[p. 78]

Boekbeoordelingen

M. Gysseling-A. Verhulst, Het oudste goederenregister van de Sint-Baafsabdij te Gent (Eerste helft XIIIe eeuw). = Werken uitg. door de Fac. van de Lett. en Wijsbeg. van de Rijksuniv. te Gent, 132 Afl. Brugge 1964. 227 pp.

Tot voor kort gold als het oudste niet-litteraire Nederlandse document de bekende schepenoorkonde van Boechoute uit 1249. Dank zij enige mooie vondsten beschikken we nu over ouder en uitgebreider materiaal, materiaal bovendien, dat in originali en vrij nauwkeurig dateerbaar overgeleverd is en in dit opzicht dus van directer waarde is dan vele litteraire teksten. Genoemde vondsten komen alle uit Gent: De statuten van de Gentse leprozerie van 1236 (uitg. d.M. Gysseling Studia Germanica Gandensia V, 1963), een handschrift uit 1237 met de Nederlandse vertaling van keuren voor de stad Gent (uitg. d. A.C.F. Koch, Vroeg Middelnederlands ambtelijk proza, Groningen 1960) en tenslotte het goederenregister van de Sint-Baafsabdij, grotendeel in het latijn geschreven, maar waarin althans enige handen (H en L) zoveel Nederlandse zinsdelen vlochten, dat we beduidend meer informatie hierover krijgen dan van de geïsoleerde Nederlandse namen en woorden, die in dergelijke teksten gebruikelijk zijn. Genoemde drie werken zijn voor ons het begin van de Vlaamse teksttraditie en geven ons een inzicht niet alleen in de spellingsgewoonten van deze periode, doch ook in de ontwikkeling hiervan. Dit laatste geldt voor het goederenregister, dat door verschillende schrijvers tussen ± 1210 en ± 1250 is geschreven. Gysseling, die op voortreffelijke wijze de palaeografische en taalkundige inleiding verzorgde, onderscheidt 20 handen, bepaalt de tijd van hun werkzaamheid en beschrijft de door hen gevolgde spelling. Hierbij beschikte hij, behalve bij de handen H en L, alleen over de namen en geïsoleerde Nederlandse termini technici, meestal maten en gewichten. Voor enkele handen, waarvan de bijdrage niet meer dan één à twee regels beslaan, is dit een al te gering materiaal, om hun karakter te bepalen. Bovendien bedenke men dat juist op

[p. 79]

namen een grote last van schrijftraditie en voorbeeldwerking rustte. Dat neemt niet weg, dat wij in het geheel van het werk van deze monniken toch duidelijk het streven zien - zij het hier en daar met duidelijk terugvallen naar het archaïsche - een vernieuwing in de spelling te brengen ten opzichte van de XIIe eeuw. Het duidelijkst is dit in het globaal toenemen van het aangeven van lange vocaal in gesloten, later (sinds hand O, 1227-1239) ook in open lettergreep, al bereikt geen der schrijvers nog een volkomen consequentie hierin. Als lengte-aanduiding vinden we sinds de oudste hand e, weldra ook i (B, ± 1212-1223), sinds hand O ook de acutus, en bij P (± 1240) zelfs de verdubbeling. De lange i wordt bij D (± 1220; pag. 79; ten onrechte geeft Gysseling blz. 27 de eer aan hand O) soms als y gespeld. Verdere conservatismen of vernieuwingen leest Gysseling af aan de spelling van v (u), w (uu), ou, rg (rh e.d.), cht (ct, th, ht enz.), sch (sc) en g vóór e of i (ghe, ghi). Hierbij mis ik een bespreking van de neiging bij enige latere schrijvers (N, O, P, S) om h verder te laten woekeren; N: Lho, Ivethe; O: -broch, Buch Néthen, Lho, Ivethe, thedrotene; P: Therenpolre; S: -donch.

Interessant is de veronderstelling, dat de i als lengteteken door B. zou zijn bedacht op grond van de ontwikkeling oi > ô in Franse leenwoorden en dat dit dus een Vlaamse uitvinding zou zijn, die zich in de XIIIe eeuw over Holland verbreid zou hebben. Nochtans vinden we bij B. deze spelling niet voor ô maar wel voor â en huidige û. Overigens mis ik bij de bespreking van de handen een verwijzing naar de pagina's in de tekst, waar men hun werk vinden kan. Met dat al geven inleiding en uitgave ons een indruk van deze schrijvers en hun problemen. De schrijvers, die achter de letters A.B.H en O verborgen zitten, krijgen contouren; vooral B. en O. kunnen we bewonderen.

Men bedenke echter wel, meer dan spellingsgeschiedenis hebben we hier nog niet. De fonetische achtergrond wacht nog op behandeling en dan wel in het kader van de andere monumenten. Onze bron biedt hiervoor zeker stof. Indien we bijvoorbeeld de behandeling van h in anlaut nagaan en zien hoe B rustig schrijft Hostackere (2 ×) naast Ostacker (3 ×), Hactine naast Achtine, J. Willem v.d. Harde naast v.d. Arde, K. ofstat naast hofstat, dan vragen we ons af, of Gysseling

[p. 80]

gelijk had toen hij naar aanleiding van de Gentse keuren van 1237, waarin de onetymologische h zeldzaam is, schreef: ‘Bij het begin van de Middelnederlandse teksttraditie leefde de klank h in Vlaanderen dus nog op een of andere wijze in de uitspraak voort’ (T.e.T. XV, 31). Bij vrijwel al onze handen is een ‘onjuist’ gebruik van h te constateren, bij de een wat meer dan bij de andere: zeer sterk bij H, vrijwel niet en dan nog in zijn laatste jaren bij O. Daar staat tegenover, dat L (blz. 86) Annekino verbeterde in Hannekino, maar die twee namen bestonden nu eenmaal en zorgvuldigheid was dus gewenst. Misschien, dat bij zorgvuldig taalgebruik die h nog waarde had en dat dit Gysselings ‘op een of andere wijze’ is en dus zijn uitspraak rechtvaardigt. Zo biedt deze tekst nog stof genoeg ter overdenking, zoals bv. de vraag, waarom A het nodig vond de naam Godescald de Putte te verbeteren in Godescald de Pitte en dus de Vlaamse ontronding weer te geven of de ‘tweetaligheid’ van H. die volkomen natuurlijk zijn Nederlands met latijn en zijn latijn met Nederlands mengt.

Het hier gezegde moge het belang van deze uitgave voor de neerlandistiek duidelijk gemaakt hebben. Het grote belang voor de agrarische geschiedenis, ons door de voortreffelijke inleiding van Verhulst ontvouwd, dient zeker genoemd, zij het elders ten volle in het licht gesteld te worden.

 

D.P. Blok