Schoondochter ‘stiefdochter’

Volgens het W.N.T. (XIV, 844) is een Schoondochter: ‘De vrouw van iemands zoon, aangehuwde dochter, behuwddochter’. Een van de voorbeelden is ontleend aan een brief van Hooft (ed. v. Vloten II, 216) aan Tesselschade: ‘De schilder heeft, nae 't zeggen van meest alleman, mijn' schoondochter te leelijk gemaelt’. Van Vloten heeft bij ‘schoondochter’ een noot geplaatst: ‘Stiefdochter.’ Hij heeft gelijk. De brief is van 1 nov. 1631, en toen was Arnout Hellemans Hooft, de enige zoon die niet als kind gestorven is, nog geen twee jaar oud. De ‘schoondochter’, die blijkens de brief vindt dat Tesselschade haar in een gedicht te veel heeft geflatteerd maar die ‘dit ongelijk in suiker (wil) opneemen’ en zelfs eigengemaakte perenjam stuurt, ‘zeker queevleesch, onlanx toegestelt’, is ongetwijfeld de toen 18-jarige Susanna Bartolotti, Tesselschades vereerster en Hoofts oudste stiefdochter.

Er is een kleine mogelijkheid, dat het W.N.T. t.a.p. onder behuwddochter mede ‘stiefdochter’ verstaat. Onder het artikel Behuwen (II, 1532) vindt men namelijk een aanhaling uit Willem Leevend (I, 50: Paulus Helder aan Willem), die enigszins uitgebreid als volgt zon luiden: ‘Springt gy, myn Vriend, met het karakter uws behuwd Vaders niet wat te vry om? Vergeet gy ook, dat hy uw Moeders Man is? dat zy hem uit verkiezing nam?’ Hier is met behuwdvader ‘stiefvader’ bedoeld; opmerkelijk is, dat het W.N.T. zonder toelichting onmiddellijk een citaat uit deel VIII van Willem Leevend laat volgen, waar behuwdmoeder weer niet ‘stief-’, maar ‘schoonmoeder’ betekent.

Meer dan klein is die mogelijkheid echter niet, want in de betekenisomschrijvingen van Schoonmoeder, Schoonvader, Schoonzoon en Schoonzuster staat de koppeling met behuwd- steeds op de plaats, waar in het artikel Schoonbroeder de betekenis ‘zwager’ staat (W.N.T. XIV, 843. 851. 853). Men moet dus haast wel aannemen dat de betekenis ‘stiefdochter’ de bewerker van het artikel Schoondochter niet bewust is geweest.

C.A. Zaalberg