[p. 96]

Studentenhaver

Als men in het Woordenboek der Nederlandsche Taal het woord ‘studentenhaver’ opslaat, dan vindt men daar (dl. XVI, 254) als eerste bewijsplaats de volgende aanhaling: ‘Studenten-haver in mogelijke Peperhuisjes de Liefhebbers van drooge Snouperijtjes omgedeeld’, Titel (ao 1658). Men kan hieruit dus twee dingen leren: dat dit woord al ten minste driehonderd jaar oud is, en dat het de titel is van een, ik meen wel te mogen zeggen praktisch onbekend geschrift. Studentenhaver komt geheel overeen met het Duitse Studentenfutter, dat echter pas sedert de 18de eeuw bekend is; -haver staat hierin ook voor voer, zoals in stok- en vuisthaver voor slaag. Een studentenwoord is het overigens niet. Maar het is niet mijn bedoeling over dat woord verder uit te weiden; wij willen alleen het genoemde boekje eens wat nader bekijken.

Er bestaan tenminste twee uitgaven van, beide met het jaartal 1658 en met hetzelfde fictieve adres: ‘Gedrukt Voor den Lettervorst’, beide in klein octavo. De ene uitgave echter is zeer dicht opeen en vrij klein gedrukt, zodat er maar 128 bladzijden zijn, de andere is veel ruimer gezet en telt 162 bladzijden; de inhoud is in beide geheel gelijk. In de klein gedrukte komen vrij veel drukfouten voor die de andere niet heeft, zodat ik geneigd ben deze laatste, die helemaal een royaler indruk maakt, voor de oorspronkelijke uitgave te houden en de klein gedrukte voor een nadruk. Het exemplaar van die oorspronkelijke druk dat ik bezit is samengebonden met het tweede deel van de derde druk van ‘J.v. Vondels Poëzij;’ verschenen ‘Tot Schiedam: In de Oude Drukkerije, Anno 1660’, en dat is niet geheel toevallig: de Studentenhaver komt nl. typografisch, in letter, opmaak en vignetten, volkomen overeen met deze druk van Vondel en is ongetwijfeld bij dezelfde uitgever verschenen. Wie dit is, is niet bekend; Unger althans weet het niet, en ik heb niet gevonden dat er sindsdien meer licht over hem is opgegaan. Een merkwaardigheid van deze oorspronkelijke uitgave is nog dat in alle exemplaren die ik gezien heb het blad

[p. 97]

A2 ontbreekt, dit is het blad tussen de gedrukte titel en de opdracht; in mijn ex. is het duidelijk uitgesneden. Ik vermoed dat het een aanwijzing behelsde die tot identificatie van de auteur zou kunnen leiden en daarom in zijn opdracht verwijderd is. Als schrijver wordt op de titel genoemd ‘de Poéet van 't Gelukkig Eiland’ en er staat op beide uitgaven ‘Eerste Deel’, maar een tweede deel is er waarschijnlijk nooit verschenen; ik heb daar tenminste geen spoor van gevonden. Het boekje komt niet voor bij Van Doorninck en De Kempenaar, niet in de catalogus van de collectie Waller en in de bibliografie van Buisman, maar wel in de catalogus van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde (dl. I, 2, 343), die een ex. bezit van de uitgave die ik als nadruk beschouw. De Kon. Bibliotheek bezit beide uitgaven. In de catalogus van de veiling bij Van Stockum waarop ik verscheidene jaren geleden een ex. van de nadruk kocht en ook in die van de collectie Schepers, geveild in 1947 in Utrecht, heet het ‘zeer zeldzaam’, in de catalogus van de verzameling van Versnel verleden jaar eveneens bij de fa. Beijers geveild, wordt het zelfs ‘extremely rare’ genoemd, maar dit is, gezien alleen al de reeds genoemde exemplaren, wel wat overdreven. Geheel onbekend is het trouwens niet: Kalff noemt het tweemaal in het vijfde deel van zijn Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde, in het hoofdstuk ‘Poëtiek’, waar hij enige regels eruit aanhaalt, zonder op het boekje verder in te gaan. Daar het toch, als een der vele opera minora uit onze 17de eeuw, wel de moeite waard is het eens wat nader te bekijken, wil ik nu gaarne daartoe overgaan.

De inhoud bestaat uit vier duidelijk gescheiden delen, behalve de opdracht ‘Aan d'Heer N. Vivien’ en een berijmd voorwoord ‘Aan de Liefhebbers’, nl. een uitvoerige inleiding van 36 (resp. 26) bladzijden, een reeks korte gedichten, grotendeels epigrammen, genummerd van 1-100, een uitvoerig gedicht van ruim 600 verzen, waarop ik straks nog terugkom, en een ‘Tafelspelletje op het Trouwfeest van de twee die 't Paartje zijn’.

De inleiding behelst het volgende. De schrijver, lezende ‘in de Vaarzen van Tasso’, geraakt in sluimering en ziet dan ‘het edelste, genougelijkste, en meest geanimeerde afsetsels van een volkomen

[p. 98]

natuur’, een prachtige lusthof met een meer, een kristallijne beek, heuvels, bossen enz., die hem direct tot poëzie inspireren, en er volgt dan een loflied op de lente. Hij wordt gestoord door ‘de groetenis van een gants eerwaardigen, deftigen, nochtans vriendelijken Grijzaart’, die, des gevraagd, zegt dat hij is zijn ‘Aartsengel..., hier gekomen ... om mij een rustig vernougen te doen hebben in 't gene ik immer meest gewenst had’. Deze leidt hem weg uit de lusthof, hoezeer het hem ook spijt dit oord van eenzaam genot te moeten verlaten. Hij spreekt daarbij deze merkwaardige woorden:

‘Gij verlaat met hartzeer de eenzaamheid, die u tot heerlijk onderhoud van poëtisse gedachten, zoo welgemaakt scheen: Maar leer van mij, dat woeste en eenzame gedachten nergens ooit op uitvallen, als op buitensporige wanschepsels van ontmenste herssenen, die men Romans noemd; ten zij dezelve, haar inhoud niet, maar alleen de gepolijsterde verhandeling daar van, aan afgezonderde plaatsen schuldig zijn. De Poëzij is niet alleen tot vermaak, maar ook tot voordeel van de menschen, in de Wereld gekomen. De ziel van de Poëzij is wetenschap en ervarendheid: Men haalt die in geen wildernissen, maar in 't binnenste van 't menschelijk gewoel. ... De menschelijkheid, zonder omslag van verzierselen, is 't beste voorwerp van geen vergeefsche Poëzij. Om een mensch te bewegen, moetmen bekende menschelijke driften, en voorvallige daden of prijzen, of straffen, na dat zij 't waardig zijn’.
Onder deze woorden zijn zijn gekomen bij ‘een ongemeen vermakelijke hoogte, die bij na onzichtbaar rijzig, maar allenx zich puilig verheffende, boven op met loofrijk groen en aangename gaarden bekorelijk bezet was’. Op deze heuvel bevindt zich een uitgelezen gezelschap, ‘een ruime sleep van alle soorten der wellevende: de staat, de geleertheid, den oorlog, de jofferschap, de mannelijke deugt, de ouderdom, en al wat elders merkelijk onderscheiden is, was het alleen hier niet: Ijder was'er deftig, wijs, dapper, teeder, beleeft, en oudt ... men zag'er niet als omhelzingen en minnelijk handdrukken: de ouwde ontmoeten de jonge, de jonge de joffers, en zij elkanderen, zonder heerschappij, zonder slavernij, zonder hoovaardij’.

Dit gezelschap vermaakt zich op de edelste wijze, ‘nergens bespeurde men uitsporigheid, nergens vielmen onverstandelijk de reden af, nergens wierd de eerbaarheyd, en de godvruchtigheid ten schimpe, iet smade-

[p. 99]

lijkx voortgebracht’. Langs de helling van de berg echter stroomt ‘een sterke en verslindenden waterval’, welke menigeen die zich erbij waagt meevoert naar beneden. Daar heerst een bont gewoel, zeer verschillend van de harmonie die boven op de berg gevonden werd. Er volgt dan een uitvoerige schildering van alle onmatigheid en buitensporigheid die men in de wereld kan aantreffen in drinken, roken spelen, vechten, vrijen enz., ook in de wereld der poëten: ‘in de meeste vergaderingen dezer zinnelooze, bevondt ik 'er al eenige, die 't mij deerde, dat zij haar verstandt niet beter gebruikten: maar 't scheen hun genoug, wanneer zij 'er spitsbroeders rechts bewegen konden, met iet, dat 'er beviel in de handen te doen klappen; en van het gedommel dezer verzope hallifstomme en domme wijngaartzwijnen, hun den naam van Poëet te hooren toe knorren.’ De stroom voert sommigen naar een moeras, waaruit zij ‘beslommert(,) beslobbert en onzienlijk’ boven komen en ‘De goddeloosheydt wat nu haar ongeveinsde belijdenis. Behalven haar voorige ontuchtige, dolle dartelheid ..., verdachten*) zij nu openbare godtslasteringen, straatschenderijen, gewelt, strooperijen, en de snootste en meer als hoerachtige geilheid ..., daar dan in 't gemeen een galg, een rat, een gevangen(-) rasp(-) of Gasthuis haar van trooste’. Maar het ‘schrikkelijxte, ijzelijxte en meest doemelijke van haar treurig noodelot was haar vervarelijk einde’, nl. dat zij ten slotte, alle berouw verwerpende, ‘haar zelven vervloukende, Godt lasterende, de Fortuin en haar makkers doemelijk scheldende’, zich ‘overgeven razende in de grootste, wanhopigste en woedigste dolheidt der hatelijke hel, met heele duizenden storteden ... in den afgrondt der eeuwige straffen en onvergankelijke weedommen’. Bij dit tafereel, ‘door die vreesselijke ondermengeling van helsse duisternissen’, verliest de schr. ook zijn geleider uit het oog en ontwaakt, ‘in 't vertrek van mijn oeffeningen, noch verzelt van dien Torquaat, die ik al ten deele geloofde oorzaak geweest te zijn, van de vreemdigheid, zoo even verhaalt’. Hij overdenkt zijn indrukken en meent dat die ‘wel verdienden niet vergeten noch verzwegen te worden’ en plaatst ze als voorrede tot zijn dichtstukjes, ‘een deel gerijmde olletjes, al over een wijl tot de Pers gedoemt’.

[p. 100]

Wat dan volgt is, zoals ik reeds even aanduidde, een reeks van 100 korte gedichtjes, meest epigrammen, enkele ook wat langer, van enige tientallen regels. Het zijn grotendeels satirische en kritische stukjes in de trant van Huygens, maar zelden zo puntig, al vindt hij wel eens een aardige wending; zo b.v. in een der weinige politieke hekeldichtjes, nr. 6, dat tegen Cromwell gericht is, waar hij zegt:

 
Helas, het kromt wel vroug, dat haast een haak zal worden
 
Waar aan zich Vorst en Rijk t'erbarmelijk verhang!

Kritisch toont hij zich herhaaldelijk tegenover verschillende dichters en litteraire modes. De klassieken moeten het nogal eens ontgelden; de ‘oude Roomse Dichteren’ vindt hij ‘ongeschikt’ (onbetamelijk), men moet hen niet te veel navolgen:

 
O ritse Martiaal, schelt vrij mijn Hollandse ooren
 
Voor ruig (om datme daar uw geile vaarzen doemt)
 
Ze zijn te teer, die onbeschaamdheid aan te hooren.
 
't Is kuisheid, dat gij in haar ruige boersheid noemd.
 
Men vint 'er anders, die geen Martiaal en zwichten,
 
Zoo eens haar losse pen aan dezen moedwil sla:
 
Dat weet de Dichter van zijn Roomse Minnedichten.
 
Maar zulke lieden wijst men hier met vingers na.

In nr. 19 steekt hij de draak met

 
Orpheussen, Cupidós, Minerven, Jupiters,
 
Junónen, Hippokreens, Kocytussen, Apollen

waarmee ‘Rijmelot’ hem aan de oren leutert.

Ettelijke malen geeft hij steken op Jakob Cats, b.v. in nr. 51:

 
Mijn Boukjen is wel goed, maar al te ras doorlezen,
 
Zoo klaagt gij. Wel voug hier en daar wat tussen in
 
Van echter evenwel en des al niet te min;
 
Zoo zal 't wel haast zo groot als uwen trouring wezen.

In nr. 21, van Joost, ‘die na d'hooge School zouw reizen’, maar daar mislukt, omdat hij ‘hing liever na de Meit’, wordt dit geweten aan

 
Het tochtig jeuken, dat den armen hals voor dezen
 
Al Katsig had gemaakt van veel in Kats te lezen.

In nr. 27 geeft de naam Cats hem een gewaagde woordspeling in de mond met een onnet Italiaans woord dat daar veel op lijkt en dat in

[p. 101]

Italië iedereen in de mond heeft. Het zoëven genoemde gedichtje van Joost die naar de hogeschool zou reizen doet blijken dat hij ook Vondel goed kent:

 
Doe Joost na d'hooge School zouw reizen van zen Moêr,
 
Was heel de Hekelbuurt, om zijn vertrek, in roer,
 
En riep hem duizent maal verslagen toe, wel jemi,
 
Maar zestien jaren oud, en reets na d'Akedemi!

Nr. 73 is gericht tegen Anna Maria van Schuurman, van wie hij vermoedt dat zij niet alles zelf heeft geschreven wat zij uitgeeft:

 
Daar Voet haar buirman is, zoo krijg ik vaak vermoen:
 
Zy slacht de groote luy ...
 
Hetgeen zij niet en kan, dat laat s'er buurluy doen.

Wat zijn politieke opvattingen betreft: hij is orangist. Er zijn twee lofdichtjes op de prins, d.w.z. op Willem II, maar diens laatste buitensporigheden keurt hij niet goed, blijkens nr. 99: ‘Op de Goude Penningen naar 's Princen dood te Amsterdam gegoten: en den volgenden Staat des Lands’:

 
De teugel van dat groot gebied
 
Past d'onervaare Jaaren niet
 
Van hem, die tweede Phaëton
 
Zijn vaders paarden niet verston:
 
Maar hollende, op gelijke tijd,
 
Geraakte toom en leven quijt.

In het godsdienstige is hij tegen enghartige opvattingen, zoals blijkt uit nr. 9, ‘Op de Neuswijze’:

 
Oudt Gereformeerde Geuzen,
 
Met jou ingetrokke neuzen,
 
En jouw brauwen omgekant,
 
Burgerbroêrs van Waterlant,
 
Warrenarren, Agrippijnen,
 
Dombekrompe, vijze grijnen,
 
Nijdige haters van de vreugd
 
Die gij niet genieten meugt enz.

maar hij voelt ook niet voor vrijgeesterij, blijkens nr. 83, ‘Op een Vrijgeest’ waar hij op diens loochening van het bestaan van duivels antwoordt:

[p. 102]
 
Wat schoeyt gij mijn verstand op wonderbare leesten?
 
Ik twijfel, maar nochtans (gaat uw gevoelen wis)
 
Geloof al, na den ban der wezentlijke geesten,
 
Dat hij, die u bezit, een dommen Duyvel is.

Uit het gedichtje Aan Dordrecht (nr. 28) spreekt een sterk lokaal patriottisme, waaruit men zou kunnen opmaken dat de dichter uit die stad geboortig is:

 
Wat klaagt mijn Stroomgoddin van haar verzonke Dorpen?
 
Ay scheldt noch Godt, noch Maas. Hij zwolg dien rijkdom in
 
Om namaals t'uwer gunst die weder uit te worpen
 
In uw geliefden schoot, ten offer van zijn min.
 
Dat zaagt gy sedert al, doe gy (de wrok der buuren)
 
Gebiedende Mevrouw op ruimer stroomen zat:
 
En telde binnen uw meermaal gerekte muuren
 
In ijder steeg een Dorp, in ijder straat een Stadt.
 
Ga nu, doorluchte Maagt, en spring te rug in 't Weiland.
 
Uw gullen aanwas eist de landdijk voor zijn wal.
 
Ja maak een Stadt van heel het omgelegen Eiland:
 
Het schijnt dat hier Fortuin haar zetel vesten zal.

De achtste regel hiervan is duidelijk ontleend aan Huygens' gedichtje op Den Haag in de Stede-stemmen, waar hij dit noemt ‘Dorp der Steden een daer Yeder Straet een Stad is’ en in het algemeen kan men zeggen dat Huygens het grote voorbeeld van onze dichter is, al noemt hij hem nergens. De talrijke epigrammen op pronkers en fatjes, drinkebroers, sukkels en grootsprekers, galante vrouwen en bedrogen echtgenoten zijn geheel in zijn stijl. Een directe navolging geeft nr 89 te zien, dat getiteld is ‘Een gevorderde Broodrot’:

 
Hij is een misdragt van een adelloos, gemoed:
 
Door leuyjicheid gekipt, door heerszucht onderhouwen
 
 
 
Een Kooning in den raad van 't schalidakken huis.
 
Een steêkind van ontzag, Een Calviniste queeker:
 
Of Geuze Iezuwijt, maar dolende onder 't kruis
 
 
 
Een zuffer in de spraak der droomende Rabinen.
 
Een Christe Griek, maar een Barbaris Latinist.
 
Een wat in elke taal, doch alles in de zijne.
[p. 103]

Men hoort het direct: dit is de trant van Huygens' Zedeprinten, diens aaneenschakeling van parallellen en antithesen, die hier op de voet gevolgd is, maar het geheel is lang zo pittig niet.

Tot een modegenre behoort ook nr. 43, Pallas Geboorte, dit in de burleske trant van Focquenbroch en Van Rusting geschreven is. Wel is dit een heel vroeg specimen in dit bundeltje van 1658, als men bedenkt dat de eerste bundel van Focquenbroch, die bij ons als de eerste beoefenaar van het genre geldt, pas in 1665 verscheen.

Hiermee besluit ik het overzicht van de eerste afdeling van de bundel en kom nu tot het grote gedicht dat de schr. als zijn hoofdwerk beschouwt en dat getiteld is Carthesius Renatus. Dit gedicht van 635 verzen is een repliek op een aanval op Descartes van zekere niet genoemde dominee, die hier als ‘droeve uil’ en ‘wufte dwerg’ wordt aangesproken omdat hij het waagde zich met schrijvers idool, zijn ‘Arend’ en zijn ‘Zon’ te meten. Aanvankelijk dacht ik dat dit wel Gijsbertus Voetius zou wezen, de bekende Utrechtse hoogleraar en hardnekkige bestrijder van Descartes, vooral omdat in enkele inleidende regels gesproken wordt van Gijs Swartrok en Voetius juist omstreeks deze tijd twee pamfletten tegen Descartes had laten verschijnen onder het pseudoniem Suetonius Tranquillus: Staat des geschils over de cartesiaansche Philosophie, en Nader openinge van eenige stucken in de cartesiaansche philosophie raeckende de Heilige Theologie. Nu krijgt in het gedicht Voetius tegen het eind ook wel een veeg uit de pan, maar de eigenlijke boosdoener is toch een ander. Bij het zoeken naar de pamfletten van Voetius in de portefeuille 1656 in de U.B. te Leiden vond ik daar tot mijn verrassing het gedicht dat ons op het ogenblik bezighoudt als afzonderlijke uitgave aanwezig. De tekst is geheel dezelfde als in de latere boekuitgave, maar aan de kop en aan de staart vindt men enige dingen die deze niet vertoont, een ondertitel namelijk en een nawoord, waaruit de aanleiding tot het schrijven van dit hekeldicht zonneklaar blijkt. De volledige titel luidt hier:

Carthesius Renatus. ‖ Ofte naakte ontblooting der nijdige ‖ Domme-Kracht: ‖ Onder den schijn van Gods-ijver, ‖ Tegen de Leere van Descartes verborgen: ‖ En eerst in't Hollands de Gemeente bekend gemaakt door ‖ J. du Boys. ‖ Invidus alterius rebus macrescit opimis. ‖ Hor. ‖ [lijntje] ‖ Gedrukt in't gelukkige Eyland, 1656.

[p. 104]

Het is een kwarto boekje van 24 bladzijden (paginering (3)-(23), signatuur A2-C3; laatste bladzijde blanco); op blz. 23 staat de volgende

Na-rede

Aan den geduldigen
LEZER.

De oorzaak, die deze Antwoord op J. du Boys eerste Boekjen tot noch toe heeft achter gehouden, is het geval van den Maker zelfs geweest; die, uyt de ongeruste staat sijner eeuw, in een veel zaliger vernoegen is over-gegaan, de vrucht sijner arbeyd, voor die tijd te beleven, belet wierd. De oorzaak die'er nu te voorschijn brengt, is, zoo veel (l. wel) het duurzaam onbescheyd van Luy, die kleyn van begrijp, al wat'er herssens overstijgd, of verachten, of benijden; als het aan-houden van zommige, zoo oprechter, als geleerder Voorstanders der onweder-sprekelijke waarheyd, die de krachtelooze domheyd zoo onredelijk tegen de borst steekt. Het eyge Hand-schrift van onze Poëet, was mijn voor-zorge toe-vertrouwd: en ziet het hier naar de letter onder de Pers over-zien. Mijn Gemoed betuygde mij, beneffens mijn Verzoekers, dat het niet anders dan een heylzame Plaaster op een stinkend Geswel was, hetwelk zonder Corisijf niet geneesbaar scheen. Draagt dan u na-bedunken met u, maar zonder voor-oordeel: en besluyt niet, zonder over-wogen te hebben: gelijk het rechtschape Zielen past, niet na'er Meesters, maar na de redelijkheyd geleerd te zijn. Vaart wel.
J.D.L.M.P.

Deze Jacobus C. Du Boys of Du Bois was van 1646 tot zij dood in 1661 predikant in Leiden en schreef enige traktaten tegen Descartes, en wel als antwoord op twee geschriften van de bekende Cartesiaan Lambert van Veldhuyzen (zie N.B.W. IV, 1368 vg.), getiteld ‘Bewijs dat het gevoelen van die genen die leeren der sonne stilstandt en des aertrycks beweging niet strydich is met Godts Woort’, en, als tweede uitgave daarvan: ‘Bewys dat noch de leere van der sonne stilstant en des aertryx bewegingh, noch de leere van de philosophie van Renatus Des Cartes strijdig syn met Godts woort’. Het geschrift van Du Bois waarop ons hekeldicht reageert draagt als titel: ‘Naecktheyt Van de Cartesiaensche Philosophie, Ontbloot in een Antwoort Op een Cartesiaensch Libel, Genaemt Bewys, dat het gevoelen van die gene, die leeren des Sonne stilstant, en des Aerdtrijcks beweging niet strijdig is met Gods Woord’ (Utr., J.v. Waesbergen, MDCLV).

Daar het hekeldicht reageert op het antwoord van Du Bois aan Van Veldhuyzen en er dus drie teksten in het spel zijn, zou het wat

[p. 105]

ingewikkeld worden alle zetten en argumenten hier op te sommen en te vergelijken. Van Veldhuyzen was al begonnen met een vrij scherpe toon aan te slaan tegen de predikanten, die, zegt hij, wetende dat Des Cartes' stelling van het bewegen van de aarde om de zon ‘onmoghelick met natuyrlicke reden om verre te stooten’ is, besloten ‘de kap van de kerck (te) nemen en makender Godts saeck van, leeren dat het gevoelen is strijdigh met de klare Texten van de Schrift, diemen niet sonder godloosheyt ontkennen kan’. Hij verwijt hun dus een theologische zaak te maken van een philosophisch dispuut, ‘en alsoo sy meenen dat het grootste deel van de Theologanten voor haar is, die het als in erfpacht hebben de Schrift uyt te leghen: ende der Philosophen oordeel, als in dat gildt niet zijnde, niet t'achten staet, soo seggen sy’ enz. enz. Hiermee heeft men nu de poppen aan't dansen, want Du Bois betoogt natuurlijk dat het wis en zeker de taak van de theologen is de Schrift uit te leggen en dat ‘de Theologie moet niet wijcken voor de Philosophie, maer de Philosophie voor de Theologie’. Uitweidende over de beginselen van de verklaring van de Schrift volgens de Cartesianen, stuit De Bois op ‘een swaer stuck’, namelijk ‘dat het kan (volgens D.C.) gebeuren dat in fundamenteel verschil (ten aanzien van de schriftuurplaatsen) de reden alleen moet oordelen’ en dit kan hij niet aanvaarden. ‘Wy weten wel’ zegt hij (en in de onbeholpen formulering die volgt spreekt duidelijk het grote dilemma waarvoor het cartesianisme de theologen van de oude stempel plaatste), ‘wy weten wel dat wy in alle fondamentele stucken moeten oordelen met reden en verstant, doch ons verstant en oordeel moet niet gebouwt zijn op ons verstant noch op natuurlicke redenen, maar alleen op Godes woort, en het is den aert van een rechtgeloovich mensch, zijn verstandt gevangen te geven onder de Goddelicke getuygenissen’. Daarom, zegt hij, is het te betwijfelen ‘of er oyt Secte geweest of noch is onder de Christenen, die gevaerlicker dingen heeft willen invoeren om de eerste gronden van de chr. Religie los te stellen, als dese’. Terwijl de aanhangers van Des Cartes deze houden voor ‘een Mahomet en Profeet’ en niet verdragen kunnen dat hij wordt tegengesproken, spreken wij, zegt Du Bois, ‘voor de vasticheyt en sekuurheydt van Godes H. Woord’ en waar de Cartesianen de vrijheid in

[p. 106]

het geding brengen, zegt hij ‘datter voor desen tegen galgh en rat is gevochten geweest, is niet geschiet voor de Cartesianerie, maer voor het suyvere geloove in Christus’.

De schr. van ons gedicht Carthesius Renatus begint nu, na de in dit soort strijdschriften gebruikelijke invectieven, waarbij het geschrift van Du Bois wordt gekarakteriseerd als ‘een gerel van redelooze Wijven, Dat heel de Appel-kaay of Vis-markt over-kraayd, Vol drift: ten deel versierd, ten meesten-deel verdraayd’, met hem te verwijten dat hij tegen Des Cartes persoonlijke argumenten in het geding brengt die tot de zaak niets afdoen, nl. dat D.C. katholiek was, een leerling der jezuieten en halsstarrig in zijn geloof. Het is curieus te zien hoe Du Bois in zijn tweede geschrift reageert op dit verwijt, dat ook Van Veldhuyzen hem gemaakt had in de tweede uitgave van zijn Bewys. ‘Wat my belanght’, zegt hij, ‘ick heb op saecken gegaen en niet op persoonen’, maar vijf regels verder verwijt hij v. Veldhuyzen dat deze zijn argumenten niet weerlegt en sommige niet eens noemt, ‘als by exempel wanneer ick pag. 5 aenwys, wat een onverstandigh hartneckige Papist Des Cartes was’. Het is voor iemand van de beperkte blik die Du Bois toont te bezitten eenvoudig onmogelijk dit persoonlijke feit van Des Cartes' katholicisme niet als een argument tegen zijn leer te beschouwen. ‘Des Cartes was een Papist, een Afgoden-dienaer, een Discipel van de Jesuyten, een Versaker van den eenigen Salighmaecker Jesus Christus’, zegt hij op de eerste bladzij van zijn tweede geschrift, en daarmee is voor hem eigenlijk al helemaal beslist dat zijn leer verderfelijk moet zijn.

Het tweede argument van Du Bois was geweest dat de behandeling van Des Cartes' leer aan de hogescholen door de overheid verboden was, en terecht, omdat hij atheïsme leerde. ‘Dat’, zegt onze schr., ‘dat acht mijn oordeel hooger niet Als voor een looze greep, die op 't bewegen ziet Van 't kerk-gezinde graauw’. Dit bewijst dat Du Bois Des Cartes niet begrepen heeft, hij is geen atheïst, hij betoogt alleen dat

 
Het is onmogelijk tot God te konnen dringen
 
Door 't enkel inzien van vergankelijke dingen.
[p. 107]

Pas

 
als men reeds dien God met ware kennis eerd
 
Word ons daar uyt sijn Lof, maar hij niet zelf geleerd.

Niet uit de natuur en de wereld leert men God kennen, want anders zouden de heidenen hem ook gekend hebben, maar uit het ingeschapen vermogen tot de deugd:

 
De deugden zijn een teken
 
Dat yet, waar uyt die deugden spruyten, in hem leefd.
 
Zoo kendme dan sijn God. Zoo klimt men op met trappen,
 
Door 't spoor van ons begrijp, tot al sijn eygenschappen.

Verder betoogt de schr. hoe Du Bois Des Cartes verkeerd begrijpt of interpreteert ten aanzien van zijn leer van de schepping, van de aard der dieren en van de oneindigheid van de wereld, en dan spreekt hij uitvoerig over de kwestie van het draaien van de aarde en de stilstand van de zon. Waar ‘een konst, die zonder wank'len gaat’ (de wiskunde) leert

 
dat ja, de Zonne staat,
 
En d'Aarde draayd; wat maakt de zorg ons langer grijzer
 
In 't noôloos bijgeloof van Achas Zonne-wijzer
 
En Josuas bevel, dat Zon en Maan weer-hield?
 
Gods achting word daar deur niet minder hoe men't wield.
 
 
 
Maar zoo men hangen blijft aan 't geen de letter speld
 
(Doch zie ik geen waarom) de reden lijdt geweld,
 
En 't is niet zonder zond', dat wij de groote gonsten
 
Van God ons mee-gedeeld in zoo veel vaste konsten
 
Doen strijken voor het Graauw. Dat's sijn Al-wetenheyd
 
Een dankbaarheyd die wy hem schuldig zijn, ontzeyd.

In het laatste gedeelte van zijn gedicht uit de schr. nog eens zijn verontwaardiging over de persoonlijke aantijgingen tegen Des Cartes, nl. dat hij in zijn laatste ziekte de gewone medische hulp van aderlaten verwierp en dat

 
Sijn hulpe was sijn Dood,
 
Tobak en Brandewijn. O laster! daar uyt nood,
 
Noch lust, hij geen van bey, ooyt drinken kon of zuygen.
 
Waard zijt gij, datme naar u eynde, van u tuygen
 
Mag, dat gij 't laaste pad met Judas treden gingt:
 
En u aan dit of dat wanhopig hout verhingt.
[p. 108]
 
Dus rust al uw gelijk op onverdraagzaam schelden,
 
Is uw' bewijs niet goed, de leugen doet'et gelden.
 
Gij weet, als Preek-heer, best, wij weten 't niet zoo naauw,
 
Wat tot de gunste diend van 't licht-geloovig Graauw:
 
Zoo vist gij die in Duyts: gelijk s'er eer-tijds visten
 
Te Uytrecht in't Latijn, bij herssens die sij wisten
 
Min tot yet groots bequaam: recht op die zelve Voet,
 
Van willens onverstand, en liegen, als gij doet.

Dit laatste is dus een veeg uit de pan naar Voetius, met wie Du Bois zeker heeft samengewerkt, blijkens een approbatie voor zijn tweede geschrift ‘Schadelickheyt van de Cartesiaensche Philosophie’, waaronder ‘Gisbertus Voetius, Tehol. Doctor & Prof.’ als eerste ondertekenaar staat. Trouwens ook zijn eerste geschrift was al gedrukt in Utrecht, hoewel hij zelf in Leiden woonde, bij dezelfde drukker die Voetius' pamfletten gedrukt had.

Het slot van het gedicht luidt:

 
Dit zong ik, daar de Maas mijn maagdelijke muuren,
 
Door-mengeld met de Ling en waal, koomt driftig schuuren;
 
Terwijl mijn ader los sprang, gaande door 't verdriet
 
Der boosheyd, die in 't graf geen dooden rusten liet.
 
Vraagd gij mij, hoe mijn hier de borgers mogen heten;
 
Dat moogt gij door bezoek, maar uyt mijn pen niet weten.
 
Mijn pot heeft hier geen inkt, tot schrijven van mijn naam.
 
Maar denkt daarom niet, dat ik mij mijn arbeyd schaam.
 
Neen. Neen. Ik vrees mijn maar voor u geweld te melden;
 
Die mij dien ijver al t'ondankbaar zou vergelden.
 
't Berispen, hekelen, en 't lasteren daar bij
 
Staat hier te lande alleen den Predicanten vrij.
 
Een ander duyk en swijg, want krijgen s'er gevoel of,
 
Voornamelijk raakt het haar, floks rold me van den stoel of:
 
En krijgt zoo onvoorzien een vals verdachte naam,
 
Tot wraak van sijn Partij, en straatjes praat bequaam.
 
Maar Domine, ik ben noch in mijn Vrijers jaren:
 
Nu past het mij mijn eer zorgvuldig te bewaren.
 
Die dat licht smeurig kleed niet keuriglijk en mijd,
 
Krijgt vaak een vlek daar in, die met den draad verslijt.
 
'k Weet wat een Pape tong in 't Houwelijk kan schaden,
 
En daarom laat ik mij voorzichtig dat ontraden.
 
Doch dat ontraden schaad u voordeel niet met al,
[p. 109]
 
Zoo gij maar weet, dat ik u niet ontloopen zal.
 
Wild g'u dan noch yet op dit voorval onderwinden:
 
En kraay niet wijt van huys. Gij zult u man wel vinden.
 
Zoo haast ik yet verneem, mijn antwoord is gereed.
 
Het puntje van mijn Pen is noch maar half ter sleet.

Het gedicht is, zoals men ziet, geschreven in alexandrijnen met gepaard, afwisselend staand en slepend rijm.

Het laatste stuk uit de bundel is een tafelspel, een bruiloftsspel voor een niet nader genoemd paar. De personen zijn Cupido, de Speelnoten, Pallas, Mars en Venus. Cupido komt ‘van daar het lauwe zuiderwindjen eeuwig speelt’ naar de bruiloft om er zijn moeder te ontmoeten; in afwachting van haar komst schertst hij wat met de speelnoten. Dan komt Pallas op en er ontstaat een dispuut tussen haar en Cupido. Pallas prijst de zedigheid en verwijt Cupido dat hij al haar volgelingen van haar aftroggelt; Cupido verdedigt het huwelijk en betoogt dat de liefde de hoogste deugd is en helemaal niet van de dienst van Minerva behoeft te vervreemden, maar een maagd mag zich niet ‘aan zwaard of Boekkas binden’

 
Dat yemant in een Bouk met lust haar plicht doorziet
 
Is loffelijk: ik sta dat toe;
 
maar die teedere harssens meer
 
Te vergen, 't is van 't mal.

Kort daarna komt Mars op, die overal in Europa zijn ‘dienstbaar volk In 't harrenas gerust’ gezien heeft, behalve in Nederland:

 
De Leeuw is zonder moed.
 
Men rukt hem Vloten af, en Steên en heele Rijken.
 
't Is vreemt hij niet en wordt geparst zijn nest te wijken.
 
't Is al verlies voor d'hant: men vint geen Prinssen meer

waaruit nog eens schrs. prinsgezinde politieke opvatting spreekt. Pallas beklaagt zich bij Mars dat Cupido

 
zyn vier koomt stichten in mijn Zieltjes zonder erg,
 
En plondren onbeschaamt mijn teeren Maagdenberg

en wijst erop dat hij ook het rijk van Mars ondermijnt

 
en minnejankers maakt van moedige Soldaten.

Als Mars nu ziet dat ook de bruidegom een krijgsman is geweest,

[p. 110]

begint hij uit te varen tegen Cupido die hem heeft ‘de rijkste parel van mijn heldekroon ontdragen’. Tevergeefs brengt Cupido daar tegen in dat het juist de liefde is die tot de grootste heldendaden inspireert, Mars wil niet verder disputeren, ‘dit wijvig woorden hek'len Is mijn manier niet’ en hij maakt, aangespoord door Pallas, aanstalten Cupido eruit te gooien. Dan verschijnt Venus, en meteen is de grote mond van Mars toegesnoerd; hij onderwerpt zich geheel en belooft haar niet meer te zullen tegenwerken. Dan volgt een lang dispuut tussen Venus en Pallas; de laatste verzoent zich tenslotte met Venus als zij de toezegging krijgt

 
dat niemand onzer reyen
 
Zich, door uw toedoen, van haar Speelgenoots zal scheijen;
 
Ten zy een andere, in haar plaats, 't gezet getal
 
Van zoo veel als'er was, weer effen maaken zal.
 
Zoo blijft mijn Maagdeberg ten minsten noch in 't leven:
 
Indien zy niet vergroot.

Alle drie de goden geven nu het paar hun zegen en vertrekken; Cupido blijft achter om de bruid bij te staan en zal

 
heel de Koets met al d'hoedanigheên
 
En stille lusjes van ons Heyligdom bekleên.

Hij neemt afscheid van de speelnoten en leidt de ‘zoete Twee’ weg, en daarmee is het spelletje uit.

Dit alles zijn natuurlijk bekende motieven. De uitwerking is niet onaardig, hoewel wat cerebraal, zoals bij deze overtuigde volgeling van Descartes niet te verwonderen is, en wat erg uitgesponnen, zodat om dit stukje alleen het zeker niet de moeite waard zou zijn deze vergeten auteur op te delven. Maar de beoefening van het bruiloftsdicht of -spel is nu eenmaal onafscheidelijk van elk dichterlijk optreden in deze tijd en het behoort dus ook bij het beeld van deze schrijver.

Wanneer wij nu trachten dit kleine opus in zijn tijd en in onze letterkundige geschiedenis te situeren, dan kunnen wij om te beginnen zeggen dat het in velerlei opzicht interessant is. Het zou mogelijk zijn, van dit boekje uitgaande een studie te schrijven waarin bijna alle aspecten van het geestelijk en letterkundig leven in Nederland in het

[p. 111]

midden van de 17de eeuw in een doorsneebeeld vertoond zouden kunnen worden. Daar is natuurlijk in de eerste plaats de strijd om het cartesianisme en in ruimere zin de strijd om en tussen rede en geloof, tussen traditie en nieuwe opvattingen, die het hele geestelijk leven in de tweede helft van de 17de eeuw heeft beheerst, en ook in de literatuur zoveel sporen nagelaten. In het grote boek van mevrouw Thijssen-Schoute over het Nederlandse cartesianisme komt de Studentenhaver niet ter sprake en ook de tegenstander van de auteur, de predikant Du Bois, die toch een aantal geschriften over het cartesianisme heeft uitgegeven, wordt slechts eenmaal terloops genoemd. Men kan mevr. Thijssen-Schoute daarvan nauwelijks een verwijt maken. Wie zich waagt op het terrein van de strijd om Des Cartes bemerkt al spoedig dat de hele literatuur daaromtrent een struikgewas is waarin men na twee stappen verdwaalt en waarin men zich een mensenleven lang moet verdiepen om er een overzicht over te krijgen. Het zou echter, zoals ik daareven zeide, mogelijk zijn een beeld van de geestesgeschiedenis van deze tijd te ontwerpen met het hier besproken boekje als uitgangspunt en het boek van mevr. Thijssen-Schoute als wapenmagazijn, om er toelichtingen uit te putten. Geschikt zou dit boekje daartoe zijn omdat het ook tot nog zoveel meer kwesties toegang geeft. In de inleiding geeft de auteur blijk zeer bepaalde opvattingen te bezitten omtrent de aard en de taak van dichtkunst. Hij begint, zoals boven gezegd, met de lectuur van Tasso en zijn droom van een heerlijk landschap, dat hem inspireert tot dichten. In de dichtkunst vindt hij, het blijkt ook uit allerlei terloopse opmerkingen, zijn diepste vermaak, en in oorsprong is dit een egoïstisch vermaak. De leidsman die hem uit de droomtuin wegvoert, zegt: ‘Gij verlaat met hertzeer de eenzaamheid, die u tot heerlijk onderhoud van poëtisse gedachten zoo welgemaakt scheen’. Zijn oorspronkelijke opvatting van de poëzie, het staat er expressis verbis, is dus eigenlijk niets anders dan de kunstopvatting van de romantiek: de natuur, de eenzaamheid, de zelfgenoegzame verdieping in ‘poëtische gedachten’. Het is pas door nadenken over de poëzie, door zijn cartesiaans rationalisme, dat hij haar leert zien als meer dan een zelfgenoegzaam vermaak. De leidsman zal hem leren ‘een rustig vernougen te hebben in 't gene (hij) immer

[p. 112]

meest gewenscht had’ en dat ‘de Poëzij is niet alleen tot vermaak, maar ook tot voordeel van de menschen, in de Wereld gekomen.’ In dit laatste klinkt genoegzaam Horatius' vermaning van het ‘utile dulci’ door, maar in hetgeen volgt leest men toch ook andere en eigen theorieën over literatuur en poëtica: ‘De ziel van de Poëzij is wetenschap en ervarendheid: Men haalt die in geen wildernissen, maar in't binnenste van't menschelijk gewoel. ... Vaste stof zonder Vaarzen, is een ey zonder zout: ijdle Vaarzen zonder stof, zijn saus zonder toespijs. Stof zonder voordeelig inzicht, is zoo veel als een windey. Fraje Vaarzen te konnen maken, doet zoo veel tot den naam van Poëet, als hakken, schaven, zagen, vijlen, slijpen, tot den roem van een Kunstig Bouwmeester: Maar iets fraais in fraje Vaarzen te konnen vatten, is het hert van de konst. Al de frajigheid bestaat in het levendig uitdrukken van 't geenme zeggen wil. voor zoo veel het tot leerelijken dienst van zijn medestrevelingen (sic) begrepen kan worden. De menschelijkheid, zonder omslag van verzierselen, is 't beste voorwerp van geen vergeefsche Poëzij. Om een mensch te bewegen, moetmen bekende menschelijke driften, en voorvallige daden of prijzen, of straffen, na dat zij 't waardig zijn’. Het zou zeker interessant zijn na te gaan welke voorgangers deze theorieën geïnspireerd hebben. Van de klassieken is de auteur zeker geen exclusief bewonderaar; uit enige geciteerde epigrammen is dit reeds gebleken en met onmiskenbare duidelijkheid zegt hij nog eens in de inleiding tot zijn bruiloftsspelletje dat hij daarin weliswaar klassieke namen gebruikt, maar dat hij dit niet doet ‘uyt zotte eerbiedicheid tot oude watjekallerijtjes, of uyt onwetenheid en gebrek van nieuwe vonden’, zoals genoegzaam blijkt uit de rest van zijn boekje, waarin hij ‘'t gantze zootje dezer griekze spookmakers, die onze verstanden zoo lang getyrannizeert hebben, op de Munstersche manier van Knipperdolling, in Vulkaans net opgegaart, en met honing van Himet besmeert aan het tipje van haren Helikon tot voedsel ophang(t) voor de Byen van Hijbla’. Ook deze anti-klassieke houding is rijkelijk vroeg. Van Hamel, in zijn boek over 17de-eeuwse opvattingen over literatuur, noemt Jan Vos als de eerste die, in de voorrede tot zijn Medea van 1667, de eigen meerderheid tegenover de Ouden betoogd heeft.

[p. 113]

Uit het bovenstaande blijkt dus wel dat deze schrijver van allerlei stromingen in de literauur en het geestelijk leven van het midden van de 17de eeuw een belangwekkende exponent is geweest.

Het antwoord op de bij de lezer reeds lang gerezen vraag: wie is deze dichter nu eigenlijk? moet ik schuldig blijven; het is mij niet gelukt hem te identificeren uit de initialen J.D.L.M.P. waarmee het nawoord achter de afzonderlijke uitgaven van het gedicht Carthesius Renatus ondertekend is en waarin M.P. wel een titel zal aanduiden (magister philosophiae?). Aangenomen mag wel worden dat hij uit Dordrecht of Gorcum stamde. Behalve de uitingen van lokaal patriottisme die daarop betrekking hebben en die ik boven gereleveerd heb, wijst daarop ook zijn vriendschap met N. Vivien, die uit een Dordsche familie stamde en (blijkens het gedichtje nr. 71) met de Gorcumer Joh. de Bruin, sinds 1640 hoogleraar in de wis- en natuurkunde in Utrecht, ook een voorstander van Descartes. De Kon. Bibliotheek bezit een album amicorum van N. Vivien met inscripties uit de jaren 1653/4, wat dus chronologisch wel dicht in de buurt ligt, maar zij hebben vrijwel alle betrekking op een studieverblijf in Wittenberg en een verdere reis door Duitsland; aan het slot staan er wel enkele uit Amsterdam, maar geen die met de letters J.D.L. te verbinden is. Zijn taal is, met vormen als hallif, veur en de spelling ou voor oe, duidelijk Hollands gekleurd.

In Dordrecht kan de onbekende schrijver stellig zijn enthousiasme voor Des Cartes hebben opgedaan. Er was daar een Latijnse school, die in 1635 tot Illustere School verheven werd en waar sedert 1627 Isaak Beeckman conrector was, die met Des Cartes persoonlijk bevriend was, evenals Colvius en Van Beverwijck, die er ook doceerden.

Leiden, dec. 1960

C. Kruyskamp