[p. 53]

Huygens als navolger van John Owen*)

In een artikel ‘John Owen en zijn invloed op Jeremias de Decker en Revius’1) schreef ik dat ik bij een slechts oppervlakkig onderzoek in bijna dertig gevallen bewijzen had gevonden voor Huygens' bekendheid met Owen's werk2).

Een later ingesteld nauwkeuriger onderzoek naar beïnvloeding van Huygens door Owen bracht het inzicht, dat ik in een enkel geval waarschijnlijk te lichtvaardig tot navolging had geconcludeerd, maar deed mij nog een tiental andere bewijzen vinden voor de relatie tussen Owen en Huygens.

Ik laat al deze gedichten hieronder volgen: onder elkaar steeds de bij elkaar behorende gedichten van Owen en Huygens.

In afwijking van de practijk in de edities van Owen zijn de boeken door mij doorgenummerd3).

Welke van deze uitgaven van Owen4) door Huygens gebruikt is, valt niet na te gaan. In alle door mij geraadpleegde edities van Owen die zich bevinden in de Koninklijke Bibliotheek en de Amsterdamse Universiteitsbibliotheek komen in de door Huygens nagevolgde epigrammen trouwens, met uitzondering van één geval, geen afwijkende lezingen voor.

Voor de tekst heb ik de editie van Worp gevolgd, die zoals bekend is, teruggaat op de lezingen van de handschriften. Ik heb de tekst van Worp vergeleken met de handschriften. Het is mij gebleken dat deze

[p. 54]

tekst bijzonder nauwkeurig is: ik heb Worp op vrijwel geen enkele fout kunnen betrappen. De verschillen in lezing tussen de uitgave van de Korenbloemen van 1672 (verderop meestal afgekort als K.b.) en de handschriften zijn, voor zover het geen orthografische kwestie is, door Worp alle vermeld: ik heb het niet nodig gevonden deze nogmaals te noteren. Ook de paar door Huygens zelf in het handschrift aangebrachte verbeteringen zijn, voor zover ze belangrijk waren, al door Worp vermeld. Waar hij dit heeft nagelaten was de oorspronkelijke tekst ook nauwelijks meer te ontcijferen.

Bij de epigrammen van Owen heb ik de vertalingen van De Decker en Revius in noten aangegeven5). Bij de gedichten van Huygens zijn eerst vermeld deel en bladzijde van de uitgave van Worp en daarna, zoals bij Worp, de bladzijde in de uitgave van de Korenbloemen van 1672, met daarachter het boek waarin en het nummer waaronder het gedicht in deze uitgave is opgenomen. Men kan zo nauwkeurig nagaan hoe de volgorde van de gedichten in de Korenbloemen is en hoe deze afwijkt van de chronologische volgorde die door Worp, in navolging van de handschriften, is aangehouden.

Een paar gedichtjes, waaronder natuurlijk de na 1672 geschrevene, komen alleen bij Worp voor.

Van de 38 gedichtjes van Owen, die door Huygens nagevolgd zijn6), staan er 34 in boek I-III (d.w.z. 10 in I, 9 in II, 15 in III), 1 in boek IV (ontlening van dit epigram aan een andere bron is echter mogelijk) en 3 in boek X.

Twee van de epigrammen van Owen zijn door Huygens elk twee keer weergegeven7), zodat in totaal 40 sneldichten van Huygens door Owen beïnvloed zijn.

[p. 55]

Van deze 38 epigrammen zijn er 13 ook door De Decker vertaald en 1 door Revius. Heel opvallend is dat 33 van deze gedichtjes door Huygens zijn bewerkt in de zeer korte periode van 19 juni 1671 tot 25 juli 1671, tijdens een verblijf in Londen dat duurde van november 1670 tot 7 oktober 1671.

Zijn eerste ontlening aan Owen valt op 28 november 16688), zijn laatste op 6 januari 1674. Deze laatste bewerking is een tweede weergave van een epigram van Owen, dat al op 15 december 1668 door Huygens was vertaald9). In deze Londense periode houdt Huygens zich dagelijks met Owen bezig. Het is denkbaar dat hij in Engeland, waar Owen, gelijk elders, in die tijd nog veel gelezen en vertaald werd, een nieuwe editie van diens epigrammen in handen heeft gekregen of dat hij vertoefd heeft in een kring van mensen die belangstelling voor Owen hadden en dat dit ook Huygens ertoe gebracht heeft zijn krachten op het vertalen van Owen te beproeven. Uit niets blijkt dat Owen hem speciaal aantrok. Dan zou hij hem trouwens wel vaker, ook in andere perioden van zijn leven, tot voorbeeld gekozen hebben. Onder de meer dan 1500 epigrammen van Owen had hij keuze genoeg.

 

Voor een Jeremias de Decker betekende Owen een uitdaging. Hij heeft erop gezwoegd om hem zo nauwkeurig mogelijk te vertalen, keurend en zoekend, schavend en polijstend, om met even weinig woorden als Owen een zelfde puntigheid te bereiken, gebruikmakend, met evenveel vaardigheid als zijn voorbeeld, van retorische middelen als antithese en chiasme. Het is in de eerste plaats de vorm waarin Owen zijn gedachten gegoten heeft, die hem voor De Decker zo aantrekkelijk maakte dat hij meer dan 325 epigrammen van Owen heeft vertaald.

Ook de inhoud echter kan een factor zijn voor het kiezen van Owen tot voorbeeld. Revius vertaalde een veertigtal van diens epigrammen die een godsdienstig probleem behandelden en nam deze op onder zijn religieuze gedichten. Maar voor Huygens valt niet uit te

[p. 56]

maken waarom hij juist déze epigrammen van Owen tot voorbeeld koos. Zij vallen niet op door hun puntigheid en Huygens heeft zich ook geen moeite gegeven om Owen in kortheid en bondigheid na te streven.

Ook blijkt in de keuze van Huygens geen voorkeur voor bepaalde onderwerpen. Huygens nam blijkbaar wat hem op het eerste gezicht geschikt leek. De gekozen voorbeelden staan bij Owen meestal dicht bij elkaar, wat ook niet wijst op een nauwkeurig onderzoek en schiften. Huygens kon er trouwens niet veel tijd voor nemen om lang over zijn gedichten na te denken. Heel dikwijls dicht hij, blijkens de onderschriften bij vele sneldichten, ‘navigans, equitans, rheda vectans’ enz. In brief 877, ed. Worp dl. I, p. 446 van 4 mei 1634 aan P.C. Hooft schrijft hij dat zijn gedichten ‘te velde, te schepe, te waghen, te paerde meest geboren werden’.

Dit gebrek aan aandacht en tijd maakt ook dat de moeilijke Owen zeker niet in de eerste plaats voor een vertaling in aanmerking kwam. Ik heb trouwens de indruk dat onder de duizenden sneldichten van Huygens er maar een heel klein aantal vertaald is. De meesten berusten op een typisch Nederlandse woordspeling, waarvoor geen aequivalent in een andere taal kon bestaan. Ook hierin wijkt Huygens af van het merendeel van zijn tijdgenoten, die hun voorbeelden vonden in de Griekse of Latijnse Anthologie, bij de in het Latijn of in hun landstaal dichtende Italianen, Fransen, Duitsers, Engelsen, enz. In geen genre vindt men zoveel vertalingen, navolgingen, beïnvloedingen als in de epigrammatiek. Een onderzoek naar de invloed van Martialis, de Griekse en Latijnse Anthologie, de Emblemata van Alciati, Ausonius enz. op de Nederlandse puntdichten zou heel wat materiaal opleveren!

 

Men kan in de meeste gevallen nauwelijks spreken van een vertaling van een epigram van Owen door Huygens, maar beter van een bewerking. Bij Owen duidt het opschrift alleen het onderwerp aan of de naam van de persoon tot of tegen wie hij zich richt, zonder meer. Huygens geeft de persoon of de zaak een epitheton waaruit al duidelijk een oordeel of een vooroordeel spreekt. Zo wordt het opschrift van

[p. 57]

O. I, 48: Ad Philopatrum, bij H.: Jans Yver; dat van O. I, 72: De Pamphilo, ad Philippum, bij H.: Wijse Verschooningh; dat van O. I, 117: Herculeus labor decimus tertius, bij H.: Van Jans Klappei; dat van O. II, 47: In Langam, bij H.: Reckelicke Pieternel; dat van O. II, 103: Tituli Muliebres, bij H.: Mannen-Voordeel; dat van O. III, 54: De Spe et metu, bij H.: Keesens Keur; dat van O. III, 140: De Somno, bij H.: Verslapen Tijd; dat van O. III, 159: In Brunonium, bij H.: Griet Pestvrij enz.

Wat de inhoud van de gedichten betreft: Huygens streeft niet in de eerste plaats naar een korte en bondige formulering. Van de 40 gedichtjes van Huygens die onder invloed van Owen tot stand zijn gekomen, tellen er 15 meer versregels dan het oorspronkelijk epigram10).

Huygens is in zijn formulering minder abstract, minder theoretisch dan Owen. Net als bij Martialis hebben we ook bij Huygens dikwijls de indruk met echte mensen te doen te hebben. Met Martialis bezit ook Huygens de gave om een persoon, een gebeurtenis, een situatie zo levendig weer te geven, dat de lezer zich er persoonlijk bij betrokken voelt. Hij bereikt deze indruk op vele manieren. Hij houdt zich niet aan de Latijnse namen van Owen, zoals De Decker wel doet, maar vervangt deze steeds door goed-Hollandse namen. In de epigrammen van Owen wordt ook vaak gesproken over of tot een anonieme figuur, maar Huygens geeft deze vrijwel altijd een naam, waardoor hij dichter bij ons komt te staan11).

 

Waar Owen een probleem koel en theoretisch aan de orde stelt, spreekt Huygens de persoon om wie het gaat vriendschappelijk, vertrouwelijk soms, toe: O. I, 63 en H.: Aen Gerrit12): ‘Je zegt dat nou wel, Gerrit, maar besef je wel wat dit voor jou betekent?’ Owen is veel bitser!

[p. 58]

O. I, 84 en H.: Aen Dirck. De hele toon is anders dan bij Owen, en de indruk van een grotere gemoedelijkheid wordt versterkt door de toevoeging van de laatste twee verzen.

O. II, 106 en H.: Aen oude Dirck de Verwer: Owen concludeert alleen. Huygens geeft de man een naam, gebruikt heel wat, op zichzelf overbodige woorden en schept hiermee en met zijn gemoedelijke aansporingen tot Dirck, een heel andere sfeer dan Owen.

Een soortgelijk geval hebben we met O. II, 113 en H.: Aen Heer Betweet. Ook hier spreekt Huygens, anders dan Owen, zijn slachtoffer toe, dat deze keer echter niet met name genoemd en niet zo zachtzinnig behandeld wordt.

Uit een kleinigheid blijkt soms de andere instelling: het ‘Leght eens hand over hert; wat dunckt u selven, Tys?’ van Huygens klinkt intiemer dan: ‘quid ipse tibi (videris)?’ bij Owen II, 122.

Een bijzonder duidelijk voorbeeld is nog: O. III, 127: Durus pater, met daarbij H.: Weldaad sonder danck. Het opschrift geeft reeds het verschil in toon aan. Wat de inhoud betreft: Owen spreekt tot de hardvochtige vader en hoont hem, omdat hij niet beseft dat hij door zijn schrielheid in werkelijkheid zijn zoon veel meer zal geven. Huygens richt zich tot de zoon en brengt hem onder het oog, hoe hij zijn vader miskent13).

Soms bouwt Huygens om het geheel levendiger te maken een hele scène op. Dit is het geval bij Owen I, 80 Casus, ad Iurisconsultos met zijn navolging bij Huygens: Nieuwe Van. Men zou haast denken dat hij juist om dit te bereiken het probleem veranderd heeft. Owen legt het geval in alle nuchterheid aan de rechtsgeleerden voor. Huygens geniet: van het eerste bedrijf, dat zich blijkbaar afspeelt in een vertrek waar meer (dronken?) echtparen slapen, van het tweede bedrijf als met de bevalling de ruzies komen. Het derde bedrijf zal zich afspelen voor de rechtbank: Huygens zelf zal de zaak aanhangig maken en

[p. 59]

een belangstellend toehoorder en toeschouwer zijn!

Ook Owen I, 106 is door Huygens geheel anders opgezet. Het opschrift van Huygens geeft meer te kennen dan dat van Owen: de schijnbare overeenkomst tussen iemand die te veel, en iemand die geen haren heeft, om te tellen. Het optreden van Claes met zijn twee kaalkoppige makkers, die voor deze gelegenheid ook nog pokkig gemaakt worden vormt een bijna boertig tafereel! Ook hier is Huygens door zijn breedsprakigheid veel minder puntig. Wanneer ‘pockige’ in regel 2 door een woord als ‘kaalkoppige’ vervangen was, dan had hij de laatste twee versregels weg kunnen laten.

Ook in Huygens' bewerking van Owen II, 54 staat ons de kordate Neel heel wat duidelijker voor de geest dan de Alana van Owen.

Hoeveel droger is Owen in III, 159, In Brunonium dan Huygens in Griet Pestvrij!

Uit een vergelijking van Owen III, 58: Ad Ponticum en het vermoedelijk daaraan ontleende sneldicht van Huygens: Aen Dirck, blijkt duidelijk het wezenlijk verschil tussen beide dichters. Owen is zakelijk, gebruikt geen woord teveel èn besteedt de uiterste zorg aan woordkeuze en woordvolgorde: een voortreffelijk epigram is het resultaat. Huygens geeft in een dialoog van vele woorden tussen hemzelf en Dirck duidelijk gestalte aan de ploeteraar Dirck die zonder enige retorische opsmuk, in eenvoudige bewoordingen, zijn verhaal vertelt, waarbij ook hier meer gestreefd wordt naar levendigheid dan naar puntigheid.

Huygens geeft ook in andere ontleningen aan Owen blijk over meer menselijkheid te beschikken dan zijn altijd wat koel en koud aandoend voorbeeld: zijn gedichtje Lang leven heeft in zijn geheel een veel gevoeliger toon dan Owen's epigram III, 28: Miseria Vitae, dat waarschijnlijk voor Huygens het voorbeeld was. Ook in O. III, 169 is ‘tibi’ uit vers 4 met ‘arme Mensch’ niet zo maar weergegeven.

Bijna in alle gevallen blijkt dus bij een vergelijking tussen Huygens en zijn voorbeeld dat Huygens voor alles gericht is op levendigheid. Een streven naar raffinement, met behulp van retorische kunstgrepen, vindt men bij hem eigenlijk niet.

De Decker lukt het dikwijls, in dit opzicht zijn voorbeeld te evenaren,

[p. 60]

soms zelfs te overtreffen. Huygens was er niet toe in staat: hij gunde zich er de tijd niet voor en het lag niet in zijn aard14).

Het gunstig oordeel over de puntigheid van Huygens, dat in vele litteratuurgeschiedenissen en artikelen te vinden is15) kan ik, over het algemeen, dan ook beslist niet onderschrijven. Hieronder, bij de bespreking der afzonderlijke epigrammen, zal dit in enige gevallen nader worden geadstrueerd.

 

O. I, 4816).

Ad Philopatrum
 
Pro patria sit dulce mori licet atque decorum;
 
Vivere pro patria dulcius esse puto.

H. ed. W. VII, p. 257; K.b., II, p. 432 (XXIV, 145).

Jans Yver
 
Die voor het Vaderland will sterven op de Vest,
 
Verdient veel eers, segt Jan, en will 's hem geerne geven:
 
Maer, voor sijn eigen hoofd, houdt hy altoos voor best,
 
Als oock goed Vaderlands, voor 't Vaderland te leven.

25 Mart. (1669)

[p. 61]

In Huygens' bewerking van dit zeer bekende epigram van Owen valt de breedvoerigheid van behandeling op. Huygens vermeldt allerlei, niet ter zake doende, bijzonderheden en doet geen poging Owen in zijn puntigheid, zijn rhetorische kunstgrepen - als het chiasme (pro patria mori t.o. vivere pro patria), het herhalen van dulce met dulcius - na te volgen. De ironische bedoeling blijkt al uit het opschrift en wordt duidelijk gemaakt door de gretigheid waarmee Jan de held die voor het Vaderland wil sterven alle eer geeft, mits zijn eigen hoofd maar geen gevaar loopt! Huygens streeft - het zal telkens weer blijken - in de eerste plaats naar levendigheid. Hij tracht ons voor het geval, de gebeurtenis en voor de daarbij optredende personen te interesseren. Daarom ook geeft hij dezen vrijwel steeds een naam. Zijn figuren gaan daardoor meer voor ons leven.

Enkele jaren later volgde Huygens ditzelfde epigram nog eens na:

 

H. ed. W. VIII, p. 28; K.b., II, p. 501 (XXVI, 138).

Keur
 
't Is soet, voor 't Vaderland te sterven, seim' een Heer;
 
(Wil hyd' er sich of roemen,
 
Hij magh sijn selven noemen,)
 
Maer langh voor 't Vaderland te leven, acht ick meer.

Lond. 18 Iul. (1671)

 

Horatius, wiens: ‘dulce et decorum est pro patria mori’17) Owen tot zijn gedicht inspireerde, wordt by Huygens tot ‘een Heer’, wiens stelling Huygens niet voor zijn rekening wenst te nemen. Zonder het 2e en 3e vers zou het een bijna letterlijke vertaling geworden zijn. Maar daarnaar streeft Huygens niet.

 

O. I, 63.

In Pontiam
 
In mare Cornutos jaciendos Pontius inquit:
 
Pontia respondit: Disce natare prius.
[p. 62]

H. ed. W. VII, p. 266; K.b., II, p. 336 (XXI, 159).

Aen Gerrit
 
Ghij wenscht de Coeckoecken, met haer' verroeste stemmen,
 
In 'tdiepste van de zee. Maer, Gerrit, kont gh' oock swemmen?

23en Apr. (1669)

 

De datering bij Worp, die het op 22 april plaatst, is fout: onder het voorafgaande gedicht ‘Claer aen Claes’ staat nl. in het handschrift: ‘23 Apr.’, zodat het onderschrift onder ons gedicht: ‘Eodem’ deze datum aangeeft.

Het woord ‘Cornutos’ bij Owen is ondubbelzinnig, Huygens maakt een woordspeling. Gerrit heeft blijkbaar een hekel aan de koekoeken als vogels, met hun ‘rauw, schor, heesch’ (WNT XIII, 832 op Roestig) geluid. Uit de ironische vraag blijkt echter dat Huygens ‘koekoeken’ tegelijk in de betekenis van ‘hoorndragers’ bedoelt.

 

O. I, 72.

De Pamphilo, ad Philippum
 
Non patitur Vacuum in rebus Natura, Philippe:
 
Naturam sequitur Pamphilus ergo ducem.

H. ed. W. VIII, p. 28; K.b., II, p. 501 (XXVI, 137).

Wijse Verschooningh
 
Natuer en lydt geen leeg: daar derft Reinier mé proncken,
 
En, seght hij, ben ick vol, ick ben natuerlyck droncken.

Lond. 18. Iul. (1671)

De pointe van Owen is op het eerste gezicht niet duidelijk. Pamphilus, ‘de man die van alles houdt’, wil blijkbaar, evenals de natuur, niet ‘leeg’ zijn en eet en drinkt zich dus vol. Reinier, bij Huygens, gaat er prat op dat hij in overeenstemming met de natuur is, want hij is ‘natuerlyck’ dronken.

2. Voor natuurlijk 'overeenkomstig de natuur' vgl. WNT IX, 1629.

 

O. I, 80.

Casus, ad Jurisconsultos
 
Cum propria imprudens conjunx uxore coivit,
 
Quam falso alterius credidit esse viri.
[p. 63]
 
Hoc genitum coitu, Consulti juris et aequi,
 
Legitime natum dicitis, anne nothum?

H. ed. W., VIII, p. 28; K.b., II, p. 501 (XXVI, 136).

Niewe Van
 
Neel kreegh een' dicken buijck, bij nacht, van Ian haer Man:
 
Soo docht sij; maer 'twas mis; het was een and're Ian.
 
Die goe Man doolden oock, en docht dat Neel sijn Wijf was.
 
Doe 'tkind te voorschijn quam, 'khoor datter groot gekijf was,
5
Of 't Bastaert heeten most. Neel had het wel gekregen,
 
Of 't van een' vreemden was; die meende 't me ter degen.
 
Ick laet het scheiden by de wijste luij van 't land:
 
Ick doopte 'tkind altoos, Ian Iansz Misverstand.

Lon. 18 Iul. (1671)

 

Huygens stelt het probleem anders dan Owen. Bij Owen sliep de man bij zijn eigen vrouw, terwijl hij dacht dat het de vrouw van een ander was. Huygens maakt er iets anders van, vermoedelijk omdat hij het probleem bij Owen te simpel vond, daar de oplossing voor de hand lag: natuurlijk is het kind geen bastaard.

Bilderdijk in zijn uitgave van de Korenbloemen18) geeft op blz. 345 van dl. VI de juiste verklaring van Huygens' sneldicht. Het echtpaar Neel en Jan slaapt ongewild niet bij elkaar, maar zij komen beiden in het donker bij een verkeerde partner terecht. De partner van Neel heeft ook geen verkeerde bedoeling. Inderdaad is het probleem, of het kind dat Neel krijgt als bastaard beschouwd moet worden, minder eenvoudig.

5. wel: te goeder trouw.
6. Of: ofschoon.
  me = mé (lezing K.b. ed. 1672).
  ter degen meenen: het goed bedoelen, te goeder trouw handelen.
8. altoos: voor alle zekerheid, in allen gevalle, hoe het ook zij, zie WNT II, 1, 308.
  Jan Jansz: K.b. Jan Jansen. De lezing van de K.b. maakt nog aannemelijker dat er in ‘Jansen’ een woordspeling steekt.

[p. 64]

1. Jansen = Jan's zoon. 2. Jansen = Jan sen (misverstand) d.i. het misverstand van Jan. Voor sen = sijn 'zijn' vgl. H. ed. W. II, p. 32, 60: sen darme en 76: sen armpgies.

O. I, 83.

De Nocte
 
Induitur tristem cur Nox atrata colorem?
 
Luget defunctum Nox, quasi nupta, Diem.
 
Consolarentur maestam nisi sidera noctem,
 
Opprimeret reducem nos dolor ante diem.

H. ed. W. VIII, p. 27; K.b., II, p. 500 (XXVI, 130).

Nacht
 
De Nacht is weduwe van onsen Gister-dagh.
 
Soo dunckt mij dats' in ernst het rouw-kleed dragen magh.

Lond. 18 Iul. (1671)

 

Een vrij nauwkeurige vertaling van de twee eerste versregels van het epigram van Owen. Inderdaad wordt het epigram door de toevoeging van de twee laatste regels er niet sterker op. De volgorde is bij Huygens omgedraaid: vs. 1 is de vertaling van de tweede regel van Owen, vs. 2 geeft in positieve vorm de inhoud van Owen's vraag van de eerste regel.

 

O. I, 84.

In Marcum
 
Carmine, Marce, tuo laudas me: fallor, an hoc tu,
 
Ut tua collaudem carmina, Marce, facis?

H. ed. W. VIII, p. 27; K.b., II, p. 496 (XXVI, 103).

Aen Dirck
 
Wat light ghij mij en prijst? Dirck, is 't om mij te wijsen
 
Hoe ick u prijsen moet om recht voor recht te doen?
 
Vriend, wringht u daer de schoen,
 
Ey lieve, scheidt uijt prijsen.

Lond. 18 Iul. (1671)

Bij Huygens hoeft Dirck geen dichter te zijn. De twee laatste verzen, met de strekking: je kunt je de moeite besparen, zijn een uitbreiding van de gedachte van Owen.

[p. 65]

O. I, 101.

Mors
 
Mors quid sit, rogitas? Si scirem, mortuus essem;
 
Ad me, cum fuero mortuus, ergo veni.

H. ed. W. VIII, p. 27; K.b., II, p. 500 (XXVI, 129).

Sterven
 
Wat light ghij mij en vraeght wat sterven in heeft, Ian?
 
Wacht, tot dat ick het eens geproeft heb, en vraeght dan.

Lond. 18 Iul. (1671)

 

Ook hier heeft Huygens zijn voorbeeld vrij nauwkeurig gevolgd. Alleen de woorden: ‘si scirem, mortuus essem’, zijn door hem niet weergegeven. Ze kunnen ook best gemist worden: de gedachte wordt er puntiger door.

 

O. I, 106.

In eundem (d.i. In Calvum)
 
Calve, meos nunquam potui numerare capillos,
 
Nec tu (nam nulli sunt) numerare tuos.

H. ed. W. VIII, p. 27; K.b., II, p. 500 (XXVI, 134).

Gelijck en Ongelijck
 
De haeren van mijn hoofd, seij Claes, zijn niet om tellen:
 
Ons' oock niet, spraken twee syn' pockighe gesellen:
 
En 'twierde licht gelooft;
 
Sij 'n haddens geen op 'thoofd.

Lond. 18 Iul. (1671)

 

Het opschrift van Huygens geeft, zoals vaker, (zie bijv. ook het volgende gedicht) reeds een subjectief oordeel over de inhoud van het gedicht: Claes en zijn gezellen zijn ongelijk, maar toch ook, bij nadere overweging, gelijk. Van de door Owen kort en nuchter geconstateerde feiten wordt door Huygens een levendig toneeltje gemaakt, terwille waarvan hij allerlei details aan zijn voorbeeld toevoegt, zoals reeds op p. 58 duidelijk is gemaakt.

[p. 66]

O. I, 11719).

Herculeus labor decimus tertius
 
Conjugis ingentes animos linguamque domare,
 
Herculis est decimus tertius iste labor.

H. ed. W. VIII, p. 25; K.b., II, 498 (XXVI, 112).

Van Ians Klappei
 
Twaelf groote Wonderen heeft Hercules gedaen.
 
Soo Ian syn' Huijsvrouws Tong gekregen hadd' aen 'tstaen,
 
Geen wonderlicker feit hadd' Hercules begaen.

Lond. 16 Iul. (1671)

 

Huygens gebruikt weer één versregel meer dan Owen: dat het gaat om een vergelijking met de twaalf werken van Hercules heeft Owen in zijn opschrift duidelijk gemaakt en moet Huygens nu in het eerste vers vermelden. Huygens is als gewoonlijk concreter dan Owen: hij geeft de persoon om wie het gaat weer een naam en spreekt niet van een echtgenote in 't algemeen, maar van ‘Ian syn' Huijsvrouw’. Het woord ‘animos’ vertaalt hij niet. Huygens drukt zich veel sterker uit: hij heeft het niet over een dertiende werk gelijkwaardig aan de andere twaalf, maar over een feit nog wonderlijker dan de daden van Hercules.

 

O. I, 150.

Ad Amicam absentem
 
Uror amore miser, tantoque potentius uror,
 
Quanto qui me urit longius ignis abest.

H. ed. W. VIII, p. 26; het gedicht is niet in de Korenbloemen opgenomen.

Afwesen
 
Hoe verder Neel van Huijs hoe Ian haer meer bemint,
 
Hoe verder van sijn Vier hoe Ian sich heeter vindt.

Lond. 17 Jul. 1671

[p. 67]

Owen spreekt tot een ongenoemde vriendin, Huygens over met name genoemde gelieven, Neel en Jan. Verder houdt Huygens zich tamelijk nauwkeurig aan zijn voorbeeld.

 

O. II, 4720).

In Langam
 
Langa Lutherano nubens Papana marito,
 
Ansam ut dissidii tolleret omnis, ait:
 
Jurgia ne pacem perturbent ulla futuram,
 
Tu mihi sis facilis, non ero drua tibi:
 
Arbitrii libertatem mihi credito, eritque,
 
De reliqua tecum lis mihi nulla fide.

H. ed. W. VIII, p. 29; K.b., II, 500 (XXVI, 128).

Reckelicke Pieternel
 
De Roomsche Pieternel trouwt onsen geusen Claes;
 
Sij inde Bijbel-stof onkundigh, en hij baes,
 
Soo soecktse geen gerucht van heilige krackeelen.
 
Sy wil mégaende zijn, en om in geene deelen
5
Het huijs t' ontrustighen, sij schenckt Ian 'theel geschil:
 
Een puntjen houdt sij 'r uijt; dat vanden vrijen Wil.

Lond. 20 Iul. (1671)

 

Ook bij dit gedicht zegt het ironische opschrift van Huygens meer over de inhoud dan het eenvoudige ‘In Langam’ van Owen. Bij Owen krijgt alleen de bruid een naam, Huygens geeft de bruidegom zelfs twee namen: eerst noemt hij hem ‘Claes’ en daarna ‘Ian’. Waarschijnlijk zal Claes, gezien de toevoeging ‘geusen’, dat vermoedelijk een adjectief is, de eigennaam zijn en Jan een soortnaam voor een sullige echtgenoot. Beide namen komen voor ter aanduiding van onbeholpen, stijve en verlegen personen of minnaars (zie voor Jan: WNT VII, 1, 191; voor Klaas: WNT VII, 2, 3263-64). Vgl. bijv. Cats, Selfstrijt, I, 202a (ed. 1726), waar Sephyra, de vrouw van Potiphar, tot Josef spreekt: ‘Gy moest wel sijn een Jan, Onweerdigh om den naem te dragen van een man...Indien gy, houte Klaes, soo soeten brock vermuyldet, En vloot wanneer ick roep...’

[p. 68]

De pointe blijft bij Huygens gelijk: datgene waarop het aankomt, de vrije Wil, bewaart hij tot het allerlaatst. In details echter wijkt Huygens nogal van zijn voorbeeld af: dat Pieternel, in tegenstelling tot Claes, in de Bijbelstof onkundig is en daarom gesprekken over de godsdienst wil vermijden, staat niet bij Owen. Met ‘soo soecktse geen gerucht...’ en met ‘om in geene deelen Het huijs t' ontrustighen’, zegt Huygens ongeveer hetzelfde. Opvallend is dat Owen zijn persoon sprekende invoert en Huygens dit niet navolgt. Immers Huygens laat dikwijls, ook waar Owen dit niet doet, zijn mensen zelf aan het woord.

 

O. II, 54.

In Alanam
 
In thalamo Natura locum cui praebuit imum,
 
In mensa summum sumit Alana sibi:
 
Scilicet imperium facilis cum conjuge conjunx
 
Dividit, hic noctes regnat, et illa dies.

H. ed. W. VIII, p. 28; K.b., II, p. 500 (XXVI, 127).

Neels Verdeelingh
 
Neel meent, het half gesagh en is haer niet t'ontseggen;
 
En soo men 't tegenspreeckt, dus weet sy 't te beleggen:
 
Wat reden soud' het zijn, dat een staegh onder laegh?
 
Ten minsten elck sijn' beurt; 's nachts ick, en Ian bij daegh.

Lond. 20 Iul. (1671)

 

Het opschrift van Huygens deelt weer meer mee dan dat van Owen. De strekking van Huygens' gedicht is dezelfde als die van het epigram van Owen, maar ook nu is er geen sprake van een poging tot een zo letterlijk mogelijke vertaling. Huygens streeft er ook geenszins naar om de kunstige vorm van zijn voorbeeld na te volgen: de plaatsing vooraan het vers van de tegenstelling: ‘in thalamo’ en ‘in mensa’, de alliteratie ‘summum sumit...sibi’, het direct op elkaar volgen van: ‘conjuge’ en ‘conjunx’. Wel eindigt hij met het chiasme: ‘'s nachts ick, en Jan bij daegh’. Ook het ironische: ‘scilicet’ en ‘facilis’ van het derde vers ontbreekt bij Huygens. Bij Owen kan nauwelijks een woord gemist worden, bij Huygens is het tweede vers

[p. 69]

vrijwel geheel overbodig. Alana is al tot daden overgegaan: zij neemt de voornaamste plaats in, alleen echter aan tafel, daar regeert ze. Neel redeneert alleen nog maar: zij heeft minstens recht op het halve gezag, d.w.z. overdag is het haar beurt om de baas te spelen, en blijkbaar niet alleen aan tafel. Dat Neel zelf spreekt, komt de levendigheid van het gedicht ten goede.

 

O. II, 10321).

Tituli Muliebres
 
Vir quamcunque Comes duxit, Comitissa vocatur;
 
Non semper, nupsit cui Comitissa, Comes.
 
Sic a sole suum derivat Cynthia lumen:
 
Sol a se lucem, non aliunde, petit.

H. ed. W. VIII, p. 25-26; K.b., II, p. 498 (XXVI, 116).

Mannen-Voordeel
 
De vrouw moet na den man, niet dese na haer heeten.
 
Waer komt dat recht van daen?
 
De vrouwen moeten weten,
 
Quaem 'tlicht niet uijt de Son, daer waer geen inde Maen.

Lond. 16 Iul. (1671)

 

Bij Huygens geeft het opschrift wederom een subjectief oordeel. Het gedicht van Owen is, met zijn antithesen, chiasmen en alliteraties, veel kunstiger, en is ook duidelijker dan dat van Huygens. Owen betoogt: Elke vrouw die met een Comes (Graaf) trouwt, krijgt de naam van Comitissa (Gravin). Zo krijgt ook de maan haar licht van de zon terwijl de zon zijn eigen licht heeft. Huygens redeneert niet erg duidelijk: de vrouw moet wel heten naar de man en niet de man naar de vrouw en de man heeft daar recht op (dit ‘moet’ en dit beroep op het recht vereist wel een nader bewijs!): immers, als de maan niet haar licht aan de zon ontleende, dan had ze geen licht. De gedachte van het laatste vers van Owen wordt door Huygens niet weergegeven.

[p. 70]

O. II, 106.

Ad tinctorem quendam canescentem
 
Qui barbae color ater erat, mutatus in album est:
 
Natura hoc fieri, non tamen arte solet.

H. ed. W. VIII, p. 26; K.b., II, p. 499 (XXVI, 121).

Aen oude Dirck de Verwer
 
Dirck, is de Verwerij uw' neering? slaet eens gá:
 
Uw Haer was swart geboren;
 
Nu wordt het wit geschoren:
 
Dirck, zyt ghij vande kunst, verwt dat Natuer eens ná.

Lond. 16 Iul. (1671)

 

Het gedicht van Owen is weer nuchter constaterend. Huygens spreekt de oude Dirck zelf toe. Het eerste vers dat, naast het vierde, voor het exposé best gemist zou kunnen worden, maakt dadelijk onze aandacht wakker en wekt onze belangstelling voor de persoon en zijn probleem.

 

O. II, 107.

Ad Aulum
 
Exegit regem nova Roma, superba Superbum:
 
Quid mirum? reges nemo superbus amat.
 
Dic cur tam pauci regum inveniantur amici?
 
Sunt quoniam pauci regibus, Aule, pares.

H. ed. W. VIII, p. 25; niet in de Korenbloemen.

 
Hoe hebben Koningen ter wereld weinigh Vrinden?
 
Om dat sij haers gelijck ter wereld weinigh vinden.

Lond. 16 Iul. (1671)

 

De twee eerste verzen van Owen zijn door Huygens niet vertaald: de twee overgebleven verzen vormen echter een afgerond geheel. Misschien moeten we in de herhaling van ‘ter wereld weinigh’ een poging zien om het tegenover elkaar staande ‘tam pauci regum’ en ‘(quon)iam pauci regibus’ van Owen weer te geven.

[p. 71]

O. II, 113.

In I. Protum
 
Sicut ab arboribus ventoso sidere quassis
 
Autumni, frondes decutiuntur humi:
 
Omnia gesticulans moto sic vertice Calvus
 
Decussit crines concutiendo caput.

H. ed. W. VIII, p. 26; K.b., II, p. 499 (XXVI, 122).

Aen Heer Betweet
 
Hoe ick mijn' redenen belegg en overlegg,
 
Ghij staet en schudt uw hoofd op alles wat ick segg.
 
Dat schudden komt mij voor, als of ghij socht te weten
 
Hoe vol uw' Kruijck noch is, uw' Herssens uijtgesleten,
5
Of noch wat overigh. Maer siet toe, wijse Heer,
 
Ghij schudt uw Haer van 'thoofd, en hebt'es weinigh meer.

Lond. 16 Iul. (1671)

 

Owen vertelt hoe iemand door al gesticulerende, steeds zijn hoofd te schudden, al zijn haren heeft afgeschud, zoals de harde wind het loof van de bomen doet vallen. Huygens kleedt zijn gedicht heel anders in en geeft er een andere strekking aan. Hij spreekt zijn slachtoffer, Heer Betweet, toe en verwijt hem dat hij bij alles wat Huygens beweert eigenwijs zijn hoofd schudt, alsof hij, hoont Huygens, wil onderzoeken of er nog iets in zijn ‘kruik’ zit. Huygens waarschuwt hem dat hij zo de weinige haren die hij nog heeft dreigt te verliezen.

Het gedichtje van Huygens is levendiger en zijn vondsten: het beeld van het keurend schudden van de ‘kruik’, de waarschuwing dat zijn eigenwijsheid hem op het verlies van zijn haren te staan zal komen, geven er een aardiger inhoud aan.

 

O. II, 12022).

In Magnum Clericum
 
Plurima degustat stomachus, nil concoquit, aeger;
 
Sic tu scis, fateor, multa, nihilque sapis.
[p. 72]

H. ed. W. VIII, p. 26; K.b., II, p. 499 (XXVI, 123).

Aen lees-gierighe Ian (titel in K.b.: Aen overlesen Jan)
 
Uw lesen neemt geen end. Noyt zijt ghij sat van leeren:
 
Maer of 'toock al gedijdt
 
Daer ghij so graegh in bijtt?
 
Ian, die veel eten derft moet konnen wel verteeren.

Lond. 16 Iul. (1671)

 

Owen is bijtender tegen zijn ongenoemde geestelijke: ‘zoals een zieke maag veel proeft, maar niets verteert, zo weet (proef) jij veel, maar begrijpt (verwerkt, verteert) niets.’ Huygens stelt zijn Jan de vriendelijker klinkende vraag: ‘je leert nou wel veel, maar kun je dat alles wel verwerken?’ Huygens trekt t.o.v. Jan geen conclusie, daarom past de titel uit het handschrift ook beter dan die uit de Korenbloemen. De vergelijking tussen het verteren van echt en van geestelijk voedsel is bij Huygens beter voorbereid.

 

O. II, 12223).

In Aulum
 
Quidquid es, insipiens sapientibus, Aule, videris,
 
Et stultis sapiens esse; quid ipse tibi?

H. ed. W. VIII, p. 26; K.b., II, p. 500 (XXVI, 131).

Aen Tijs
 
De Wijse noemen u een Geck, de Gecken, wijs.
 
Leght eens hand over hert; wat dunckt u selver, Tijs?

Lond. 17 Iul. (1671)

 

Het hatelijke ‘quidquid es’ is door Huygens niet vertaald. Het ‘quid ipse tibi’ is bij hem, zoals reeds boven (blz. 58) opgemerkt, het gemoedelijke: ‘Leght eens hand over hert, wat dunckt u selver, Tijs?’ geworden.

[p. 73]

O. II, 18324).

Caecus et Surdus
 
Cur oculis pollet magis hic, magis auribus ille?
 
Hic oculis audit, auribus ille videt.

H. ed. W. VIII, p. 21; K.b., II, 497 (XXVI, 106).

Twee te vreden
 
De doove prijst het sien, de Blinde prijst het hooren:
 
Want d'eene hoort door 't Oogh, en d'ander siet door d'Ooren.

Lond. 19 Iun. (1671)

 

Het opschrift van Huygens is minder ‘neutraal’. Als magis bij Owen betekent: ‘meer dan een normaal mens’, dan is de bedoeling - oog en oor hebben bij resp. de dove en de blinde een tweevoudige functie - heel wat beter tot zijn recht gekomen dan bij Huygens door: ‘prijst het sien’ enz., d.w.z. prijst dat hij (tenminste) kan zien.

Door de vorm van Huygens' vertaling krijgen de tegenstellingen even duidelijk reliëf als in het epigram van Owen.

 

O. III, 3.

Ad Lectorem de suo libro
 
Ne tibi non placeant, vereor, mea carmina Lector
 
Candide; ne placeant, lector inepte, tibi.

H. ed. W. VIII, p. 24; K.b., II, p. 460 (XXV, 119).

Redelicke Bekommeringh
 
Ick lev' altoos in schrick van Gecken en van Wijsen:
 
'k Vrees dat ick dees' mishaegh en d'andere mij prijsen.

Lond. 12 Iul. (1671)

 

Owen richt zich tot zijn lezers, Huygens spreekt in het algemeen over gekke en wijze mensen. Ook hier geeft het opschrift een mening weer.

[p. 74]

O. III, 2825).

Miseria Vitae
 
Vivere quisque diu, quamvis et egenus et aeger,
 
Optat, id est, miserum se cupit esse diu.
 
Invitus moritur miser et miserabilis Irus;
 
Hoc est, invitus desinit esse miser.

Vergelijk hiermee:

 

O. III, 133.

Ad Irum
 
Vivere te semper velles; tu vivere semper
 
Non potes: at semper vivere velle, potes.
 
At cum tam misere vivas, ego nescio quare,
 
Velle licet possis vivere, posse velis.

H. ed. W. VIII, p. 30; K.b., II, p. 502 (XXVI, 143).

Lang Leven
 
Oud, balling, sieck en arm, noch soeckt de Mensch niet t'enden:
 
Is 'tmog'lick datmen noo wil scheiden van ellenden!

Lond. 25 Iul. (1671)

 

Ik heb twee epigrammen van Owen aangehaald omdat de inhoud van beide op hetzelfde neerkomt. O. III, 133 draagt wel het opschrift: Ad Irum, waarmee de bedelaar uit de Odyssee bedoeld is, die vaak genoemd wordt als symbool van een arm en ongelukkig mens, maar het zou ook kunnen luiden: Ad hominem. Vermoedelijk is Huygens' gedicht een bewerking van O. III, 28 en dan speciaal van de eerste twee verzen. ‘Sieck en arm’ staat bij Owen, ‘noch soeckt de Mensch niet t'enden’ is ongeveer: ‘Vivere quisque diu...optat’, en ‘is 'tmog'lick datmen noo wil scheiden van ellenden’ is de weergave van: ‘miserum se cupit esse diu’ of, eerder, van ‘invitus desinit esse miser’, wat in O. III, 133 uitgedrukt is met: ‘ego nescio quare (vivere) posse velis.’

Het gedicht van Huygens is gevoeliger dan de nuchtere formulering van Owen.

[p. 75]

O. III, 40.

Apocalypsis Ioannis Nap.
 
Nonaginta duos durabit mundus in annos,
 
Mundus ad arbitrium si stat, obitque, tuum.
 
Cur mundi finem propiorem non facis? ut ne
 
Ante obitum mendax arguerere: Sapis.

H. ed. W. VIII, p. 24; K.b., II, p. 441 (XXV, 5).

Onbesorgde Waersegger
 
Claes is al zeventich, en Almanackt voor waer
 
Des Werelds jongsten dagh op noch eens tachtig jaer.
 
Light ijemand op de wacht om Claes te heeten liegen,
 
Hy neemt het ruijm genoegh, en sal hem wel bedriegen.

Lond. 16 Iul. (1671)

 

Owen spreekt waarschijnlijk over een concreet geval: een zekere Joannes uit Napels voorspelde dat over 92 jaar de wereld zou vergaan. Owen insinueert, sprekend tot Joannes zelf, dat hij met opzet de termijn zo ruim genomen heeft om niet voor zijn dood als bedrieger ontmaskerd te worden. Huygens' opschrift geeft weer duidelijk zijn eigen oordeel: waarzegger Claes hoeft zich geen zorgen te maken dat iemand hem zal heten liegen! Zelf is hij al 70 en ‘Almanackt’, d.w.z. berekent de tijd van 's werelds ondergang, op nog eens 80 jaar. Hij zal dus ieder kunnen bedriegen, d.w.z. ieder erin kunnen laten lopen, zonder dat men hem dit nog kan verwijten. Huygens drukt zich niet duidelijk uit.

 

O. III, 50.

Hodie
 
Hoc quod adest Hodie, quod nomen habebat Heri? Cras.
 
Cras hodie quodnam nomen habebit? Heri.
 
Cras lentum quod adest nunquam, nec abest procul unquam,
 
Quonam appelletur nomine Cras? Hodie.
[p. 76]

H. ed. W. VIII, p. 24; K.b., II, p. 441 (XXV, 1).

Mergen
 
Dat gist'ren Mergen hiet, sal mergen Gist'ren wesen;
 
En heden is 't Van daegh. Andries, ghij hebt gelesen
 
Al wat'er leesbaer is in Griecksch en in Latijn;
 
Ey lieve, leert mij eens, wanneer sal 't Mergen zijn?

Lond. 15 Iul. (1671)

 

De gedachtengang van Owen is: ‘Vandaag’ (van nu) was gisteren ‘morgen’, ‘Vandaag’ (van nu) zal morgen zijn: ‘gisteren’. ‘Morgen’ - dat er nooit is - is morgen ‘vandaag’. Huygens betoogt: Het ‘morgen’ van gisteren is morgen ‘gisteren’, en het is vandaag ‘vandaag’. Wanneer is het dan ‘morgen’? De conclusie van beiden is dus: morgen is er nooit.

Owen is minder duidelijk: hij gaat eerst uit van ‘hodie’ en daarna, in de laatste twee verzen, van: ‘cras’, zodat het opschrift ook, en zelfs beter, Cras, had kunnen luiden. Huygens gaat geheel uit van het begrip ‘Mergen’ en verandert terecht het opschrift.

De vorm van Owen's epigram is kunstig: vers 1, 2 en 4 eindigen resp. met: Cras, Heri en Hodie. In vs. 2 staat Cras aan het begin, de tegenstelling Heri aan het einde, vs. 3 begint weer met Cras en vs. 4 eindigt met de tegenstelling Hodie.

Huygens had met vers 2 kunnen eindigen, door ‘Andries, ghij hebt gelesen’ te vervangen door: ‘Wanneer sal 't Mergen zijn?’.

Maar zoals al vaker is geconstateerd, hij streeft niet in de eerste plaats naar bondigheid, maar naar levendigheid.

 

O. III, 54.

De Spe et metu
Ad Amicum suum, Robertum Bowyer.
 
Divitiae atque metus comites sunt, spes et egestas:
 
Res optanda tamen spes, miseranda metus.
 
Pauperis est sperare, timereque divitis; isto
 
Quam sperare equidem malo timere modo.
[p. 77]

H. ed. W. VIII, p. 24; K.b., II, p. 460 (XXV, 120).

Keesens Keur
 
Den armen hoopt op Geld en heeft vermaeck in 'thopen;
 
De rijcke leeft in vrees voor Cassen, toe of open,
 
Daer dief en Vyer aen magh. Dat's niet een ding, seght Kees,
 
Wegh met de loode Hoop, 'khoud 't met de26) goude vrees.

Lond. 13 Iul. (1671)

 

Weer draagt het opschrift van Huygens een persoonlijker karakter. Owen houdt een bijna wetenschappelijk betoog, dat niet zo erg duidelijk is opgebouwd! Rijkdom en vrees horen bij elkaar, hoop en armoede. Toch is hoop iets wenselijks, maar vrees niet. Maar hopen doet de arme, vrezen de rijke. Dus wil ik toch liever vrezen dan hopen. Het derde vers vertelt ongeveer hetzelfde als het eerste. De uiteenzetting van Kees bij Huygens is in zijn eenvoud duidelijker en eindigt met een aardige beeldspraak.

Voor de dubbele uitgang van de genitief in het opschrift: Keesens (vgl. Andriesens, Claesens) zie Schönfeld: Hist. gramm. v.h. Nederl.6, 133.

2. Cas: kist, koffer, lade, doos enz. (WNT VII, 1, 1702).

3. Dat's niet een ding: dat betekent niets, dat is geen bezwaar (WNT III, 2, 2633).

 

O. III, 58.

Ad Ponticum27)
 
Pauper es? haud facile est fieri tibi, Pontice, ditem:
 
Dives es? ex facili ditior esse potes.

H. ed. W. VII, p. 179; K.b., II, 297 (XX, 89).

Aen Dirck
 
Dirck, zeid'ick, met wat konst zijt gh'aen groot Goed gekomen?
 
Aen 't weinighe, zei Dirck, met moeijte, met verdriet,
 
Met suere sorg en sweet: aen grooten Ryckdom niet:
 
Die wat heeft, krijght licht meer, daer Geld is, wil Geld komen.

28 Nou. (1668)

[p. 78]

Het is moeilijk uit te maken of Huygens' gedicht een navolging is van Owen of van het in de noot aangehaalde epigram van Martialis. Voor de eerste veronderstelling pleit misschien: het ‘met moeijte, met verdriet’ uit vers 2, dat een vertaling kon zijn van ‘haud facile’ uit de eerste versregel van Owen (bij Martialis blijft de arme altijd arm) en het ‘licht’ uit het vierde vers dat dan een vertaling is van ‘ex facile’ van Owen's tweede vers. Daarentegen zou ‘daer Geld is, wil Geld komen’ van Huygens een vertaling kunnen zijn van: ‘dantur opes nullis nunc nisi divitibus’ van Martialis28).

Het zou het eerste gedicht zijn dat Huygens aan Owen ontleent. Op 15 december 1668 bewerkt hij Owen X, 5. De andere ‘vertalingen’ uit boek III van Owen zijn alle gemaakt tijdens zijn verblijf in Engeland. De eerste in het Nederlands gedichte bewerking van een epigram van Martialis door Huygens vinden we echter ook pas op 11 april 1669 (ed. W. VII, p. 261: Aen Claes).

 

O. III, 7929).

Philautia
 
Crimina qui cernunt aliorum, nec sua cernunt;
 
Hi sapiunt aliis, desipiuntque sibi.

H. ed. W. VIII, p. 21; K.b., II, p. 459 (XXV, 114).

Goed-Dunckers
 
Die veel' in and're sien, in haer niet een gebreck,
 
Zijn voor een ander wijs, en voor haer selven geck.

Lond. 26 Iun. (1671)

 

Behalve dat Huygens spreekt over vele gebreken, is zijn gedichtje een zeer nauwkeurige vertaling van het epigram van Owen.

[p. 79]

O. III, 9530).

De Amicitia adumbrata
Ad D. Ioannem Suckling, amicum suum
 
Dum Sol obscurum radiis illuminat orbem,
 
Est individuus corporis umbra comes.
 
Quamprimum liquidus nebulis offunditur aër,
 
Ecce repente tuum deserit umbra latus.
 
Te, bona dum splendet fortuna, sequuntur amici,
 
Ut te, dum lucet Sol, solet umbra sequi.

H. ed. W. VIII, p. 31; K.b., II, p. 502 (XXVI, 145).

Trouw om Baet
 
Sij zijn maer Schaduwen, die rycke Luyden volgen
 
Soo lang haer' sonne schijnt. Werdt eens het Weer verbolgen,
 
En schijnt de Son niet meer;
 
Wegh, schaduw, met den Heer.

Lond. 25 Iul. (1671)

 

Een van de heel weinige gevallen dat Huygens korter is dan de wel heel uitvoerige Owen, bij wie dan nog de gedachte ontbreekt: zodra het geluk verdwijnt, is de schaduw verdwenen. Huygens, bij wie beeld en werkelijkheid op geslaagde wijze verweven zijn, heeft in zijn beknoptheid de gedachte van Owen heel goed weergegeven.

 

O. III, 101.

Christus Via
 
Ad caelos vis scire viam tibi qua sit eundum?
 
Ad te descendit coelitus ipsa Via.

H. ed. W. VIII, p. 22; K.b., II, p. 460 (XXV, 116).

Via et Veritas
 
Daer is geen dolen aen; weest niet bekommert, Vromen;
 
De wegh ten Hemel is ten Hemel af gekomen.

Lond. 1 Iul. (1671)

 

Men vraagt zich af, waarom Huygens een Latijns opschrift boven zijn gedichtje zet en waarom hij de titel van Owen, ontleend aan Joh. XIV, 6, vervangen heeft door Via et Veritas. Het oorspronke-

[p. 80]

lijke opschrift vat de inhoud beter samen. Huygens' bemoedigende woorden: ‘weest niet bekommerd, Vromen;’ zijn warmer en gevoeliger dan het: ‘vis scire...’ van Owen.

1.Daer is geen dolen aen: men kan niet dwalen, er valt niet te dwalen; vgl. daar is geen helpen aan, daar is geen beginnen aan.

 

O. III, 127.

Durus Pater
 
In gnatum quo, dure parens, es parcior, hoc es
 
Largior; huic moriens omnia namque dabis.

H. ed. W. VIII, p. 30; K.b., II, 502 (XXVI, 142).

Weldaed sonder danck
 
Hoe noemt gh'uw Vader, Ian, een Vreck, een Gierigaerd?
 
Hij is, altoos voor u, van d'allermildsten aerd.
 
Want hoe hij minder geeft en meer spaert al sijn leven,
 
Hoe hij u meerder past te laten en te geven.

Lond. 25 Iul. (1671)

 

Owen brengt een hardvochtige vader zijn domheid onder het oog, dat hij niet inziet dat hij door zijn schrielheid juist veel royaler is tegen zijn zoon. Huygens verwijt, lichtelijk ironisch, Jan zijn ondankbaarheid tegenover zijn zuinige vader.

De eerste twee verzen vormen een gemoedelijke inleiding op de twee laatste, die de vertaling van Owen's epigram bevatten.

2. altoos: althans, tenminste (WNT II, 1, 308).

4. past: ervoor zorgt, van zins is, zijn maatregelen neemt (WNT XII, 1, 702).

 

O. III, 14031).

De somno
 
Si somnus nihil est nisi mors, nil mors nisi somnus;
 
Quo plus in vita dormio, vivo minus.
[p. 81]

H. ed. W. VIII, p. 31; K.b., II, 502 (XXVI, 147).

Verslapen Tijd
 
Mijn kind'ren, laet u die less geven:
 
Hoe langer slaep, hoe korter leven.

Lond. 25 Iul. (1671)

 

De gedachte is zo eenvoudig dat navolging niet noodzakelijk verondersteld hoeft te worden. De plaats van het epigram van Owen temidden van andere door Huygens bewerkte gedichten en de datum waarop het gedicht is, maken beïnvloeding door Owen echter waarschijnlijk.

Huygens heeft het eerste vers van Owen niet vertaald. De Decker heeft ook slechts het eerste gedeelte van vs. 1 vertaald. Vonden zij de gedachte van Owen te weinig Christelijk?

 

O. III, 14332).

Domine, adauge fidem nostram (Luc. cap. 17)
 
Non augenda fides, potius minuenda videtur,
 
Vix cum sint homines tot, quot in orbe fides.
 
Sortitur sibi quisque fidem, sibi quisque magistrum:
 
Nunquam plus fidei perfidiaeque fuit.
 
Domine, diminue fides nostras.

H. ed. W. VIII, p. 21-22; K.b., II, p. 460 (XXV, 115).

Verdeelde Kercken
 
De grillen zijn soo veel, die elck om 'tseerst wil loven,
 
En yder in sijn' Kerck verheffen voorde best',
 
Dat een met reden seid'in een verwerde nest,
 
Heer, meerdert ons Geloof, en mindert ons' Gelooven.

Lond. 30 Iun. (1671)

 

Owen betreurt dat ieder mens iets anders gelooft, zodat er weinig geloof en te veel ‘geloven’ zijn. Huygens klaagt in zijn opschrift en in zijn gedicht over de verdeeldheid der Kerken en haalt met instemming Owen's opschrift en onderschrift aan: de ‘een die met reden seide’ is Owen!

[p. 82]
2.grill: zonderling begrip (WNT V, 759).
3.nest: 1) warwinkel, ingewikkelde zaak; 2) twist (WNT IX, 1856) het woord is hier manl., cf. ook Cats 1, 658b (ed. 1726): een vuijle nest.

 

O. III, 159.

In Brunonium
 
Cui pestis testis divinae creditur irae,
 
Tam bene, Brunoni, qua ratione vales?
 
In promtu ratio est, qua non capitalior ulla
 
Esse potest, patriae pestis es ipse tuae.

H. ed. W. VIII, p. 31; K.b., II, p. 503 (XXVI, 150).

Griet Pestvry
 
Hoe33) woedt de Pest in straet en stegen,
 
En34) noyt en heeftse Griet gekregen?
 
De Pest is Pest; zoo is Griet mé,
 
't Een Mes houdt 'tander inde schee.

Lond. 25 Iul. (1671)

 

Het gegeven van Owen is door Huygens nogal vrij bewerkt. Owen richt zich tot een man, aan wie hij vraagt waarom de pest, die getuigt van goddelijke toorn, hem spaart. Het antwoord ligt voor de hand, zegt Owen, je bent zelf de pest van je vaderland, dus het goddelijk instrument zelf. Huygens stelt in het algemeen, dezelfde vraag over Griet, een vrouw dus. Hij geeft zelf ook het antwoord: Griet is ook een pest en hij concludeert, met een geestige toepassing van een bekend spreekwoord35), dat de ene pest de andere spaart.

 

O. III, 167.

 
Si oculus tuus dexter, etc. (Matth. 5.29)
 
Si quoties peccant dextri effodiantur ocelli,
 
Mundus in exiguo tempore luscus erit.
[p. 83]

H. ed. W. VIII, p. 31; K.b., II, p. 503 (XXVI, 153).

Vaste Gissingh
 
Most yeder quaed oogh wegh en yeder boose hand,
 
Wat sagh men handeloos' en blinde luy in 'tland!

Lond. 25 Iul. (1671)

 

Huygens denkt behalve aan Mattheus 5, 29 ook aan 5, 30 waar gesproken wordt over de rechterhand. De gedachte van Owen wordt dus in tweeërlei opzicht uitgebreid: bij Huygens moeten alle quaede ooghen en bovendien alle boose handen weggeworpen worden.

 

O. III, 169.

Vitae brevitas
 
Infanti nondum nato par omne futurum
 
Judico, defuncto praeteritumque seni.
 
Tollito praeteritum de vita, tolle futurum;
 
Quantillum vitae, quod tibi restat, erit?

H. ed. W. VIII, p. 31; K.b., II, p. 503 (XXVI, 151).

Noyt Yet
 
Dat over is, is wegh, dat komen sal, noch niet:
 
Wat is 'et, arme Mensch, 'tpunt dat u overschiet?

Lond. 25 Iul. (1671)

 

Het is begrijpelijk dat Huygens de gezochte vergelijking van de beide eerste verzen van Owen heeft weggelaten. Wat over blijft is volledig en duidelijk. ‘Wat voorbij is, is weg, wat komen zal, is er nog niet - men kan er dus niet op rekenen (eerste lezing van het handschrift en tekst van de K.b.: “is niet”). Voor jou, arme mens (duidelijker dan “tibi” van Owen) schiet dus: “noyt yet” over’.

 

O. IV, 269.

In Zoïlum
 
Defuncto parces; viventem, Zoile, carpes:
 
Non ego propterea mortuus esse velim36).
[p. 84]

H. ed. W. VII, p. 274; K.b., II, p. 436 (XXIV, 168).

Aen Ian
 
Prijst ghij geen' lieden, Ian, als die niet meer en leven?
 
Ick hoop u dat vermaeck uw leven niet te geven.

21en Maij. (1669)

 

De grote overeenkomst tussen de epigrammen van Owen en Martialis (in de noot aangehaald) maakt het moeilijk, uit te maken, wie Huygens tot voorbeeld gekozen heeft. Het ontbreken bij Martialis en Huygens beiden van de gedachte: ‘viventem carpes’ en de overeenkomst tussen Mart. ‘ut placeam tibi’ en Huygens': ‘ick hoop u dat vermaeck...niet te geven’ maakt een ontlening aan Martialis iets waarschijnlijker. Ook het feit dat dit gedicht het enige uit boek IV van Owen zou zijn, dat door Huygens bewerkt is, kan een argument zijn voor een ontlening aan Martialis.

 

O. X, 5.

In Labienum taciturnum
 
Si sapis, es stultus, cum nil, Labiene, loquaris:
 
Sive, quod es, stultus sis, Labiene, sapis.

H. ed. W. VII, p. 192; K.b., II, p. 439 (XXIV, 190).

Aen Mathijs de Swijger
 
Of 'tis goed overlegh, of 'tis een sotten treck,
 
Die u staegh onder 'tvolck aen 'tswijgen houdt, Mathijs:
 
Want, zijt ghij wijs, soo zijt ghij geck,
 
En, zijt ghij geck, soo zijt ghij wijs.

15 Dec. (1668)

 

Dit aardige epigram van Owen is nog een tweede keer door Huygens bewerkt:

 

H. ed. W. VIII, p. 106.

Ian de Swijger
 
Of Ian in vrolick of bedruckt geselschap kom',
 
Hij sitter van begin ten einde stil en stom.
 
't Is quaed te seggen of 't een' sott' of wijse wijz is.
 
Ian is wijs, is hij sot, Ian is sot, soo hij wijs is.

9 Ian. (1674)

[p. 85]

Wat inhoud betreft verschillen beide bewerkingen niet veel van elkaar. Beide tellen vier regels, beide vertalen niet het ‘quod es’ van Owen, dat zijn epigram ook niet sterker maakt. In de eerste bewerking spreekt Huygens tot Mathijs, in het tweede over Jan. Vers 1 van de eerste bewerking wordt in de tweede weergegeven door het derde vers: ‘wijz’ is hier: wijze, manier van doen, en ter wille van de woordspeling gekozen.

Als een zeer vrije bewerking van Owen kan men ook beschouwen:

 

H. ed. W. VIII, p. 50; K.b., II, 446 (XXV, 34).

Een Knechts Afscheid
 
Wilm, nu ghij van mij gaet,
 
Gedenckt aen desen raed:
 
Spreeckt weinigh in 'tgemein:
 
Soo sal men niet vernemen,
5
Waer voor men u moet nemen
 
Voor groot Geck, of voor Klein.

ond. 5 Sept. (1671)

 

O. X, 1537).

Ad amicum caelibem
 
Ureris? uxorem ducas; non expedit uri:
 
Coniugis in gremio mortificanda caro est.

H. ed. W. VIII, p. 28; K.b., II, p. 499 (XXVI, 125).

Raed voor Brand
 
Dirck, zijt ghij van die gasten,
 
Die 't malle Minne-vier niet weten uijt te vasten?
 
Dit raed ick u voor 'tbest;
 
Krijght niet als een jong Wijf in 'tbedd. Probatum est.

Lond. 19 Iul. (1671)

 

Het opschrift van Huygens geeft weer een duidelijker aanduiding van de inhoud van het gedicht dan het neutrale van Owen. Owen geeft vol begrip voor de problemen van zijn vriend hem zakelijk de raad te trouwen, waarbij hij in het tweede vers plechtige taal gebruikt.

[p. 86]

Huygens is wijdlopiger en alledaagser in taal en gedachten. Het ‘ureris’ van zijn voorbeeld wordt bij hem door de eerste twee regels weergegeven. Huygens' woordkeus wekt de indruk dat hij weinig begrip heeft voor de moeilijkheden en verlangens van zijn Dirck.

2. uijtvasten: door onthouding doven.

 

O. X, 1638).

In Baldinum
 
Edidit indignos in lucem luce libellos
 
Baldinus, dignos attamen igne libros.

H. ed. W. VII, p. 256; K.b., II, 430 (XXIV, 131).

Op Pieters dichten
 
Schrijft Pieter altemet een Veers,
 
't Is dobbel waerd in 'tlicht te komen;
 
Werd maer mijn seggen wel genomen:
 
Ick meen in 't Vier, of inde Keers.

23 Mart. (1669)

 

Huygens vertaalt de woorden: ‘indignos...luce’ niet, maar kondigt dadelijk aan dat de gedichten dubbel waard zijn in 't licht te komen. Hij waarschuwt in het derde vers nadrukkelijk dit ‘dubbel waard’ niet mis te verstaan: Huygens bedoelt niet: dubbel en dwars waard, maar in dubbele zin waard, nl. in het vuur of in de kaars.

 

Hieronder volgen nog een paar epigrammen die gelijkenis vertonen met de erachter geplaatste van Huygens, zonder dat ontlening met enige zekerheid valt aan te tonen.

 

O. I, 105.

In Calvum
 
Certa tuas frontis fuerat mensura, priusquam
 
Nescio quae frondes abstulit aura tuas.
 
Ex quo decussi tibi sunt de vertice crines,
 
Perpetuae frontis iam caput instar habes.
 
Quanta tibi nunc sit frons dicere non potes: ergo
 
Fronti nulla fides est adhibenda tuae.
[p. 87]

H. ed. W. VIII, p. 25; K.b., II, p. 498 (XXVI, 114).

Aen Kaele Andries
 
Ghy hadt wel eer een dingh dat voorhoofd hiet, Andries;
 
Nu ist'er soo beroijt van watter stond en wies,
 
En sulck' eenparicheit van voren tot den neck toe,
 
Dat, kost ghij noch een neus, twee oogen en een mond,
5
Als dobbele Ian gat, bestellen in dat rond,
 
Uw' ooren hoorden pas een' anderhalven geck toe.

Lond. 16 Iul. (1671)

 

De overeenkomst zit in de constatering dat voorhoofd en hoofd zo in elkaar overgaan dat niet te zeggen valt wat het voorhoofd en wat het hoofd is. De eerste versregel van beiden toont enige gelijkenis. De uitwerking van het gegeven is echter geheel verschillend.

Wat misschien voor een zekere beïnvloeding zou kunnen pleiten is het feit dat het sneldicht van Huygens gemaakt is in de paar weken dat bijna alle bewerkingen van gedichten van Owen ontstaan zijn. Op diezelfde dag is bijvoorbeeld de vertaling van O. I, 117 gemaakt.

5. Ian gat: een dom onnozel persoon (WNT VII, 1, 19).
bestellen: plaatsen (Marnix, Byenc. (ed. 1645) 2.8 (blz. 102a): Virgilius...heeft...het Vagevyer besteldt by een Meyr...het welcke staet niet seer verre van Roomen.) Vgl. ook WNT II, 2, 2134.
rond: achterhoofd.

6. waarom gesproken wordt van ‘een anderhalve geck’ is niet duidelijk. Bedoelt H. een tweede halve gek?

 

O. VII, 93.

In Corbulonem
 
Diruis, aedificas; quid Corbulo? diruis omnes
 
Divitias et opes, aedificasque nihil.

H. ed. W. V, p. 290; K.b., II, p. 260 (XIX, 94).

Averechts Bewijs
 
Jan timmert sonder end meer dan hij kan bewoonen,
 
En doet het, seght hij, om syn' vijanden te thoonen
[p. 88]
 
Dat hem geen geld ontbreeckt.
 
Ick neem het soo hij 'tspreeckt:
5
Maer, vrienden, dunckt u niet dat sijn bewijs misstelt is,
 
En dat hij thoonen gaet dat hij beroijt van geld is?

25 Ian. (1656)

 

De overeenkomst is maar heel oppervlakkig, nl. dat Corbulo en Jan beiden door het vele bouwen hun geld kwijt zullen raken. Bovendien zou deze bewerking van een epigram van Owen door Huygens ver voor alle andere gemaakt zijn en het gedicht gekozen zijn uit een boek waaraan Huygens verder geen enkel voorbeeld meer ontleend heeft.

 

O. VIII, 6139).

Ad Aulum Medicum, gratulatio Verna
 
Vere novo impuri renes et viscera purgant,
 
Gratulor, Aule, tibi: Ver, tua messis, adest.

H. ed. W. V, p. 134; K.b., II, p. 205 (XVII, 89).

Ooghst inden Herfst
 
October is in 'tland, en 'tregent geele blad'ren:
 
Doctoren, helpt uw volck van 'tkantjen in de sloot:
 
Uw' blad'ren vallen oock, ghij mooghtse wel vergad'ren,
 
't Zijn sulck' als Danaë sagh regh'nen in haer' schoot.

7 Octo. (1654)

 

De gedachte aan beïnvloeding door Owen ligt hier m.i. meer voor de hand: Owen en Huygens spreken beiden over een oogst voor de doktoren. Dat Huygens zijn oogst niet in de lente laat vallen is te verklaren als men aanneemt dat zijn landgenoten niet algemeen de gewoonte hebben in die tijd hun nieren en ingewanden op doktersadvies te laten zuiveren. Doordat hij de oogst zich in de herfst laat afspelen, inderdaad de tijd van meer ziektegevallen, is het beeld van de gele bladeren op zijn plaats.

Maar ook hier geldt als bezwaar de vroege datum en de ontlening aan een verder niet gebruikt boek.

[p. 89]

Tenslotte volgen hier nog een paar Latijnse gedichten van Huygens die beïnvloed zijn door Owen.

 

O. VIII, 58.

O Tempora!
 
Tempora mutantur, nos et mutamur in illis;
 
Quomodo? fit semper tempore peior homo.

H. ed. W. III, p. 276.

Tempora
 
Tempora mutantur et nos mutamur in illis.
 
O mores, virgo, o tempora, dicat anus.

11 Apr. (1643)

 

Hoewel de eerste regel van het gedicht van Owen reeds door deze aan een andere bron ontleend is40), zal Huygens hem toch wel door Owen hebben leren kennen. Wel is het opvallend dat bij Huygens de woordvolgorde dezelfde is als bij Middleton en dat geen van de Nederlandse vertalingen van Huygens uit Owen zo vroeg gedateerd is.

 

O. I, 79.

Participium
 
Cum verbum sit Eras, mus Nomen: quid sit Erasmus,
 
Ingenio Lector colligat inde suo.

of:

 

O. VII, 34.

Erasmus
 
Quaeritur, unde tibi sit nomen Erasmus? Eras - mus.
 
Resp.
 
Si sum Mus, ego, te judice, Summus ero.

hebben zeker het volgende gedicht van Huygens beïnvloed.

[p. 90]

H. ed. W. VIII, p. 20.

Ad Erasmum
 
O rosor lepide, o rosor non dente canino,
 
Gratior arrosis quam quos arrodere nolles,
 
Rodere ridendo quemvis, non laedere, solers.
 
Dictus Erasmus eras, quia nempe futurus eras mus.

Lond. 13 Iun. (1671)

 

Ook het tijdstip waarop dit gedicht gemaakt is, in de periode waarin vrijwel alle Nederlandse bewerkingen van Owen vallen, maakt een verplichting aan Owen bijzonder waarschijnlijk.

Naschrift: verdere navolgers van Owen

In de zeventiende eeuw blijken de epigrammen van Owen, behalve aan De Decker, Revius, Huygens, Westerbaen en Vollenhove41) ook aan Six van Chandelier en aan Focquenbroch bekend te zijn.

Six van Chandelier42) heeft drie epigrammen van Owen vertaald.

 

O. I, 82.

De Die
 
Sit Nox centoculo quamvis oculatior Argo,
 
Plus uno cernit lumine lusca Dies.

dat ook door De Decker en Revius vertaald werd43), luidt bij Six van Chandelier als volgt (p. 624):

Nacht en dagh
 
Schoon Argus 's midnachts ons verlicht, met hondert oogen,
 
Een Polifemus oogh kan 's middaghs meer vertoogen.
[p. 91]

O. I, 163.

De Cornibus problema44)
 
Si quando sacra iura tori violaverit uxor,
 
Cur gerit immerito cornua vir? Caput est.

luidt bij Six v.Ch. (p. 616):

Hoorndrager
 
Waarom, indien de vrouw den echt van eer berooft,
 
Draaght, sonder schuld, de man de hoornen? hij is 't hoofd.

O. II, 173.

Quinque Sensus
 
Quinque voluntatisque voluptatisque ministri
 
Officium faciunt, an magis officiunt?45)

Six v.Ch. (p. 618):

De vijf sinnen
 
Vijf die, op onsen lust en wellust vlijtigh passen,
 
Zijn met ons, t'onsen dienst, en ondienst, opgewassen.

Ook Focquenbroch46) vertaalde een van de bekendste epigrammen van Owen:

 

O. III, 199.

Miseria Iob
 
Divitias Jobo, sobolemque, ipsamque salutem
 
Abstulit (hoc Domino non prohibente) Satan.
 
Omnibus ablatis misero, tamen una superstes,
 
Quae magis afflictum redderet, uxor erat47).
[p. 92]

Focquenbroch:

Jobs ellende
 
De duivel sloeg met felle slagen,
 
Den vroomen Job, aan ziel en lijf,
 
En had hem al zijn goed ontdraagen,
 
Maar tot de zwaarste zijner plagen,
 
Zo liet hij hem alleen zijn Wijf.

J.B. Wilterdink