[p. 133]

Boekbeoordelingen

S.F.L. de Vriendt, Sterke Werkwoorden en Sterke Werkwoordsvormen in de 16de eeuw (Bouwstoffen en Studiën voor de Geschiedenis en de Lexicografie van het Nederlands IX). Uitgegeven door het Belgisch Interuniversitair Centrum voor Neerlandistiek, Brussel 1965. 392 blz. Prijs 750 fr.

Het werk van dr. De Vriendt is bedoeld als aanvulling van de dissertatie van A.E. Lubach, Over de verbuiging van het werkwoord in het Nederlandsch van de zestiende eeuw [Groningen, 1891]. De auteur heeft bij zijn onderzoek rekening gehouden met de bezwaren die C.G.N. de Vooys in De Nieuwe Taalgids 1, 134 vg. [1907] tegen het genoemde proefschrift had aangevoerd. Hij heeft zijn materiaal zorgvuldig gekozen uit geografisch en chronologisch voldoende gespreide en in stilistisch opzicht eveneens gedifferentieerde bronnen. Het probleem van de betrouwbaarheid van de geselekteerde teksten heeft zijn volle aandacht gehad. Slechts excerpten uit werken waarvan het handschrift van de auteur of een in de woonplaats van de schrijver kort na de totstandkoming verschenen eerste druk of gemaakt afschrift, gebruikt konden worden, werden als grondslag van de beschrijving bruikbaar geacht. Uit 22 eveneens geëxcerpeerde doch om een of andere reden minder betrouwbaar geachte bronnen (B-bronnen genoemd) wordt slechts in bijzondere omstandigheden en met de nodige omzichtigheid geput. Over dit alles verstrekt de auteur de noodzakelijke gegevens in een uitvoerige Bronnenlijst (blz. 17-32), waarin de 66 A-bronnen naar hun herkomst (12 uit Vlaanderen, 22 uit Brabant en 32 uit Holland) gegroepeerd en in chronologische volgorde zijn vermeld.

De opgetekende sterke werkwoordsvormen zijn ingedeeld naar de bekende zeven klassen. Ze worden per klasse in alfabetische volg-

[p. 134]

orde medegedeeld en besproken (blz. 35-141). Doen en enkele Varia worden afzonderlijk behandeld (blz. 142-145). Ieder deel bevat enkele resumerende beschouwingen. In een Besluit en Algemene Opmerkingen (blz. 146-158) vat de auteur de resultaten van zijn opzoekingen samen in een bespreking van de overgang van sterke werkwoorden naar de zwakke, van het sterk worden van enkele zwakke werkwoorden, het voorkomen van gemengde werkwoorden en ten slotte van een aantal wijzigingen binnen de verschillende klassen der sterke werkwoorden zelf.

Een alfabetische lijst van de afkortingen waarmee de bronnen worden aangeduid en een werkwoordenregister (blz. 163-168) helpen het bijeengebrachte materiaal toegankelijk maken. Na dit alles komt nog een uitvoerige verzameling Excerpten en Vindplaatsen (blz. 169-392): voor iedere behandelde vorm - ook hier weer alfabetisch gerangschikt - de vermelding van de plaatsen waar hij is aangetroffen en, als daar enige aanleiding toe bestaat, een stuk kontekst dat de lezer desgewenst de gelegenheid biedt de interpretatie van de auteur gemakkelijk te kontroleren.

Uit dit overzicht kan, naar ik hoop, iets blijken van de noeste arbeid die aan het werk is besteed en meteen van het nut dat het resultaat van dit ijverige speuren voor de filologen kan hebben. Het aan de orde gestelde onderwerp is zeker met het oog op een grammatika van het zestiende-eeuwse taalgebruik belangwekkend. Mijn waardering mag me evenwel niet beletten hier ook op enkele bezwaren nader in te gaan.

Het komt me voor dat het werk erbij gewonnen zou hebben, als de Excerpten en Vindplaatsen, tot het essentiële gereduceerd, in het werk zelf (dat nu in de Inhoudstafel Eerste Deel heet, waarbij het ‘Tweede Deel’ oorspronkelijk kennelijk als ‘bijlage’ bedoeld was) waren opgenomen. De bijlage bevat immers het bewijsmateriaal en de referenties van de behandelde gegevens, zodat de gebruiker nu telkens (en, zoals b.v. bij drijten, grijnen, glijden, stuipen en stuiten, vaak slechts voor de referentie) op twee plaatsen moet kijken. En de omstandigheid dat het werkwoordenregister tussen het werk en de bijlage in zit, maakt het zoeken bovendien vrij omslachtig. Ook het gebruik van de

[p. 135]

Alfabetische Bronnenlijst (blz. 163-164; feitelijk is dit de lijst van de gebruikte afkortingen) brengt komplikaties met zich mee, doordat de bronnen zelf vooraan in het boek zijn opgenomen. Wie nu de referentie van een bepaalde plaats wil oplossen, moet eerst naar blz. 163 of 164 en wordt vandaar naar b.v. nr. 52 van de Bronnenlijst verwezen: hij moet dan ergens tussen blz. 17 en blz. 32 het antwoord opsporen. Het feit dat het werk niet in hoofdstukken is verdeeld, en dat een overzicht van de bijlage in de Inhoudstafel ontbreekt maakt het de lezer niet gemakkelijker.

Tot de technische onvolkomenheden behoren verder een aantal drukfouten (blz. 13, 17, 60, 64, 130, 147, 149, 145, 165), het ontbreken van de opgave der bladzijde in enkele verwijzingen (blz. 13, noten 1 en 2, blz. 16, 25, 27, 28, 31, 107) en het niet in de bibliografie opnemen van geraadpleegde publikaties (de werken vermeld op blz. 27 en 81, telkens in noot 1). Van De Bo's Westvlaamsch Idioticon (blz. 160 ten onrechte met k) kent de auteur slechts de tweede druk; blijkens noot 2, blz. 111 heeft hij van Verschuerens Modern Woordenboek een exemplaar uit 1930 geraadpleegd.

Verwaten komt voor in het register en heeft overigens ook een behandeling gekregen als die van de volledige werkwoorden; geboren moet men echter op blz. 154 toevallig tegenkomen, er wordt verder niet de minste aandacht aan geschonken. Gedwegen wordt onder dwaen behandeld en staat niet in het register, gevlegen, dat onder vlaen een beurt krijgt, wordt wel in het register vermeld. Het is verder jammer te noemen dat in het register kennelijk niet de talrijke vormen zijn opgenomen die in Besluit en Algemene Opmerkingen besproken zijn. Dat geldt zowel de werkwoorden die elders wel behandeld zijn, omdat het Besluit die vormen een plaats probeert te geven in een synchronische klassifikatie, als voor de werkwoorden die uitsluitend in het slothoofdstuk ter sprake komen (o.a. derren, kunnen, moeten, mogen, willen, klagen, vragen, smerten). In het register ontbreken eveneens terden (behandeld blz. 84 en 265-267) en treken (zie blz. 113).

Tot de minder verzorgde aspekten van het werk moet verder ook het taalgebruik van de auteur gerekend worden. Het Nederlands van

[p. 136]

zijn beschouwingen is naar mijn smaak althans vaak, niet het minst in stilistisch opzicht, beneden de maat.

Belangrijker is uiteraard de vraag of het werk van dr. De Vriendt de leemte die er na het onderzoek van Lubach was blijven bestaan, kan aanvullen. Op grond van de grote hoeveelheid bijeengebrachte vormen zou de lezer in eerste instantie geneigd kunnen zijn die vraag bevestigend te beantwoorden. Enkele bevindingen kunnen hem evenwel aanleiding geven tot een zekere reserve.

Dat in de titel niet ‘in het Nederlands’ voorkomt, is waarschijnlijk niet helemaal toevallig. De bestudeerde werkwoordsvormen komen immers uit ‘Vlaamse, Brabantse, Hollandse en Utrechtse teksten’ (blz. 15) en de auteur is terecht niet zo vermetel geweest die teksten zonder meer als in ‘het Nederlands van de 16e eeuw’ (cfr. Lubach) geschreven te beschouwen. Waarom ‘in Vlaamse ... teksten’ evenwel achterwege is gebleven, is minder duidelijk. Wordt daardoor toch niet de suggestie gewekt als zou ‘het Nederlands’ voorwerp van het onderzoek geweest zijn? De auteur had dat kunnen voorkomen door er b.v. op te wijzen dat de gekozen teksten naar alle waarschijnlijkheid slechts inlichtingen kunnen verstrekken over de geschreven taal van die tijd - of beter nog: over de geschreven talen. Het feit dat hij er wel af en toe op wijst dat bepaalde unica ‘ons niet toelaten te oordelen of deze vormen in de toenmalige spreektaal veelvuldiger voorkwamen’ (blz. 156), strekt er echter eerder toe dat precies het tegenovergestelde gesuggereerd wordt. Ook de kommentaar die hij geeft m.b.t. de toneelspelen, die een groot gedeelte van de gebruikte bronnen uitmaken, steunt mijn vermoeden dat het hem toch eerder om de gesproken taal te doen geweest is: hij waarschuwt (blz. 15) nl. voor het gevaar dat aan toneelteksten is verbonden, omdat ze de indruk wekken ‘omgangstaal’ te bevatten, terwijl ze toch het werk zijn van rederijkers en daardoor ‘wemelen van geijkte formules en overgenomen vormen’. Wie zich zuiver tot de geschreven taal wil beperken loopt m.i. geen enkel gevaar als hij ook dergelijke teksten als teksten beschouwt! Teksten zijn in de eerste plaats geschreven taal zonder meer. Ze dienen in de eerste plaats ook als zodanig beschreven te worden. Blijkt men in bepaalde teksten verschijnselen aan te treffen die in

[p. 137]

andere ontbreken, dan kan daarop gewezen worden met eventueel als kommentaar de vermelding van het vermoeden dat het misschien verschijnselen uit de toenmalige gesproken taal zou kunnen betreffen. (De Vriendt had het artikel van Koelmans: Bontekoe zelf in N.Tg. 56, 153 vg. [1963], niet ongelezen mogen laten).

Men ontkomt bovendien moeilijk aan de indruk dat de auteur evenmin door de bedoeling met geografische verscheidenheid rekening te houden, het denkbeeld van ‘de taal van de 16de eeuw’ heeft kunnen verdringen. Of misschien kan ik beter zeggen dat hij er blijkbaar niet voldoende van doordrongen is geweest dat er eigenlijk vier (of meer) talen in het geding zijn, die misschien wel in bepaalde opzichten onderlinge beïnvloeding kenden, maar toch als autonome objekten van onderzoek benaderd zouden dienen te worden. De teksten moeten als in een bepaalde taal geschreven bestudeerd worden en mogen geenszins a priori beschouwd worden als materiaal dat geografische varianten van een (Nederlandse) eenheidstaal levert. Het feit dat er slechts 12 ‘Vlaamse’ bronnen werden geëxcerpeerd is binnen de opzet van de auteur begrijpelijk: Vlaanderen was in de 16e eeuw minder belangrijk dan Brabant en Holland. Maar op zichzelf is ‘het Vlaams’ van de 16e eeuw daarom niet minder het bestuderen waard dan de andere Nederlandse talen - men kan eigenlijk pas in de 17e eeuw van dialekten beginnen te spreken, omdat er dan pas een eenheidstaal ontstaat1). En het is de vraag of de twaalf gebruikte teksten ons voldoende gegevens verschaffen over het verbum in de taal waartoe ze behoren. Bovendien moet in dit verband nog opgemerkt worden dat daar vier werken bij zijn die volgens de door de auteur gehuldigde principes niet tot de A-bronnen gerekend hadden mogen worden. De drie gebruikte werken van S. Stevin, van wie overigens bekend is dat hij zich sterk door de Twe-spraack heeft laten inspireren en het Noordhollands als de zuiverste Nederlandse taal beschouwde2), wer-

[p. 138]

den in Leiden gedrukt door de Brabander Plantijn en misschien wel door een Hollander gezet of gecorrigeerd. En Van Mander publiceerde zijn Schilderboek in 1604 eveneens in Holland, waar hij bovendien toen al sedert 1583 verbleef. (De gevolgen daarvan zijn De Vriendt overigens niet ontgaan, cfr. blz. 37, 50, 63, 69, 72, 83 e.a.) Het is dus wel mogelijk dat uitvoeriger onderzoek alsnog voor de oplossing van bepaalde probleempjes kan zorgen.

Ook onder de Hollandse A-bronnen komen er enkele voor die daar naar de normen van de auteur niet thuishoren: zo b.v. werken waarvan de auteur niet bekend is (de nrs. 36, 37, 41, 42, 43, 45, 49, 50, 51, 54, 55, 57, 60-64). Meestal zijn er dan weliswaar omstandigheden (het oordeel van tekstuitgevers bv.) die voor ‘Holland’ kunnen pleiten, maar de volkomen betrouwbaarheid van deze A-bronnen wordt daardoor toch wel enigszins gerelativeerd en het onderscheid tussen A- en B-bronnen wordt er ook wel minder scherp door. Het komt bovendien ook wel eens voor dat hier werken worden vermeld die door Plantijn zijn gedrukt (de nrs. 50, 51, 52, 54 en nr. 48 zelfs in Antwerpen!) of waarin ‘veel Zuidnederlandse woorden en vormen’ aangetroffen worden (de nrs. 41, 42, 56. Bij nr. 58 wordt opgemerkt dat er met mogelijke Vlaamse invloed rekening werd gehouden, maar bij de drie overige teksten ontbreekt een dergelijke geruststelling).

Verder valt het op dat er geen aparte groep Utrechtse bronnen is. Het aantal Utrechtse teksten blijkt tot drie beperkt te zijn (de nrs. 35, 55(?) en 57) en gewoon tussen de Hollandse gerangschikt te zijn. Deze omstandigheid, samen met het voorkomen van een Zeeuwse bron tussen de Hollandse teksten (nr. 66), roept de vraag op wat ‘Hollands’ bij De Vriendt precies betekent. Als deze kwalifikatie ook nog van toepassing zou blijken te zijn op nr. 81 (Ordonnantie van der Wacht, [Arnhem, 1582]), dan zou ongetwijfeld de gedachte opkomen dat de moderne rijksgrens zich in dit verband weer eens heeft laten gelden.

Blz. 13 wordt gezegd dat er in godsdienstige geschriften een streven is waar te nemen naar ‘een soort eenheidstaal’. Daarom worden de werken van Datheen, (nr. 77), Utenhove (nr. 78) en Marnix (nr. 79) als B-bronnen beschouwd. Maar geldt dit ook niet voor de geschriften van Coornhert (de nrs. 44 en 47) en Stevin (de nrs. 9, 10 en 11)

[p. 139]

b.v.? En is het taalgebruik van Twe-spraack (nr. 50), Kort Begrip (nr. 51), Ruygh-bewerp (nr. 52) en Rederijck-kunst (nr. 54) zonder meer ‘het eigen dialekt’ (blz. 26) van de auteur, en is dat dan ‘het Hollands’ (ib.) of het Amsterdams?3)

Tegenover het hier gereleveerde gebrek aan zorgvuldigheid staat overigens wel een grote omzichtigheid m.b.t. het gebruik dat van het bijeengebrachte materiaal wordt gemaakt. De auteur laat zich niet tot ongefundeerde beweringen verleiden. Hier en daar zijn er ook misschien wel vraagtekens blijven staan waarvan men zou verwacht hebben dat ze met behulp van zo'n omvangrijke verzameling gegevens weggenomen hadden kunnen worden. Een juister inzicht in de taalproblematiek van de 16e eeuw zou daar ongetwijfeld toe hebben kunnen bijdragen.

Af en toe is de lezer wel geneigd bij een bepaalde passage, uitlating of opvatting een vraagteken te plaatsen. In dit verband kunnen enkele inkonsekwenties vermeld worden. Van bassen en bouwen wordt blz. 130 gezegd dat ze ‘helemaal zwak’ zijn geworden, terwijl ze blz. 153 als ‘gemengd’ geklassificeerd zijn. De vorm verbargh bij Utenhove is voorzien van deze kommentaar: ‘met de a van het sterke preteritum enkelvoud misschien onder Duitse invloed’ (blz. 69), bij de vorm vergholden heet het ‘weer invloed van het Duits of de oostelijke dialecten’ (blz. 73) zonder dat overigens duidelijk gemaakt wordt waarom deze o-vorm anders verklaard moet worden dan dezelfde vorm die uit Everaert, Datheen, Van Mander en Theatre is opgetekend. (Aan ‘oostelijke, misschien Duitse invloed’ wordt ook, en eveneens zonder opgave van reden, de vorm gheschach (blz. 116) toegeschreven, die in Ned. Dial. en in K.B. Redenk. is aangetroffen, en blijkens W.N.T. IV, 1721 ook nog bij Hooft voorkomt). De vermelding van began naast begon in Twe-spraack is niet in tegenstrijd met de bevinding dat began de ‘oude rederijkersvorm’ zou zijn (blz. 67): In Liefd Bloeyende is heus wel op de hoogte geweest van de rederijkerstaal! En de vorm bedorven zal in Ned. Dial. wel net zo

[p. 140]

goed een zuidneerlandisme zijn als in de drie spelen uit het archief van Trou Moet Blijcken (blz. 71-72). Sub luiken (blz. 54) wordt van de vorm geloecken gezegd dat hij waarschijnlijk met ‘een gesloten o’ werd uitgesproken, ook bij vlieghen (blz. 56) staat een dergelijke opmerking, m.b.t. vloegh, bij ontploeck (sub ontpluiken blz. 54), verschoeven (sub schuiven blz. 55), stoet (sub stuiten blz. 55), ghy verloest (sub verliezen blz. 56) en vervroes (sub vriezen blz. 57) wordt verder geen uitleg gegeven; uitleg ontbreekt evenzeer bij zwoer (sub zweren blz. 129 als hij schoer (sub scheren blz. 112), maar deze werkwoorden worden blz. 152 geklassificeerd onder de werkwoorden waarvan de drie hoofdtijden een verschillende stam hebben; laden, waarbij eveneens een oe-preteritum is aangetroffen (het W.N.T. VIII, 903 geeft nog een loedt uit Marnix' Byencorf en ook enkele zeventiende-eeuwse vormen) staat weer niet in het lijstje. Hadden deze gevalletjes niet enige argumentering uit de 16e eeuw mee kunnen krijgen? (Terloops wil ik er nog op wijzen dat in een citaat sub bevelen (blz. 108) de vorm schoelen voorkomt, die niet bij schuilen blz. 54) is vermeld, en sub luiken een vorm voorsproecken, (blz. 54, ook blz. 106) die niet bij spreken (blz. 113) wordt behandeld).

In Ned. Dial. trof ik blz. 145 de vorm darschen en blz. 126 de vorm betoghen (partic.) aan, terwijl ik die bij De Vriendt (blz. 72 of 231, en blz. 44, 55, 182 of 203) niet heb gevonden. Ook werken, dat in de Twe-spraack in de werkwoordenlijst blz. 89 staat (een gebruiksgeval komt voor in R.B. Redenk. blz. 153: ghewrócht) ontbreekt bij De Vriendt. Opvallend vind ik verder het ontbreken van ervaren (sub varen worden geen gegevens verstrekt) en verzwinden. Blijkens W.N.T. XVIII, 963 komt in Const v. Rhet. blz. 172 een preteritum vacht (van vechten) voor, dat door de auteur hier niet wordt vermeld.

In de blz. 117 uit Ned. Dial. geciteerde passage staat niet leyde maar leyden, van welke vorm Apen onderwerp is, zodat hier geen verwarring van liggen en leggen is geschied. (Leggen en zeggen zijn historisch niet sterk en worden daarom niet behandeld).

In verband met vertrucken zou erop gewezen kunnen worden dat thans plaatselijk in West-Vlaanderen ook nog trukken gebezigd wordt

[p. 141]

(verg. W.N.T. XVII, 2452, (blz. 86). En m.b.t. de vraag of Van Mander de vorm spuygende uit het Westvlaams gehaald kan hebben, dient opgemerkt te worden dat men ook in Holland nu spugen kent (zie blz. 43).

Als alles er op wijst dat mijden zonder meer zwak was, dan heeft men toch wel de neiging om zich af te vragen waarom het niettemin is opgenomen in de eerste klasse met vermelding van 9 citaten met zwakke vormen. Blz. 42 stelt de auteur dat 5 sterke vormen onvoldoende zijn om de mogelijkheid te bieden spijten een sterk werkwoord te noemen. Niettegenstaande het ontbreken van ieder gegeven uit Vlaanderen en Holland en de op blz. 42 geopperde veronderstelling ‘misschien sterk in Brabant’, wordt spijten in het Besluit toch zonder meer genoemd bij de zwakke werkwoorden die sterk werden. Het is overigens zo, dat de auteur herhaaldelijk op grond van een dergelijk gering aantal gegevens een bepaald werkwoord toch in zijn lijsten heeft opgenomen: zo b.v. rijgen, schrijden, fluiten, kluiven, stuiten, zuipen, melken, spinnen, stinken, welven, zwellen, zwerven, zwingen, scheren, zweren. Wie kan ons echter garanderen dat de door de auteur hier impliciet aanvaarde blinde historische wetmatigheid die werkwoorden inderdaad overal voortdurend sterk heeft laten zijn? Het is best mogelijk dat in de hier genoemde gevallen de waarschijnlijkheidsgraad zeer hoog is, maar met het voorkomen van b.v. kluyf, kloof, ghekloven in de Twe-spraack acht ik het toch liever niet zeker dat dit werkwoord in de 16e eeuw in Vlaanderen, Brabant, Holland en Utrecht sterk was. Wie beschrijvende taalkunde wil bedrijven moet er zich voor hoeden a priori een schema te aanvaarden dat verder dan slechts kan fungeren als een soort sorteertuig, waarin de aangetroffen gegevens worden gestopt ook als hun aantal zo gering is dat het nauwelijks verantwoord geacht kan worden de resultaten van deze bewerking te gebruiken. Hoe het voor en na de bestudeerde periode was, doet in eerste instantie niet ter zake. Het is wel jammer dat de interessante beschrijving van het werkwoord in de Twe-spraack noch het bekende artikel van Van Haeringen (De hoofdvormen van het Nederlandse werkwoord, N.Tg. 43, 20 vg. [1950]) de auteur van deze studie niet van de juistheid van een dergelijk uitgangspunt heb-

[p. 142]

ben kunnen overtuigen. Voor het verkiezen van de neogrammatische historische methode voor de behandeling van het rijke materiaal worden overigens geen redenen opgegeven.

 

K.U. Leuven

G. Geerts

Nov. 1966

Dr. Jozef van Haver, Nederlandse incantatieliteratuur. Een gecommentariseerd compendium van Nederlandse bezweringsformules. Bekroond door de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde. Gent, Secretariaat van de Kon. Vl. Academie, 1964. (506, VI blzn.).

In 1901 heeft Verdam de jaarvergadering van onze Maatschappij geopend met een rede over bezweringsformulieren. Zijn onderzoek van de middelnederlandse literatuur had hem herhaaldelijk met deze merkwaardige uiting van volksgeloof in contact gebracht, en hij kon voor zijn lezing dan ook te kust en te keur uit een overvloedig bewijsmateriaal voorbeelden halen. Sindsdien hebben vooral De Cock, De Keyser, Foncke en Olbrechts in Vlaanderen en Sinninghe in Nederland er aandacht aan besteed, terwijl de medici die zich met volksgeneeskunde bezighielden het onderwerp moeilijk konden omzeilen. In 1960 schreef de Kon. Vlaamse Academie een prijsvraag uit naar ‘een beredeneerd compendium van de Vlaamse en Noordnederlandse, in boek en tijdschrift verspreid liggende toverformules, met bespreking van inhoud en vorm’. Het lijvige boek van Dr. Jozef van Haver is er het resultaat van.

Van Haver heeft niet minder dan 1116 toverformules bij elkaar gebracht. De formulering van de opdracht bracht voor hem de welkome afbakening mee, zich tot het gedrukte materiaal te beperken, maar dat is al zo uitvoerig dat men alleen op grond daarvan gewettigd is er bepaalde gevolgtrekkingen uit te trekken. Voor de ordening van het materiaal bestonden verschillende mogelijkheden; de schrijver heeft boven een alfabetische, een chronologische en een thematische ordening de voorkeur gegeven aan een classificatie volgens het doel van elke tekst, en dat lijkt ons juist. Maar vooraf heeft hij zijn compendium in

[p. 143]

drie delen ingedeeld, ‘steunend op het onderscheid tussen een bezwering door een bezweerder, volksgebeden voor een tijdelijk goed, en teksten in verband met tover- en geestenwereld’. Binnen elke ziekte- of noodgroep werden de bezweringen thematisch geordend. In het eerste deel (bezweringen) wordt de formule door een bezweerder uitgesproken; hier gaat het om reële ziekten of moeilijkheden, die dus bezworen moeten worden. In het tweede deel (volksgebeden) gaat het om het afweren van een eventueel kwaad of het eventueel verkrijgen van een goed. Bij deze afweerformules, zegenspreuken of gebeden komt de bezweerder niet of nauwelijks te pas. In het derde deel tenslotte zijn alle formules, bezweringen en spreuken bijeengebracht die op de toveren geestenwereld betrekking hebben, d.w.z. zowel die waarmee men zich tracht te beveiligen tegen de al of niet reële toverij, tegen de macht van geesten, heksen, tovenaars en duivels, als de toverspreuken die heksen en tovenaars zelf bij hun werk uitspreken. Bij deze laatste groep zijn ook de liefdetover- en orakelspreuken ondergebracht.

Dr. Van Haver heeft aan het eigenlijke compendium, dat vier vijfden van zijn boek in beslag neemt, beschouwingen toegevoegd over vorm en stijl en over de inhoud van de formules. Wat de vormelementen betreft begint hij met een indeling in drie hoofdgroepen, op grond van 1) de inhoud, 2) de herkomst en de ouderdom en 3) de uiterlijke verschijningsvorm. Bij de indeling in typen op grond van de inhoud (1) onderscheidt hij er zes: 1) het bevel-type (Koorts, verdwijn in Gods naam), 2) beschrijving van de handeling (Venien, ik bezet die), 3) de vergelijkingsvorm (Heer, red mij nu, zoals gij eertijds uw dienaar Daniël uit de leeuwenkuil hebt gered), 4) de epische vorm, de ‘epischer Eingang’, die respectievelijk een eenvoudige mededeling, een klein verhaal, een klein verhaal met het wandel- en het ontmoetingsmotief kan zijn, 5) de gebedsvorm (O maan, o lieve maan ... bevrijd ons van drij pijnen ...) en tenslotte 6) de lange formule, die bijna uitsluitend wordt aangewend tegen toverij, weinig bij dringende ziekte of nood, aangezien ze niet uit het hoofd kan worden opgezegd.

Het onderzoek naar de indeling in typen op grond van herkomst en ouderdom (2) heeft weinig opgeleverd. De schr. noemt een aantal voorbeelden waaruit blijkt dat de formules van dezelfde bezweerder soms

[p. 144]

een aantal gemeenschappelijke kenmerken vertonen. Bij een aantal andere formules is invloed van schriftelijke bronnen merkbaar; er waren aflezersboekjes (waarover we graag wat meer zouden hebben gehoord) en een enkele formule is ontleend aan een ‘vliegend blad’ en zelfs aan een Latijnse tekst. Vele formules moeten trouwens van geestelijken stammen; delen van kerkelijke gebeden komen er niet zelden in voor. Herhaaldelijk ontmoeten we zinnen uit het St.-Jansevangelie en ook de Nieuwtestamentische apocriefen hebben invloed gehad op een aantal formules. Een indeling naar de ouderdom van de formules bleek onmogelijk; zowel bij de middelnederlandse als de modernere teksten verschijnen zowat alle typen door elkaar. Meer leverde natuurlijk de indeling op grond van de uiterlijke verschijningsvorm (3) op; daarbij onderscheidt men vier typen: de prozavorm - van de eigenlijke bezweringen zijn ongeveer een derde in proza - de berijmde formule, de gemengde vorm - die in enkele langere (proza)teksten voorkomt - en het sterk ritmische type - vrije verzen, met korte, krachtige zinnen als ritmische golven. Van de andere opmerkingen over de vormelementen vraag ik nog aandacht voor die over de slotwoorden van de formule. Een slotformule is geen vereiste voor een bezweringsformule: ‘zowel het ritme van de bezwering als de inhoud ronden genoegzaam het geheel af’ (blz. 429). Niettemin hebben een aantal formules min of meer traditionele slotwoorden, soms kerkelijke slotformules, soms aanroepingen van Gods almacht, soms een beklemtoning van de zekerheid van de genezing. In een paar bezweringen wint de slotformule aan kracht doordat ze in een andere tijd staat, b.v. in de v.t.t., terwijl de bezwering zelf in de o.t.t. staat. Dat wijst er op, zegt de schr., dat intussen, door het uitspreken van de bezwering, de genezing gebeurd is (blz. 429).

Zoals het volkslied ‘zersungen’ wordt, wordt de bezweringsformule ‘zersprochen’. R. Petsch (Spruchdichtung des Volkes, 1938, S. 87) ziet in de geradbraakte vorm der formules een wezenlijk kenmerk van de bezwering. Van Haver deelt deze opvatting niet en inderdaad is het waar, dat veel formules geheel en al verstaanbaar zijn. Ik geloof dat een aantal (vele?) bezweerders terwille van het effect voorkeur hebben gehad voor een ‘zersprochen’ tekst.

[p. 145]

Bij de stijlelementen bespreekt Van Haver vier onderwerpen: de beeldspraak, het rijm, het ritme en het metrum en het adjectief als stijlelement. De beeldspraak is een belangrijk element in de bezweringsformule. Vooraan staat de vergelijking; sommige formules zijn alleen maar vergelijkingen. Metaforen komen veel minder voor, misschien omdat ze alle aandacht schenken aan het beeld en de eigenlijke voorstelling op de achtergrond laten, wat voor de bezweerder, die steeds in concreto denkt, onbevredigend is. Wat het rijm betreft valt het op dat alliteraties minder vaak voorkomen dan men zou verwachten. Nog geringer is het aantal assonanties; daarentegen komt het eindrijm veel voor; voor de bezweerder was dit immers een gemakkelijke geheugensteun. Van Haver wijst niet op de combinatie van alliteratie en rijm, zoals men die b.v. in no. 66 (wel door hem genoemd i.v.m. de alliteratie) aantreft. De formules zijn maar zelden metrisch. Van Haver vindt dat niet zo wonderlijk; bewuste toepassing van een metrum, merkt hij op, veronderstelt immers kennis van een theorie, een versleer, en daaraan heeft de bezweerder geen behoefte. Dit lijkt me een nogal geforceerde redenering; toepassing van een metrum behoeft allerminst kennis van een versleer te veronderstellen en men kan gerust beweren dat er nergens zoveel metrische versregels worden gescheven als onder het ongeletterde volk. De bezweerder heeft klaarblijkelijk genoeg aan het rijm en daarom heeft hij het metrum niet nodig. Het gemeenschappelijk kenmerk van alle formules is, dat het ritme de tekst indeelt in sterk gebonden geledingen, dezelfde die men ook in een aantal spreekwoorden vindt (De ene zijn dood is de andere zijn brood). Het opmerkelijkste stijlelement is m.i. het ontbreken van het adjectief, omdat er in de bezweringsformules geen plaats is voor het bijkomstige. Het adjectief heeft dan ook alleen een functie als het moet onderscheiden: bewaar mij van kwade gepeinzen, vaar in wilde landouw.

De bezweringen zijn ook in ons taalgebied oeroud. In de Carel ende Elegast laat Elegast door een bezwering Eggheric en zijn vrouw vast inslapen, maar we kennen de tekst van dit ‘ghebede’ niet. De oudste bron die we bezitten voor ons taalgebied, tegelijk wellicht de belangrijkste, is het zgn. Gentse hs. dat van het laatste kwart der 15de eeuw dateert en op de betekenis waarvan Verdam al heeft gewezen. Men

[p. 146]

krijgt de indruk dat Van Haver alles bij elkaar heeft gebracht wat er in de loop der eeuwen aan incantatieliteratuur gepubliceerd is. Het is een materiaal waarmee men wat kan doen, maar het is natuurlijk geen fractie van wat er geweest, maar niet meer te achterhalen is, al zullen toevallige vondsten nog wel eens iets aan het licht brengen. We weten dat de Germanen bezweringsformules kenden. We kunnen veilig aannemen dat veel daarvan de kerstening heeft overleefd, en veronderstellen dat resten daarvan nog in de bewaard gebleven incantatieliteratuur voortleven. Maar met zekerheid weten doen we niets.

 

P.J. Meertens

Woordenboek der Zeeuwse dialecten, bijeengebracht door de Zeeuwse vereniging voor Dialectonderzoek. Redactie Dr. Ha. C.M. Ghijsen. Den Haag, Van Goor Zonen, (1964). (XXVIII, 1232 blzn.).

In dl. LXXVIII (1961) heb ik de eerste aflevering van dit woordenboek, die in 1959 was verschenen, uitvoerig aangekondigd. Inmiddels zag in 1961 de tweede en eind 1964 de derde aflevering het licht, waarmee het boek voltooid was. Gebonden in een wijnrode band, met het wapen van Zeeland in goud op het voorplat, maakt het met zijn ruim 1200 bladzijden een kloeke indruk. Het eerste exemplaar van het volledige boek is op 23 november 1964 aan Dr. Ghijsen aangeboden, die de dag daarop haar tachtigste verjaardag vierde. Bijna de helft van haar leven heeft zij voor een belangrijk deel in dienst gesteld van het moeizame werk, waarvan haar gewestgenoot J.H. van Dale schijnt te hebben gezegd dat wie zijn vader en moeder vermoord had, er nog te goed voor was. Aan tegenslagen heeft het haar niet ontbroken; de ergste daarvan was wel het verlorengaan van de kaarten met de persklare tekst van de letters A tot en met F in de voor Middelburg zo noodlottige meidagen van 1940. Dit deel - in het gedrukte boek beslaat het 245 bladzijden - moest dus opnieuw uit het oorspronkelijke, gelukkig bewaard gebleven materiaal worden herschreven. Noch in het sobere woord ‘ter inleiding’, noch in het even sobere ‘tot besluit’ heeft Dr. Ghijsen het nodig gevonden over deze tegenslagen te spreken.

[p. 147]

Aan het eind van haar boek heeft zij de alfabetisch geordende lijst opgenomen van degenen die gedurende korter of langer tijd aan het bijeenbrengen van het materiaal hebben deelgenomen. Het zijn er ruim zeshonderd. Ruim dertig onder hen hebben haar bovendien reeds eerder opgestelde of ten bate van het onderzoek samengestelde verzamelingen van plaatselijk dialect ter beschikking gesteld. Ook heeft zij de beschikking gehad over enkele oudere handschriften, die ik in mijn bespreking van de eerste aflevering genoemd heb. Speciaal voor Flakkee heeft zij veel gehad aan de nog steeds verschijnende reeks ‘Folklore en Taal’ die F. den Eerzamen in de Flakkeese Nieuwsbode pleegt te publiceren en die ik graag gebundeld zou zien. Het overgrote deel van het materiaal is echter door Zeeuwen en oud-Zeeuwen zelf bijeengebracht, en in dit opzicht is dit woordenboek uniek; er is geen enkel ander dialectwoordenboek in ons taalgebied, noch voor zover ik weet daarbuiten, dat op een soortgelijke wijze tot stand is gekomen, al hebben verscheidene andere, zoals het Groninger woordenboek van Ter Laan, eveneens van de medewerking van belangstellenden geprofiteerd. De Zeeuwse Vereniging voor Dialectonderzoek, die in 1929 werd opgericht en sindsdien een honderdvijftigtal vragenlijsten heeft uitgezonden, heeft merkwaardigerwijze in de provincie, waar het insulaire karakter aan samenwerking in organisatorisch verband maar al te dikwijls moeilijkheden in de weg legt, voor haar taak een zo dicht net van medewerkers kunnen vormen als de initiatiefnemers nooit hadden durven hopen. Een aantal van hen heeft gedurende vijfendertig jaar (1929-1964) meegewerkt. Voorstander van de indirecte methode in het dialectonderzoek, zie ik de juistheid van mijn opvattingeen ook in dit woordenboek weer bevestigd. De voorwaarde daarbij, waaraan hier voldaan is, is dat men over een groot aantal informateurs beschikt, zodat de gegevens elkaar controleren. Dr. Ghijsen heeft door de nauwkeurige localisering haar materiaal verantwoord; achter elk lemma noemt ze de plaatsen waarvoor het woord is opgegeven, eventueel met de varianten. Men zou dus met deze gegevens bij wijze van spreken van elk woord dat in een groter gebied voorkomt een dialectkaartje kunnen tekenen. Ook hierin onderscheidt dit woordenboek zich van alle andere in het Nederlandse taalgebied. Het is opvallend dat een aantal woorden maar voor enkele

[p. 148]

of zelfs voor maar één plaats worden opgegeven, waarbij men zich dan afvraagt of dat woord in andere naburige plaatsen werkelijk niet bekend is. Een vrij grote waarborg voor het unieke of vrijwel unieke voorkomen is dat deze woorden in de vragenlijsten zijn opgenomen; de medewerkers zijn er dus in elk geval op geattendeerd. Maar zeker is hier de persoonlijke belangstelling van de medewerkers in het geding; wanneer de gegevens voor Flakkee zeldzaam volledig schijnen te zijn, dan is dat in de eerste plaats te danken aan een zo toegewijd en deskundig medewerker als de heer Den Eerzamen is.

Aan deze medewerkers hebben we het ook te danken dat grote aandacht is gegeven aan de beroepstalen. In de eerste plaats geldt dit voor de taal van de landbouw. Ik geloof niet dat het gemakkelijk zal zijn een landbouwterm te noemen die in dit woordenboek ontbreekt. Maar bovendien zijn deze termen zo duidelijk verklaard (dikwijls met een illustratie) dat men er zich een heldere voorstelling van kan vormen. Als vrij willekeurig gekozen voorbeelden noem ik de lemmata de loeie1) (ploegleidsel) en menne(n), allebei nogal ingewikkelde begrippen, maar die omstandig en duidelijk worden verklaard en toegelicht. Handig zijn de samenvattende lemmata, zoals menwaegen, waarin alle onderdelen van deze wagen worden opgesomd, of poengere(n), waarin het opladen van de korenschoven wordt beschreven met alle daarbij behorende termen. Ook andere vaktalen, als die van de visserij, de vlasserij, de waterstaatkunde en het dijkwezen zijn uitstekend en ogenschijnlijk volledig behandeld. Hetzelfde geldt voor de scheepstermen.

In mijn eerste bespreking wees ik al op de uitvoerigheid waarmee de termen uit het gebied van volksleven, volksgebruiken en volksgeloof zijn behandeld. Daarin gaat Dr. Ghijsen zelfs zover dat ze onder de lemmata volksgeloof en volksgeneesmiddelen verwijst naar de woorden waarbij deze onderwerpen ter sprake komen. De volkskundige die het woordenboek voor zijn volkskundige doeleinden raadpleegt kan zich daarover alleen maar verheugen en betreurt het dat de samenstelster niet eerder op deze gedachte is gekomen, en niet hetzelfde heeft gedaan voor

[p. 149]

de kinderspelen, de spelen der volwassenen, de oogstgebruiken, de rouwgebruiken, de klederdracht, rijmen en nog een stuk of wat andere onderwerpen. Klaarblijkelijk is zij pas tegen het eind van haar taak op dit idee gekomen. Maar in elk geval heeft het Zeeuwse woordenboek dan toch nog de primeur op dit gebied, en volgende alfabetisch geordende dialectwoordenboeken kunnen met deze vondst hun voordeel doen. Het bezwaar dat men in een alfabetisch woordenboek de woorden alleen kan vinden als men ze kent wordt door dergelijke verwijzingsartikelen goeddeels opgeheven.

Uitvoerig zijn vooral de beschrijvingen van typisch Zeeuwse spelen als het gaaischieten, het kalleboeren, het pierbollen, het ringrijden, pot en bure, reesje-af en slabberjan. Een enkele keer wordt er zelfs literatuur bij opgegeven, wat overigens weinig systematisch is gebeurd. Ik heb de indruk dat nauwelijks één in Zeeland bekend kinderspel (ik mis alleen kakkestoelemeie) of spel voor volwassenen ontbreekt, zo min als ook maar één term die op de klederdracht betrekking heeft. Voor de rouwgebruiken moet men de lemmata begraefenis, liek, liekbidder, liekganger, liek'oed, liekmael, liekstaosie, liekstrôô en de wete (weet) raadplegen - ik ben misschien niet volledig - maar dan kan men er ook een samenhangend verhaal over neerschrijven. Het simplex spook ontbreekt; wel vindt men spokeblomme, spokebrôôd, spokekrieng, spooketen en spookstee. Heel uitvoerig is het lemma tôôvere(n), maar het heeft alleen op Goeree en Overflakkee betrekking en berust uitsluitend op de inlichtingen van F. den Eerzamen. Evenzo berust het korte artikel weerrijmpjes en -voorspellingen alleen op gegevens van A. de Boo uit Kwadendamme. Dat is natuurlijk onjuist.

Vooral de materiële volkskunde komt in dit woordenboek aan haar trekken: het boerenhuis en -hof, het landbouwgereedschap, de gebruiksvoorwerpen, de klederdrachten, het visgerei enz. Op deze rubrieken heeft een groot deel van de illustraties betrekking. De illustratie is nl. uitsluitend functioneel, nooit - als bij Ter Laan - alleen maar illustratief2). Het artikel ploeg stelt teleur omdat het voor de onderdelen van de (ouderwetse) zgn. houten ploeg naar de tekeningen en de be-

[p. 150]

treffende artikelen verwijst, maar niet opgeeft waar men die kan vinden.

Ik blijf het betreuren dat de etymologie ontbreekt, al begrijp en eerbiedig ik de motieven die ertoe geleid hebben, deze niet op te nemen. Een enkele keer is de natuur sterker dan de leer geweest; bij labedissen, Liesjesdag, moes (scheepsjongen), napoleonder, schaer (kinderspel), smoellepel en misschien nog enkele andere woorden vindt men een poging tot woordverklaring. Ook blijf ik het jammer vinden dat oudere, in onbruik geraakte woorden niet zijn opgenomen. Soms is er toch een oud woord ingeslopen, zoals vrongelig (waarschijnlijk licht verteerbaar, van vis gezegd), dat in het hs. van Adriaan Steketee voorkomt, maar dat deze wellicht aan de Zeeuwse kroniek van Smallegange (1696) heeft ontleend.

De meervoudsvormen van de zelfstandige naamwoorden zijn alleen opgegeven wanneer men er aan zou kunnen twijfelen. Hetzelfde is het geval met een ander morfologisch verschijnsel, de hoofdtijden van de werkwoorden, die alleen genoemd zijn wanneer ze van het algemeen Nederlands afwijken (bakken, briengen, dienken, gaen, leien (leggen), slaen, staen, steken, weten enz.). Het syntactisch materiaal moet men uit de zinnetjes halen die in vrijwel elk lemma als voorbeeld van het gebruik van een woord worden genoemd. Het uit syntactisch oogpunt zo interessante gebruik van doen als hulpwerkwoord, gevolgd door de infinitief van het hoofdwerkwoord (ik doe leze = ik zit te lezen; ze doet fee liege = ze liegt veel) wordt (blz. 182) korter besproken dan men wel zou wensen. Een ander typisch Zeeuws grammatikaal verschijnsel is het gebruik van ge- als intensiviteitsvoorvoegsel bij enkele infinitieven en participia praesentia (Ze zoue mé meie getrouwe, ze zouden met mei gaan trouwen; gaed-is gevliegende nè d'n dokter, ga 's vliegensvlug naar de dokter). Bij welke werkwoorden komt dit verschijnsel voor? Vormen als ant lopende, ant vliegende, door Dr. Ghijsen indertijd naast deze vormen gevliegende enz. genoemd (Handelingen van het 11de Vlaams Philologenkongres, 1932, blz. 87) heb ik in haar woordenboek niet terug kunnen vinden.

Ook voor de taalsociologie bevat dit lexicon waardevol materiaal. Onder de lemmata bazinne en vrouwe vindt men gegevens over de aan-

[p. 151]

spreekvormen van de boerin, waarbij de veranderde verhoudingen tussen boerin en dienstpersoneel duidelijk uitkomen. Eerst na 1945 begon ‘mevrouw’ op het platteland in te burgeren. Soortgelijke opmerkingen vindt men onder baes en èrrebeier. Onder boerekeutel vindt men een tiental geringschattende benamingen voor de boer opgesomd. Bij het vnw. jie horen we het een en ander over het verdwijnen van dit woord en het toenemend gebruik van u als aanspreekvorm, vooral in de steden. Onder volk vindt men gegevens over de verschillende betekenissen die dit woord in het Zeeuws bezit. Zo dikwijls daarvoor aanleiding is wijst Dr. Ghijsen erop dat een woord neutraler van betekenis (gevoelswaarde) is dan in het A.N. (vent, wuuf).

Eigennamen zijn alleen opgenomen wanneer ze tot een soortnaam zijn geworden (Kéa, Lamech, Jan, Pieter, Têêuw, Sibbedee(ë)), of in een rijm voorkomen (Aerenout). Ook zijn enkele namen van historische personen opgenomen die in zegswijzen nog in de volksmond voortleven (de, 't kasboek (de werken van Vader Cats), Paspoort (alles komt t(e)recht b'alve de bêênen van Paspôôrt), dokter de Puut (een Middelburgse wonderdokter), Schorer (Schorer's bos), Zeidelits (d'n ond van zeidelits, d.i. de Hulster familie Seydlits)). Ik mis (Mr. Pieter) Pous, die althans in Serooskerke (W.) en omgeving een halve eeuw geleden nog voortleefde in de zegswijze: Hij is zo netjes als Pous.

Onder het lemma patronymica vindt men voor alle delen van het Zeeuwse taalgebied bijzonderheden over het gebruik daarvan. Het artikel is ten dele een aanvulling op het wat kort uitgevallen lemma biesmak (bijnaam). Uitvoerig is ook het artikel roepnamen voor dieren. Geen van deze drie artikelen heb ik in een ander dialectwoordenboek aangetroffen.

Ook de plaatsnamen zijn alleen opgenomen wanneer ze tot soortnaam zijn geworden (aeremuënaers, een soort pepernoten) of in een zegswijze voorkomen (d'n batsen (bassen) boer, 'n oogelandse middag, 't ouweland, smaerdieke, wès(t)kappels, zierikzêêënaar, zoetelande). Zodoende ontbreken typische dialectvormen als 'Answèst (Hansweerd), Iese (Ierseke), 't Resement (Retranchement), Sienskèrke (Sinoudskerke), Schrabbekèrke ('s Heer Abtskerke), Sinte Pier (Nieuwvliet),

[p. 152]

Stras- of Stroskèrke (Serooskerke) en Weumelienge (Wemeldinge). Wel worden enkele van deze namen tussen de tekst onder andere lemmata genoemd (b.v. blz. 117: Kruse mart, d.i. Kruiningse kermis; ook blz. 733), maar daar moet men maar toevallig op stuiten. Onder het lemma reize, reis (blz. 774) vindt men een aantal plaatsnamen die als reisdoel bekend waren en in zegswijzen zijn vastgelegd, maar die geen van alle onder de betreffende plaatsnamen zijn opgenomen. Wel is onder het lemma land 't landje opgenomen in de betekenis: het Land-van-Kadzand. Toponiemen zijn meermalen genoemd onder het substantief waarvan ze zijn afgeleid; verder noteerde ik alleen vôô(r)trappe.

Niets is gemakkelijker dan het opsommen van woorden die men in een woordenboek tevergeefs heeft gezocht. Dr. Ghijsen weet zelf beter dan wie ook dat haar woordenboek niet volledig kan zijn. Zelf heeft ze al 9 bladzijden aanvullingen en verbeteringen gegeven, en onder haar beproefde leiding gaat de Zeeuwse Vereniging voor Dialectonderzoek door met het verzamelen van woorden. Dr. F.C. Dominicus heeft al een aanvulling gegeven van oude Zuidbevelandse woorden (Taal en Tongval, 14, 1962, blz. 175-183). Men kan alleen maar wensen dat er meer zullen volgen en dat ze voldoende in aantal zijn om mettertijd in een supplement te worden verzameld, zoals Ganderheyden voor het woordenboek van Molema en Claes voor dat van Tuerlinckx samenstelden. Ik zelf zocht tevergeefs naar wel buke mê nie zakke (wel in de buik, maar niet in de zak stoppen, de order die jongens van een boer krijgen in wiens boomgaard ze fruit mogen plukken), koskoren kerstmiskoren), maire (een drie- of vierkant plankje waaraan men aan de zolderbalk de worst hing), oost(e) (wreef van de voet, wel genoemd onder vost(e), blz. 1090), ostie (hofstee, wel genoemd onder 'oeve, blz. 344 en 'ofstee, blz. 345), parfait d'amour (de geliefde drank van de boerinnen), spekkoeken (wel genoemd onder lenden: ze meugen wè spekkoeken in z'n lennen lèn, blz. 535), spekladder (waaraan 's winters aan de zolderbalk het spek hangt), vêêrewaegen (wel genoemd onder seeze, blz. 862). De smelt komt misschien in Zeeland niet meer voor, en dan is zijn afwezigheid verontschuldigd3).

[p. 153]

Tenslotte nog enkele kleinigheden. De aantekening bij brulofter had beter onder bruloft kunnen staan. Het artikel stolpe is in vergelijking met soortgelijke boerderijwoorden wat kort uitgevallen. Voor het straorieën had ik liever dan naar het nogal fantastische artikel in het Zeeuws Tijdschrift van 1959 naar dat van Dr. C.C. van de Graft in Volkskunde, 17, 1905 verwezen willen zien. De wijze van citeren doet soms wat middeleeuws aan; er is enig zoeken nodig om er achter te komen dat met de op blz. 1087 genoemde bron Zelandia Illustrata Nagtglas 1878 bedoeld is F. Nagtglas, Zelandia Illustrata, II (1880), blz. 105. Doorgaans worden de bladzijden van de geciteerde tijdschriften niet genoemd. Niet iedereen zal begrijpen dat met P.Z.C. (blz. 949, 1069, 1084) de Provinciale Zeeuwse Courant bedoeld is. Hazen en hazenliederen (blz. 1188 i.v. ziengschole) zijn drukfouten voor Hazeu en Hazeuliederen. Dergelijke ziengscholen bestaan overigens onder deze naam nog altijd.

Ik heb dit woordenboek ruim een jaar vrij regelmatig geraadpleegd alvorens ik er over schreef. Wat ik er in miste valt volkomen in het niet in vergelijking bij het vele dat ik er in vond. Ik geloof niet dat ik me aan chauvinisme schuldig maak wanneer ik neerschrijf dat dit Zeeuwse woordenboek tot de beste behoort die in ons taalgebied zijn verschenen. Ik grond dit oordeel op de betrekkelijke volledigheid, op de uitvoerigheid waarmee een groot aantal begrippen gedefinieerd worden, op de uitvoerigheid waarmee de vaktalen zijn behandeld, op de grote plaats die het volksleven en de volksgebruiken er in kregen, op de doelmatige verwijzingen naar synoniemen en verwante begrippen en op het juiste gebruik van de illustratie. De dialectwoordenboeken die we nog mogen verwachten zullen van dit Zeeuwse het een en ander kunnen leren.

P.J. Meertens

[p. 154]

H. Gipper und H. Schwarz, Bibliographisches Handbuch zur Sprachinhaltsforschung. Teil I, Lief. 7. Einleitung und Zeit-schriftenbibliographie. Köln und Opladen, Westdeutscher Verlag (1966). CCVII blz. + blz. 769-773.

Bij het verschijnen van de eerste aflevering van dit werk (zie dit Ts., dl. 79, blz. 216) hadden de bewerkers beloofd de inleiding te zullen voegen bij het laatste stuk van de eerste afdeling. Daar deze echter bij de afsluiting van deel I nog slechts tot de letter G gevorderd is, en het totale aantal afleveringen van deze afdeling de voorziene 20 ruimschoots zal te boven gaan, hebben zij besloten reeds nu hun inleiding en verantwoording te publiceren. Zoals het hele werk, is ook deze inleiding zeer breed opgezet en bevat, voorafgaand aan de eigenlijke verantwoording van de opzet, een uitvoerige en grondige ‘Einführung in den Gedanken - und Fragenkreis der Sprachinhaltforschung’ (bl. XV-LXXXIV). Uitgangspunt is een ‘höchst einfache, nach ihrer Entdeckung unmittelbar offenkundige Einsicht, nämlich die Erkenntnis W.v. Humboldts, dass Sprache ihrem Wesen nach durchgängig Gliederung (Artikulation) ist und also auch inhaltlich einen gegliederten und gliedernden Zusammenhang bildet’; kort samengevat in de formulering van J. Trier. ‘Sprachinhaltfoschung ist Gliederungsforschung’. De taalgemeenschap bestaat ‘vor allem in gemeinsamer Teilhabe an einem bestimmten System laut- und inhaltlicher Gliederungen’ (XX) en de taal bewerkt ‘eine Gliederung der sinnlichen und geistigen Gegenständlichkeit’ (XXIII). Deze ordening laat zich niet verstaan in de synchronische semasiologie alleen, of in de onomasiologie, die zich bezighoudt met de vraag ‘wie wird das Bezeichnete durch die Bezeichnung dargestellt, was sagt die über jenes aus?’, maar ‘die ganze Geschichte eines Begriffs ergibt sich erst, wenn neben den Einwirkungen der Aufschlusswerte auch die Veränderungen des Stellenwertes durch die Auseinandersetzung mit den Begriffsnachbarn in Betracht gezogen werden’ (XLIV). Bij de verdere bepaling van de ‘Sprachinhaltforschung’, als onderscheiden van aangrenzende disciplines, komt als het wezenlijke van deze wetenschap voor den dag dat zij de structuralisme beoogt dat vorm èn inhoud van de taalfenomenen te zamen tot object

[p. 155]

maakt: ‘Diese Verhältnisse machen es notwendig, innere and äussere Gliederung der Sprache (Inhaltsstruktur und Gestaltstruktur) stets gemeinsam zu betrachten und dabei vor allem ihr kompliziertes Wechselspiel ins Auge zu fassen. Ein Strukturalismus, der versucht die eine Seite ohne Rücksicht auf die andere zu beschreiben, kann nicht hoffen, brauchbare Ergebnisse zu erzielen. Er ist entweder Selbstbetrug oder müssige Spielerei, erst recht natürlich, wenn man obendrein meint, man könne die äussere Sprachstruktur (Trägerstruktur) ohne Beachtung der Trägerwerte als blosse Gliederung des Lautkontinuums darstellen’ (LIV).

In haar werkwijze staat centraal het begrip ‘veld’, dat het eenvoudigst gedefinieerd kan worden als ‘eine abkürzende und bequeme Formel für “Stück der Gliederung des Sprachinhalts”’ en waarvan de toepassing aldus verloopt: ‘Man benützt einem umfassenden Begriff einer Sprache als einer Art Planquadrat, das man auf die zu untersuchende Sprache, einen bestimmten Sprachzustand (oder auf mehrere Sprachen und ihre Zustände) projiziert. Was sich nun innerhalb eines solchem “Leuchtrahmens”, innerhalb eines Sinnsprengels, Sinnbezirks usw. jeweils an sprachlicher Gliederung zeigt, heisst Feld’.

In een door H. Gipper bewerkt apart hoofdstuk ‘Kernfragen der Sprachinhaltsforschung’ komen als zodanig o.a. ter sprake de vraag of het taalteken arbitrair is, het probleem van de eenheid van het woord, de correlaties tussen woordcategorieën en zinsbouw, het onderzoek van de zinstructuur (‘Satzbaupläne’) en nogmaals de verhouding tot het structuralisme, dat in zijn tot nog toe overheersende vorm wordt afgewezen, o.i. terecht: ‘Wenn der Strukturalist strenger Provenienz glaubt - oder wenigstens einige Zeit lang geglaubt hat -, eine Sprachstruktur exakt und lückenlos beschreiben zu können, ohne Anleihen bei der Semantik zu machen, so musste das vom inhaltbezogenen Standpunkt aus von vornherein als aussichtlos, ja im Grunde als absurd erscheinen’, (LXXXII). Met instemming worden aangehaald de woorden van Roman Jakobson ‘linguistics without meaning is meaningless’ en de meer genuanceerde uitspraak van W. Schlachter: ‘Keine noch so subtile Formanalyse, keine noch so “objektive” Feststellung von Ähnlichkeiten und Verschiedenheiten, keine noch so exakte Beschrei-

[p. 156]

bung des Wie der sprachlichen Prozesse kann eine Einsicht in das verschaffen, was sich hier eigentlich geistig vollzieht und weshalb es sich gerade so und nicht anders vollzieht. Um zu einer erschöpfenden Beschreibung des Phänomens Sprache zu gelangen, die ja auch der Strukturalist anstrebt, muss man eben früher oder später in den Sinn gleichsam hineinspringen und ihn als entscheidenden strukturschaffenden Faktor anerkennen’ (LXXXIII).

Ten slotte wordt nog gewezen op het belang van dit taalonderzoek op basis van de inhoud voor de mechanische vertaling, ‘denn man kann mit Sicherheit voraussagen, dass diese Bemühungen nur in dem Masse von Erfolg begleitet sein können, wie alle sprachkonstituierenden Faktoren, also auch die semantischen, wirklich erfasst sind’.

De tweede afdeling van de inleiding geeft een verantwoording van de opzet van het werk. Het punt waarop de kritiek zich o.i. het eerst zou kunnen richten, nl. dat de stof in eerste instantie gerangschikt is op de auteurs, niet op de onderwerpen, komt daarbij pas als laatste aan bod. Van de zeven aangevoerde argumenten daarvoor lijkt ons alleen het derde doorslaggevend: dat het nl. een beredeneerde bibliografie is. Verder ook dat bij de systematische behandeling de meeste titels op verschillende plaatsen genoemd zouden moeten worden. Vooraf wordt eerst gesproken over de beperkingen: dat vooral het onderzoek van de laatste 4 of 5 decennien aan bod komt en daarin dan als hoofdschotel het Duitse, ‘angesichts der Tatsache, dass die Erforschung des Sprachinhalts nun einmal für das Deutsche am weitesten fortgeschritten ist’. Niet opgenomen zijn werken die overwegend de uiterlijke taalvorm behandelen (fonetiek, fonologie, formele grammatica, historische klankleer, morfologie), maar wel sommige handboeken die zich ook op deze terreinen bewegen, omdat de taalkunde zelf een rijke schat aan vaktermen heeft die ook tot hun recht moeten komen. Uitgesloten is verder het gebied van de eigenlijke naamkunde, maar om daardoor ontstane eventuele leemten op te vangen is wel verwezen naar algemene en vaklexica en -bibliografieën. Het tweede gedeelte van het werk zal de systematische ordening van de stof behelzen; er wordt reeds nu op gewezen dat daarin ‘kein Wort- und Begriffsregister zur gesamten sprachwissenschaftlichen Literatur’ te verwachten is, omdat daarvoor

[p. 157]

alleen 30 vakgeleerden en een computer vereist zouden zijn. Een register op alle registers zal stellig niemand verwachten, maar het is toch wel te hopen dat er minstens een register zal komen dat alle in de titels genoemde besproken woorden zal behelzen.

Voor de gegeven uiteenzettingen kan men dankbaar zijn, al zijn zij niet van wijdlopigheid vrij te pleiten. Men kan zelfs de vraag stellen of deze inleiding de plaats was voor een zo uitvoerige en grondige bespreking van de problemen der ‘Sprachinhaltsforschung’: het feit alleen dat men dit bibliografische handboek op touw heeft kunnen zetten en zo grootscheeps heeft kunnen uitvoeren maakt een dergelijke, voor een groot deel apologetisch ingerichte theoretische beschouwing wat overbodig. Maar daar de middelen voor een zo grote opzet niet schijnen te ontbreken neemt men dat gaarne op de koop toe en moet men de samenstellers bewonderen om hun ijver en hun enthousiasme. Als het hele werk eenmaal gereed zal zijn, zal het een bijzonder nuttig instrument zijn voor iedere taalonderzoeker.

 

Leiden, October 1966.

C. Kruyskamp

Jan ten Brink/Cd. Busken Huet, Brieven aan de Uitgever van het Tijdschrift Nederland 1873-1886. Uitgegeven, ingeleid en van aantekeningen voorzien door dr. L. Brummel. (Achter het Boek. Tijdschrift-uitgave van Letterkundige Documenten. Tweede jaargang = 1963, aflevering 2 en 3. Derde jaargang = 1964, aflevering 4.) Den Haag, Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum, 1965. Geïllustreerd. Prijs ƒ 20. -.

Tot het bezit van het Letterkundig Museum en Documentatiecentrum in Den Haag hoort een kollektie brieven, blijkbaar afkomstig uit het archief van de Amsterdamse uitgever J.C. Loman. Dit is voor prof. Brummel aanleiding geweest om in de reeks publikaties van het Museum (min gelukkig ‘tijdschrift-uitgave’ genoemd) de brieven uit te geven, die Cd. Busken Huet en Jan ten Brink aan Loman hebben geschreven als medewerker resp. redakteur van het maandblad Nederland, waarvan hij de uitgever was. Ter toelichting of illustratie wordt

[p. 158]

soms een brief van hem of van iemand anders, of een artikel geciteerd.

De blik ‘achter het tijdschrift’ die deze korrespondentie ons vergunt, levert iets meer op dan men verwachten zou. Huet in zijn onhebbelijkheid (die in tegenspraak schijnt met zijn veelvuldige gebruik van het woord ‘beleefd’) en Ten Brink in zijn roef-roef-slonzigheid, dat is niets verrassends, evenmin als beider streven om bij de bepaald niet krenterige uitgever het onderste uit de kan te halen. De openhartige, ongetwijfeld ook naïeve Ten Brink, die op voet van jij en jou met Loman is (hetgeen de brieven tonen door ‘Amice’ en ‘gij’, terwijl Huet ‘WelEd. Heer’ en ‘U’ schrijft), beroept zich bij herhaling op zijn onrustbarend kindertal; de gesloten Huet spreekt natuurlijk niet van de zorgen over zijn Bataviase krant, maar noemt de honoraria van De Gids als lichtend voorbeeld. Maar enigszins verrassend is het, te zien hoe Huet kalmweg plannen voor een reorganisatie van Nederland niet aan Ten Brink maar aan Loman voorlegt, en zelfs oppert dat Loman een konkurrerend maandwerk zal gaan uitgeven, ja, Nederland opheffen ten gunste van een maandblad van Huet, dat b.v. De Nieuwe Gids zou kunnen heten (131). In 1878 dekreteert hij: ‘Van de stichting der Amsterdamsche Universiteit moet de wedergeboorte van Uw maandwerk dagteekenen. De heer Ten Brink, daarvan ben ik overtuigd, zal U en mij dit toegeven. Gaf hij het niet toe (wat ik niet gelooven kan), dan moet U Prof. Pierson de redaktie aanbieden.’ (74). Tot zo iets zou Loman niet in staat zijn geweest, maar toch vermoedt de lezer verband tussen dit intrigeren en een niet afgedrukt, maar in een brief op blz. 75 vermeld schrijven van de uitgever aan de redakteur, dat de allemansvrind het tutoyeren gekwetst doet onderbreken.

De uitgever, wiens kladbrieven blijkbaar ook tot de kollektie handschriften horen, - uit wélke voorraad precies prof. Brummel zijn keus heeft gedaan, is in het boek niet te vinden, - schrijft doorgaans wijs en waardig. Zowel Huet (116) als Ten Brink (126/7) kan hij ongezouten zijn mening zeggen. Het opmerkelijkste echter is de vanzelfsprekendheid waarmee deze onverzettelijke man de redaktionele lakens uitdeelt (81) en de redakteur zich, hoewel pruttelend, schikt.

De lezer voelt zich niet op de toppen der wereldletterkunde. Het zelfbehaaglijk, zelfbeklaaglijk toontje van Huet op blz. 77/8 geeft hem ook

[p. 159]

niet het gevoel, de man voor zich te hebben die, naar het woord van mevrouw Romein op het Vondelkongres van 1937, ‘jarenlang het literaire geweten van Nederland is geweest’. Maar het boek biedt welkome dokumentatie voor de nog te weinig ontgonnen geschiedenis van onze litteratuur tussen Potgieters dood en Tachtig.

De heer Brummel heeft de uitgave ingeleid, hier en daar ook bij een brief een inleiding geschreven, veel bibliografische details in voetnoten opgenomen, en achterin een alfabetische lijst van vermelde auteurs met hun personalia toegevoegd; een register ontbreekt niet. Telkens blijkt hij zich grondig geïnformeerd te hebben.

Als een criticus op de inhoud van een boek niet veel kan aanmerken, zoekt hij het in de typografische presentatie. En die is hier bepaald berispelijk. De bewerker zegt vooraf, dat de brieven ‘diplomatisch’ zijn weergegeven. Maar de zetter had blijkbaar opdracht, de alinea's niet te laten inspringen. Daardoor is niet te zien dat met regel 4 v.o. op blz. 127 een alinea begint; in brief 50 op blz. 57 is dat zelfs enige malen het geval. Daarentegen had het zinnetje ‘Dit laatste is een pseudoniem’ in brief 4, blz. 19, géén alinea moeten vormen. Voorts zijn de aanhalingstekens vervangen door ‘inverted commas’, een zonderling anachronisme. Het is ver met ons gekomen, als zelfs een prof. Brummel machteloos staat tegenover de barbarij, die prof. Van Haeringen ‘typografentyrannie’ genoemd heeft. Gelukkig stelt een gul aantal reprodukties ons in staat, ons voor te stellen hoe de teksten er in werkelijkheid uitzien. (En zoals het altijd zal gaan, gereproduceerd zijn juist de teksten waar de Bewerker onnauwkeurig is geweest; iedere lezer kan enkele kleine afwijkingen vaststellen.) Inmiddels verdient het wel twijfel, of zulke korrespondentie ‘diplomatisch’ moet worden uitgegeven. De zwierige haast van Ten Brink, met zijn weglaten van punten en puntjes, zijn te korte onderstrepingen (door de Bewerker op blz. 128 wel bij A.H. Verster, niet bij Constantijn en A. de Visser gesymboliseerd door het niet kursiveren van niet onderstreepte letters), is toch niet over te brengen zonder reproduktie van het manuskript. Is het dan niet beter, bewust en volgens een verantwoording te normalizeren en te corrigeren?

C.A. Zaalberg