda-numts znw. ‘opname’, ʹanda-nems bnw. ‘aangenaam’; got. and-ʹbeitan ww. ‘schelden, bedreigen’: ʹanda-beit znw. ‘afkeuring, berisping’; enz. Aan de verschillende werkwoorden beantwoorden telkens nominale vormingen, verbale substantiva, zgn. verbaalabstracta, of adjectiva, zgn. verbaaladjectiva.

Het znw. *andzaad.

Aangezien nu verʹandzaden het nominale, beklemtoonde praefix and- bevat, is het duidelijk dat het werkwoord een denominatief is, dus gevormd moet zijn bij een nomen met beklemtoond and-. Dit nomen kan niets anders zijn dan een znw. *ʹandzaad, met etymologische, *ʹantsaat, met fonetische spelling. Als apart woord is deze oude formatie in onze taal niet tot ons gekomen; het is blijkbaar, evenals de

[p. 51]

meeste and-nomina, ten onder gegaan. Doch evenals in de naam van de rijke Brabantse koopstad aan de Schelde nog het mnl. znw. antwerp ‘aanwas langs de oever’ voortleeft, zo legt de afleiding verandzaden nog getuigenis of van het bestaan van een oud znw. *andzaad. Was dit woord reeds Oergermaans, dan heeft het *anda-sêðiz geluid52); in het Gotisch had het *anda-seþs kunnen zijn.

Het ww. verandzaden.

Van dit *andzaad is blijkbaar een causatieve, transitieve afleiding verandzaden ‘tot andzaad maken’, gevormd. Men kan ook denken aan een van *andzaad afgeleid werkwoord *andzaden ‘in andzaad brengen’, dat daarna door ver- zou zijn versterkt; verg. dan voor de vorming ʹantwoord > ʹantwoorden > verʹantwoorden.

Wat heeft *andzaad in verandzaden, d.i. ‘tot andzaad maken’, resp. ‘in andzaad brengen’, betekend? Got. and(a) beantwoordt aan gr. ἄντα ‘tegenover’, olit. anta ‘op, naar’, en is verwant met lat. ante (< *anti) ‘tegenover, vóór’, oind. anti ‘tegenover, vóór’53). Voor germ. *and(a) zal men dus wel eveneens een betekenis ‘tegenover, tegen’ mogen veronderstellen. Van ‘tegen’ gaat Schönfeld uit bij zijn verklaring van mnl. andach (< ant-dach), ant-hovet, ant-werde, ant-werp en ant-wilen. Men zou dus *and-zaad kunnen opvatten als ‘tegenzaad, verkeerd zaad’, en (een land) verandzaden als: ‘(het) met verkeerd zaad bestrooien’. Dit zou nog niet zulk een slechte verklaring zijn, want het bezaaien met verkeerd, in de zin dan van niet-passend zaad, b.v. zaad van handelsgewassen, kan uitputting van de bouwgrond tot gevolg hebben.

Men zal er echter goed aan doen te bedenken dat de praefixen bij verba en nomina dikwijls een sterk verzwakte betekenis hebben; mnl. ontbeven ‘vrezen’ b.v. of ontgrisen ‘een afkeer hebben van’ vormen een duidelijke illustratie van dit verzwakkingproces54). De etymo-

[p. 52]

logische grondbetekenis van het zwak beklemtoonde ont-, dat ten grondslag ligt aan tal van sterk beklemtoonde and-nomina55), t.w. ‘tegen, tegenover’, heeft zich namelijk ontwikkeld niet alleen tot die van ‘verwijdering van of uit iets’, ‘scheiding’, ‘het tegenovergestelde van hetgeen het grondwoord uitdrukt’, ‘ontkenning’ (waar ont- semasiologisch on- raakt), doch heeft ook een zuiver pejoratieve betekenis gekregen (b.v. mnl. ontstellen ‘in de war maken’) alsmede een louter versterkende kracht, zoals in het hierboven genoemde ontbeven en ontgrisen56).

Betekenis van *andzaad en van verandzaden.

De betekenis van and- in *andzaad wordt duidelijker als we naast dit nomen, met de klemtoon op het partikel, het werkwoord plaatsen, met de klemtoon op de stam, dat aan dit nomen ten grondslag zou kunnen liggen.

Bij de Middelnederlandse ont-verba nu is er inderdaad een, dat aan de vereiste voorwaarden schijnt te voldoen. In het Mnl. W. vindt men namelijk het artikel: ‘Ontsaeyen, zw. ww. trans. Eenen iet ontsaeyen, een stuk grond van een ander wederrechtelijk bezaaien’. Het berust slechts op de volgende aanhaling: ‘G. heeft enen man, geheten C., een stuc boecweitslants ontseeyt ende thuysgevoert (nl. de boekweit), ende die messen uut sinen vaelt gevoert, ende siin dac van sinen berch genomen’, Bijdr. Hist. Gen. 9, 116 [Utrecht, ± 1413?]. Bij ont- in dit ontseeyen komen we met een aanschouwelijke betekenis ‘tegen(over)’ niet ver. Ont- is hier blijkbaar verbleekt en heeft een pejoratieve inhoud die men, met Verdam, het best kan weergeven met ‘wederrechtelijk, onwettig’. Aan mnl. ontsaeyen zou een Gotisch *and-saian kunnen beantwoorden.

Bij dit Utrechtse, vroeg-vijftiende-eeuwse ontseeyen nu past het veertiende-eeuwse Gentse andzaad voortreffelijk, niet alleen formeel doch ook naar de betekenis. *And-zaad is geen ‘tegenzaad’, geen ‘ver-

[p. 53]

keerd zaad’, doch betekent blijkbaar ‘wederrechtelijke bezaaiing’, ‘bezaaiing die in strijd is met het pachtcontract, met de zgn. ‘loyale pacht’, vandaar: ‘wederrechtelijk bezaaid stuk land’. Het van dit znw. *andzaad afgeleide werkwoord verandzaden betekent dan als causatief: ‘tot wederrechtelijk bezaaid land (d.i. zaad “slag”) maken’, resp. als met ver- versterkt *andzaden: ‘in wederrechtelijke bezaaiing brengen’.

In verband hiermee kan men zich afvragen, of de omschrijving van het praefix and-, ant- als ‘tegen’, die men in Schönfeld § 161 vindt, en die op M. de Vries in W.N.T. II, 511-512 [1891] teruggaat, niet al te etymologisch is. Men schijnt ervan uit te gaan dat deze and-substantieven zonder meer mechanisch te ontleden zijn in and- ‘tegen’ plus nog iets57), terwijl men toch, bij sommige althans, zal hebben te rekenen met verbaalabstracta bij and- > ont-werkwoorden. Met de mogelijkheid dat het praefix in sommige gevallen in betekenis even sterk verbleekt58) is als het verbale ont-, waar het ten slotte mee samenhangt59), wordt blijkbaar niet gerekend. Is b.v. mnl. ant-werp wel noodzakelijk te omschrijven als: ‘tegen de oever aangeworpen land’? Zou ‘opgeworpen land, aanwas’ voor een ʹant-werp waaraan een werkwoord ontʹwerpen ‘opwerpen’ (Mnl. W. V, 1419, bet. 2.) ten grondslag ligt, niet juister zijn?*).

[p. 54]

Woordvorming.

Wat de vorming betreft zijn er enkele werkwoorden die zich tot op zekere hoogte, als denominativa namelijk, met verandzaden laten vergelijken, en wel zaden, bezaden en verzaden.

Van zaden vermeldt het Mnl. W.: een plaats uit de Vierde Mart. 466 van Hein van Aken (gestorven vóór 1330) (quade crude saden), naar een handschrift uit de 2de helft der 14de eeuw; en twee citaten uit Hor. Belg. 10, 22, 4 (met een variant saeyen), resp. 10, 23, 5 (variant: seyet), die volgens de Bouwstoffen, ontleend zijn aan twee Berlijnse handschriften, een uit de 15de, en een uit de 16de eeuw. Verder vermeldt Verdam nog een plaats: ‘saden. j. saeden, sayen. Serere’ uit Kiliaan, dat voor het eerst in de tweede druk van diens werk [1588] wordt vermeld. Dit zaden is een denominatief60) van saet, hetzij in de betekenis ‘wat gezaaid wordt’, hetzij in die van ‘bezaaiing’, welke laatste men insgelijks bij Kiliaan2 [1588] (saed, saedinghe. Sementis, satio) vindt.

Bezaden is in het Mnl. W. vertegenwoordigd met twee plaatsen. De eerste uit Rinclus 433-43461): ‘Men sal den sotten meester gaden Metten ossen, die tlant besaden’ [Brabants hs. Gent, 2de h. 14de e.]. De betekenis die Verdam voor deze plaats van besaden opgeeft, t.w. ‘bezaaien, en bij uitbreiding het zaad in den grond werken’ past niet. Het Franse origineel, Renclus de Moiliens, Miserere, strofe 35 heeft: Dou fol maistre ausi fache on Com du buef, ki por garison D'autrui toute jour trait et tire62). Beter is waarschijnlijk ‘bewerken’, wat semasiologisch bij saet ‘zaadveld’ past, zodat men bij dit besaden oorspronkelijk heeft te denken niet aan ‘bezaaien’, doch aan ‘aan zaden leggen: bebouwen’. In de volgende Vlaamse aanhaling uit P. Lindemans, Gesch. v.d. Landb. 1, 23: ‘Tende dese pacht so soude hij (de pachter) den nieuwen pachter laten aenveerden elc stic lants na sinnen achtersten oughst ende hem stede bewisen binnen den hove omme

[p. 55]

tlant te braken, te winnen ende te besadenen’ is dezelfde betekenis ‘bewerken’ ook denkbaar, al is ‘bezaaien’ even goed mogelijk. Hetzelfde geldt voor de volgende plaats: ‘(De pachters) sullen schulden ende gehouden sijn de voors. landen wel ende loffelijck labeuren op hunne behoirlijcke voren soo wel die van de herte als van somervruchten. Midtsgaders deselve thunnen coste jaerl. besaeden ende overmessen naer den heysch van voors. landen sonder die eenichsints te moegen verhandtsaeden’, Rijksarch. Brussel, Notariaat-generaal v. Brab., no. 4419, betreft hoeve het Reynshuys te Zaventem [Brussel, 1658]63).

Een betekenis ‘bezaaien’, zij het dan in oneigenlijke toepassing, vindt men in het volgende, in het W.N.T. vermelde, voorbeeld uit Van der Noot 120: ‘Dat men den vloer besade Teghen den avondt spade Medt bloemen... Tot een lustigh verciren’ [± 1580]. Ten slotte vermeldt het W.N.T. ook nog een betekenis ‘een vrouw of een vrouwelijk dier gebruiken’, met twee plaatsen: Franck, Wereltb. 62c [1595]; Ampzing, Bibels-tresoor 25 [1631]64). Tot zover bezaden voor zover het object het land, de grond, een vrouw (d.w.z. wat het zaad ontvangt) is. Het Mnl. W. heeft uit Cout. v. Gent 589 [1415] nog een plaats waarin als object ‘dat wat gezaaid wordt’ optreedt: ‘De somervruchten die in der houderigghen gront besaet waren’. Dit is opvallend en vreemd; de betekenis kan hier slechts zijn ‘zaaien’, zodat het praefix be- hier, als besaet tenminste geen schrijf-, lees- of drukfout is voor gesaet, expletief geworden is. Bezaden is een afleiding met het praefix be- van zaad in verschillende betekenissen: ‘zaadveld’, ‘wat gezaaid wordt’, ‘semen virile’.

Versaden tenslotte kent het Mnl. W. alleen als ‘verzadigen’ enz Daarnaast schijnt echter een homoniem voor te komen, dat een afleiding is van zaad ‘elk der drie afdelingen van bouwland’. In de betekenis ‘(land) in drie zaden leggen’ vermeldt P. Lindemans, Gesch. v.d.

[p. 56]

Landb. 1, 128, noot 44 een verzaden = fr. assoler; bewijsplaatsen hiervoor geeft hij echter niet65).

Verwante Germaanse vormen?

Het woord verandzaden heb ik niet in andere Germaanse talen terug kunnen vinden66); vele ver- formaties zijn trouwens tot een klein gebied, of tot een korte periode beperkt.

Het aan verandzaden ten grondslag liggende nomen *andzaad heb ik in de verwante talen evenmin kunnen ontdekken67). Ook raadpleging van vele werken betreffende het drieslagstelsel, waarover een enorme literatuur bestaat, heeft niets opgeleverd68); het was trouwens min of meer het zoeken naar een speld in een hooiberg.

Wat het werkwoord betreft dat aan *andzaad ten grondslag ligt, noch het Gotisch, noch het Engels (Oud-69), Middel-, Nieuwengels), noch het Oudsaksisch, noch het Middelnederduits, noch de Nieuwnederduitse dialecten schijnen het te kennen; ook een speurtocht in

[p. 57]

de Hoogduitse lexica (Oudhd., Mhd en Nhd., eveneens in bereikbare dialectlexica) bleef zonder resultaat. In de Skandinavische talen hoefde ik niet te zoeken, aangezien het verbale praefix and- daar reeds heel vroeg verdwenen is70).

Een bewijs ‘ex silentio’ is hier niet bijzonder sterk; er is immers veel uit het verleden dat niet tot ons is gekomen. Is het aan te nemen dat het tweelingpaar: het nomen *andzaad en het verbum ontzaaien, uitsluitend Middelnederlands zou zijn geweest? Dat ontzaaien in Utrecht optreedt, terwijl men *andzaad, blijkens verandzaden, alleen in Vlaanderen en Brabant aantreft71), wijst er op, dat de formatie ouder en algemener is geweest dan men uit de bewijsplaatsen geneigd is op te maken. Ouder omdat ontzaaien, blijkens *andzaad, eens *andzaaien, maar dan in een oudere vorm, moet hebben geluid; algemener omdat het Utrechtse ontzaaien het erbij behorende Vlaams-Brabantse nomen *andzaad in een wijder, namelijk in een algemeen-Nederlands perspectief plaatst.

IV. Samenvatting

Verandzaden, een oude Vlaams-Brabantse, met het drieslagstelsel samenhangende landbouwterm, was tot voor kort slechts bekend door enkele plaatsen uit de 16de en 17de eeuw, alsmede door een dialectisch relict uit het zuiden van O.-Vlaanderen. Thans blijkt dat het woord

[p. 58]

reeds vanaf 1365 door bewijsplaatsen, vooral in O.-Vlaanderen72), alsmede in een zuidwestelijke hoek van W.-Vlaanderen en in Z.-Brabant, te staven is. Verandzaden betekende: ‘(gepacht land) bebouwen op een manier die in strijd is met de vaste vruchtomloop van het drieslagstelsel; (het) schenden, uitputten door inbreuk te maken op de vaste vruchtomloop’. Het was synoniem met ofr. dessaisonner, desreer.

De pogingen tot verklaring die totnogtoe werden ondernomen, zijn onbevredigend. Uitgaande van de oudste en meest frequente vorm blijkt verandzaden een denominatief te zijn bij een niet aangetroffen znw. *andzaad, met de klemtoon op het praefix, dat beantwoordt aan het werkwoord mnl. ontsaeyen, met de klemtoon op de stam, waardoor ont- uit ouder and- is verzwakt. Uit de betekenis van mnl. ontsaeyen ‘wederrechtelijk bezaaien’ blijkt dat *andzaad moet hebben betekend ‘wederrechtelijke bezaaiing in strijd met het pachtcontract’, resp. ‘wederrechtelijk bezaaid stuk land’. Noch van verandzaden, noch van mnl. ontsaeyen (= got. *and-saian), noch van *andzaad (= got. *anda-sêþs) werden verwante Germaanse vormen aangetroffen.

 

Leiden

F. de Tollenaere