[p. 200]

Aantekeningen over 16de - eeuwse lexicografie

1. Over Plantijn's Dictionarium Tetraglotton van 1562.

Vierhonderd jaar geleden kwam te Antwerpen, bij Plantijn, een Dictionarium Tetraglotton van de pers, het oudste van de overgebleven zgn. ‘Plantijnse’ woordenboeken en, naar het heet, de ‘voorloper’ van de Thesaurus Theutonicae Linguae. In de voorrede vertelt Plantijn hoe het woordenboek samengesteld werd: ‘Voces itaque omnes Latinas ex Linguae Latinae Thesauris, partim nostra, partim doctorum aliquot virorum diligentia collectas, & alphabetico ordine dispositas, Viro cuidam exercitato recolligendas, castigandas, & duabus Linguis, Gallica videlicet, & Teutonica, quam fere & re, & nomine Flandricam fecit usus, interpretandas exhibuimus: ut totius Galliae Belgicae pubes commune habeat vernaculo idiomate Dictionarium.’ Zeer nauwkeurig licht Plantijn ons niet in. Dat hij de ‘docti viri’ niet noemt is mogelijk zonder belang: zij hebben slechts, samen met hem, de Latijnse woorden bijeengelezen en alfabetisch gerangschikt. Onze nieuwsgierigheid wordt echter geprikkeld door de vage aanduiding van de bronnen en door het verzwijgen van de naam van de ‘vir exercitatus’, de eigenlijke bewerker van het woordenboek. Volgens C. Ruelens en A. de Backer (Annales Plantiniennes, I, blz. 31/32) is de Thesaurus van Estienne vermoedelijk de bron van het Dict. Tetr. en de ‘vir exercitatus’ wellicht Kiliaan.

De vraag of Kiliaan de bewerker van het Dict. Tetr. is buiten beschouwing latend, wagen wij het enige bedenkingen te opperen over de algehele juistheid van Plantijn's bericht. Zoals uit de hierboven aangehaalde passage reeds blijkt, is het Dict. Tetr. een schoolwoordenboek, dat alleen woorden - zelden een uitdrukking - in, op weinigna, strikt alfabetische volgorde bevat. Met het kluitje ‘ex Linguae Latinae Thesauris’ als bronnenopgave stuurt Plantijn ons in het riet. Verstaat hij daaronder bepaaldelijk woordenboeken die de naam Thesaurus in hun schild voeren, of gebruikt hij die benaming voor grotere woorden-

[p. 201]

boeken in het algemeen? Als we met Ruelens en De Backer aannemen, dat één van de Linguae Latinae Thesauri ‘het’ woordenboek van Robert Estienne is, dan denken we onwillekeurig aan de definitieve uitgave van 1543, waarin geen Franse vertalingen meer voorkomen: de ‘vir exercitatus’ heeft immers de Latijnse woorden in het Frans vertaald. Dit nu lijkt ons wat vreemd. Het is bekend, dat Robert Estienne zelf, om de bruikbaarheid van zijn werk te verhogen, reeds in 1538 zijn Dictionarium Latino-Gallicum in het licht heeft gegeven en het tweemaal, in 1543 en 1544 heeft herdrukt. In 1546 bezorgde hij een veel vermeerderde tweede uitgave, die ook herdrukt werd in 1552 en 1561. Voor schoolgebruik echter was zelfs dit Dict. Lat.-Gall. te omvangrijk, zodat R. Estienne hiervan een uittreksel maakte, dat hij in 1542 uitgaf onder de naam Dictionariolum puerorum. Herdrukken verschenen in 1544 en 1547; een tweede uitgave kwam van de pers in 1550, herdrukt in 1552, en een derde uitgave in 15571). Dit schoolwoordenboek vond in de 16de eeuw een buitengewoon gunstig onthaal, zodat het nagedrukt, verbeterd, vermeerderd en uitgebreid werd. Het vermoeden ligt voor de hand, dat ook Plantijn en (of) de ‘vir exercitatus’ met dit werk van R. Estienne gretig hun voordeel hebben gedaan. Het lijdt geen twijfel, dat Plantijn het Dictionariolum puerorum kende. Dit blijkt niet alleen uit zijn Journaal maar ook uit het voorbericht van zijn Promptuarium Latinae Linguae van 1564, waarin hij zegt: ‘Tantum affirmare possum, prius a me editum anno 1561 Latinae linguae Promptuariolum mille & octingentis Latinis dictionibus Rob. Steph. Dictionariolum exuperasse.’ Bij uitzondering noemt Plantijn hier een voorganger en, al verheft hij zich op de grotere omvang van zijn Promptuarium, het mag beschouwd worden als een vermeerderde nadruk van het Dictionariolum. Wij weten niet of er nog een exemplaar van het Latinae linguae Promptuariolum van 1561 bestaat. Denkelijk verschilde het niet veel van het Latijnse en Franse gedeelte van het Dictionarium Tetraglotton van 1562, daar ze beide voor de studerende jeugd bestemd waren. In ieder geval wijst een vergelijking

[p. 202]

van het Dict. Tetr. met het Dictionariolum puerorum uit, dat het eerste voor een groot gedeelte met het tweede woordelijk overeenkomt. Het is moeilijk aan te nemen, dat die overeenkomst geheel toevallig of zelfs onvermijdelijk is, en al hebben we ons beperkt tot een vergelijking van de letter H zoals ze voorkomt eensdeels in de herdruk van Charles Estienne (Parijs 1552) van de tweede uitgave van het Dictlm. puer., anderdeels in het Dict. Tetr. met het adres van Willem Silvius, ao 1562, dat trouwens door Plantijn werd gedrukt, we menen de gevolgtrekking te mogen maken, dat Plantijn of (en) zijn medewerker Robert Estienne hebben nageschreven. Vooreerst is het aantal H-titelwoorden nagenoeg gelijk: in het Dictlm. puer. 432, waaronder enkele uitdrukkingen en zegswijzen begrepen zijn, 409 in het Dict. Tetr., nagenoeg alleen woorden. Bijna 80% van de H-woorden in het DP. worden teruggevonden in het DT, op zichzelf misschien niets verwonderlijks.

De 409 H-titelwoorden van het DT kunnen als volgt ingedeeld worden:

 

a)57 worden aangeduid als: participium ab..., diminutivum ab..., verbale ab..., femininum ab..., interiectio ab..., zonder meer, of er wordt naar een ander woord verwezen;
b)46 worden enkel in het Latijn verklaard; hieronder is er één dat gevolgd wordt door een Latijns voorbeeld zonder verdere uitleg;
c)306 worden in het Frans en in het Nederlands vertaald; enkele hiervan hebben ook een Latijnse verklaring.

 

Groep a blijft natuurlijk buiten beschouwing.

 

Bij groep b rijst aanstonds de vraag hoe het komt, dat deze woorden in het Frans noch in het Nederlands werden vertaald. Van die 46 woorden staan er nochtans 24 in het DP (ao 1552) met een Franse vertaling of verklaring: de overige, behalve één, komen er niet in voor.

Vermoedelijk heeft de ‘vir exercitatus’ het DP van 1552 dus niet gebruikt; anders zou hij toch hoogst waarschijnlijk die 24 Franse vertalingen mede hebben opgenomen. Nu kan alleen verondersteld worden, dat hij slechts de eerste uitgave van 1542 of een van de herdrukken van

[p. 203]

1544 of 1547 tot zijn beschikking had. Werd zijn werk later aangevuld met onvertaald gebleven woorden en woordverklaringen uit de Thesaurus van 1543? In die uitgave vinden we inderdaad 45 van die 46 woorden, al verschilt voor 12 ervan de verklaring, maar dit is natuurlijk niet voldoende om de vraag bevestigend te beantwoorden. We waren niet in de gelegenheid een exemplaar van de Thesaurus van 1536 in te zien.

Wat tenslotte groep c) betreft: Vergelijken we het DP (1552) en het DT met elkaar, zo bevinden we, dat voor ruim de helft van de 306 woorden de overeenkomst van de Franse vertaling volkomen is, of althans groot genoeg om, naar onze bescheiden mening, de conclusie te wettigen, dat de Franse equivalenten eenvoudig werden overgenomen.

Enkele voorbeelden:

DP DT2)
Habitábilis, & hoc habitábile. Cic. Habité, Ou on peult habiter & demeurer. Habitable Habitábilis, is, e, Cic. - Habité. Ou on peut habiter & demourer, Habitable.
Hábitus, huius hábitus, m. ge. Plaut. Le traict de la personne, La contenance, La facon, Le port. Habit, Habillement. Hábitus, us, m.g. Plaut. - Le traict de la personne. La contenance, La façon. Le port. Habit, Habillement.
Hastîle, huius hastîlis, n. gen. Liu. La hante ou le fust d'une iaueline, ou d'autre semblable baston. Hastíle, is, n.g. Liu. La hanse ou le fust d'vne iaueline, ou d'autre semblable baston.
Heráclius lapis. Plin. Pierre de touche, sur laquelle on esprouue l'or. Heréclius lapis, Plin. - Pierre de touche, sus laquelle on esprouve l'or.
Hínnulus, hínnuli, m. gen. Plin. Vn faon de biche, ou d'autre beste. C'est aussi qui est engendré d'un cheual & d'une asnesse. Hínnulus, i, m.g. Plin. - Vn faon de biche, ou d'autre beste. C'èt aussi qui est engen dré d'vn cheual & d'vne asnesse.
Horrésco, horréscis, horréscere. Virgil. Auoir frayeur, Trembler de paour, Craindre. Horrésco, éscis, éscere. Auoir frayeur, Trembler de peur, Craindre.

[p. 204]

Hortatîuus, Adiectîuum. Quintil. Dequoy on use & se sert on a enhorter. Hortatíuus, a, um. Quintilia. - Dequoy on vse & se sert on à enhorter.
Hospes, huius hóspitis, com. g. Ouid. Vn hoste, ou l'hostelier, Celuy qui loge, ou qui est logé. Cic. Estrangier. Hospes, hóspitis, com. gen. Ouid. - Vn hoste ou hostelier, Celui qui loge ou est logé, Estranger.
Hospítium, hospítii, n.g. Liu. Logis a recueillir les estrangiers qui sont noz amis & alliez. Cice. L'alliance que deux ont ensemble de sentreloger quand ils uont au pais l'un de l'autre. Hospítium, ij, n.g. Cic. - Logis à recueiller les estrangers qui sont nos amis & aliés. Aliācé que deus ont ensemble de s'entreloger, quand ils vont au pais l'vn de l'autre.

Ofschoon niet even treffend, doen ook de volgende voorbeelden aan ontlening denken:

DP DT
Hábitus, hábita, hábitū, Participium ab Hábeor, habêris, Plaut. Qu'on ha eu. Tacit. Estimé, Reputé. Hábitus, a, um, participiū ab hábeor. Plaut. Qu'on a eu, Estimé, Reputé.
Halec, huius halêcis, tam foeminíni quàm neutri géneris. Plautus. Vn poisson nommé Haran. Horat. Vne sorte de potage faict d'entrailles de poissons. Halec, écis, f. & n.g. Plaut. Horat. - Vn poisson nommé Haran. C'êt aussi vne sorte de potage ou sausse faicte d'entrailles de poissons.
Harpe, harpes, f. ge. Lucânus. Vn braquemard, Vne simeterre. Harpe, es, f.g. Lucan. - Vn braquemart, Vne cimeterre.
Hasta, huius hastae, foe. g. Plaut. Lance, Pique, Iaueline. Hasta, ae, f.g. Plaut. - Lāce, Pique, Iaueline.

Andere voorbeelden liggen voor het grijpen; het is niet mogelijk en ook niet nodig ze hier alle te geven.

Laten we nu de Nederlandse en de Franse vertalende woorden monsteren. Het valt onmiddellijk op, dat het Frans meestal woordelijk in het Nederlands werd overgezet. Ter illustratie volgen hierna alle hu-woorden die een Frans en een Nederlands equialent hebben, waarbij

[p. 205]

dient te worden opgemerkt, dat deze groep enkel wegens het geringe aantal titelwoorden, in 't geheel 33, gekozen werd3).

 

2Huc...Ici ou ie suis. Herwarts / Hier daer ic ben.
3Huc & illuc...Ca & la. Herwarts ende derwarts.
4Hucusque...Iusques ici. Tot hier toe.
6Huiuscémodi...& Huiúsmodi...De ceste sorte, Tel. Van deser sorten / Deserghelijck / Dusdanich / Alsulcke /
7Humándus...Qu'on doibt enterrer. Dyemen begrauen moet.
8Humáne...Humainement, Comme vn homme doibt faire. Menschelick / Beleefdelick / Ghelijck een mensch behoort te doene.
9Humánitas...Humanité, Nature humaine. Courtoisie & debonnaireté de l'homme enuers son semblable. Science des arts liberauls. Menschelicheit / Menschelicke nature. Beleeftheyt / vrindelicheyt ende goetherticheyt van den mensche teghen sijns ghelijck. Sciencie van de vrije konsten.
10Humániter...Humainement. Menschelick / Beleefdelick.
11Humánitus...Comme il auient aus hommes, A la façon des hommes. Gelijck den menschen geschiet / Na der menschen wijse.
12Humánus...Humain, Apartenant ou auenant aus hommes. Bening, Doulx, Courtois, Debonnaire. Menschelick / Vanden mensche / Dat den menschen toebehoort oft toecompt. Goedertieren / Beleeft / goethertich.
13Humátio...Enterrement. Begrauinghe.
14Humátus...Enterré. Begrauen.
16Huméctus...Moite, Relent, Humide. Nat / Vochtich.
18Húmeo...Estre moite & humide. Nat ende vochtich sijn.
19Humésco...Deuenir moite & humide. Nat ende vochtich sijn.
20Humerále...Vn espauliere. Eenen schouwer lap.
21Humerósus...Bossu, Qui a haultes espaules. Bultachtich / Dye hooghe schouderen heeft.
22Húmerus...Espaule. Schoudere.
23Humi...A terre. Sus la terre, En bas. Ter aerden / Op de aerde / Neder.
[p. 206]
25Húmidus...Humide. Vochtich.
26Húmifer...Ramoitissant, Humide. Dat doet weycken / Dat nat maect / Vochtich.
28Húmilis...Bas, baissé contre terre. Humilié. Petit. Poure. De basse condition. De quoy on ne tient pas grand conte. Leech / Ter aerdenwarts ghehelt. Vernedert. Klein. Arm. Van kleynen staet. Dyemen niet vele en acht / Ongheacht. Slecht.
29Humílitas...Basseur. Poureté. Bas estat. Leecheit ende nederheyt. Armoede. Leegen staet.
30Humíliter...Bassement, Petitement. Leechelick / Slechtelic.
31Humo...Enterrer. Begrauen.
32Humor...Humeur. Vochticheyt.
33Humus...La terre. De aerde.

 

Uit het aangehaalde blijkt o.i. voldoende, dat de bewerker van het Nederlandse gedeelte zijn Franse ‘voordruk’ op de voet heeft gevolgd, ook al is er nu en dan een woord bijgevoegd of weggelaten.

Wat ten slotte de Griekse vertalende woorden betreft: van de 306 H-woorden, die in het Frans en in het Nederlands werden overgezet, heeft een 60-tal geen Grieks equivalent. Was het wel de bedoeling van de bewerker(s) alle Latijnse woorden in het Grieks te vertalen? Enige twijfel is geoorloofd. Aan het eind van het voorbericht lezen we immers: ‘Groecanicas voces Latinis aptè correspondentes, & ex probatis Graecis Auctoribus collectas in gratiam eorum qui Graecis studere volunt, copiosè admiscuimus.’

Plantijn besluit met de woorden: ‘Qvam aptè verò & quàm dilucidè Gallico Teutonicoq́ue idiomatibus Latina cum Graecis sint interpretata, quantoq́ue noster hic labor studiosis sit futurus vsui, candidi lectoris iudicio aestimandū relinquimus: vt qui operis nostri buccinatores esse nolimus.’

Men verwachte van ons hier geen onderzoek naar de betrouwbaarheid en de bruikbaarheid van het Dictionarium Tetraglotton. Weliswaar is er bij Plantijn geen tweede verbeterde en vermeerderde uitgave van dit woordenboek verschenen, al werd die, zo het schijnt, persklaar ge-

[p. 207]

maakt4). Toch zijn er ongetwijfeld afstammelingen en één ervan is het Dictionarium Tctraglotton Novum van Matthias Martinez, Amsterdam 1679, dat nog in 1796 als Novum Dictionarium Tetraglotton, door J. Nicolaides verbeterd en vermeerderd, te Maastricht van de pers kwam.

Is het Dictionarium Tetraglotton ook de ‘voorloper’5) van de Thesaurus Theutonicae Linguae? Men heeft gemeend, dat de oorsprong van het viertalig woordenboek uiteengezet wordt in de bekende voorrede van de TTL6). Inderdaad, nadat Plantijn verteld heeft, hoe zijn vier medewerkers te werk zijn gegaan, zegt hij: ‘Peu de temps apres, l'un (comme pour arres de ses labeurs) me deliura les mots Latins tournez en Flameng: desquels ie ne faisois qu'acheuer l'impression, y ayant entremis les mots Grecs & François; quand certaine autre rencontre aduerse arresta derechef l'entier cours de mes efforts’. Een andere versie7) van diezelfde passage luidt als volgt: ‘Peu de mois après l'un comme l'autre pour arres de ses labeurs me délivra les mots latins tournés en flameng lesquels je ne faisois qu'achever d'imprimer y ayant adjouxté les mots grecs et françois quand certaine autre rencontre adverse arresta derechef l'entière course de mes entreprinses de quoy s'ensuivit que depuis je n'ay rien veu de l'un de mesdicts entrepreneurs.’ In de Latijnse opdracht van de TTL is er echter van dit alles geen sprake. Als Plantijn hier werkelijk een toespeling maakt op zijn Dictionarium Tetraglotton, hoe rijmen we die met zijn mededeling in de voorrede van het DT zelf en met de uitkomsten van onze vergelijking van het DT met het Dict. puerorum?

Slechts een uitgebreid onderzoek zou licht kunnen brengen in die ‘Plantijnse’ duisternis. Mocht deze kleine bijdrage daartoe opwekken.

 

O. De Neve

[p. 208]

2. Nog een afstammeling van het Vocabulare van Noël van Berlaimont.

Het onderzoek van R. Verdeyen naar de filiatie van onze oude gesprekboekjes heeft uitgewezen, dat het Vocabulare van Noël van Berlaimont de basis is geweest van bijna 150 van die werkjes; men zie de lijst ervan in dl. I, blz. XCIII-CXV, en dl. III, blz. 139-148, van de nieuwe uitgave van de Colloquia et Dictionariolum septem linguarum gedrukt door Fickaert te Antwerpen in 16168). De geleerde schrijver achtte het onwaarschijnlijk - ofschoon niet onmogelijk - dat die lijst nog aanzienlijk zou verlengd worden9). Nochtans heeft hij erop gewezen, dat het vooropstellen van het Latijn, het vermelden van Cornelius Valerius' naam en het telkens weer uitgeven van het Vocabulare met een andere titel, zoals Colloquia, Dictionarium, Dictionariolum enz., tot menige vergissing aanleiding hebben gegeven10). Het is dus geenszins uitgesloten, dat er nog meer verborgen afstammelingen van het Vocabulare voor den dag komen en als zodanig kan nu reeds een drietalig gesprekboekje zijn plaats in de rij innemen, no 96b volgens Verdeyen's classificatie. De titel - op blz. [1] - luidt:

Colloqvia ‖ Familiaria, ‖ per ‖ Cornelivm Valerivm, ‖ Cum Gallica & Teutonica interpretatione. ‖ In v ⌠um ⌠tudio⌠ae Iuuentutis. [Drukkersmerk]11) Antverpiae, ‖ Apud Hieronymvm & Ioan. Bapt. Verdvssen, ‖ Anno M.DC.LXIII. ‖ Cum Gratia & Priuilegio.

Het werkje telt 48 blz., waarvan de eerste drie en de laatste niet genummerd zijn, de overige van 4 tot 47; 4o, sign. A2-F3, custoden; blz. [2]: wit, blz. [3]-47: tekst, beginnende met de verkorte titel ColloqviaFamiliaria, ‖ perCornelium Valerium. ‖ en vervolgens in drie

[p. 209]

kolommen gedrukt: links de Latijnse, romein; in het midden de Nederlandse, gotisch; rechts de Franse, cursief; blz. [48]: wit.

In zes hoofstukken worden de volgende onderwerpen behandeld:

I. (blz. 3-21) Convivium decem personarum,
II. (blz. 21-26) Colloquium de pilae palmariae lusu,
III. (blz. 26-31) Colloquium de lusu velitari,
IV. (blz. 31-36) Colloquium de formulis emendi & vendendi,
V. (blz. 37-39) Colloquium de appellandis debitoribus,
[VI] blz. 39-47) Ratio conscribendi epistolas, litteras obligatorias, & apochas.

Het 1ste, 4de, 5de en 6de hoofdstuk stemmen resp. overeen met het 1ste, 2de, 3de en 8ste kapittel van de Colloquia van 1616, m.a.w., wat de Nederlandse en de Franse tekst betreft, met de ‘vier kapittelen’ van de eerste ‘partie’ van het Vocabulare van Noël van Berlaimont, nl. het gastmaal, het marktgesprek, het gesprek tussen schuldeiser en schuldenaar en de voorbeelden van brieven enz., evenwel zonder de ‘opschriften van brieven’ achteraan12). Ingevoegd werden de hoofdstukken II en III, twee gesprekken, die in geen enkele van de door Verdeyen vermelde drukken schijnen voor te komen.

Is Cornelius Valerius, die de samenspraken van Noël van Berlaimont in het Latijn heeft vertaald, de auteur van die twee colloquia en werden ze daarna in het Nederlands en in het Frans vertaald? Enige twijfel is wel geoorloofd. Een vergelijking met de Lusus pueriles in de Colloquia Familiaria van Erasmus13) toont aan, dat nagenoeg de helft van de zinnetjes in ‘Pila’, behoudens enkele lichte wijzigingen, teruggevonden worden in Cap. II. Wat bij zo'n kinderspel gezegd wordt, moge meestal weinig verschillen, toch kan die overeenkomst niet geheel toevallig zijn, al zijn er nu vier i.pl.v. twee personages. Voor het 3de kapittel kunnen we tot nu toe geen voorbeeld aanwijzen. Weliswaar maakt het ‘ter

[p. 210]

bare-spel’ het voorwerp uit van een der schooljongensgesprekken van Antonius van Torre14), die voor het eerst in 1657 vervschenen, en heeft ook Petrus Apherdianus een Dialogus de lusu velitari geschreven15), maar van een eigenlijke overeenkomst kan o.i. geen sprake zijn.

Enkele eigenaardigheden in dit boekje vallen op: in het 5de kap. heet het eerste personage Michaël (Michiel, Michel) i.pl.v. Morgandus (Morgant); de brief aan Petrus, over het niet lenen van een boek, heeft geen opschrift, waar hij in de Colloquia van 1616 ingeleid wordt met ‘Alia Epistola - Vne autre lettre - Eenen anderen brief’; de woorden ‘Caput Primum’, ‘Het eerste Capittel’, ‘Chapitre premier’ staan onder het opschrift en de namen der personages van het hoofdstuk - zo ook Cap. II, Cap. III, Cap. IV, Cap. V, maar Cap VI ontbreekt; in het bovenschrift van dit laatste hoofdstuk ontbreekt in de Nederlandse tekst het woord voor Lat. ‘litteras’, Fr. ‘conventions’; in het eerste kapittel leert Jan Latijn spreken i.pl.v. Frans - ook in de Latijnse tekst van de Colloquia uit het jaar 1616 staat daarentegen ‘Gallice loqui’ -; het einde van de tekst wordt noch door het gebruikelijke Finis, noch door een streep, noch door enig slotvignet aangeduid en er is geen approbatie.

Wat de datering van de stukken in het laatste hoofdstuk betreft, vinden we het volgende:

 

1.Brief van Jan van Berlaimont aan zijn vader: 1 mei 1530,
2.Huurceel voor zes jaar, ingaande: Kerstmis [15?] 58,
3.Kwitantie van een huishuur vervallen: Kerstmis [15?] 24 en gegetekend 1 januari,
4.Kwitantie (niet gedateerd) van een schuldbrief geschreven 10 april [15?] 23.
[p. 211]

De afmetingen van het hier beschreven exemplaar zijn. br. 154 × h. 203 mm; het is, als tweede en laatste stuk, samengebonden in een perkamenten band met een ander taalboekje:

Pvb. Terentii ‖ Florvm ‖ Selectiorvm ‖ Pars Prima. ‖ In vfum ∊tudio∊ae Iuuentutis. ‖ [Drukkersmerk16)] ‖ Antverpiae ‖ Apud Hieronymum Verdu⌠⌠ium. ‖ Anno M.DC.XLIII. ‖ Cum gratia & Priuilegio.

4o, sign. A2-I3, custoden, 70 blz. waarvan de eerste twee niet, de overige van 3 t/m 70 genummerd zijn, laatste blad van het laatste katern weggescheurd, vooraan een schutblad. Het werkje bevat talloze zinnetjes uit Terentius in het Latijn, het Nederlands en het Frans, in drie kolommen gedrukt. De tekst van de Pars I gaat van blz. 3 tot blz. 45. Van blz. 46 af hebben we Sententiae Terentianae selectiores, bewerkt zoals het voorgaande gedeelte. Een nadere bespreking van dit tweede werkje menen we achterwege te mogen laten.

Het bandje heeft toebehoord aan Willem de Vreese (zie het ex-libris vooraan) en is nu in het bezit van Mevrouw W. de Vreese-v.d. Poll in Voorschoten, die het ons bereidwillig geleend heeft. Het is ons een aangename plicht haar hiervoor onze oprechte dank te betuigen*).

 

O. De Neve