[p. 135]

Boekbeoordelingen

P. Brachin, La littérature néerlandaise. Paris, A. Colin z.j. (1962), kl. 8o. 208 blz.

In de ‘Collection Armand Colin’, waarin reeds een aantal talen en literaturen in beknopte monografieën is behandeld, is van de hand van prof. Brachin thans ook een deeltje over de Nederlandse letterkunde verschenen dat de reeks, die over het algemeen op hoog peil staat, alle eer aandoet. De behandeling is, in verband met de beperkte omvang van de deeltjes, uiteraard beknopt, maar men kan zeggen dat er niets van enig belang vergeten is. Alle belangrijke figuren komen tot hun recht in voortreffelijke korte karakteristieken van persoon en werk en het hele overzicht heeft, mede door korte historische inleidingen tot de verschillende hoofdstukken, voldoende reliëf. De middeleeuwen zijn verdeeld in drie perioden: 1170-1275, met Veldeke, de Reinaart, Karel en Elegast, Beatrijs en Hadewych als hoogtepunten; 1275-1430 met Maerlant, Ruysbroek en de abele spelen als exponenten; en 1430-1550 als overgangstijd, met de opkomst der rederijkerskamers, Mariken van Nieumegen, Elkerlijc en Anna Bijns. Verdere hoofdstukken zijn gewijd aan het eind van de 16de eeuw (de renaissance), de Gouden Eeuw, met de ‘grote vier’ Bredero, Hooft, Huygens en Cats, en Vondel als aparte figuur buiten het kader die uitvoerig besproken wordt, terwijl ook de Zuidelijke Nederlanden niet worden vergeten; het classicisme; de overgang van de 18de op de 19de eeuw met Bilderdijk en het Réveil als belangwekkendste punten, en de periode van 1830-1880, met onvermijdelijk Multatuli als ‘le seul grand écrivain’, al moet ook Brachin erkennen dat ‘la pensée de Multatuli n'a rien d'orignal ni de profond’. Daarmee is op blz. 108, op de helft van het boekje, reeds de beweging van '80 bereikt. De moderne literatuur beslaat dus bijna de hele tweede helft; dit is wel karakteristiek voor het verschil in opvatting omtrent de litteraire geschiedschrijving van heden en die van 75 jaar geleden, toen in een vergelijkbaar werk als de ‘Geschichte

[p. 136]

der Niederl. Literatur’ van Lina Schneider van de 824 blz. er 678 werden gewijd aan de tijd tot en met Bilderdijk: wat toen de moderne literatuur was, kreeg slechts ongeveer ⅙ van de plaatsruimte toegewezen! Brachin geeft van de periode sinds '80 een zeer volledig en zeer up to date overzicht, tot en met Achterberg en Anna Blaman. Aan het slot wordt een beknopte bibliografie gegeven, die zich echter beperkt tot werken in het Frans of een der andere moderne talen, daar het werkje bestemd is voor een Frans publiek; zij krijgt daardoor wel een wat fragmentair karakter. Aan zijn doel een niet-ingewijd publiek een duidelijk overzicht te geven van een der minst bekende literaturen van Europa beantwoordt het boekje ten volle en men moet bewondering hebben voor de beheersing van de stof die deze niet-Nederlandse auteur hier aan den dag legt.

 

Leiden, Juni '62

C. Kruyskamp

Woordeboek van die Afrikaanse Taal, Vierde deel H-I. Pretoria, Die Staatsdrukker, 1961.

Slechts vier jaar na het derde is in 1961 dit vierde deel van het W.A.T. verschenen, dat twee gehele letters bevat. De relatieve omvang is ten opzichte van het W.N.T. weer toegenomen: dit laatste wijdde aan de letters H en I 3214 kolom, het W.A.T. heeft er 2145 voor nodig, plus een ‘voorlopig bijvoegsel’ van 45 kolom; de verhouding is dus ruim 2 op 3, terwijl die bij de G 1 op 2,4 was. Deze toeneming wordt zowel veroorzaakt door een bredere behandeling als door verdere groei van het materiaal, en dit geldt zowel voor het taalkundige als voor het encyclopedische gedeelte. In dit laatste gaat men zeer ver; men zal hier veel behandeld vinden dat men zelfs in uitgebreide encyclopedieën niet (althans niet als lemma) zal tegenkomen. Onze bezwaren hiertegen hebben wij al eens uiteengezet; wij zullen deze dus hier niet herhalen. Gelukkig kan men constateren dat deze encyclopedische preoccupatie niet gaat ten koste van de aandacht voor de taalschat zelf; dit deel bevat vele zeer uitvoerige en degelijke artikelen over basiswoorden als hand, hê, hou, terwijl de letter I natuurlijk grotendeels in beslag wordt ge-

[p. 137]

nomen door de samenstellingen met in-. Doordat bij deze laatste meer dan in het Nederlands het bijwoord herhaald wordt (‘in 'n gebou, grot etc. inloop’) doet zich niet zo vaak de vraag voor, die in het Nederlands zo dikwijls moeilijk te beantwoorden is, of men nu met een samenstelling te doen heeft of niet. In een geval als ‘jy het met toe oë daar ingeloop’ kan men toch wel twijfelen. Bij de als bewijsplaats gegeven aanhalingen stuit men nogal eens op uit het Nederlands in het Afrikaans overgebrachte teksten, d.w.z. door de redactie op eigen gezag in het Afrikaans getransponeerde citaten. De vraag doet zich voor welke waarde deze citaten kunnen hebben. Bij een woordenboek als het W.N.T. zou een dergelijke handelwijze, b.v. met betrekking tot het Fries, natuurlijk volkomen ontoelaatbaar zijn. Bij het W.A.T. ligt de zaak anders omdat het niet alleen registrerend, maar zeer bewust ook taalscheppend te werk gaat; het W.A.T. is bepaaldelijk ook bedoeld als een hulpmiddel waardoor het Afrikaans zich als volwaardige taal constitueert. Uit dit oogpunt is de handelwijze van de redactie o.i. zeer wel te verdedigen. Jammer is wel dat zij aan het historische en etymologische wel heel radicaal voorbijgaat; dat b.v. in een artikeltje -iel, achtervoegsel, formaties als hidroksiel en futiel over één kam geschoren worden, is toch wel een beetje bar. Enigszins bevreemdend is ook dat soms wetenschappelijke lat. namen van planten of dieren, die geen volksnamen naast zich hebben, ‘vertaald’ zijn, b.v. ‘Halsopbergers’ voor een onderorde Cryptodira van de reptielen, terwijl meestal alleen (en terecht) de lat. vorm als lemma gegeven wordt.

Dit zijn slechts enkele incidentele opmerkingen bij een werk dat niet bestemd is om doorgelezen te worden; het maakt als geheel een uiterst degelijke indruk en men kan slechts respect hebben voor de ijver van de bewerkers.

 

Leiden, Maart 1962.

C. Kruyskamp

M. Gysseling, Toponymisch Woordenboek van België, Nederland, Luxemburg, Noord-Frankrijk en West-Duitsland (vóór 1226) (Bouwstoffen en Studiën voor de geschiedenis en de lexicografie van het Nederlands VI, 1-2, uitgegeven door het Bel-

[p. 138]

gisch Interuniversitair Centrum voor Neerlandistiek, 1960). Te bestellen bij Drukkerij G. Michiels te Tongeren.

Dat Förstemanns Altdeutsches Namenbuch, tot nu toe hèt repertorium voor de vermeldingen van oude plaatsnamen, allerlei gebreken had, was genoegzaam bekend en reeds lang spreekt men over de samenstelling van een ‘nieuwe Förstemann’, die dan op het peil van de huidige taalkunde en geschiedbeoefening zou moeten staan. Dit werk, dat van zeer lange adem zal zijn, heeft Gysseling niet af willen wachten; hij heeft ons verblijd met een boek, dat voorlopig het standaardwerk zal zijn, dat men zal moeten gebruiken, om de vroegst vermelde Nederlandse plaatsnamen aan de vaderlandse filologie dienstbaar te maken.

Het werk bevat een Glossarium, een Synthese en indices. Het Glossarium beperkt zich tot de Franse departementen Nord en Pas-de-Calais, België, Nederland, Luxemburg en de vroegere Rijnprovincie (ongeveer van de lijn Nahe-Main tot aan Westfalen), met dien verstande, dat uit de klassieke bronnen ook de germaanse namen1) buiten dit gebied zijn opgenomen2). Chronologisch beperkt G. zijn terrein door alle namen op te nemen, die in bronnen van vóór 1200 of copieën daarvan te vinden zijn en verder slechts die uit originelen van 1200 tot 1226. Deze beperking was wel nodig, niet alleen omdat het bronnenmateriaal in de 13e eeuw zeer sterk toeneemt, maar vooral ook omdat G. het bestaan heeft, al zijn bronnen in de archieven in handschrift zelf te lezen. G. kan goed lezen en zo was het hem mogelijk, om een reeks foute spellingen, die in oude bronnenpublicaties stonden en langs die weg in de naamkundige litteratuur geraakten, te verbeteren. Het is inderdaad verbazingwekkend te zien, met hoeveel vertrouwen filologen steeds weer gebruik maakten en maken bv. van de lijst van Gelderse namen, die Anspach in Nomina Geografica Neerlandica, III publiceerde, terwijl iemand, die maar enigszins geschoold is in het gebruik van de oudste bronnen, toch met een oogopslag kan zien, dat die lijst niet deugt. Het

[p. 139]

werk van Gysseling heeft hierin nu een belangrijke verbetering gebracht en alleen al door de betrouwbaarheid van zijn lezingen heeft zijn werk grote, blijvende waarde. Bovendien heeft G., geverseerd in het oude schrift als hij is, belangrijke emendaties kunnen voorstellen bv. bij Linge, Petten, Striene en Wieringen3).

Behalve op de betrouwbaarheid van de lezingen berust de waarde van het Glossarium vooral ook op de zorgvuldigheid, waarmee G. de oude vormen gelocaliseerd heeft. Grondig houdt hij opruiming onder die oude identificaties, die slechts op een vage klankovereenkomst steunden bv. Hunsetti/Heusden, Pulmeri/Purmer, Waganwega/Wageningen en Withmundheim/Wimmenum. Hierbij steunde G. zowel op zijn taalkundig inzicht als op de context, terwijl vroeger het eerste ontbrak bij historici, het tweede vaak verwaarloosd werd door filologen.

Tegen het Glossarium zijn echter ook bezwaren in te brengen, bezwaren, die voor een groot deel voortkomen uit het feit, dat G. te veel alleen heeft willen doen. Dit wreekt zich vooral bij de localiseringen, waarbij toch hulp van kenners van de streekgeschiedenis vaak onontbeerlijk is en bij de etymologieën, die tenslotte dikwijls niet alleen op enkele oude vermeldingen opgebouwd kunnen worden, maar waarvoor ook de vermeldingen van na 1226 en zelfs de dialectische uitspraak van belang zijn.

Verder treft me een zekere slordigheid, die zich vooral uit in de inconsequentie, waarmee een etymologie al dan niet gegeven wordt. Het is niet aan te nemen, dat G. de etymologie van Heemskerk, Kortrijk (U), Leksmond, Spekholz en Ter Vate niet zou kennen, doch hij geeft ze niet. Verder ontbreekt nogal eens bij een reeks gelijke namen de verwijzing naar de etymologie, onder het eerste lemma gegeven.

Elders4) heb ik uitvoerig uiteengezet, dat G. een vrij groot aantal bronnen - waaronder zeer belangrijke - verwaarloosd heeft en dat

[p. 140]

dus het Glossarium lang niet volledig is. Bovendien moest ik in een aantal gevallen reserves maken ten opzichte van G.'s bronnencritiek. Ik wil dit vooral voor historici belangrijke punt hier verder laten rusten en me nu vooral richten op twee voorname en nauw samenhangende aspecten van het Glossarium, de localiseringen en de etymologieën.

Ik zei reeds, dat G. voor zijn localiseringen beter te rade had kunnen gaan bij kenners van streekgeschiedenis en bij de lang niet onbelangrijke litteratuur. Dat neemt niet weg, dat G. als eenzaam werker nog bijzonder veel gepresteerd heeft en dat men steeds goed zal doen, zijn mening zorgvuldig te overwegen. Voor ons land wil ik de volgende opmerkingen maken, opmerkingen, die berusten op een eerste lezing van het Glossarium; van een zorgvuldig onderzoek van iedere plaats afzonderlijk kon natuurlijk geen sprake zijn.

 

Aalburg en As: de vermeldingen van 889 zijn zeer onzeker; Gosses' (B.V.G.O. V, 2, 1915, 112vv.) localisering in Noordholland is ook mogelijk; Assel: de localisering van Hasle kan alleen goed zijn, indien de H in 814 onjuist is (vgl. in hetzelfde stuk Hisla voor IJsel) en dus ook de etymologie van G. fout is; Attingahem lag aan de Utrechtse Vecht volgens de Vita Gregorii; Barenbroek ligt in Angerlo en heet 1620 Barbroeck naar de aangrenzende heerlijkheid Baar. Het middeleeuwse Berenbroek lag dus elders; Berenwerde lag in de Vijfherenlanden volgens Sloet 1073bis; Bijlmermeer: Bendelmerbruc is eerder het broek ten Z. van de Bijlmermeer; Brokhem: niets bewijst, dat de twee vermeldingen in O.U. 49 op dezelfde plaats betrekking hebben; Domburg: de genoemde vermelding moet een fout zijn (ook originelen zijn minder betrouwbaar dan men denkt, zie beneden); er staat Philips van Duvenburg, vlak na de heer van Wassenaar (O.H.Z. I, 301, anno 1226); een geslacht van Domburg is niet bekend, terwijl daarentegen Philips van Duivenvoorde, familie van de heer van Wassenaar, ± 1220 in veel oorkonden voorkomt; of Duvenburg is een fout, of men heeft getracht het slot Duivenvoorde aanvankelijk Duivenburg te noemen: de eerste leenbrief van het slot uit 1226 zou apocrief zijn5); Ede: de vermelding Heoa (G. emendeert in Heda) slaat niet op Ede of G.'s etymologie is onjuist, zie Assel; Elden: ook de identificatie van Elti (855) is twijfelachtig wegens de -t-; de context meldt slechts de ligging in de Betuwe-gouw; Fornhese: er is geen reden de identificatie met Vernheze (O.U. 48) af te wijzen; Fortrappa: indien het in Zeeland lag (zoals Gosses wilde), dan is het juist niet onbekend, maar is het Voortrap bij 's-Gravenpolder (zie van der Aa, IV, 348); nu nog wijst men het punt De Vier Linden op de grens van Kloetinge als zodanig aan; maar de ligging in Zeeland is zelf volkomen onzeker; Gottingamora: waarom deze naam op -more, zo typisch voor westelijk Friesland,

[p. 141]

niet daar gelocaliseerd? Harten: Herodna (O.U. 63, anno 838) is eerder Heerde; Heemstede: de vermelding uit f. 1083 is Heemstede bij Kastrikum; Herem ligt niet bij Heilo, maar ten Z. van Egmond, ja, het zal grotendeels door Egmond-Binnen zijn opgeslokt. Gebruik van de overige Egmondse bronnen wordt hier node gemist; Hiabeke: waarom is het niet met Jabeek geïdentificeerd? Veertig Hoeven is Wilnis6); Hostsagnem en Westsagnem: alles wijst op identificatie met Sassenheim, dat later naar het oosten tot Aalsmeer reikte, met verlezing van -g- voor -s- (vgl. Digena i.p.v. Disena = Diessen en waarschijnlijk Suegon i.p.v. Sueson = Zwesen7); Haffen: Havinum anno 814 lag in de Betuwe en kan dus niet Haffen zijn; Hunne is een erf te Borgelo (Deventer)8); Huoltena is misschien Outena bij Vianen; Iodichem staat naast Bunninchem = Bunnik; het is dan toch wel zeker Odijk, waarbij dan de eerste I- een fout is, waarschijnlijk omdat in de oorspronkelijke schenking9) vóór Odichem een getal (bv. mansa III) stond, waarvan de laatste I bij de naam getrokken werd; Kampthorpa moet wel Kamp bij Schoorl zijn of erbij gelegen hebben; Langerak is Langerak onder Brakel, zoals ook Loffna uit dezelfde oorkonde een verdwenen Leuven aldaar is (nog Leuvenerveld10); Leiden: Leithon is Leiderdorp in een tijd, dat Leiden nog niet bestond11); Loet: de Loet is een drassige, lage plek in de Krimpenerwaard en draagt een naam, die ook elders voor drassig terrein voorkomt. Niets wijst erop, dat deze naam ooit voor de hele waard gegolden heeft. Bovendien is vroege bewoning hier onaannemelijk. Ik zie in Lote uit de Utrechtse lijst een verdwenen Leut bij het Leuterveld bij Wijk-bij-Duurstede (de tres ecclesiae zijn een foute lezing van gecontraheerd terris, ecclesia enz.12)); Losser: hier lag later een erf Luderink, dat misschien ook met Lutheri bedoeld kan zijn; Occenvorth moet een voorde door de Rekere zijn; Opburen: er is geen enkele reden, om hierin niet, zoals iedereen deed, Opburen bij IJselstein te zien; dit is een vroeg voorkomende naam en vroege bewoning was hier zeker. Opburen bij Maarsen was niet meer dan een huis en komt in de middeleeuwen niet voor; Opgooi is hetzelfde als het Gooi bij Houten; Opperdoes: Those, Thosa uit f. 1083 moet in Noord-Kennemerland gezocht worden; Pas: voor deze identificatie van Pascua 1156 ontbreekt iedere grond; Renhem: de eerste aanhaling silva Renhem is waarschijnlijk het Renense bos, nu de Achterbergse Maten13), de tweede kan best Rhenen zijn met beïnvloeding van de -hem-namen; Rinesmuthon: alle litteratuur zoekt dit elders;

[p. 142]

waarschijnlijk is het de plek, waar de Mije in de Rijn komt14); Ruurlo: de identificatie met Ritherlo (indien dit niet een foute spelling is) is twijfelachtig; alle latere vormen hebben o en u, de huidige uitspraak is eu; Schipluiden: op de aangehaalde plaats is een water bedoeld, niet het dorp; Selm: Salehem anno 801, is zeker Zelhem (Gl.). Het bewijs wordt geleverd door het plaatsje Wideplo, in de 13e eeuw bij Zelhem gelegen (Kötzschke I, 225), dat samengesteld is met de naam UUidapa, in het stuk van 801 bij Salehem genoemd. G. had op zijn minst deze mogelijkheid moeten noemen, want ook Zelhem was eigendom van Werden; Oostergo en Sudergo15): uit O.U. 339 kan niet geconcludeerd worden, dat eenmaal twee dorpen van die naam bij Zwolle gelegen hebben; illorum de Sudergo kan ook slaan op immigranten uit de Friese landschappen; Suthrem: er waren twee plaatsen van die naam, één in Zuid-, één in Noordholland (vgl. Brokhem); Swanesdrifth16) lag volgens O.U. 374 aan de Gouwe; Tafelberg: volgens Fockema Andreae worden met Tafelbergon de heuvels bij Maarsbergen bedoeld17); Teilingen: 1143 Teilen is onjuist. De genoemde Cŏnradus de Teilen is de proost van Tiel; Tessel: Thesla 814 zal eerder in Gelderland gelegen zijn; Thescelinc zal wel het erf Teeselink in de buurschap Broeke (Nede) zijn; Tiel: vgl. Aalburg en As; Trenscoten moet Drinschoten bij de Vuurse zijn18) (met foute t- voor th-); Ukele: de kerk aldaar wordt aan de dom geschonken; het zal dus Heukelom zijn, waarvan de kerk later aan de domproost behoorde; Upwilcanhem zal, gezien de volgorde van de Utrechtse goederenlijst, bij de Wilk ten O. van Hazerswoude gelegen hebben; Up- betekent dan ‘hogerop, dichter bij Utrecht’ ter onderscheiding van Wilkenhem bij Voorhout; Vrouwenakker: hier kan men in de 12e eeuw toch waarachtig geen kerk met drie kapellen plaatsen; bedoeld is Franeker19); Wapegelde is wel Wapenvelde bij Heerde; we mogen zo nu en dan toch wel eens een gewone fout aannemen; Willere, Fiscolo en Buochem worden door Oediger20) bij Krefeld geplaatst; Suegon: zie Hostsagnem; Wedene: het stuk van 1169 gaat over tiend bij Wiltenburg. Het is dus wel Wede iuxta Wiltenborch 1338, apud Wedan iuxta Coppel vóór 1337, d.i. de Wedetiend ten N. van Oud-Wulven, in Houten; Westerbeiran en Vronanslat: men geve beter aan ‘in het Westland’, want ze hoeven niet bij Schipluiden te liggen21); Wichmond: het oorspronkelijke dorp is weggespoeld; het huidige is jong en over de etymologie zegt de ligging dus niets; Widapa: zie Selm; Wihtmundhem: ‘op Tessel’ is niet exact. Het lag in de Tesselgouw, die vroeger groter was dan het

[p. 143]

huidige eiland; Wirthum: mijn localisering (Hoge en Lage Woerd bij Naaldwijk) had toch zeker genoemd kunnen worden; Zaandam is een jonge plaats; Saden lag zuidelijker aan het IJ.

 

Over de etymologieën is meer te zeggen. G. zelf zegt in zijn voorwoord, dat hij hierin niet het essentiële van zijn boek ziet. ‘Etymologieën zijn broos’ zegt hij en hij is zich bewust van de kwetsbaarheid van veel, wat hij hierover te berde brengt. Dit neemt niet weg, dat ze van belang zijn, vooral omdat G. zich bij zijn belangrijke onderzoekingen op het gebied van de oudnederlandse grammatica dikwijls op het namenmateriaal moet beroepen. Dan gaan de beneden besproken verklaringen van Ek en Vinkt zwaar wegen. Bij zo weinig vaststaande gegevens als de namen bieden, loopt men dan steeds gevaar, in de vicieuse cirkel terecht te komen, dat men bepaalde klankevoluties afleidt op grond van onzekere etymologieën, om vervolgens deze ‘wetten’ weer verder toe te passen. Hoewel G. in het algemeen een gelukkige terughoudendheid aan de dag legt, geeft hij toch nog heel wat verklaringen en is hij daarbij zuinig met vraagtekens.

G. voert de germaanse namen steeds terug op de veronderstelde germaanse oervorm der woorden, waarbij hij zich natuurlijk wel bewust is, dat die namen daarom nog niet zo oud zijn als de veronderstelde oudgermaanse taalperiode. Ik kan mij hiermee best verenigen, maar er zitten een paar bezwaren aan deze methode vast, die G. niet steeds omzeild heeft. Een voorbeeld: Münsterhausen (12e eeuw Mulseterhuson), Mursaterland en Rijnzaterwoude bevatten een element -sater ‘bewoner’, dat in ons land wel vaker in namen voorkomt. Daar echter de nomina agentis op -er niet oergermaans zijn, veronderstelt G. als oervorm van dit element gen. plur. sāētjana zonder de -r- in deze namen te verklaren. Zo leidt de dwang van zijn systeem hem tot een foute etymologie22). In nog groter moeilijkheden komt G., als hij de betekenis van die etyma moet vaststellen. Dat germaans wāēla- ‘gat ontstaan door dijkdoorbraak’ betekende, is moeilijk aan te nemen, daar de dij-

[p. 144]

kenbouw pas in de 11e eeuw begon. Het germaanse woord zal ‘kolk’ betekend hebben, een betekenis, die pas veel later gespecificeerd werd in de boven aangehaalde zin. Zo kan men ook aan gm. *skaurnō- moeilijk de betekenis geven van ‘aangeslibd land, dat rijp is om ingedijkt te worden’. Hierbij sluit aan, het bezwaar tegen de eenvormigheid, waarmee die etyma vertaald worden: een werf is altijd ‘een kunstmatige heuvel in zeekleigebied’, een hal altijd ‘een bocht van het hoogland’, een laar ‘bosachtig moerassig terrein’, een veld ‘een woeste vlakte’. Zelfs al zou het G. gelukt zijn, met juistheid de oorspronkelijke betekenis van die woorden vast te stellen, dan nog hebben wij bij de naamgeving niet met die betekenis te maken maar met de afgeleide betekenissen, die op het moment van de naamgeving golden in de betreffende streek. Het woord veld bv. kreeg in een groot deel van het Rijnland de betekenis ‘bouwland’ en Warnsveld zal dan ook ‘bouwland van Warin’ en niet ‘woeste vlakte van Warin’ betekend hebben. Voor vele namen op -laar komen we met de door G. gegeven betekenis absoluut niet uit, zoals de inwoners van het Gooise Laren zullen begrijpen. De oorspronkelijke betekenis23) zal veeleer zijn: een deel van een al dan niet moerassig bos, dat door de mensen speciaal gebruikt werd om te kappen of om vee in te weiden en dat daardoor een open plek in het bos werd. Deze naam is geen natuurbeschrijving, maar een directe aanduiding van menselijke activiteit in het bos. In een groot deel van ons land werd laar dan ook de aanduiding voor een open plek in het bos. Zo vloeit uit G.'s methode voort, dat wij de ware betekenis van een naam op het moment van zijn ontstaan vaak niet te horen krijgen. De etymologie krijgt een abstractheid, die G. zelf toch ook niet aan zal staan.

G. liet bij alle etyma die hij reconstrueerde de asterisk weg, waarschijnlijk, omdat iedereen kan weten, dat het maar reconstructies zijn. Het is niet nodig hem daarom hard te vallen. Maar het is toch onaangenaam, als we voor reconstructies komen te staan, die alleen aan G. bekend zijn, en waarvan de juistheid soms met recht betwijfeld kan

[p. 145]

worden. Dit geldt voor ana- ‘hoger gelegen’ (Andel bv.), bōn ‘riet’ (Boelare bv.; bōn naast oe. bunne vindt nergens steun), *burgōn-‘berk’ (Borgele bv.; de verhouding tot berk is niet duidelijk), indoeur. *komdo (Drente24)), farod ‘vaart’ (Farodini; het etymon van vaart is *far-di), gaƀera ‘moeras’ (Gaver), geldan ‘klinken’ (Gellep25)), gen- ‘samen’ (Genappe bv. 25)), erma- (Hemiones, Ermanduri; grieks ὀρμενος en germaans irmina- hebben -men-suffix), hogna-‘zwijn’ (Hoksent; oudengels hogg is ontleend aan het keltisch26)), kaptaz- ‘veulen’ (Cactelegavre; het is eerder een leenwoord), kole uit latijn culina ‘oven’ (Kolem bv.; eerder een germaans woord voor ‘kop, schedel, hoogte’27)), krāējon- ‘kraai’ (Kraainem bv.; het etymon is eerder krāēon-; de -j- is hiaatdelging28), maskōn- ‘heks’ (Maschenholt; dit is alleen in het longobardisch bekend), masu- ‘modder’ (Mellier bv.), skaldu- ‘riet’ (Scaldmeda; vroeger sprak G. slechts over ‘meers-benaming’, hetgeen veiliger is; dit, ondanks engels skalder, waarvan de semantische voorgeschiedenis niet bekend is. Vgl. oudengels skeal en oudnoors skalli).

Nog enige algemene opmerkingen over G.'s etymologieën29)). Hij kiest nogal eens eenzijdig voor een germaanse verklaring, als een keltische - althans niet-germaanse - ook mogelijk is (Abée, Doeveren). Dit geldt vooral voor de volksnamen. Ceutrones is toch zeker niet-germaans, daar het ook in Gallia Narbonensis voorkomt. Van geen van de blz. 1114 germaans genoemde volksnamen is dit overtuigend aangetoond. Trouwens de meeste etymologieën van volksnamen zijn brozer dan broos. Met de verhouding tussen g en k en in het algemeen

[p. 146]

tussen media en tenuis wordt raadselachtig omgesprongen. O, ik weet wel, dat we hier met de eenvoudige handboekenregels niet uitkomen, maar het is toch sterk om zonder meer Ek uit *agjo-, Akersloot uit *Aggiharisslauta en omgekeerd Bruggelen uit *brakolauha en Wiglo uit *Wikjonlauha te verklaren. G. heeft zijn vroegere vondst30) van de mogelijke overgang van l of r vóór g of h tot lk en rk sterk veralgemeend (Alkmaar kan, maar *burgjōn- verplaatst de moeilijkheid, want waar komt de g vandaan?) en naar het schijnt uitgebreid tot de dentale mediae en spiranten (Appeltern, Bourthes, Elden (?), Harten (?), Molter). In dit verband noem ik ook zijn verklaring van Fliestede, Flittard (beide uit *flethar), Ittersum (uit *Iddaharishaim), Lampernisse (uit *lambaz-) en Sittard (uit *sigidrothu-), allemaal etymologieën, die ik zonder meer niet kan aanvaarden. Algemeen is ook het werken met een overgang (vóór umlautsfactor) van -ang over -eng tot -ing (Vinkt, Dwingelo), hetgeen alleen in bepaalde streken voorkomt en dan nog vaak met -eng in de oudere vormen. Ware G.'s verklaring van het element vink uit *fangja juist geweest, dan hadden we ook de vormen venk en veng moeten aantreffen, hetgeen we niet doen. Omgekeerd weer wordt een ontwikkeling van -i- vóór gedekte nasaal to -e- verondersteld in Fengrimahuson en Lent! Beroep op Zenderen, 10e eeuw Sindron, 1206 Sinderen kan hier niet baten, daar we hier te maken hebben met de Twentse rekking van -nd-; de uitspraak ter plaatse is dan ook Zēndern.

 

Er volgt nu een greep uit mijn bezwaren tegen afzonderlijke etymologieën. Achel: waarom een -lo-naam? Almsvoet: het tweede deel is ‘voet’ in de betekenis van uiteinde van een waterloop als oudengels fōt31); Amerongen: het eerste deel kan een waternaam *Amaro- zijn; oude namen op -ungen zijn dikwijls van waternamen afgeleid32); Appeltern (zie boven); het tweede deel is tere ‘boom’; Assendelft: een andere etymologie, nl. verband met Assum, is mogelijk en waarschijnlijk33); Baardwijk: waarom is het eerste lid hier Longobarden en

[p. 147]

bij Badenborn een persoonsnaam? Beemd: kan *banu-maetha wel ‘gemeentelijk hooiland’ betekenen? Bel: waarom is dit een -lo-naam? Benes heeft in de middeleeuwen bijna steeds -sch; Berendrecht e.a.: de etymologie van -drecht is onaannemelijk34); Bergswick: in de persoonsnaam steekt eerder Bero- dan Bernu-; Bernis: het eerste deel is de naam van de abdij Bern; Binderveld: gezien de -r- kan het eerste deel moeilijk *bilim zijn; Bremen: waarom niet de etymologie van Bach35) uit brem ‘rand’ overgenomen? Bruggelen: de latere vormen spreken G.'s etymologie absoluut tegen; Braclog zal fout overgeleverd zijn; Burg (Zl): één blik op de kaart toont ons al de sporen van de ronde burcht, waarnaar het dorp heet36); Chaimae is volgens velen uit Chaimavi bedorven; Caulci: het is onzeker, dat dit de Kalonkones zijn en het is onzeker, dat het lemma juist is; Cherusci: aangezien de lange vocaal uit griekse bronnen stamt, bewijst ze niet veel; Doeveren: de germaanse verklaring is onzeker; de verspreiding van dit namentype wijst eerder op verwantschap met het zuiden; bovendien is er nog een andere indoeuropese wortel mogelijk37); Doornenburg is eerder van hetzelfde ras als Dormagen; Drewer: de etymologie (uit priu būri) is zeer onwaarschijnlijk wegens de -w-; Dries: de betekenisontwikkeling, die Lindemans voorstelt, is aannemelijker38); Dubbel: Schönfeld's verklaring is waarschijnlijker39); Espt: eerder uit *aspithja; Fize: voor de semantische ontwikkeling van feodum, zie Niermeyer's Lexicon40); de afleiding van fehu- ‘vee’ is even aannemelijk; Fleurbaix, Floreffe e.a. kunnen eerder bij een waternaam Vloer41) behoren; Freisenbruch: kan evengoed uit *Frisionobroka ‘broek der Friezen’ ontstaan zijn; Genappe, Gennep e.a.: deze etymologie is onmogelijk42), evenals de eerst gegeven verklaring van Gent; Gesperden: de eerste vermelding en daarmee de etymologie is te verwerpen; Grandhan: vermeld had moeten worden, dat de gegeven oude vorm Chambo een Galloromaanse vertaling (of omgekeerd) is; Halberg, Halderberg: de etymologie houdt geen rekening met de -r-; Heesbeen: dit kan niet de naam der Hessen bevatten, die altijd -ss- heeft43); Heimond: de vergelijking met Hooimille is niet nodig44); Heukelom, Hucalhem, Hukilhem, Hukilheim wijzen duidelijk op een etymon hukila- naast hugila45); Hindelopen: hlaupi- is beter met sprong te vertalen, vgl. Hennesprong te Houten, 1247 Hin-

[p. 148]

densprunc; Ittersum: een persoonsnaam Iddahar klinkt ongeloofwaardig (zie verder boven); Kalfvliet kan ook gesplitst worden in kal-vliet (vgl. Calmere); Klapschitte: ook een boertige verklaring is mogelijk, nl. schitte - scheet (zoals split naast spleet; vgl. eng. to shit); Krabbendijke: een andere mogelijkheid vindt men bij Beekman, Dijk- en Waterschapsrecht, s.v.; Ter Lips: gezien het voorzetsel is Lippinge een waternaam evenals Wadding, welk water later nog meer dan eens genoemd wordt; Loel: er is geen umlaut, dus het etymon is *lauhula-; Mol: waarom moet dit een -lo-naam zijn? Monicesloe wordt in die oorkonde pas aan Werden gegeven; het eerste lid kan dus niet monnik zijn, maar is de persoonsnaam Muniko; Monster: hier is geen klooster bekend, dus de betekenis was ‘kerk’; Moersel: -isk achter een adjectief is zeer zeldzaam en vermoedelijk jong; Niftarlake: waarom zou de -s- van het verder in het germaans onbekende nebas- verdwijnen? Nister- moet toch wel fout gelezen zijn voor Nifter-. Aan de andere kant is Schönfeld's verklaring (nifter als bijvorm naast neven) ook niet aannemelijk gezien de etymologie van neven. De naam zal wel met Nifterik samenhangen; Paveie is zeker een migratienaam en wel Pavia46); vlakbij lag Prijs = Parijs; bovendien zou ik hier geen steenweg zoeken! Pijnakker: hier verwacht men geen pijnbomen; Rijkhoven: hierbij had toch (mét Mansion) volksetymologie vermeld moeten worden; Rüblinghoven: de etymologie is juist voor de oude vormen; het interessante ligt daarnaast, nl. dat er een bijvorm Rübilinghofen bestaan moet hebben naar de vleinaam Rubilo. Er bestond dus een deftige naam naast de gangbare volksnaam; Schalkwijk: het eerste lid zal enkelvoud hebben en duiden op een ondergeschikte van een machtig man, die door deze in de ontginning betrokken is. De samenstelling met het in West-Nederland typische ontginningswoord -wijk spreekt vanzelf47); Schoudee zal eerder met de naam Schelde samenhangen dan met een verondersteld *skalder ‘lis’; Slochteren: de etymologie van Schönfeld48) verdient verre de voorkeur; Spiezand: indien uit *speuta-, dan is de verwijzing naar eng. spit onbegrijpelijk; Stapel kan ook de gerechtsplaats aanduiden, zoals uit de Lex Ribuaria blijkt; Starkerode: betekent de verwijzing naar Boudelo, dat sterk hier ‘slecht’ zou betekenen? Waarom kan het niet het oostnederlandse woord sterke ‘jonge koe’ zijn? Stilingahagamundi: zou ook gesplitst kunnen worden in Stilinga en hagamundi; het laatste zou dan hengmeng kunnen zijn, waarvoor op de Veluwe in 1328 de vorm heegmunde voorkwam49); Tiel: de verwijzing naar Tekelia is zinloos; Valkenisse: waarom zou het eerste lid geen persoonsnaam zijn? Veken, Veden: de etymologie van Veken (uit *fapikīna-, bij fapō- ‘omtuining’) lijkt me onjuist en onnodig revolutionair; het etymon is *Fakina-50); Veluwe: de verklaring (samenhang met de naam der Falen) is apart, maar gezocht en houdt geen rekening met de frequente

[p. 149]

veldnaam Veluwe51); Vlaardingen: de verwaarloosde Egmondse bronnen hadden kunnen leren, dat het naar een water de Vlaarding heet; Vlodrop: volgens de geologische kaart is daar geen rotslaag; Waaienberg: hier had toch zeker wel een vraagteken bij gekund; m.i. is het een vertaling van Mont Ventoux, zoals zo veel namen op -berg vertalingen uit het Frans zijn in het kader van een feodale namenmode; Warmond: er is heel wat wringen voor nodig, om dit met Hooimille, Heimond en Laupendahl te verbinden; Welmithe: hiervan is de ligging onbekend; hoe is dan zo een verklaring mogelijk, als men niet weet of het aan een water, laat staan een ‘kokend’ water lag? Wiers: een verklaring is mogelijk: zie Heeroma, Driemaand. Bladen, 1957, 73 v en W. de Vries, Nomina Geogr. Neerl. IX, 42 vv, waar ook een betere etymologie voor Wieringen gegeven wordt; Wijtschate: hierin -skaga te zien, gaat te ver; de vorm Wiscath voor Wijshagen, waarop G. zijn mening grondt, staat in twee bullen, waarvan de eerste de vooroorkonde voor de tweede was en waarin kennelijk t voor c geschreven staat; Zeddam: de bron is vals; y kan korte i zijn (denk aan spellingen als sygillum, ydoneus) en alle volgende vermeldingen hebben e, zodat de oorspronkelijke vorm geen lange i gehad kan hebben; Zuilen is volgens Kettner52) een migratienaam; Zundert: ook hier zou een vraagteken niet misplaatst zijn; moeten we aannemen, dat de naam van de godin met -ig-suffix afgeleid is van een plaatsnaam? Zie eerder bij Gutenbrunner53), wiens suggestie van ablaut overigens minder waarschijnlijk is dan die van analogie. Bij namen als Alleur, Ergste, Ernage, Eyll, Fumal en Taarlo vraag ik me af, waarom zulk een etymologie zelfs maar geprobeerd is. Bestaan verder de germaanse persoonsnamen Furhto (Forceville), Kūri (Kuringen), Stut (Stuthof) en Swatto (Suattingaburim)?

 

In verschillende gevallen is mijns inziens te veel waarde gehecht aan de toevallig oudste overlevering. Neem bv. Hasselt (Overpelt). Als twee vormen onverenigbaar zijn, dan is diegene de juiste, die het best met de latere overeenstemt. Dat is in dit geval Hasloth en deze vorm had aan de etymologie ten grondslag moeten liggen en niet Haeslaos, al is die de oudste. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor Blehen, Drewer, Duist54), Gesperde, Holtsele en Warmond. Bij Kalslagen was G. zelf zo verstandig, de oudste vorm te verwaar-

[p. 150]

lozen55). In dit verband wil ik er nog op wijzen, dat wij in de veel geroemde originele oorkonden voor ons doel ook geen blind vertrouwen moeten hebben. Dat, wat wij juridisch-diplomatisch ‘originelen’ noemen, zijn - technisch gezien - ook vrijwel steeds afschriften, nl. van vooroorkonden en van concepten. Dat - om een uiterste te noemen - in de pauselijke oorkonden de naamsvormen soms flink verhaspeld werden, is G. welbekend. Doch ook in andere stukken moeten we met die mogelijkheid rekening houden, zoals onlangs nog is aangetoond door een vergelijking van de oudste oorkonden voor Sankt-Gallen met hun concepten56).

Men mene na deze opmerkingen niet, dat mijn samenvattend oordeel over het Glossarium nu negatief zal uitvallen. In tegendeel! Bij een grondige bespreking gaat men noodzakelijk voorbij aan al datgene in deze 1109 bladzijden, dat niet anders dan waardevol te noemen is. We kunnen slechts dankbaar zijn voor dat, wat ons geboden wordt en daarbij betreuren dat het niet méér, completer is. Maar gaat bij zulk een werk de volledigheid niet de krachten van één man te boven? Ook een critisch gebruiker zal in de localiseringen en etymologieën veel vinden, dat als definitieve aanwinst voor de wetenschap beschouwd kan worden, al ligt op deze punten toch misschien wel het grootste verschil met de ‘nieuwe Förstemann’ waarop wij wachten. Intussen lag het allerminst in G.'s bedoeling, om - zelfs maar voor een deel van diens gebied - een nieuwe Förstemann te geven. Wat wel zijn bedoeling was, is aanvankelijk niet duidelijk, maar blijkt later bij het lezen van de Synthese, een samenvatting van de taalhistorische conclusies, waartoe G. op grond van het door hem verzamelde materiaal gekomen is. Men krijgt dan de indruk, dat het uitgangspunt van G.'s werkzaamheid is geweest een onderzoek naar de voorgeschiedenis van het Nederlands en dat de samenhang tussen de praehistorische toponymie van Nederland en België met die van de omringende landen hem

[p. 151]

er geleidelijk toe gebracht heeft, zijn terrein uit te breiden. Het is de voorgeschiedenis van onze taal en vooral het ontstaan van zijn zuidelijke grens, die men steeds als voornaamste preoccupatie achter G.'s arbeid aanvoelt. Deze grote belangstelling voor het taalgrens-probleem blijkt ook wel uit het feit, dat G. in deze Synthese nog niet toekwam aan een bespreking van het kustgermaans en speciaal van het fries, volgens Heeroma het kernprobleem van onze taalgeschiedenis. We mogen op dit gebied echter nog veel van G. verwachten.

De Synthese is zo compact geschreven - iedere litteratuuropgave en discussie ontbreekt -, dat het niet mogelijk is nog eens een samenvatting ervan te geven. Veel van de hier ontwikkelde ideeën kennen wij al uit vroeger werk of hebben we daarin zien groeien57), maar nog nimmer werden ze met zoveel gevatheid en met zoveel vergelijkingsmateriaal voorgedragen.

Allereerst ontwikkelt G. in den brede zijn theorie over de praehistorische toponymie van het door hem behandelde gebied, die wortelt in een praegermaanse, met het italisch verwante taal. Het noorden en het centrum van dit gebied moet al vroeg gegermaniseerd zijn, zeker al vóór de germaanse klankverschuiving, daar de oudste toponiemen deze hebben meegemaakt. Deze germanisering deed zijn invloed gelden tot in Luxemburg, Zuid-België en Pas-de-Calais. Tenslotte werd ze opgevangen en gedeeltelijk teruggeslagen door een keltische tegenstoot, die gekenmerkt werd door de typische tweedelige keltische namen van het type Mediolanum en Noviomagus. Wat het bestaan van praegermaanse toponiemen betreft, komt deze theorie overeen met die van H. Kuhn58), al zijn er in de uitwerking diepgaande verschillen59).

[p. 152]

Volgens Kuhn vond de germanisering pas laat plaats en dan nog het eerste langs de kust en ver in het oosten tot in Hessen. In het tussenliggende gebied bleef de praegermaanse taal hangen tot na de klankverschuiving, zodat wij nog onverschoven vormen in plaatsnamen in Oost-Nederland en Westfalen kunnen aantreffen. De beslissing in deze controverse tussen Gysseling en Kuhn zal grotendeels afhangen van de juiste datering van de Germaanse klankverschuiving, waarover de laatste tijd weer revolutionnaire geluiden te horen zijn. Het blijft echter de vraag, of die datering, die men op grond van polyinterpretabel namenmateriaal tracht te bereiken, wel ooit mogelijk is. Hoe dit zij, aan de door G. aangetoonde praehistorische samenhang van het door hem genoemde gebied (en misschien nog daarbuiten) valt moeilijk nog te twijfelen. Een paar opmerkingen n.a.v. zijn bewijsvoering wil ik nog maken.

blz. 1113: de kwestie van de D- in Demer, Dijle enz. moet nog nader onderzocht worden. Het Dilsen-argument is knap, maar wankel.

blz. 1114: Of men mag zeggen, dat ‘de autochthone traditie’ (een vaag begrip) teruggaat op germaans -a- en niet op praegermaans -o-, is de vraag en hangt o.a. af van de datering van de overgang van -o- tot -a-. Bovendien worden vele namen, die -o- behielden verwaarloosd: Bonn, Neusz, Neumagen, Keulen, terwijl voor Vogezen - Wasgenwald de redenering toch maar half opgaat60). Bij Condrusi (bewaard in Condroz) zou de autochthone traditie toch ook juist op het niet-germaans wijzen. De verwijzing naar de zgn. germaanse volksnamen voldoet ook niet, daar de meeste ook niet-germaans kunnen zijn.

blz. 1116: Het is uit G.'s materiaal niet bewezen, dat -apa een suffix is61).

blz. 1118: wat is er toch tegen, om Deventer te zien als een migratienaam, meegebracht door Lebuïnus, die in Daventry studeerde?

blz. 1120: voor het -st-suffix had toch naar Krahe62) verwezen moeten worden; verder is het superlatief-suffix -st- waarschijnlijk ontstaan uit de comparatief + -to en is dus, indien een -i- vooraf gaat wel formeel eraan gelijk, maar toch van andere herkomst.

blz. 1121: er is geen bewijs, dat Lopik en Odijk (zie boven) -iacum-namen zijn, al is het verleidelijk, het te geloven.

 

Verreweg het meesterlijkste deel van de Synthese acht ik toch dat

[p. 153]

gedeelte, dat de tijd van de volksverhuizing en later behandelt. Hier komt G. bij het zo omstreden probleem van het ontstaan van de taalgrens en met eigen materiaal en onafhankelijke redenering, bouwt hij een beeld op, dat mij, wat de verschillende chronologische lagen betreft, overtuigt63). Nog nimmer werd het toponymisch materiaal voor deze kwestie zo diepgaand uitgebuit en voor de relatieve chronologie zal dit onderzoek zeker een blijvende waarde hebben. Interessant is verder, dat G. aantoont, dat ten zuiden van de grens germaanse en ten noorden romaanse taaleilanden bestaan bleven, dat bij Aken-Vaals tot in de 10e eeuw. Aan het westelijke einde van de taalgrens komt G. tot de belangrijke conclusie, dat Pas-de-Calais en aansluitend Vlaanderen al vroeg (4e-5e eeuw) gegermaniseerd zijn, niet door de Franken, maar van over zee, door dezelfde stammen, die ook Engeland bezetten. Op deze wijze wordt telkens een weinig licht geworpen op een tijd, waarover wij zo bijzonder slecht zijn ingelicht.

Deze Synthese vormt zo een fraaie afsluiting van het Toponymisch Woordenboek, een afsluiting, die tegelijk doel en bekroning van het werk is.

D.P. Blok

Automatisering en Taalkunde. Stichting Studiecentrum voor administratieve automatisering. Amst. 1961. 48 blz. Prijs ƒ 5.25.

Op 8 maart 1961 organiseerde de stichting Studiecentrum voor administratieve automatisering, in samenwerking met het ‘Woordenboek der Nederlandsche Taal’, een colloquium onder de titel ‘Automatisering en Taalkunde’. De gehouden referaten en een kort verslag van de discussie worden in deze brochure gepubliceerd.

In grote trekken schetst de heer A.B. Frielink de mogelijkheden van de automatisering voor de taalkunde. Nadat in 1880 de ponskaart ont-

[p. 154]

wikkeld was, heeft men later de mogelijkheid der electronische informatiedragers gerealiseerd, waarbij nu reeds gewerkt kan worden met een snelheid van 5.000.000 basisbewerkingen per seconde. De heer Frielink zet daarbij uiteen dat voorlopig de grens wel bij 109 per seconde moet blijven liggen. Overigens memoreert hij ook nog de research voor de constructie van pneumatische computers. Nadat hij op blz. 12 en 13 in het algemeen enkele mogelijkheden voor de automatisering op het terrein der linguistiek en der filologie opgesomd heeft, waarschuwt hij voor overschatting daarvan. Economisch gezien zal de electronische apparatuur het soms tegen het ponskaartensysteem moeten afleggen. De allerbelangrijkste moeilijkheid is volgens hem in het programmeren gelegen, dat een voorafgaande zeer gedetailleerde en grondige analyse van de hele te onderzoeken materie vereist. Het wil mij voorkomen dat dit punt voor alfabetische woordenboeken weliswaar minder klemt, maar dat men voor betekeniswoordenboeken en grammatische problematiek eigenlijk nog niet aan een voldoend bevredigende analyse toe is.

Van de drie linguisten die verder in de brochure aan het woord zijn, heeft prof. dr. A. Reichling zich met de meeste reserve geuit. In zijn voordracht Mogelijkheden en grenzen van de machinale vertaling gezien vanuit linguistisch standpunt stelde hij zich ten doel te bewijzen dat de machine niet alles kan waartoe de menselijke vertaler in staat is. Een apparatuur die rekening zou kunnen houden met gegevens die pas enkele zinnen later komen, stelt technisch toch wel te hoge eisen. Met name is het probleem van de syntactische homonymieën voor de machine een crux. Bij afbreking van het gespreksthema ontbreekt zelfs vaak elke aanwijzing voor de oplossing. Reichling schrijft op blz. 22-23: ‘Een grote, of liever dé grote moeilijkheid voor de specialisten op dit gebied is, dat de linguistiek tot nog toe volslagen in gebreke gebleven is een bruikbare formalisatie van welke taal ook te leveren’. Wie niet in de absolute mogelijkheid daarvan gelooft, zal ook beseffen dat aan de mogelijkheid van automatische vertaling grenzen gesteld zijn. Wij denken daarbij dan nog niet eens aan de moeilijkheid der woordspelingen, voor welker vertaling men wel nooit aan een machine zal beginnen.

[p. 155]

Met groot enthousiasme pleit dr. F. de Tollenaere daarna niet alleen voor Automatisering in de lexicologie, maar zelfs (zie blz. 32), wat het Nederlands betreft, voor monopolisering daarvan te Leiden. Als hij dat zo bedoelt dat, wanneer er in Nederland slechts één lexicologisch centrum met een permanent woordarchief economisch verantwoord is, het WNT hiervoor biezondere mogelijkheden biedt, zal ik hem dat niet bestrijden. Met zijn uitgangspunt, dat de mechanisering van het lexicologische apparaat de binding aan één dimensie, de alfabetische, opheft, ben ik het gaarne eens. Dat echter de zo belangrijke andere dimensie, die der betekenis, eerst nog beter bestudeerd zal moeten worden voor men tot de inwerkingstelling van de machine overgaat, zal naar ik meen, ook dr. De Tollenaere met mij eens zijn.

In zijn uiteenzetting over Codering van grammaticale gegevens begeeft prof. dr. L. Kukenheim Ezn zich ten dele weer op de terreinen die de andere sprekers ook al betreden hebben. Daarnaast geeft hij echter een enigszins uitgewerkt voorbeeld hoe grammaticale gegevens op woordkaarten de machine in kunnen. Het is slechts één van de vele mogelijkheden. Voor de morfologie lijkt de ontworpen proeve mij niet ongeschikt. Maar of het de meest doelmatige weg naar een syntaxis zal zijn, kan niet geheel duidelijk worden. De woordorde, die toch een der belangrijkste syntactische elementen is, komt in deze uiteenzetting beslist niet aan haar trekken. Bovendien geldt hier meer dan ooit dat iedere gedachtefout in de machine blijft tot die er door denken weer uit wordt gehaald. De indeling bijwoord - bijvoeglijk naamwoord lijkt heel eenvoudig, maar zelfs over de toekenning, van bv. ziek in de zin Jan is ziek is men het nog lang niet eens. Hetzelfde geldt voor de onderscheiding bijv. tussen voorzetsel en voegwoord bij te voor infinitieven. Op syntactisch terrein klemt de moeilijkheid van de keuze bij het programmeren wel heel erg. De mogelijheid van onjuiste betitelingen is er beangstigend groot.

De brochure Automatisering en Taalkunde is interessant om het tonen der mogelijkheden. Zoals ik al zei, is de ‘technicus’ Frielink daarbij zeer nuchter. ‘Dat willekeurige gedrukte of getikte bladen aan de machine kunnen worden toegevoerd lijkt weinig waarschijnlijk. De kans op mogelijke machinale herkenning van handschrift is voorals-

[p. 156]

nog vrijwel nihil, evenals die op machinale herkenning van het gesproken woord’, zegt hij op blz. 15. Ik geloof dan ook dat hij dr. De Tollenaere's rekening houden met de mogelijkheid dat de ponstypiste binnen korte tijd zelfs overbodig zal zijn, wanneer nl. de machine in staat zal zijn zeer snel een gedrukte tekst foto-electrisch te lezen (zie blz. 34), weinig realistisch zou vinden. Dat men echter voor lexicologie-in-het-groot moeilijk meer buiten de automatisering kan, daarvan ben ik overtuigd.

 

Nijmegen

A. Weijnen

Verschuerens Modern Woordenboek en Atlas. Geheel nieuwe druk. Met medewerking van Dr. W. Pée en Dr. A. Seeldraeyers. Z.p. en j. (Turnhout, 1961), Brepols (voor Nederland: uitgeverij Helmond, Helmond). 8o. (IV) en 1391 blz. Atlas van 100 bl. met register van 71 blz. Prijs niet vermeld (ƒ 55. -; 750 fr.).

Op de titel van dit woordenboek staat alleen vermeld dat het een ‘geheel nieuwe druk’ is, niet de hoeveelste en ook verder ontbreekt ieder gegeven omtrent de stamboom. Dit zal wel hieraan liggen dat er in feite twee uitgaven zijn van Verschuerens woordenboek, het ‘Modern Handwoordenboek’ en het ‘Modern Woordenboek’. Ter vergelijking staat alleen tot mijn beschikking het ‘Modern Handwoordenboek’ van 1940 (volgens de titel) of 1941 (volgens het omslag), waarvan de inhoud klaarblijkelijk de grondslag gevormd heeft van de later onder de titel ‘Modern Woordenboek’ verschenen uitgaven, laatstelijk in twee delen. Deze nieuwe uitgave is in één deel, met drie kolommen per bladzijde en, naar wij menen, een iets grotere bladspiegel. Van eventuele bekortingen wordt in de inleiding geen rekenschap gegeven; dat zij er zijn, blijkt uit vergelijking met de eerste uitgave van het Handwoordenboek, die 1648 bladzijden telde en waaruit nogal wat verdwenen is. Op

[p. 157]

de titel staan drie namen; wat elks aandeel is, wordt nergens vermeld.

In de Inleiding, die alleen door P. Verschueren ondertekend is, van deze nieuwe uitgave wordt gezegd dat het M.W. ‘op taalkundig gebied’ geeft ‘de woorden van het Algemeen Beschaafd Nederlands’, zonder iets meer. In de eerste uitgave was dit nog: ‘behalve de woorden van het Algemeen Beschaafd ook gewestelijke woorden die in ruimeren kring bekend zijn’, benevens het Zuidnederlands, ‘vertegenwoordigd door de woorden die algemeen of zoogoed als algemeen in Zuid-Nederland of Vlaamsch België gehoord worden’. In feite is er in deze opzet niets veranderd in de nieuwe uitgave; men vindt er de zndl. woorden als gazet en goesting met de aanduiding ‘Z.N.’ en b.v. gonst ‘(Gew.) kracht van de mest, na de oogst in het bouwland overgebleven’, een opgave, (via Van Dale) ontleend aan Weiland, die zegt dat het ‘op de Veluw gebruikelijk’ is (verg. Wanink, Twents-Achterhoeks Wdb. (1948): goons, groeikracht, voedsel. D'r zit niks gen goons mer in de oole eerpele’). Waarom mocht dit niet gezegd worden?

Verder wordt beloofd van de woorden van het Alg. Beschaafd te geven ‘de’ etymologie. Enige alinea's verder wordt dit gereduceerd tot ‘de etymologie wanneer ze met voldoende zekerheid bekend is’. Op de eerste bladzijde kan men dan lezen dat aal (de vis) ‘msch.’ verwant is met ‘Oudindisch ali, streep’ en dat het eerste lid van aambei ‘msch.’ te verbinden is met ‘Oind ama, pijn doen’. Dat zijn van die wijsheden waarmee men indruk maakt op het grote publiek, maar waaraan in deze vorm niemand iets heeft, zeker niet de taalkundige leek die in een woordenboek als dit voorlichting zoekt omtrent taalgebruik en taalbegrip. Als men al in zo'n woordenboek voor het grote publiek aan etymologie wil doen, waarom zich dan niet beperkt tot de inwendige etymologie, de verklaring van de taalvormen binnen de behandelde taal zelf? Met de aanwijzing hoe b.v. een woord als aanvallig of beducht in elkaar zit is de leek meer gebaat dan met geleerdheden uit het Sanskrit. Dat bij de vreemde woorden de taal vermeld wordt waaraan ze zijn ontleend, is natuurlijk ook een welkome bijdrage.

‘De uitspraak is zo nauwkeurig mogelijk aangegeven...Naast het eerste woord van een paragraaf b.v. anijsappel staat de uitspraak (a'nijz); bij de volgende samenstellingen in diezelfde paragraaf, spreekt

[p. 158]

men vóór sommige letters (sic) ook z, vóór andere letters s. Daar men dit echter doorgaans vanzelf goed doet, is niet telkens weer opnieuw aangeduid of men z of s moet zeggen’. De aanduiding van de uitspraak pretendeert dus normatief te zijn: wat men zeggen moet. Het voorbeeld is dan wel bijzonder slecht gekozen, want er is geen sprake van dat anijsappel in het alg. beschaafd met een z wordt uitgesproken; het kan voorkomen, maar er is zeker evenveel kans dat er een s gerealiseerd wordt. En het treft ook wel ongelukkig dat het hele woord anijsappel in het woordenboek niet voorkomt! Het is blijkbaar een relict uit een vorige uitgave; in de druk van 1940 staat inderdaad een hele alinea samenstellingen met anijs, van anijsappel tot anijszaad, die in deze nieuwe uitgave ontbreekt, wat wel jammer is: dat anijszaad was nu eens een mooi voorbeeld om erbij aan te geven wat men ‘moet zeggen’.

‘Het geslacht der woorden is het geslacht opgegeven door de Wdl.’. Dit is bepaald niet zo zonder restrictie het geval. Achter bediende leest men in de Woordenlijst: ‘m.-v., -n en -s’; bij Verschueren: ‘m. en v. (-n).’ De Wdl. maakt bij de woorden met dubbel genus onderscheid tussen zulke waarbij het genus wisselt naar de situatie, d.w.z. met de sekse, zoals bediende, dove, die al naar het verband op mannelijke of vrouwelijke personen kunnen slaan, en zulke waarvan het genus wisselt naar de taalgebruikers, d.w.z. dat ze voor de een mannelijk en voor de ander vrouwelijk zijn, zoals schotel, valk. Deze laatste krijgen de aanduiding ‘m. en v.’, de eerste ‘m.-v.’. Dat dit verschil bij Verschuren verwaarloosd is, is nog tot daar aan toe (al had het wel even gesignaleerd mogen worden), maar er zijn ook principiële afwijkingen, t.w. betreffende woorden als bedilal, vuilik, die in de Wdl. uitsluitend als m. worden opgegeven en bij Verschueren als m. en v., zoals ook in de eerste uitgave het geval was. Hier wordt dus een door de Wdl. als verouderd afgewezen standpunt gehandhaafd. Men zal opgemerkt hebben dat ook de meervouden in de Wdl. en bij Verschueren niet gelijk zijn.

De spelling is die van de Woordenlijst, maar onder protest. De officiële spelling wordt gekwalificeerd als onredelijk, inconsequent en onvermijdelijk voerend tot ‘spellingchaos’. Prof. Verschueren heeft een veel beter systeem, volgens hetwelk men b.v. zou moeten schrijven ‘De

[p. 159]

zjoviale kapitijn stelde met een rwajaal gebaar zijn luuksueuze hut tot onze dispozisi’. Zijn systeem heeft maar één regel: ‘zelfde klank, zelfde letter’. Jammer maar dat deze regel niet omkeerbaar is; de drie verschillende vocalen in evenmens krijgen ook bij prof. V. maar één teken en de eu's in ‘eudeem’ en ‘kwafeur’ worden niet onderscheiden. Door een zeer bevoegde hand is dit systeem reeds gekwalificeerd als ‘het aan alle werkelijkheidszin vreemde ontwerp’ en ik wil het dan ook evenals bedoelde criticus laten voor wat het is, maar slechts de mentaliteit signaleren waaruit zo'n ontwerp voortkomt. Het is de opvatting dat het bestaande systeem te moeilijk is en dat er een quasi-fonetisch stelsel uitgedokterd moet worden dat ook de domste leerlingen van de lagere school kunnen leren. Het is een poging tot nivellering naar beneden waarvoor het hele taalsysteem moet worden aangepast aan het begripsvermogen van de minst begaafde achtjarigen, in de ijdele veronderstelling dat zij dat wel goed zullen leren schrijven. Maar dat doen zij toch niet. Er blijft altijd een harde kern van onbegaafden die nooit aan enigerlei schriftelijke taalbeheersing toekomen, hoe ‘makkelijk’ men het systeem ook maakt. En terwille dáárvan moet dan alle continuïteit, elk historisch element en elke zichtbare binding met de andere cultuurtalen overboord geworpen worden. In zijn principiële anti-historiciteit is dit een cultuurnihilisme van het ergste soort. Maar de moderne, vooral de katholieke taalpedagogen zijn niet afkerig van zulk nihilisme. Het is een symptoom van de thans alom waar te nemen vijandigheid jegens alles wat historisch is, die een der bedenkelijkste verschijnselen is van onze tijd. Reeds nu klaagt de jongste generatie dat boeken in de spelling van vóór 1947 moeilijk te lezen zijn. Wat zou er dan gebeuren in het geval dat een systeem als dat van Verschueren aanvaard werd? Binnen een generatie zou alles wat vóór haar geschreven was ontoegankelijk worden. Maar wat geeft dat? Dat is voor de moderne taalpedagogen toch geen taal, dat zijn maar ‘teksten’ en ‘documenten’, waarmee de sufferds zich mogen bezig houden die nog aan historie geloven. Gelukkig maar dat de maatschappij toch in sommige opzichten nog zichzelf corrigeert en dat de K.P.S., de ‘konsekwent progressieve spelling’ van Verschueren, beter ‘karikaturaal parodistische spelling’ genoemd, geen schijn van kans heeft om algemeen aanvaard te worden.

[p. 160]

Laten wij thans eens kijken hoe dit woordenboek in de uitwerking er uit ziet. Ik heb daartoe enkele steekproeven genomen, hoofdzakelijk uit de letters K en V.

 

kolenaak. Er wordt niet vermeid dat de Wdl. bij deze en de volgende samenstellingen ook de vorm met kool- als eerste lid als gelijkwaardig erkent (Koenen doet dit ook niet).

 

kolibrie. ...‘prachtig gekleurde, zeer kleine vogel’. Uit de omschrijving blijkt niet dat het de naam van een hele groep van vogels is.

 

kolom, II, 2. ‘gedeelte van een in de lengte verdeelde bladzijde’. Deze definitie, die woordelijk gelijk is aan die van Koenen, behoort tot de soort van omschrijvingen die alleen begrijpelijk zijn als men al weet wat er bedoeld is. - 3. ‘de vijfde kolom (term uit de Spaanse burgeroorlog)’. In deze vorm is de uitdrukking in N.-Nederl. volstrekt onbekend; men spreekt uitsluitend van de vijfde colonne.

 

kolombijntje. 1. Eig. kolibrie. - Waar berust dat op? Deze bet. is niet gangbaar.

 

koloniseren...‘een kolonie vestigen’. Deze omschrijving past niet of slechts ten dele; koloniseren is in beginsel een overgankelijk werkwoord: men zegt een gebied, een landstreek koloniseren, wat te omschrijven is met ‘in een gebied, een landstreek een kolonie vestigen’. Het is de gewone fout van vele lexicografen dat de definitie het omschreven woord niet in zijn functie kan vervangen.

 

komaf...daar is geen komaf aan. - Er wordt niet vermeld dat dit een zuidnederlandse uitdrukking is.

 

komeet. Alleen omschreven als ‘staartster’ met verwijzing naar de plaat Sterrenkunde. Maar op de voorgaande bladzijde staat een uitvoerig encyclopedisch kaderartikel Komeet, waarnaar in het artikel niet verwezen wordt. Ook in overeenkomstige gevallen is dit niet geschied; er is geen verband tussen het encyclopedische gedeelte en het eigenlijke woordenboek.

 

komenij...‘kruidenierswinkel’. Er staat niet bij dat dit geheel verouderd is.

[p. 161]

komestibelen...‘eetwaar’. Deze omschrijving is veel te ruim; komestibelen zijn fijne kruidenierswaren.

 

komfort. De uitspraak wordt aangegeven met ‘('fort)’. Dit is stellig niet de alg. beschaafde uitspraak; deze is -foor. Er is geen verwijzing naar of vermelding van comfort, dat de Wdl. als gelijkwaardig erkent.

 

komijnekaas. Het accent is niet aangegeven; dit valt echter zeker niet op het eerste lid, zoals men uit het achterwege-blijven van de aanduiding zou moeten opmaken.

 

kommaliebehoefte...‘aarden en glazen keukengerief aan boord’. Maar ook messen, lepels en vorken behoren ertoe.

 

vandoen. De Wdl. erkent dit niet als één woord; in de bet. ‘nodig’ is het vrijwel, in die van ‘uitstaande’ geheel beperkt tot Z.-Nederland.

 

vrouwenhand...2. ‘geschrift van een vrouw’. Geschrift in de zin van handschrift is onbekend en wordt dan ook niet vermeld in het artikel Geschrift; het is een verkeerde vertaling van écriture.

 

vuilak, m. en v.(!), ‘vervorming van vuilik’. Maar wat voor een vervorming? Het is een emfatische vorm die alleen als apostrofe of scheldwoord gebruikt kan worden. Men kan zeggen: ‘vuilak!’, of ‘zo'n vuilak!’, maar niet ‘het is een vuilak’.

 

vuilblik en vuilkar worden gekenmerkt als Z.N., maar men bezigt ze in N.-Nederl. even goed als vuilbak en vuilemmer.

 

gedicht, ‘o. (-en; -je) 1. Eig. Min. het aanhoudend dichten.... 2. Metn. in dichtmaat of dichterlijke stijl opgesteld stuk’. In de bet. 1. is er geen mv. of verkleinvorm (ook elders wordt deze verschillende toepasselijkheid genegeerd); en gedicht voor dichtstuk een ‘metonymische’ toepassing van ‘het aanhoudend dichten’?!!

 

goedleven in de uitdr. een patertje goedleven. Het accent valt niet op le, maar op goed.

 

gooi II ‘andere vorm voor gouw’, zonder iets meer. Op zichzelf is dit woord echter volstrekt onbekend. Er volgt dan nog een artikel

[p. 162]

Gooi [gooi (II)] Gooiland’, maar Gooiland ontbreekt, terwijl de afleidingen Gooilander en Gooilands wel zijn opgenomen!

 

Dit zijn slechts enige, bij het doorzien van een paar bladzijden opgemerkte tekortkomingen, die bij voortgezette lezing gemakkelijk te vermeerderen zouden zijn. Het eindoordeel over dit woordenboek in deze nieuwe uitgave kan dan ook niet gunstig zijn. Het is bruikbaar voor de taalkundige leek die vlug even wil zien wat iets betekent en die zakelijke informatie zoekt, maar op de keper beschouwd vertoont het vele gebreken en onnauwkeurigheden. Het is, ondanks de gewekte schijn, niet in alle opzichten in overeenstemming met de geldende voorschriften van spelling en woordgeslacht en in de finesses van het woordgebruik niet volkomen betrouwbaar. Uit lexicografisch-technisch oogpunt is het hier en daar nogal dilettantisch en het ‘A.B.N.’, dat de samenstellers zo nadrukkelijk als enig houvast aanprijzen, beheersen zij niet ten volle. Wij zien dan ook niet dat er, naast de ruime bestaande keuze van handwoordenboeken, in Nederland plaats is voor deze uitgave. Dit geldt ook voor het encyclopedische gedeelte: er zijn hier reeds populaire encyclopedieën in een of twee delen te kust en te keur. Alleen zij die beslist een woordenboek en encyclopedie in énen willen hebben, kunnen hier hun gading vinden in een publicatie die het Nederlandse pendant van de ‘petit Larousse’ wil zijn en die in opzet althans ook wel daaraan beantwoordt, maar het gebrek heeft van al dit soort uitgaven, nl. dat het een altijd ten koste gaat van het ander. Uit typografisch oogpunt is het zeker een bewonderenswaardig werkstuk.

 

Leiden, Juli 1962

C. Kruyskamp

[p. 163]

Dr. D.A. de Graaf, Het Leven van Allard Pierson. Gron., J.B. Wolters, 1962. 184 blz. Prijs ing. ƒ 12.50.

In 1924 verscheen Boersema's lijvige ‘cultuur-historische studie’ over Allard Pierson en niemand die zich met deze figuur bezighoudt zal diens boek ter zijde kunnen schuiven, laat staan overbodig maken. Dit is ook zeker niet wat Dr. De Graaf met zijn nieuwe boek bedoelt, zoals hij uitdrukkelijk toegeeft, al heeft hij hier en daar wel iets recht te zetten. Zijn boek is veeleer een complement op dat van Boersema, een aanvulling die leven en geest van zijn bewonderde voorvader van een intiemer standpunt, a.h.w. van binnen uit, volgt en belicht. Hij heeft toegang gehad tot familiearchieven en citeert daaruit rijkelijk, brieven en dagboeken, o.a. van Piersons zwager A. Gildemeester. Aan de hand daarvan tracht hij zijn evolutie duidelijker te maken, althans toe te lichten. Groei, progressie is met Piersons levensbeeld onafscheidelijk verbonden, en soms zo snel en onverwacht is deze progressie dat zij eer mutatie genoemd kan worden. Maar blijvende elementen zijn er toch ook. In de kring van reveil en piëtisme is Pierson opgegroeid; het piëtisme en het dogmatisme heeft hij afgeworpen, maar ‘toch zou de réveil-geest, zij het niet meer het réveil-geloof, dat leven blijven kleuren’ (blz. 24). Van Da Costa heeft hij geleerd met het hoofd én met het hart te denken, en dat is hij zijn hele leven blijven doen. Van idealist wordt hij empirist, van romanticus realist, van mysticus een socialist (blz. 44); dit laatste reeds in 1850, al zegt hij dan nog ‘ik wil geen socialist zijn, maar sta het Socialisme voor’ en komt zijn socialisme vooral uit sociale bewogenheid voort. Niet alles wordt in deze nieuwe biografie duidelijk; zij is daarvoor te fragmentarisch en het ‘stirb und werde’ was voor Pierson zo'n doorleefd beginsel, dat hij toch in veel opzichten een Januskop blijft, iemand die steeds zijn vorige gestalte verloochent om zich staande te houden. Maar onmiskenbaar leidt deze groei toch tot rijpheid in de laatste jaren, die ons zijn ‘Oudere Tijdgenooten’ en ‘Geestelijke Voorouders’ geschonken hebben. Als toelichtende begeleiding van Boersema's boek is deze met grote liefde

[p. 164]

geschreven biografische studie van Dr. De Graaf daarom welkom. Jammer is wel dat hij zijn bronnen zo weinig preciseert en dat zijn taalgebruik nogal eens slordig is, zoals het verfoeilijke ‘niet zozeer...dan'’ (blz. 117). Op blz. 79 spreekt hij van eèn ‘welsprekende pastor - die behalve in Leuven ook te Tyrlemont...zijn publiek wist te boeien -’. Het zou toch beter gestaan hebben dan ook maar van ‘Louvain’ te spreken.

Juli 1962

C. Kruyskamp