[p. 213]

De plaats van de ij in het Nederlandse alfabet

In tegenstelling met het cijfersysteem der arabische cijfers, dat volstrekt internationaal, supranationaal is gaan functioneren, verschillen de lettersystemen van cultuurgebied tot cultuurgebied. En binnen het gebied van een bepaald lettersysteem, als het latijnse, kunnen de alfabetten per taalgebied weer vrij aanzienlijk verschillen. Het oude latijnse alfabet bestond uit 23 lettertekens in de volgorde a, b, c, d, e, f, g, h, i, k, l, m, n, o, p, q, r, s, t, v, x, y, z. De laatste twee van deze 23 zijn aan het griekse alfabet ontleend en staan daarom, zoals men bij toevoegsels kan verwachten, achteraan. Het middeleeuwse westeuropese schrijversalfabet had hieraan nog twee tironische noten, de ‘stenografische tekens’ voor et en con, toegevoegd, achter de z uiteraard. Het alfabetische referein van Jan van Hulst in het derde deel van het Gruuthuse-convoluut bestaat uit 25 strofen, waarvan de laatste twee achtereenvolgens beginnen met et en con. Dit handschrift is uit het einde van de 14de eeuw. In het handschrift van Florigout, dat misschien een halve eeuw vroeger te dateren is, heeft de kopiist de gekleurde lombarden op textueel willekeurige plaatsen, maar in de volgorde van het toenmaals gebruikelijke alfabet aangebracht, en daarbij functioneren ook de tekens voor et en con1). In de twee alfabetische composities van Anthonis de Roovere, het ABC van Maria (ed. Mak, blz. 205) en het Constich Lof van Maria op alle de letteren van ABC (blz. 189), wordt het alfabet enigszins verschillend behandeld: in het eerste geval als een reeks van 24 tekens, de 23 latijnse letters èn het con-teken, in het tweede geval als een reeks van 25 tekens, waarin op

[p. 214]

de plaats van het et-teken - tussen de z en het con-teken - echter het verkortingsteken van alder is gekomen. Hieruit blijkt dat er bij het speelse, ornamentale hanteren van het schrijversalfabet metterdaad een zekere speling mogelijk was. Het aanbieden van een woordenschat in de geordende vorm van een woordenboek biedt echter nauwelijks meer gelegenheid tot het spelen van ornamentale spelletjes. Hierbij zal men dan ook een alfabet gebruikt vinden zonder de genoemde tironische noten. De zakelijke presentatie in een woordenboek kan overigens wel tot zakelijke uitbreiding van de traditionele latijnse letterreeks leiden, evengoed echter tot zakelijke inkrimping.

Men kan het latijnse alfabet inkrimpen, wanneer in de spelling van een bepaalde cultuurtaal bepaalde letters geen functie meer vervullen. Alle westeuropese cultuurtalen hebben schrijven geleerd naar latijns voorbeeld en men had dus alle lettertekens van de vreemde taal, de kerk- en schooltaal, tot zijn beschikking om de fonemen van de eigen taal, de landstaal, weer te geven. Dat was soms niet genoeg en soms te veel. In het italiaanse alfabet heeft men bv. de k, de x en de y geschrapt, maar is de ene latijnse v, door specialisering van de hierbij gebruikelijke grafische varianten, de ronde en de spitse, vervangen door twee letters, de u en de v, ter weergave van de ‘u vocalis’ en de ‘v consonans’. Het italiaanse alfabet is daardoor komen te bestaan uit 23-3 + 1 = 21 lettertekens, die samen op een werkelijk volmaakte manier het italiaanse foneemsysteem tot uitdrukking kunnen brengen. De middelnederlandse schrijvers konden de laatste drie letters van het latijnse alfabet, de x, de y en de z, in principe evengoed missen als de italiaanse de x en de y, en hadden ze dus uit hun middelnederlandse alfabet kunnen schrappen. Maar omdat zij ze nu eenmaal tot hun beschikking hadden, hebben zij ze toch ook maar gebruikt, en wel als ornamentale varianten van resp. de cs, de i en de s. Zij hadden er nog geen behoefte aan om de fonemen /s/ en /z/ in geschrifte te onderscheiden en evenmin de fonemen /i/ (of /ie/) en /j/, /u/ (of /uu/) en /v/. Anderzijds hadden zij er wel behoefte aan om in hun geschreven teksten de fonemen /v/ en /w/ uit elkaar te houden en dat bracht hen ertoe om de, meestal als ligatuur geschreven, ‘dubbele u’ tot zelfstandig letterteken te verheffen. Bij hun alfabetische spelletjes functio-

[p. 215]

neerde dit nieuwe letterteken nog niet, maar voor hun letterbewustzijn was het wel degelijk een zelfstandige eenheid geworden. Er is een merkwaardige innerlijke tegenspraak in de manier waarop Jan Moritoen in het 13de gedicht van het al genoemde derde deel van het Gruuthuse-convoluut het woord trouwe presenteert. Trouwe is de naam van de fontein ‘die vij adren in den gront / heift ghemaect.../ daer dat borne bi ontfangt / sijn cracht’. En dat wordt dan als volgt uitgewerkt:

 
Teerste conduut dat es een T,
 
Dats troost ende toeverlaet mee.
 
Dandere een R, dats reinicheit
 
Van al dien daer ontrauwe in leit.
 
Terde conduut dat es een O,
 
Dats omoet die den moet maect vro.
 
Tfierde conduut dat es eene V,
 
Dats vriheit, scalkernien scu.
 
Tfijfste, twee huwen dobbel tsamen,
 
Wel bewreidt van allen blamen,
 
Dats vriendelicheit ende wijsheit mede
 
Die gheven zalicghe vroilichede.
 
Tsevende conduut dat es een E,
 
Dats eere die ghelijc der zee
 
Vloiende es in alre duecht. (r. 530/44)

Volgens zijn alfabetische bewustzijn moest Jan Moritoen in trouwe zeven letters onderscheiden, volgens zijn letterbewustzijn waren het er maar zes. Hij presenteert de w niet als ‘tfijfste ende tseste’, maar simpel als ‘tfijfste’, bestaande uit ‘twee huwen dobbel tsamen’. ‘Tseste’ ontbreekt in zijn opsomming, maar wordt niettemin wel meegeteld. De ‘betekenis’ van die ‘twee huwen dobbel tsamen’ wordt uitgedrukt door een woord dat met een w begint (‘wijsheit’) èn een woord dat met een v begint (‘vriendelicheit’). Hij kwam er niet goed uit, doordat de w al wel een letter was, maar nog geen plaats in het alfabet had gekregen. In De Roovere's Constich Lof, dat, afgezien van de acrostichische slotstrofe met de naam van de dichter, uit 25 kwatrijnen bestaat, waarin telkens alle woorden met hetzelfde letter- of schrijfteken beginnen, bevat de 20ste strofe - de ‘v-strofe’ - 18

[p. 216]

woorden, waarvan 12 beginnende met ‘v consonans’, 2 met ‘v vocalis’ en 4 met een w. Hierbij kan geen spanning blijken tussen alfabetisch en litteraal bewustzijn, omdat het eerste de structuur van het gedicht bepaalt. Nog tijdens het leven van De Roovere verschijnt echter het eerste woordenboek waarin het nederlands vooropstaat, de Teuthonista van Van der Schueren (1475), en hierin heeft een volkomen verzelfstandigde w zijn plaats gekregen ná de v. Ofschoon de schrijver de w misschien nog wel ‘dobbel uwe’ zal hebben genoemd, is deze letter voor hem alfabetisch géén dubbele u: op uyt volgt wach. Opmerkelijk is dat de x, de y en de z, of schoon hij ze in zijn spelling wel kan gebruiken - zie uyt -, voor Van der Schueren kennelijk geen letters van het alfabet meer zijn. Het laatste woord in zijn woordenboek is wuwen. Het latijnse alfabet is hier dus zowel uitgebreid als ingekrompen. De uitbreiding - t.w. de toevoeging van de ligatuur w - is door het latere nederlandse alfabet gehonoreerd, de inkrimping - t.w. de weglating van de functieloze x, y en z - niet.

Alle westgermaanse talen hebben een w aan hun alfabet toegevoegd, de noordgermaanse daarentegen hebben er geen behoefte aan gevoeld, al is de w als variant van de v in het zweeds niet onbekend. Dit hangt natuurlijk samen met de inventaris van de onderscheiden foneemsystemen. De westgermaanse talen bezitten een foneem /w/, opponerend met een foneem /v/, de noordgermaanse niet. Bij Van der Schueren zijn intussen de lettertekens v en w nog niet op de moderne wijze fonematisch gespecialiseerd: het teken w dient ter uitdrukking van het consonantische foneem /w/ èn van het vocalische foneem /uu/, zoals het teken v dienst blijft doen voor het consonantische foneem /v/ èn voor het vocalische foneem /u/. Dat is ook nog het geval in de 16de-eeuwse woordenboeken tot en met de Kilianus van 1574, dus bv. in de Synonymorum Sylva van Pelegromius (1537), het Dictionarium van Berckelaer (1556), het Naembouck van Lambrecht (1562) en de Thesaurus van Plantijn (1573). (Het Vocabulare van Berlaimont (1526) is ‘ouderwetser’ dan de Teuthonista, want daarin worden de v- en de w- woorden in willekeurige volgorde, d.w.z. zonder dat gelet wordt op de tweede letter van elk woord, tot één reeks verenigd). De Kilianus van 1588 brengt hierna een vernieuwing. In dit woordenboek worden nl.

[p. 217]

eerst de woorden opgesomd die met ‘u vocalis’ beginnen, daarna die met ‘v consonans’, tenslotte die met w, dus u, v, w zoals we ze in ons moderne nederlandse alfabet kennen. ‘W vocalis’ en ‘w consonans’ worden echter niet onderscheiden, het woord wt ‘uit’ staat alfabetisch vóór het woord wurghen. Anders dan bij Van der Schueren nemen bij Berckelaer, Plantijn en Kilianus de y en de z wel hun traditionele plaatsen in, zij het dan dat het aantal der met deze letters beginnende woorden maar zeer gering is. Bij Van der Schueren bestaat het nederlandse alfabet dus uit 23-3 + 1 = 21 tekens, bij Plantijn 1573 en Kilianus 1574 uit 23-1 + 1 = 23 tekens, bij Kilianus 1588 uit 23-1 + 2 = 24 tekens. Geen enkel woordenboek vindt het nodig de x op zijn traditionele plaats te vermelden. De 16de-eeuwse nederlandse lexicografen hebben de x in nederlandse woorden - waar hij nooit aan het begin kon staan - wellicht meer als een ornamentale variant dan als een zelfstandig teken beschouwd. Raadplegen we de Twe-spraack (1584)2), dan kan het ons op het eerste gezicht toeschijnen, dat ons hierin een alfabet van 27 letters wordt aangeboden, maar bij nader toezien blijkt dit geen echt alfabet te zijn, maar een opsomming der meest gebruikelijke ‘figurae’, de verzameling van ‘de Letteren óf boeckstaven...van verscheyden maxel’ zoals zij toen in de Nederlandse typografie gebruikt werden. Het zijn de 23 letters van het latijnse alfabet, uitgebreid met de u en de w en bovendien nog met een ‘ronde’ r en een ‘lange’ s. Merkwaardig is, dat in deze reeks de ‘lange’ j ontbreekt, terwijl deze in het betoog van de Twe-spraack toch wel een rol speelt. Daarin lezen we immers op blz. 31: ‘Diesvólghens zoud'ick de j een meklinker zynde óóck je noemen’.

In de 17de eeuw zien we het nederlandse alfabet verder groeien. De woordenboeken vóór Sewel (1691) blijven Kilianus volgen, maar de grammatici denken voort in de lijn van de Twe-spraack. Jacob van der Schuere (1612) biedt het ‘maekzel’ van de letters aan in deze volgorde: a, b, c, d, e, f, g, h, i, j, y, k, l, m, n, o, p, q, r, z, f, s, t, u, v, w, x, z, en vermeldt als ‘naem’ daarbij: a, be, ce, de, e, ef, ge, ha, i, je, y, ka, el,

[p. 218]

ém, en, o, pe, qu, er, es, te, u, va, wa, iks, ze (blz. 10). De ‘lange’ j is hier dus uitdrukkelijk als zelfstandig letterteken met eigen foneemwaarde erkend en daarmee is een nederlands alfabet van 26 tekens ontstaan, zij het dan nog steeds met twee typografische varianten van de r en de s. Zeer opvallend is de plaatsing van de y, niet ná x en vóór z, maar ná j en vóór k. De y is voor Van der Schuere geen griekse letter die men eventueel kan gebruiken als een ornamentale variant van de i - zoals de middeleeuwse schrijvers deden -, maar het normale nederlandse teken om een ‘lange i’ weer te geven: ‘De I vald voor / midden / ende ook t'eynden inde Sillabe kort van geklank / als: in, is, zinlyk, eeuwige, enz. Want als zy lang klynken moet / zoo steldmender de y, als: ys, gelyk, wy, enz.’ (blz. 22). Zoals de w, de als ligatuur geschreven dubbele v, zijn logische plaats krijgt na de ‘u vocalis’ en de ‘v consonans’, zo ook de y, die een ‘lange i’ voorstelt, na de ‘i vocalis’ en de ‘j consonans’. Men moet haast wel tot de conclusie komen dat de y voor Van der Schuere een als ligatuur geschreven dubbele i voorstelt. Dat zou dan betekenen dat hij het teken y heeft gereïnterpreteerd. Bij de middeleeuwse schrijvers treedt de y, althans in de oudere handschriften, alleen op als variant van de i, de ‘enkele i’, niet van de ij, de ‘dubbele i’. Voor de 17de-eeuwer Van der Schuere was echter, in de lijn van de spellingspraktijk van de 15de en 16de eeuw, de y geworden tot een variant van de ‘dubbele i’, de ij, en hij trok de consequentie dat men de ij in het alfabet dan ook geheel kon vervangen door de y, of omgekeerd. Deze reïnterpretatie van het teken y bij Van der Schuere vinden we bevestigd bij Van Heule (1625/1633). Deze presenteert het nederlandse alfabet geheel in de vorm en de volgorde die nog altijd onder ons gebruikelijk is, dus met de y na de x en voor de z, en zegt dan: ‘Deze Letters word aldus uyt-gesproken / A, Be, Ce, De, E, eF, Ge, Ha, I, Je, Ka, eL, eM, eN, O, Pe, Que, eR, eS, Te, U, Va, Wa, eX, II, Ze. De y en is anders niet / dan eene dobbele I, ende de Z, is by de Latijnen / zo veel als eene dobbele S, doch wy haer eenichsins volgende / gebruyken de Z voor eene sware S’ (blz. 8). Leupenius (1653) zet deze lijn voort in zoverre hij zegt: ‘De y is een dobbele klinker / en heeft anders geen gebruik / dan om te bewaaren de plaatse van een lange i’ (blz. 14), maar hij verschilt tegelijk van zijn

[p. 219]

voorgangers doordat hij uitdrukkelijk aan de ij - de oude ‘dubbele i’ - een andere functie toekent dan aan de y. Voor de historische ij gebruikt hij uitsluitend de y. De ‘figura’ y heeft dus niet alleen als teken in het alfabet de ‘kracht’ van de oude ij gekregen, maar vervangt de laatstgenoemde ook geheel en al in de praktijk van de spelling. De ij dient daarentegen bij Leupenius ter weergave van de postvocalische j: ‘de y doet soo veel / als twee klinkers / de ij, als een klinker en meedeklinker. De y behoort nergens gestellt te worden / dan tuschen twee meedeklinkeren / als in myn, syn, tyd, spyt; ofte daar sy op het einde sonder gevolg blyft staan / als in by, my, wy, sy. De ij moet niet gestellt worden dan tuschen twee klinkeren / als in saaijen, maaijen; of daar sy / op het einde blyvende / nochtans het gevolg van een andere klinker te kennen geeft / als in hooij, mooij’. (t.a.p.) Leupenius had voor zijn spellingspraktijk al in 1628 een theoretische voorganger gehad in Ampzing. Deze laatste was er zich terdege van bewust geweest dat de y historisch een griekse letter was, met de klankwaarde u, maar had zich door deze kennis niet laten weerhouden om nochtans in het nederlandse alfabet de y te interpreteren als een ‘dubbele i’. Hij schrijft: ‘Wy hebben ook eene dobbele i, die wy in 't groot gelijk de Grieksche Ypsilon Y, ende in 't klein gelijk hunne Gamma y schrijve: doch de uytsprake heeft daer mede geene gemeynschap ter wereld: want de Grieksche Gamma heeft eenen klank met onse g, ende de Ypsilon de selve uytsprake met onse u. Niettemin so schrijf ik de Grieksche woorden naer hunne spellinge, ende brengse uyt naer onse uytsprake...Ik noemse (t.w. de y) eene dobbele i, ende geene enkele zieraed i, ende die niets meer en soude doen als eene gemeyne i: want so mostese by de enkele i in het a b c gesteld worden, ende niet achter aen onder de dobbele letters’ (blz. 162). In de laatst geciteerde woorden vinden we de verklaring voor het feit dat Van der Schuere met zijn plaatsing van de y tussen j en k geen succes heeft gehad: zijn opvolgers meenden dat alle ‘dubbele letters’ hun plaats moesten krijgen achter in het alfabet, w, x, y, z. Het was een gezocht argument, de plaatsing van Van der Schuere was veel logischer, maar steunend op dit argument kon men tenminste de traditionele volgorde van het latijnse alfabet handhaven. Ik noemde Ampzing de theoretische voorganger van Leupenius' spel-

[p. 220]

lingspraktijk, want Ampzing had al geschreven: ‘Ik hadde mij wel vast voorgenomen alhier recht door te gaen, ende...beyde so onse enkele i, als de y, heure behoorlijke kragt te doen hebben, ende de selve naer heuren aerd, ende nature te schrijven...ende de y eene dobbele i te doen gelden...ten ware ik bevonden hadde, dat de luyden sich voords aen een stroo stoten’ (blz. 163). Leupenius is niet zo bang geweest voor de kritiek van de luiden die zich aan een stro stoten en heeft de door Ampzing alleen maar theoretisch verdedigde y-spelling ook in de praktijk consequent toegepast.

Het is de al genoemde grammaticus en lexicograaf Sewel geweest die de met Van der Schuere ingezette ontwikkeling heeft voltooid. Want Sewel heeft niet alleen de consequente y-spelling van Leupenius overgenomen - zoals hij ook diens gebruik van ij ter weergave van de postvocalische j overneemt -, maar hij heeft bovendien de alfabetische inrichting van zijn nederlands-engels woordenboek van 1691 bij deze spellingspraktijk aangepast. In dat woordenboek krijgt voor het eerst in de nederlandse taalgeschiedenis de y als voorlaatste letter van het alfabet een aanzienlijk, en rationeel bepaald, gevolg van met y beginnende woorden onder zich. De j, die ondanks zijn erkenning als zelfstandig letterteken door de grammatici, door de 17de-eeuwse lexicografen in het voetspoor van de grote Kilianus stelselmatig als een variant van de i was behandeld, krijgt bij Sewel ook voor het eerst zijn eigen afdeling, volgende op die van de i. En tenslotte is de z bij Sewel niet langer de ‘dubbele s’, maar wordt het normale en consequent gebruikte teken ter weergave van de stemhebbende spirant: ‘Dies spel ik Sabel, servét, siroop, suyker, dóch niet Semel, segen, sout, 't welk met de Friesche uytspraak overeenkomt, die gewoon zyn zodaanige woorden met een sissend geluyd voort te brengen...Z gebruyk ik in de woorden Zand, zout, zee, zeep, zegen, zwart, zwaan, zweeren, zwemmen, ezel, raazen, hoozen, enz. als wordende plat uytgesprooken, en gansch geen gemeenschap met de scherpheyd van de S hebbende’. Sewel heeft het eerste nederlandse woordenboek geschreven dat werkelijk modern kan heten, zowel omdat hij zich in de keuze van zijn woordenschat volledig van de zuidnederlandse Kilianische traditie losmaakte en van het hollands uitging, als vanwege de consequente, rationele wijze

[p. 221]

waarop hij het nederlandse alfabet hanteerde. Wanneer men dit nederlandse alfabet vergelijkt met het latijnse waaruit het was voortgekomen, dan constateert men dat de ene i vervangen is door i en j, de ene v door u, v, en w, en dat de y en de z een nieuwe inhoud hebben gekregen. De q en de x hebben daarentegen hun functie verloren en doen alleen nog maar ornamentaal mee. Dat zijn dan de 26 letters van het nederlandse alfabet, zoals ze bij de progressieve taalmeesters op het einde van de 17de eeuw hebben gefunctioneerd.

Tegenover de y-praktijk der progressieven staat de ij-praktijk der conservatieven. De eersten zijn de synchronisch denkenden, de laatsten de diachronisch denkenden. Voor het historische taaldenken was de y een griekse letter met de oorspronkelijke klankwaarde u. Synchronisch denkende progressieven als Van der Schuere, Van Heule, Ampzing en Leupenius wisten dit natuurlijk ook wel, maar het was voor hen geen beletsel om het teken y te reïnterpreteren tot een dubbele i. De diachronisch denkenden protesteerden daartegen en hielden staande dat men een dubbele i - ter weergave van een monoftongisch of diftongisch foneem - alleen maar kon schrijven als ij. De diachronisch denkenden hebben het in de nederlandse spellingspraktijk tenslotte gewonnen - alleen in de spelling van het afrikaans heeft de y gezegevierd -, maar deze uiteindelijke zegepraal van de ij, te danken aan het gezag van Siegenbeek en Weiland, voorafgegaan door Kluit, heeft niet kunnen verhinderen dat deze ij van karakter is veranderd en functioneel in feite tot de y van de 17de-eeuwse grammatici is geworden. Dit hangt samen met de omstandigheid dat de ‘lange’ of ‘gestaarte’ i, d.w.z. de j, zich als letterteken van de gewone i heeft losgemaakt. Wanneer dat gebeurt, is de ij niet langer ‘dubbele i’, ‘i plus i’, maar ‘i plus j’. Bij progressieven als Leupenius en Sewel, die de ‘dubbele i’ als y schrijven, functioneert de ij inderdaad als ‘i plus j’, hetzij intervocalisch, hetzij postvocalisch. Voor het letterbewustzijn van de conservatieven moesten op een gegeven ogenblik de i en de j van de groep ij ophouden zelfstandige elementen te zijn en samengroeien tot een nieuwe lettereenheid, een ligatuur. In het moderne lopende schrift is die ligatuur ij alleen nog van de y te onderscheiden door de puntjes. De y wordt dan de ‘ij zonder puntjes’. Maar doordat in het lopende

[p. 222]

schrift de ij zelf ook gemakkelijk zijn puntjes verliest, wordt de oppositie tussen ij en y een vrijwel theoretische aangelegenheid. Wat de betrekkelijk jonge ligatuur ij en de oude grieks-latijnse letter y synchronisch verbindt, is veel belangrijker dan wat hen diachronisch scheidt. Nog belangrijker dan het lopende schrift is voor het letterbewustzijn de typografie. Ook de drukkers gaan ligatuur-tekens voor de groep ‘i plus j’ gebruiken. De ij gaat typografisch functioneren als de oe en de oe. Zoals de hoofdlettervorm van deze laatsten AE en OE is, wordt die van ij een IJ. In de 17de-eeuwse boeken kan men behalve Ys ook nog Ijs tegenkomen, maar in de loop van de 18de eeuw raakt Ij geheel in onbruik en gaan ook de conservatiefste verdedigers van de ij-spelling IJs schrijven. Dit is een exclusieve eigenaardigheid van het nederlandse schrift en de nederlandse typografie. Wie wel eens voor een duits tijdschrift een artikel heeft moeten schrijven waarin de nederlandse riviernaam IJsel voorkwam, weet dat zijn nederlandse litteratie voor de duitse zetter een ongerijmdheid is, en dat deze er óf Ysel óf Ijsel van maakt. Als lettergroep komt ‘i plus j’ ook in andere europese talen voor, het frans bv., als ligatuur alleen in het nederlands. Voor het nederlandse letterbewustzijn is de veelvoorkomende ligatuur ij eenvoudig een nieuwe zelfstandige letter geworden die erom vraagt een plaats in het nederlandse alfabet te krijgen, evenals bv. de ligatuur oe een plaats in het deense alfabet heeft gekregen (ná de z), evenals, vijf eeuwen geleden, de ligatuur w zijn plaats in diverse europese alfabetten heeft gekregen (ná de v). We herinneren ons dat Van der Schuere de y, die bij hem functioneerde als ligatuur van ‘i plus i’, na de j plaatste en dat zou ook een logische plaats kunnen zijn voor de ligatuur van ‘i plus j’, de ij. Een plaatsing van de ij aan het slot van het alfabet, na de z, zou eveneens op goede gronden te verdedigen zijn, maar is, voorzover ik weet, nog door niemand verdedigd of in praktijk gebracht. Een plaatsing van de met ij beginnende woorden onder de letter i, zoals men die in de meeste nederlandse woordenboeken vindt, is echter voor het synchronisch denkende letterbewustzijn volstrekt onlogisch en kan alleen gerechtvaardigd worden met behulp van het schoolse weetje, dat ij eigenlijk geen zelfstandige letter is, maar een lettergroep, ‘i plus j’. Doordat degenen die, omstreeks 1800, tegenover de progressieve y-

[p. 223]

spelling de conservatieve ij-spelling aan de overwinning hebben geholpen, niet tegelijk de ligatuur-hoofdletter IJ hebben vervangen door de historische lettergroep Ij, hebben zij evenwel ondanks zichzelf de ij als lettereenheid gehandhaafd en ons met het probleem laten zitten, waar ergens in het nederlandse alfabet die letter ij dan wel geplaatst moet worden. Dat dit inderdaad een klemmend probleem is, weet ieder die alfabetisch geordende registers, bibliotheekcatalogi, telefoonboeken, encyclopedieën e.d. moet raadplegen. Er is buiten het nederlands, dunkt mij, geen enkele cultuurtaal ter wereld die zijn taalgenoten voor een dergelijk, van dag tot dag en van uur tot uur zich telkens weer opdringend probleem stelt.

Overdrijf ik? Kan men niet zeggen dat iedere ervaren lezer het toch zo zoetjes aan wel weet, waar hij in een bepaalde alfabetische ordening de ij heeft te zoeken? Zeker, ik weet het, dat verreweg de meeste nederlandse woordenboeken de met ij beginnende woorden onder de i plaatsen, en omdat ik veel met woordenboeken werk, zoek ik in een woordenboek zelden verkeerd. Maar er zijn uitzonderingen. In het Nieuw Groninger Woordenboek bijvoorbeeld, dat ik ook nogal eens na moet slaan, wordt de ij als voorlaatste letter van het alfabet beschouwd. Dat ‘weet’ ik heel goed en toch begin ik bijna altijd met een ij-woord daarin op de verkeerde plaats te zoeken. Als ik mijn ‘fout’ ontdek, moet ik telkens weer even snel de redenering opbouwen: ‘o ja, Ter Laan is niet in de eerste plaats een taalgeleerde, maar een op de maatschappij georiënteerde, encyclopedisch geïnteresseerde figuur geweest, hij heeft zich dus niets van het “woordenboekalfabet” aangetrokken’3). Ik ‘weet’ ook heel goed dat alle nederlandse encyclopedieën de ij na de x en vóór de z plaatsen, maar gewend als ik nu eenmaal ben aan het alfabet der woordenboeken, vergeet ik het in de praktijk toch telkens weer. Zo ‘weet’ ook ongetwijfeld de ‘maatschappelijke mens’, die meer met telefoonboeken en encyclopedieën dan met woordenboeken te maken heeft, dat hij in de laatstgenoemde ij niet vóór de z, maar onder de i moet zoeken, maar ik stel mij voor dat ook hij zich slag op slag zal

[p. 224]

vergissen. En dan blijven er buiten de woordenboeken, encyclopedieën, telefoonboeken en catalogi ook altijd nog een heleboel andere alfabetische ordeningen, waarbij niemand van tevoren kan weten welk alfabet erin gevolgd wordt. Bij ieder register dat men nog niet eerder heeft geraadpleegd moet men zich afvragen: heeft de samensteller zich aangesloten bij de praktijk van de (meeste) woordenboeken of bij die der encyclopedieën? heeft hij zich op het ‘schoolse’ danwel op het ‘maatschappelijke’ standpunt gesteld? Het is, dunkt mij, niet te ontkennen: hier ligt een probleem dat om een oplossing vraagt. En het is een illusie te menen dat dit probleem zichzelf oplost, doordat de ‘school’ het toch op den duur wel zal winnen van de ‘maatschappij’. Bovendien, waarom zou de ‘school’ het eigenlijk móeten winnen? Is het standpunt van de ‘school’ rationeler en ‘wetenschappelijker’ dan dat van de ‘maatschappij’? Geenszins. De ij is, zoals de hoofdlettervorm overtuigend bewijst, voor ons letterbewustzijn een letter en geen lettergroep. Ja, de ei, dat is een lettergroep en niemand zal er dan ook aan denken om aan het begin van een zin EIser te schrijven. Maar ij kan geen lettergroep heten, omdat de schrijfwijze Ijzer voor ons volstrekt onmogelijk is. Is het rationeel of ‘wetenschappelijk’ iets wat géén lettergroep is in een alfabetische ordening nochtans als zodanig te behandelen?

De ‘maatschappelijke’ praktijk ten aanzien van de alfabetische plaatsing van de ij kan op zichzelf genomen natuurlijk geen oudere traditie hebben dan de praktijk van de ij-spelling zelve. Maar er is een duidelijk aanwijsbaar verband tussen 19de- en 20ste-eeuwse plaatsing van de ij vóór de z en de 17de- en 18de-eeuwse praktijk van de y-spelling. In het alfabet von onze telefoonboeken en encyclopedieën werkt nog de theorie van Ampzing en de praktijk van Leupenius en Sewel door. Sewel is nagevolgd door de progressieve lexicografen van de 18de eeuw, hij is na Kilianus de stichter van een nieuwe traditie geworden. Marin bv. schrijft al in de eerste druk van zijn nederlands-frans woordenboek, van 1717, consequent y en men vindt ydel en yzer bij hem, naast yacinth, onder de voorlaatste letter van het alfabet. In zijn zesde druk, van 1793, is merkwaardigerwijze de y typografisch vervangen door de ij, maar zonder dat dit iets aan de alfabetische ordening heeft veranderd: ijdel en ijzer blíjven op dezelfde plaats staan als in 1717

[p. 225]

(ook ijvoor). Het in 1769 in Antwerpen uitgegeven nederlands-franse woordenboek van Des Roches schrijft evenals de amsterdamse woordenboeken uit die tijd consequent y. De letter H eindigt met de woorden hysblok, hyssen, hyssop, de letter Y begint met yacht en eindigt met yzing. De invloed van Des Roches werkt in het nederlandssprekende deel van België door tot diep in de 19de eeuw. Ook het nederlandsfranse woordenboek van Van de Velde en Sleeckx, uitgegeven in Brussel in het jaar 1861, schrijft nog consequent y en laat zijn letter H eindigen met Hyschen, hysching, hyschtouw, hyssoop of hyzop en zijn letter Y lopen van yacht tot yzing. Ons zuiden heeft de periode Siegenbeek-Weiland overgeslagen en daardoor heeft de traditie van Sewel daar kunnen voortduren tot aan de receptie van De Vries en Te Winkel. Veel belangrijker dan Sewels invloed op de woordenboektraditie - tot aan Weiland of De Vries en Te Winkel - is echter de navolging geweest die zijn alfabetische praktijk heeft gevonden bij schrijvers van encyclopedie-achtige werken. De 18de eeuw is de encyclopedische eeuw bij uitstek geweest. Ik heb eens een paar van die oude alfabetisch geordende verzamelingen van wetenswaardigheden nageslagen en zij bleken allemaal te spellen en te alfabetiseren in de lijn van Sewel. In het Register van het Kabinet der Natuurlyke Historien, Wetenschappen, Konsten en Handwerken, van W.v. Ranouw, M.D., in 1732 bezorgd door P. van der Meersch, volgen wydte en wyn op wurmtjes. In het in 1743 uitgegeven Huishoudelyk Woordenboek van M. Noel Chomel (‘in 't Nederduits vertaald door de Heeren Jan Lodewyk Schuer, Uitgever van 't Groot Algemeen Woordboek, A.H. Westerhof, V.D.M. en Rector der Latynsche Scholen te Gouda, en zeker Liefhebber’) volgt op wyn en wynsteen een reeks die begint met ypen en eindigt met yzer. In het Nieuw en Volkomen Woordenboek van Konsten en Weetenschappen door Egbert Buys, uitgekomen in het jaar 1769, volgt azyn op azuur. Enzovoort, enzovoort. Een modern encyclopedieënlezer zal in al deze oude verzamelwerken onmiddellijk zijn weg kunnen vinden, want hij staat in hun alfabetische traditie. Deze traditie heeft zich niets aangetrokken van de historiserende interpretatie van de ij door een Siegenbeek of een Te Winkel, maar verving eenvoudig te bestemder tijd de 18de-eeuwse y door een 19de-eeuwse ij en liet verder

[p. 226]

alles bij het oude, d.w.z. bij het in de 18de eeuw als modern en rationeel beschouwde. Het staat de ‘school’ vrij om het door de ‘maatschappij’ geaccepteerde fout te noemen, maar het staat de ‘maatschappij’ harerzijds ook vrij de onpraktische schoolgeleerdheid te negeren. De woordenboeken, producten van schoolgeleerdheid, staan met hun diachronisch juiste, maar synchronisch onjuiste interpretatie van de ij maatschappelijk geïsoleerd.

Het Nederlandse alfabet kan volgens ons letterbewustzijn alleen maar uit 26 letters bestaan, wanneer wij de ‘ij met puntjes’ en de ‘ij zonder puntjes’ als varianten van één en hetzelfde letterteken mogen beschouwen. Zo niet, dan hebben wij met 27 letters te maken. Bij een alfabet van 26 letters is de plaatsing van de ij geen probleem, want deze ij hééft dan al, samen met de y, zijn plaats tussen de x en de z. Beschouwen wij daarentegen de ij als een eigensoortig lettergewas van Nederlandse bodem, dat wij in zijn eigensoortigheid ook een eigen plaats moeten geven in het nederlandse alfabet, dan hebben wij theoretisch de keus tussen drie mogelijkheden: ná de i en de j - vergelijk de w na de u en de v -, ná de z - vergelijk de deense ligatuur oe na de z -, of ná de y. Praktisch hebben wij echter geen keus en kan alleen de plaats na de y in aanmerking komen. De ‘maatschappij’ is er immers aan gewend de ij op de plaats van de y te zoeken en, behalve in de woordenboeken, ook steeds te vinden. Aangezien de y in de nederlandse woordenboeken maar een zeer geringe plaats inneemt, zal de ‘maatschappelijke’ gebruiker zijn ij-woorden ook zonder noemenswaardig tijdverlies kunnen vinden, wanneer zij vlak na de y-woorden staan, op dezelfde bladzijde om zo te zeggen. Anderzijds zal de ‘wetenschappelijke’ gebruiker van registers, catalogi, telefoonboeken en encyclopedieën bij het opzoeken van woorden en namen waarin een ij voorkomt ook geen tijd meer verliezen, wanneer hij eraan gewend is geraakt dat de ij steeds voor de z staat. De enige die het bij deze alfabetisering moeilijker kan krijgen, is de buitenlandse gebruiker van een nederlands woordenboek. De ij is immers een exclusief nederlands letterteken, een nationaal nederlands letterbloemetje, en moet dus door ieder die geen nederlands kent wel geïnterpreteerd worden als ‘i plus j’ en gezocht worden onder de i. Maar mag men niet veronderstellen

[p. 227]

dat een buitenlander die een nederlands woordenboek raadpleegt ook de moeite wil nemen om zich een exclusieve bijzonderheid van het nederlandse alfabet eigen te maken? Ik wijs maar weer op het deense alfabet: iemand die een deens woordenboek raadpleegt dient toch ook te weten dat hij de oe niet onder de a en de ø niet onder de o kan vinden? En dan kan men ook nog vragen: als de nederlandse telefoonboeken en bibliotheekcatalogi, die vermoedelijk toch vaker door niet in het nederlands georiënteerden geraadpleegd worden dan nederlandse woordenboeken, niet ‘tegemoetkomend’ zijn tegenover vreemdelingen, waarom zouden de woordenboeken het dan wel zijn?

Het is ongetwijfeld praktisch geweest dat men in Zuid-Afrika, waar de ‘maatschappelijk’ functionerende alfabetische ordeningen evenveel geraadpleegd moeten worden door engelssprekenden als door afrikaanssprekenden, de ij, in de lijn van Leupenius, Sewel en hun navolgers, maar helemaal heeft vervangen door y. In het tweetalige België zou de gemakkelijke hanteerbaarheid van de alfabetische ordening er ook mee gediend zijn geweest, als men er ten aanzien van de y-spelling maar aan de traditie van Sewel en Des Roches had vastgehouden. Een dergelijke bespiegeling is uiteraard zinloos, omdat België op den duur onmogelijk aan de y kon blijven vasthouden, nadat Nederland definitief voor de ij had gekozen, maar ik heb deze zinloze bespiegeling toch maar neergeschreven om hiermee te laten uitkomen, dat de ‘maatschappelijke’ alfabetiseringspraktijk in het tweetalige België veel minder dringt tot de erkenning van de ij als 27ste letter van het nederlandse alfabet dan in het eentalige Nederland. Ja, men kan zelfs veronderstellen dat, wanneer men eventueel in Nederland zou besluiten tot de plaatsing van de ij vóór de z, dit in het nederlandssprekende deel van België enkel als een eigenaardigheid van het nederlandse ‘woordenboekalfabet’ zou blijven gelden. Veel geestdrift hebben wij dus uit België niet te verwachten en ik zie mede daarom het probleem van de plaats van de ij in het nederlandse alfabet, waaraan allen die met nederlandse alfabetische ordeningen te maken hebben dagelijks laboreren, nog niet zo dadelijk opgelost worden. Niettemin heb ik voor een oplossing willen pleiten en wel voor de oplossing die m.i. de enig mogelijke is, nl. die in ‘maatschappelijke’ zin. En ik heb willen aantonen dat deze oplossing

[p. 228]

niet alleen in de lijn der historische ontwikkeling ligt, maar ook wetenschappelijk alleszins te verdedigen is.

Naschrift

Ofschoon in het bovenstaande - de tekst van een voordracht - de middeleeuwse alfabetten maar een zeer ondergeschikte rol spelen, dien ik mijn gegevens dienaangaande toch nog wel op enkele punten aan te vullen. Allereerst kan ik dan naast een Jan Moritoen, die aarzelde de w als twee afzonderlijke letters te beschouwen, een andere, mogelijk gelijktijdige dichter stellen die een dergelijke aarzeling niet heeft gekend. Ik bedoel de dichter van het poëem Van V lettren dat wijf bediet (N. de Pauw, Mnl. ged. en fragm. 1, 568), die door zijn titel al doet blijken dat hij in het woord wijf 5 letters onderscheidt, v, v, i, i, f. ‘Deerste lettre willic prisen / Dats .j. V’, schrijft hij en hij verbindt die v dan met virginitas. Zo gaat hij door: ‘Hoort vander andre lettre clare / Dats .j. V’, en die tweede v staat voor virtus. Voor deze dichter heeft er, kan men zeggen, nog geen w bestaan. Des te opvallender is het daarom dat in, hoogstwaarschijnlijk, dezelfde tijd bij andere letterbewuste schrijvers de w al een plaats in de reeks der alfabetische ‘figurae’ had gekregen. Ik verwijs naar het dubbel-alfabetische werkstuk Hier beghint den AB recht ende averecht, door Blommaert uitgegeven naar het grote Hulthemse handschrift (Oudvl. Ged. 3, 143) en misschien dus wel een eeuw ouder dan de Teuthonista. We vinden in dit gedicht een alfabetische reeks van niet minder dan 30 tekens: de r en de s zijn erin verdubbeld (verg. de Twe-spraack en Jacob van der Schuere), na de v en voor de x is een w ingevoegd, en na de z volgen tenslotte nog 4 afkortingstekens, die voor et, con en est en, tussen con en est, een vierde dat ik niet kan thuisbrengen. Een zelfde reeks van 30 ‘figurae’ zal oorspronkelijk ook het alfabetische lofdicht hebben bevat, dat A. Beets in Ts. 22, 183 heeft uitgegeven (naar een 15de-eeuws handschrift). Ook hier hebben we tweemaal de r en tweemaal de s, ook hier na de v een w, ook hier de afkortingstekens voor et, con en est. De afkorting die ik niet heb kunnen thuisbrengen schijnt hier echter te ontbreken. Beets laat r. 29 van het gedicht beginnen met

[p. 229]

het woord Tytel, zonder dat hij aangeeft dat dit een opgeloste verkorting zou zijn.

De achter de z toegevoegde afkortingstekens - die kennelijk enige variatie toelieten, zie ook Ene bedinghe op den AB in Vad. Mus. 2, 405 - zijn voor de verdere geschiedenis van het nederlandse alfabet van weinig belang. Ze behoorden in de middeleeuwen tot het alfabetische ordeningsapparaat der scriptoristen, dat dezen in staat stelde de bedoelde volgorde der quaterns in een codex duidelijk aan te geven. In de 15de eeuw namen de typografen voor een belangrijk deel de functie der scriptoristen over en daarmee ook een en ander van hun gewoonten. Het is uiterst curieus te constateren hoe het middeleeuwse ‘scriptoristenalfabet’ van 23 letters - zonder j, zonder u en zonder w - zich via het ‘typografenalfabet’ heeft weten te handhaven tot in de 19de eeuw. Zonder een systematisch onderzoek in te stellen heb ik zo maar eens een paar boeken uit het vierde decennium van de 19de eeuw opgeslagen. In de Verklarende Geslachtlijst der Nederduitsche naamwoorden door Mr. Willem Bilderdijk, derde deel, uitgegeven te Amsterdam door J. Immerzeel Junior, in 1834, vindt men 326 bladzijden, verdeeld over 21 quaterns die geletterd zijn A, B, C, D, E, F, G, H, I, K, L, M, N, O, P, Q, R, S, T, V, X. In datzelfde jaar 1834 verscheen te Rotterdam bij P.H. van den Heuvel het Leerboek der Scheikunde van J.J. Berzelius, vertaald onder medewerking van G.J. Mulder. Het eerste deel daarvan omvat 398 bladzijden, verdeeld over 50 quaterns die genummerd zijn van 1 tot 50. Beide systemen, de lettering en de nummering, zullen in de drukkerswereld wel enige tijd naast elkaar hebben gefunctioneerd. Maar merkwaardiger dan dit is het feit dat een alfabet van 23 letters zich in een besloten vakconvent eeuwenlang heeft kunnen handhaven, terwijl de hele verdere wereld al een alfabet van 25 of 26 letters bezigde!

K. Heeroma