[p. 212]

Problemen van het Nederlands etymologisch woordenboek

Celui qui aurait exigé de surcroît la perfection devait nécessairement conclure avec Boiste que ‘seul Dieu peut faire un bon Dictionnaire’,
B. Quemada, Les dictionnaires du français moderne 564 [1968].

I

Sinds J. Franck - door Van Wijk de ‘baanbreker der Nederlandsche etymologie’1) genoemd - zijn omstreeks 1883 begonnen, einde 1890 voltooide werk in 1892 in het licht gaf, verschijnt er zo ongeveer elke kwarteeuw een nieuwe samenvatting van de resultaten van het Nederlands etymologisch onderzoek.

Het werk dat N. van Wijk onder de zeker niet strikt noodzakelijke, doch van piëteit en bescheidenheid getuigende titel: Franck's Etymologisch Woordenboek der Nederlandsche Taal, tweede druk, in 1912 publiceerde, blijft ook na zovele decennia een onvolprezen meesterwerk.

Het Supplement hierop, dat C.B. van Haeringen in 1936 liet verschijnen, staat geheel op het peil van het werk van zijn voorganger. In zijn opvattingen en manier van bewerken is het uiteraard iets moderner.

In 1963 verscheen de eerste aflevering (A - dorp) van een nieuw Nederlands Etymologisch Woordenboek, gevolgd door afl. 2 (dorp - hiel) en 3 (hiep - lariks). In 1964 zagen afl. 4 (larve - pegel) en 5 (peignoir - sikkel) het licht, terwijl 1965 ons alleen afl. 6 - de laatst verschenen - (sikkeneurig - veil) bracht. Intussen was de schrijver, Jan de Vries, bijna 75 jaar oud, op 23 juli 1964 na een langdurig en pijnlijk ziekbed overleden, maar niet zonder het manuscript van het eigenlijke woordenboek te hebben ‘vulscreven’.

[p. 213]

Hoe J. de Vries ertoe gekomen is een nieuw Nederlands etymologisch woordenboek samen te stellen, vertelt hij ons in het Voorbericht van afl. 1. Hij had namelijk in 1958 een Etymologisch Woordenboek, in de Aula-reeks, laten verschijnen, waarvan in korte tijd een viertal herdrukken nodig bleken te zijn. De omvang van het pocketboek gaf hem echter geen vrijheid om zijn opvattingen nader toe te lichten of te motiveren, wat vooral jammer was in die gevallen waar hij van de gangbare mening afweek. Aan de aldus gegroeide wens van de auteur om een uitvoeriger etymologisch werk samen te stellen, kwam toen een verzoek van de firma Brill tegemoet. Dit verzoek kwam niet zo maar uit de lucht vallen. In 1961 immers was bij dezelfde firma het Altnordisches etymologisches Wörterbuch (AEW) verschenen, een werk van een voortreffelijke kwaliteit, waarvan reeds na een jaar een nieuwe druk nodig bleek.

Bij de keus van de te behandelen woorden heeft de auteur zich niet gebonden gevoeld aan zijn voorgangers; zijn grondslag is het Groot Woordenboek van Van Dale geweest, waarbij samenstellingen en afleidingen uiteraard slechts gehonoreerd werden als er aanleiding toe was. Op het onafzienbare gebied der ‘vreemde woorden’ moest een keus gedaan worden, waarbij een zekere subjectiviteit en willekeur niet te vermijden was.

De inrichting van het NEW is in principe gelijk aan die van het AEW. Voor zover dit mogelijk was, is bij de behandeling van elk woord de volgende indeling gevolgd: 1. verwante woorden in de andere Germaanse talen, 2. verwante woorden in de andere Indogermaanse talen, 3. ontleningen uit het Nederlands in andere talen, 4. twijfelachtige etymologische verbindingen, opmerkingen over vorm en betekenis van het woord in het Nederlands en in de Nederlandse dialecten, beschouwingen over Indogermaanse wortels.

Een dergelijke overzichtelijkheid in de opbouw der artikelen valt ongetwijfeld te prijzen. Alleen is men geneigd om achter punt 3 een vraagteken te plaatsen. Men kan zich namelijk afvragen of de behandeling van door andere talen, b.v. het Frans, ontleende Nederlandse woorden principieel wel thuishoort in een Nederlands etymologisch woordenboek. Daarin behoren de lotgevallen van de Nederlandse en

[p. 214]

ontleende woorden in het Nederlands beschreven te worden, en niet de lotgevallen van sommige Nederlandse woorden in het Japans, Indonesisch of Afrikaans. Dit laatste behoort immers tot het domein van andere, in casu Japanse, Indonesische, Afrikaanse enz. etymologische woordenboeken. Een emigrant immers houdt op Nederlander te zijn; zijn lotgevallen, hoe interessant ook, behoren niet meer tot het domein van de Nederlandse burgerlijke stand. Natuurlijk is het bijzonder interessant te weten dat het woord kof overgenomen werd in het Nederduits (en vandaar zelfs in het Hoogduits), in het Engels, in Skandinavische talen en in het Frans. Toch geloof ik dat de etymoloog er verstandig aan doet, zich in dit opzicht strikt aan zijn eigenlijke Nederlandse taak te houden. Daar staat natuurlijk tegenover, dat het wel boeiend is te lezen waar Nederlandse woorden soms terechtgekomen zijn. Het vermoeden ligt trouwens voor de hand dat J. de Vries van plan was bij het NEW een inleiding te schrijven, in de trant van die van het AEW, over ontleningen in en uit verschillende talen.

Wat punt 2, het Indogermaans gedeelte dus, betreft, bij Van Wijk is dat gedeelte der artikelen vrij uitvoerig uitgevallen, hoewel hij zich in verschillende opzichten tot het nodigste had beperkt, door zich met één woordvorm uit een taal tevreden te stellen en door uit elke idg. taalgroep gewoonlijk slechts één taal aan te halen. Van Haeringen heeft zich voor het Indogermaanse deel nog meer beperkt, en is in zijn aanvullingen zo min mogelijk buiten het Germaans gegaan. De verwerking van het Hettitische en het Tochaarse materiaal b.v. heeft hij met opzet verwaarloosd. Hoe J. de Vries het Indogermaanse gedeelte van het NEW heeft gedoseerd, daar laat hij zich in zijn voorbericht niet over uit. Men krijgt de indruk dat hij zich soms minder beperkingen oplegt dan zijn voorgangers; men zie de Tochaarse vormen bij Bidden, of het vermelden bij Bieden van lett. baũslis ‘gebod’, waar lit. bausly͂s ‘bevel’ toch wel voldoende was geweest. Er kan echter voor de ingewijde geen twijfel aan bestaan, dat het Indogermaanse gedeelte bij De Vries veel minder ‘eigen werk’ is dan bij Van Wijk. Dit signaleert Jan de Vries trouwens duidelijk door telkens naar zijn Indogermaanse bron: IEW, d.i. het nieuwe Indogermanisches etymologisches Wörterbuch van Julius Pokorny, te verwijzen. Waar De Vries Griekse

[p. 215]

woorden ‘romaniseert’, knipperen we even met de ogen; hier is hij ‘progressiever’ dan het IEW. Wierp de mammoetwet al in 1963 zijn schaduwen vooruit?

Met de karakterisering die J. de Vries in zijn inleiding van de idg. wortels met hun ‘algebraïsche’ karakter geeft, t.w. ‘zuivere symbolen, waarin verwantschapsverhoudingen uitgedrukt worden’, zal iedereen zich stellig kunnen verenigen. Wat zouden wortels trouwens anders kunnen zijn? Dat daarbij een groot aantal homoniemen moet ontstaan, spreekt toch eigenlijk vanzelf en heeft niets onrustbarends. Ik kan schr. volgen in zijn kritiek van deze wortels, t.w. dat ‘de zeer concrete betekenissen, die de woorden in de overgeleverde talen vertonen, zich vervluchtigden tot een zeer vaag, abstract, zelfs gewoonlijk verbaal begrip’. Ik ben het met De Vries eens, dat men voor taalelementen, passend in de primitieve sfeer waarin de gebruikers van de Indogermaanse grondtaal geleefd zullen hebben, van zeer concrete situaties en zeker niet van abstracte begrippen moet uitgaan.

De reactie van schr. tegen al te abstracte wortels kan ik geheel onderschrijven, zonder daarom zijn groot enthousiasme voor het etymologiseren van J. Trier te delen2). Ook zonder de in de inleiding meegegeven waarschuwing: ‘men behoeft niet alle constructies van Trier te onderschrijven’, staan we skeptisch tegenover de bij Bevelen vermelde opvatting, dat we niet langer van een betekenis ‘bedekken’ zouden mogen uitgaan, wat via ‘toevertrouwen’ een zeer bevredigende semantische ontwikkeling oplevert, maar dat we eerder zouden hebben te denken aan een betekenis ‘omheinen’, waarbij got. filhan dan zou moeten worden afgeleid ‘uit de omheining van het graf’. Deze losse, nogal mythische bewering van Trier (Lehm 25 [1951]) lijkt me geen goede etymologische basis. Een ander mooi staaltje kan men lezen bij Vader, waar het ‘niet meer dan een vermoeden’ van Trier, dat ook dit woord zich ontwikkeld heeft uit woorden voor omheining, en dat er dus verband is met got. faþa, au sérieux wordt genomen.

[p. 216]

Met punt 4, de twijfelachtige etymologische verbindingen, is J. de Vries duidelijk aan de royale, ik zou zeggen al te royale kant. Wat in voetnoten onder het artikel staat, valt niet zelden uitvoeriger uit dan de hele rest bij elkaar, terwijl die ‘rest’ toch de essentie van het artikel is. Men vraagt zich af, of Van Haeringen niet wijzer heeft gehandeld, toen hij bij ‘combinaties in de verte, waarbij niet-overgeleverde formele en semantische tussenstadia kunnen gefantaseerd of ten hoogste door een parallel aannemelijk gemaakt kunnen worden’ (IX), ‘met een resignerende glimlach’ een vrij strenge selectie toepaste, niet naar een volledig bibliografisch overzicht streefde en zeer veel wegliet ‘dat al te gewaagd en onzeker was’.

De etymologie is ongetwijfeld veel en veel meer gebaat met intern-Nederlandse, en waar het pas geeft intern-Germaanse woordgeschiedenis. Want daar gaat het tenslotte om. Voorbeelden van zuivere woordgeschiedenissen in het NEW zijn artikelen als b.v. IJzeren gordijn, Knorhaan, dit laatste stellig berustend op het WNT, maar met een althans fysiologisch duidelijker verklaring van de oorzaak van de naam.

Belangrijk voor de interne etymologie is het dateren van de tot dusver oudste bewijsplaats van de woorden.

Waar bij v.W.3), blijkens dateringen als ‘sedert Kil.’ of ‘niet bij Kil.’, het woordenboek van de beroemde Duffelse woordenaar als een soort van taalkundig ijzeren gordijn fungeert, zijn in het NEW hier en daar gaten geprikt in een scherm dat ons het uitzicht belemmerde. Waar v.W. bij Bezaan b.v. schrijft ‘sedert Kil.’, heeft het NEW ‘voor het eerst 1480’. Al te vaak echter blijft het NEW op het Kiliaanse kompas van v.W. varen, terwijl in het WNT toch recenter en beter informatie te vinden was. Bij Vaandrig neemt het NEW ‘sedert Kil.’ gewoon uit v.W. over, terwijl in WNT, Dl. XVIII, afl. 1 [1947] staat, dat de oudste ndl. aanhaling te vinden is in het, uit het hd. vertaalde, woordenboek van Dasvpodius [1546]. In dit opzicht heeft schr. niet altijd uit het WNT gehaald wat eruit te halen viel.

[p. 217]

In een enkel geval was het beter geweest, als de auteur van het NEW het WNT niet had geraadpleegd. Zo heeft het NEW een artikel Omkoud, waarin een eerst in Taal- en Letterbode 1, 43-50 [1870] geventileerd, naderhand in WNT X, 349 [1870] en in het etymologisch woordenboek van Franck [1892] overgenomen etymologisch verhaaltje van de beroemde naamgenoot Matthijs voor zoete koek wordt geslikt. Stoett had in zijn Nederlandsche Spreekwoorden1 no. 1438 [1901] al het bezwaar geopperd ‘dat in de Noordsche talen deze uitdr. (falde omkuld) niet voorkomt in den zin van doodvallen’; in de 3e druk, no. 1592 [1916] werd hieraan nog het formele bezwaar toegevoegd ‘dat de d in dit (Deense) woord nooit is uitgesproken’. In 1912 had v.W. weliswaar nog een lemma Omkoud, maar hij had daarbij de door M. de Vries aangenomen ontlening uit de. omkuld, ‘o.a. wegens de bet.’, uitdrukkelijk afgewezen. Waarschijnlijk is het NEW misleid door v.H. [1936], die de onnodige en onwaarschijnlijke verklaring van Stoett 4 [1925], t.w. een versmelting van om hals zijn of raken en koud zijn, terecht afwijst, ‘wegens de oudtijds vaste verbinding met er (er om koud)’. v.H., die omkoud ten onrechte voorziet van een † (d.w.z. ‘bij Franck-v. Wijk niet behandeld’), schijnt echter, merkwaardig genoeg, in een, vanwege de vaste verbinding met er, onmogelijke spelling omkoud geen graten te hebben gevonden. Niet alleen de vaste verbinding met er, door M. de Vries, tegen alle gegevens in, versleten voor een later insluipsel, maar ook een Zweedse, in het NEW trouwens vermelde vorm omkull had een voldoende waarschuwing moeten zijn. Matthijs had in Taal- en Letterbode, met meer aplomb dan kennis van zaken, verkondigd dat ‘de Noordsche matrozen...de d wel degelijk (laten) horen’ (blz. 47). Dat belette hem niet op blz. 48 terecht te schrijven, dat de ‘oorspronkelijke uitspraak zonder d’ was; die oorspronkelijke uitspraak had hij daar namelijk nodig om de Gelderse uitdrukking hij is om kool, eveneens ten onrechte, voor een ontlening aan het Skandinavisch te houden. Een Deense spelling -ld kan echter niet alleen etymologisch juist zijn (b.v. in de. holde), maar kan ook in etymologisch ongeoorloofde vormen (b.v. de. falde) voorkomen, eenvoudig als gevolg van de assimilatie ld > ll (zie J. Brøndum-Nielsen, Gammeldansk Grammatik II, § 341, en Anm. 1 [1932]). Dat het NEW

[p. 218]

over het hoofd heeft gezien wat ik in 1941 in afl. 45 van Dl. VII, 5833 van het WNT, bij het artikel Koud, over de uitdrukking heb geschreven, daarbij de onbevredigende verklaring van Stoett door een betere vervangend, is te begrijpen. Maar het groene boekje van 1954, waar het spellingmonster omkoud uit verdwenen is, had toch een waarschuwing kunnen zijn. Uit v.W. [1912] neemt het NEW over, dat de verbinding er om koud zijn sedert de 16de e. zou voorkomen. v.W. berust hier op een onjuiste datering van Ogiers Seven Hooft-sonden in F.A. Stoett, Nederlandsche Spreekwoorden1 no. 1438 [1901] →; de oudste bewijsplaats in het WNT VII, II, 5833 is echter van 1647 (Ogier, Haedt ende Nydt (ed. 1682, p. 198)).

Van Wijk heeft in 1912 in alle ernst gemeend het ontbreken van literatuuropgaven in zijn werk te moeten verdedigen. Van Haeringen zette hier in 1936 een grote stap vooruit, en gaf, in afwijking van zijn voorganger, wel literatuurverwijzingen, tenminste voor zover deze betrekking hadden op monografieën en artikels in periodieken en bundels. Wat hij ‘aan de bekende woordenboeken of grammatische handboeken’ ontleende, heeft hij echter meestal niet uitdrukkelijk aangegeven. Naar volledigheid heeft hij niet gestreefd, ‘omdat er ‘heel veel in de etymologische literatuur zo gewaagd en fantastisch’ is, ‘dat de auteur er den lezer niet mee behoeft lastig te vallen’. De grens werd hierbij niet te nauw getrokken ‘om den lezer in de gelegenheid te stellen zelf zijn oordeel te vormen in de zeer talrijke twijfelachtige gevallen’. Ik heb de indruk dat J. de Vries in dit opzicht bepaald nog royaler is geweest dan zijn voorganger. De voetnoten onder het artikel leggen daar op elke bladzijde getuigenis van af. Dat ook hij echter niet naar werkelijke volledigheid heeft willen of kunnen streven, spreekt vanzelf. Toch gebeurt het wel eens dat hij een bron gebruikt - ik bedoel niet grote naslagwerken, waar schr. trouwens geregeld en trouw naar verwijst - zonder die uitdrukkelijk te noemen, b.v. bij Nozem.

Zoals elk woordenboek is ook een etymologisch woordenboek in belangrijke mate een compilatiewerk. Het NEW maakt op deze regel geen uitzondering. In dit opzicht was het schrijven van een etymologisch woordenboek wel toevertrouwd aan J. de Vries, die al vaker uit omvangrijk materiaal voortreffelijke syntheses had weten op te bouwen.

[p. 219]

Zoals te verwachten was, zijn er tal van gevallen waarin J. de Vries met een artikel niet verder komt dan zijn voorgangers, zoals b.v. bij Beknopt (41b), Beschadigen, Bescheiden, Beschuldigen (48), Bestek en Bestemmen (49a). Daartegenover staan natuurlijk ook veel gevallen die de vooruitgang van het etymologisch onderzoek sinds 1912, resp. 1936 illustreren. De goede compilator is hij die boven de materie staat en geen afstand doet van eigen oordeel. Waar de schr. tot een eigen gefundeerd oordeel komt, valt dat uiteraard minder op, dan waar dat niet het geval is, zoals b.v. bij Kor.

Een verschil met de voorgangers is het groter aantal lemma's in het NEW. Artikelen als Deppen, Huisblas, Keen, Pollak, Valg, Valreep, Vazel, Vazelen en Veek b.v. zijn nieuwigheden. Dit is eveneens het geval met leenwoorden als b.v. Kodak, Lolly, Methodist, Mica, Mocassin, Mormoon, Radar, Slalom, Stencil en Tremplin. Een lemma Grammatica ontbreekt echter. Gewestelijke woorden zijn opgenomen op grond van de overweging dat ze belangwekkend taalmateriaal bevatten dat in de algemene taal verloren ging. Ik noteerde b.v. de in v.W. en v.H. niet als lemma gehonoreerde dialectwoorden Amer, Miegen, Sol, Tie, Tosse. Op talrijke plaatsen in het NEW zijn literatuurverwijzingen naar de Taalatlas van Noord- en Zuid-Nederland opgenomen. In dit opzicht verschilt het NEW wel zeer van v.W., die in 1912 Zuidnederlandse, dialectische en verouderde woorden gedecideerd had afgewezen, omdat de omvang van het boek anders te groot zou zijn geworden. Zuidnederlandse lemmata van het NEW, die ook in v.H. niet voorkomen, zijn: Grijm ‘roet’, Kwelm, Leem 2, Neien.

Met de hierboven genoemde woorden Kodak, Methodist en Mormoon zijn we eigenlijk ook op het terrein der eigennamen beland, maar daarover zegt J. de Vries in zijn voorbericht niets. De volksnaam Fries is opgenomen, maar lemmata als Germaan, Hollander, Nederlander of Indonesisch zal men tevergeefs zoeken.

Bij vele artikelen treft ons de onomasiologische voorliefde van de schrijver. Dit heeft tot gevolg dat verschillende artikelen uitbreidingen krijgen die strikt genomen buiten het formele terrein van

[p. 220]

het behandelde woord vallen. Zo komen onder het lemma Das 1. ook geheel andere, mnd. en oeng. namen van het dier ter sprake; bij Hark wordt ook aandacht besteed aan de synoniemen Rijf en Gritsel. Bij v.W. komen dergelijke uitweidingen slechts sporadisch voor, zoals b.v. bij Walschot. Maar als we bij v.H. gaan kijken, constateren we dat niet De Vries debet is aan onomasiologische uitweiding in de artikelen Das en Hark van het NEW. Maar waar v.H. bij Roet het interessante, synonieme vl.-brab. zoet ter sprake brengt, is dat in het NEW niet het geval. Het is zeer goed mogelijk, dat wat we aanvankelijk zagen als een onomasiologische gerichtheid van de bewerker, bij nader inzien eenvoudig het resultaat zal blijken te zijn van het nu eenmaal vaak onomasiologisch gerichte dialect-geografisch woordonderzoek, dat er b.v. op uit is de isoglosse tussen het aan het ndl. ontleende hd. mostert en hd. senf vast te stellen. Toch wil het me voorkomen dat een alfabetisch ingericht etymologisch woordenboek aan zijn alfabetisch principe moet vasthouden, en niet op een tweeslachtig alfabetisch-onomasiologisch standpunt - of beter: gebrek aan standpunt - moet gaan staan. Voor synoniemen kan men altijd naar andere lemma's verwijzen.

Houdt de onomasiologie voor het alfabetisch ingerichte etymologische woordenboek een gevaar van wijdlopigheid in, ook sommige artikelen zonder enige onomasiologische inslag zijn in het NEW bepaald aan de uitvoerige kant, zoals b.v. het art. Beuk, dat anderhalve kolom beslaat en meer weg heeft van een monografie dan van een woordenboeksartikel. De artikelen Bier en Big zijn in het NEW dubbel zo lang als bij v.W. Ook tegen het eind van het werk is de schr. niet minder wijdlopig geworden. Vooral de noten onder het artikel, waarin o.m. de twijfelachtige etymologieën worden behandeld, zijn vaak aan de al te lange kant. Tot zijn niet geringe verbazing merkt de lezer dat het NEW, bij een bladspiegel die nauwelijks iets groter is dan die van v.W., per slot van rekening toch maar weinig dikker zal worden dan het laatstgenoemde werk. Is dit resultaat te danken aan het ontbreken van allerlei lemmata die bij v.W. wèl voorkomen, zoals b.v.: Tafelschuimer, Tapisserie, Tegendeel, Tegenover, Teint, Tel, Telorgaan, Temee, Temet, Tentoonstellen, Terdege en dergelijke meer? Maar dat zijn toch maar weinig uitvoerige

[p. 221]

artikeltjes, waarvan het weglaten niet veel zoden aan de ruimtedijk zet. Bovendien komen vele lemmata wèl voor bij De Vries en niet bij v.W., zoals b.v.: Aal 3, Aanbelangen, Aangelegenheid, Aankleef, Aap 2.

Van Wijk heeft het destijds niet nodig geoordeeld, al te kwistig te wezen met Noordgermaanse vormen. Nieuwdeense of Nieuwzweedse woorden hadden, zo meende hij, niet evenveel recht om te worden opgenomen als Nieuwduitse of Nieuwengelse. Van Haeringen was de mening toegedaan, dat men lacunes bij hem wellicht het meest zou aantreffen in de literatuur over en in het Skandinavisch. Onze verwachtingen met betrekking tot de behandeling der Skandinavische vormen in het NEW, dat immers van dezelfde hand is als die van de auteur van het Alinordisches etymologisches Wörterbuch, mogen dan ook hoger gespannen zijn dan bij de voorgangers.

Dat De Vries meer Skandinavisch materiaal zou geven dan v.W. en v.H., lag in de lijn der verwachtingen. Soms echter is de schr. op het gebied der Skandinavische vormen even gereserveerd als v.W., zoals b.v. bij Binden, waar de on. vorm als enige vertegenwoordiger van het Noorden optreedt. Maar vaker is het NEW hier bepaald aan de gulle kant. Zo vindt men bij Hinderen, behalve on. hindra ww. en hindri ‘de latere’, ook nog hindrvitni ‘bijgeloof’. Was bij Kraak 3 ‘versleten dier, knol’, waar on. kraki, nnoorw. krake, nde. krak, krakke, nzwe. krake optreden, ook nog nodig een Noorse vorm krakje, die zelfs in Falk-Torp i.v. Krakke en in Torp, NEO i.v. Krake ontbreekt? Bij Oven komen niet minder dan vijf Skandinavische vormen van het type ogn voor. Was een opmerking als de volgende i.v. Schelf 1: ‘Het on. skjalf in de mythologische namen Hlidskjalf en Valaskjalf is te onzeker om hier aan toe te voegen’ niet rijkelijk overbodig? Als bij Stijg 2 ‘zweertje op het ooglid’ noorw. stig, stigje worden genoemd, wat heeft de lezer dan nog aan stigkøoyna, dat volgens Aasen in ‘Bergens stift’ voorkomt? Modern Noors is sti (Norsk Riksmålsordbok).

De Skandinavische vormen van het NEW zien er vaak nogal oubakken uit; zo b.v. de. gjøs (201b) i.p.v. gøs, de. splinder spancken ny (681a) - een vorm die men bij Holberg aantreft - i.p.v. splinter

[p. 222]

spankende ny, of Zweedse vormen als skakt (605a), skits (617a), i.p.v. schakt, skiss. De verklaring ligt voor de hand; de schrijver heeft gewoon de vormen uit zijn Skandinavische bronnen overgenomen. Erger is dat de zetter blijkbaar moeite heeft gehad om de diakritische tekens o en ˙˙ correct over te nemen uit het manuscript van de auteur, zoals b.v. prang (544b) i.p.v. prång, en skara (636b) i.p.v. skåra.

Wil de schrijver van een etymologisch woordenboek zijn werk binnen een redelijke termijn klaar zien te krijgen, dan kan hij er meestal niet aan denken de vormen die zijn bronnen opgeven, op hun betrouwbaarheid te toetsen. Dat dit op zichzelf echter geen overbodige luxe zou zijn, bewijzen gevallen als zwe. kolje (345a) - i.p.v. kolja - dat onverbeterd uit Ts. 61, 50 [1942] is overgenomen. Het is echter niet de schuld van de bron, wanneer bij Onen vermeld is, dat een nzwe. dial. öna op Gotland zou voorkomen, want in de bron, Hellquist, staat dat öna in Götaland voorkomt. Bij Brasem wordt genoemd ‘dial. noorw. en zw. bressem’, dat m.i. niet bestaat. Uit de context blijkt trouwens duidelijk dat een a-vorm bedoeld moet zijn. De oplossing van het raadseltje is te vinden als men v.W. opslaat: i.p.v. het aldaar geciteerde dial. noorw. en zwe. brasma is, bij vergissing, het precies onder brasma staande mnl. bressem overgeschreven.

Vervelender is dat nogal eens Nieuwijslandse vormen voor Oudnoors moeten doorgaan, zoals b.v. ijsl. ábrystur (56b), reifa (575b) en svía (879a). Het laatste geval is terug te voeren op een vergissing in de bron: Pokorny, IEW 1052 (= afl. 11 [1957]) heeft inderdaad on. svía (blijkbaar overgenomen uit Walde-Pokorny 2, 534 [1927]), evenals F. Kluge, Etym. Wtb.13 [1951]. Maar J. de Vries had hier beter op zijn eigen kompas kunnen varen, d.w.z. op zijn AEW, waar hij i.v. Svina een nieuwijsl. svía ‘ohne n-erweiterung’ noemt, wat in overeenstemming is met de opgaven van Falk-Torp 1217 [1911] en Torp 757a [1919].

Daar staat tegenover dat het NEW sommige vormen ijsl. noemt, waar het predikaat on. beter zou passen, zoals bij skip(s)brot (620b) of bij skýla (635a). Bestaat de ijsl. vorm höndugur wel? Blöndal 1031a heeft höndulegur; is soms bedoeld on. hǫndugr? I.v. Schakel zijn nijsl. skakel, skekil onveranderd overgenomen uit AEW 511 b; maar

[p. 223]

Alexander Jóhannesson, IEW 823 schrijft ijsl. skekill, skoekill. Betekent on. mundr (426b) werkelijk ‘voogdijschap’? In AEW is het als ‘brautgeschenk, mitgift’ vertaald. Bij Eider vindt oern. āþ./āđ-; de bron, B. Collinder APS 7, 223 [1932-'33] spreekt echter van ‘gemeinnordisches āþ (im auslaut), āđ- (im inlaut)’, wat toch niet direct hetzelfde is. I.v. Dit wordt þatsi ‘oern. ozw.’ genoemd, wat blijkbaar uit v.H. is overgenomen, waar v.W. þatsi oern. had genoemd. In Alexander Jóhannessons Grammatik der urnordischen Runeninschriften [1923] ontbreekt deze vorm echter; wel kan men þatsi runenzwe. noemen, blijkens Noreen, Altisl. Gr. § 470, A. 1 [1923] en Hellquist, SEO i.v. Denne.

De gebruiker van het NEW zal zich waarschijnlijk wel een beetje verbazen over het gemak waarmee taalvormen uit Noorwegen de ene keer dialectisch en een andere keer niet-dialectisch heten. Voor een buitenlander is het hanteren van het criterium: dialect of niet, over het algemeen al een moeilijke zaak, laat staan in verband met taaltoestanden in een land als Noorwegen, geteisterd door een tweetaligheid die in sommige opzichten veel weg heeft van veeltaligheid. Een grotere terughoudendheid op het gladde Noorse ijs had in het NEW niet misstaan. Een en dezelfde Noorse vorm heet de ene keer dialectisch: skraava (i.v. Schrabben; skraava is inderdaad dialect), sputta, spytta (i.v. Sputteren) en een andere keer weer niet dialectisch: skraava (i.v. Schaven), sputta, spytta (i.v. Spotten). Mag men hurkl (629b) ‘oneffenheid’, de gewone vorm in het ‘bokmål’, wel dialectisch noemen? Hurkel is ‘nynorsk’. Bij het overnemen van vormen uit Torp, NEO [1919] zijn de lengtetekens (ʌ) van de bron lang niet altijd consequent gehandhaafd. En waarom wordt noorw. alma (155b) vertaald als ‘engerlingen’? Torp 12 schrijft weliswaar dat alma gezegd wordt ‘isaer om de meget store’, maar dat betekent nog niet dat alma een meervoud zou moeten zijn.

Wat sommige Zweedse woorden betreft, het volgende: dat skalp ‘schede’ een ozwe. vorm zou zijn, zoals De Vries i.v. Schalpen (evenzo in AEW 482b) vermeldt, heb ik niet bevestigd gevonden; maar Hellquist, SEO i.v. Skalp noemt wel ode. skalp ‘schede’ en de. dial. skalp ‘fruktsida’. Op gezag van W. de Vries, Ts. 34,7 [1915-'16]

[p. 224]

noemt het NEW een ozwe. þrask ‘moeras’ (132b), maar bestaat die vorm? Hellquist geeft alleen ozwe. proesk, maar Söderwall heeft inderdaad ook een citaat waarin thraskith voorkomt. Het was trouwens niet overbodig geweest als het NEW, naar het voorbeeld van v.H., de lezers gewaarschuwd had tegen de onzekere combinatie van W. de Vries.

Bij de Deense vormen van het NEW wordt vaak gebruik gemaakt van de aanduiding ode. waar niet gammeldansk (1350-1500), maar aeldre nydansk (c. 1500-1700) bedoeld is; in zulke gevallen was een afkorting ouderde. te prefereren geweest. Bij Echter vindt men de runendeense vormen aft, oeft, ift; nu komt de laatste vorm inderdaad wel voor, maar L. Jacobsen en E. Moltke, Danmarks Runeindskrifter, Text, hebben kol. 741 alleen oeft (aft, øft) als lemmata. Bij Schelp en bij Scalp vindt men de. skalp zonder de toevoeging dial., ten onrechte naar het me voorkomt.

Ook bij de Gotische vormen van het NEW vallen enkele (on)vermijdelijke ‘Schönheitsfehler’ te constateren. Bij Hondsdraf wordt verondersteld, dat de nominatief van Wulfila's vertaling van gr. γάγγραινα gunds (of gund) zou zijn. Voor de eerste veronderstelling is m.i. geen voldoende grond aanwezig; het alleen Tim. II, II, 17 voorkomende woord (jah waurd ize swe gund wuliþ) staat duidelijk in de nominatief. Is got. mērs ‘beroemd’ (428b), dat uit v.W. (en door v.W. uit Franck) wordt overgenomen, wel een overgeleverde vorm? In zijn AEW heeft De Vries i.v. Maerr 2 intussen het authentieke got. (waila)mēreis. Is nehws, bnw. (461a), insgelijks overgenomen uit v.W. (en door v.W. uit Franck), wel opgetekend? Bij Reep 1 vindt men skaudaraips; is, skaudaraip niet veiliger? I.p.v. unkis, i.v. Uw, leze men ugkis. Bij Grimas leest men got. grīma ‘masker’, dat echter niet behoort tot de ons overgeleverde woordvoorraad van Wulfila, evenmin als grimms. Deze Gotische vormen zijn te vinden bij E. Gamillscheg, E.W.F.S. [1928]; in het NEW zijn de sterretjes van got. *grimms en *grīma (waarop spaans grima ‘schrik’ terug zou moeten gaan) weggevallen. Dit komt wel vaker voor, b.v. ook bij got. *binda (29a), eveneens overgenomen uit Gamillscheg, of bij langob. *staffa, vermeld i.v. Estafette. Als Friþareiks (i.v. Vrede) een gereconstrueerde naam is, dan had daarbij het sterretje niet vergeten

[p. 225]

mogen worden, evenmin trouwens als bij *Aþalareiks; zelfs bij wand. *Gaisarīcus, een gelatiniseerde vorm, ontbreekt bij Schönfeld, Wörterbuch der germanischen Personen- und Völkernamen het sterretje niet.

 

Het is te betreuren dat de schr. - of is het de zetter? - bij de Nederlandse woorden die ter vergelijking worden aangebracht, zo achteloos is omgesprongen met de tekens ʌ of -, die hier, in tegenstelling tot wat bij zijn voorgangers het geval is, zonder onderscheid door elkaar zijn gebruikt. Over deze Nederlandse vormen, en ook over de Westgermaanse zou eveneens het een en ander te zeggen zijn, maar dat laat ik rusten.

 

Alles bij elkaar genomen laat de nauwkeurigheid der geciteerde vormen soms te wensen over. Wat ons gebrek aan accuratesse lijkt, zijn echter vaak niet meer dan drukfouten, waaronder soms nogal storende, zoals b.v. ce roma (765a) i.p.v. Heeroma. De schr. heeft vlug, en daardoor ook dikwijls al te vluchtig moeten werken. Wie echter weet in welk ongelofelijk snel tempo en in welke, lexicografisch gesproken, onvoorstelbaar korte tijd, geprest door de hem op de hielen zittende, genadeloze dood, Jan de Vries zijn Nederlands Etymologisch Woordenboek heeft weten te voltooien - de vellen 49 (Veil) → 55 (Zwoord) zijn afgedrukt -, zal de hier gesignaleerde en niet gesignaleerde tekortkomingen gaarne op de koop toe nemen. De schrijver had een grote werkkracht en een ongeëvenaard werktempo, maar hij heeft bij het NEW niet de hulp gehad waarop zijn leeftijd hem recht gaf, t.w. die van een jongere kracht die het kleine detailwerk kon controleren. Jammer dat De Vries dit werk niet dertig of twintig jaar eerder heeft mogen samenstellen.

 

Het was geen lichte taak die de auteur op zich nam, toen hij, op 71-jarige leeftijd, het schrijven van een Nederlands etymologisch woordenboek op zich nam. De werken van de voorgangers Van Wijk en Van Haeringen, geschreven in de bloei hunner jaren, stonden op een dergelijk peil dat ze weliswaar in details konden worden aangevuld en verbeterd, doch nauwelijks te overtreffen waren. Wie Van Wijk wil verbeteren, zal het hebben te zoeken in de richting der interne etymologie, van de woordgeschiedenis. En al vertoont het NEW hier een zeker

[p. 226]

pluspunt ten opzichte van v. Wijk vooral, toch is schr. in dit opzicht niet zover gegaan als het wel had gekund.

Uiteraard heeft De Vries ook recentere literatuur dan zijn voorgangers. Schr. meent in zijn voorrede dat hem ‘veel...ontgaan kan zijn, dat in verscholen hoekjes gepubliceerd werd’. De kolommen van het WNT echter zal niet iedereen dadelijk tot die verscholen hoekjes willen rekenen, ook zeker de schr. van het NEW niet, die er dikwijls naar verwijst, zo b.v. bij Polder en bij Polsen. Bij sommige artikelen, waar schr. duidelijk refereert aan gegevens van het WNT, b.v. bij Veeg ‘kwaadaardig wijf’, is de bron niet altijd vermeld. Het gebruik dat hij van het WNT heeft gemaakt, laat, bij mij althans, een disparate indruk na.

De grotere en meer gevarieerde woordenschat in het NEW is uiteraard ook een pluspunt. Toch geloof ik niet dat het boek van J. de Vries de etymologische woordenboeken van v. Wijk en v. Haeringen overbodig heeft gemaakt. Op het gebied van de historische grammatica vooral blijft v. Wijk onovertroffen. Maar het spreekt natuurlijk wel vanzelf, dat wie iets over de geschiedenis van een Nederlands woord wil weten, ook ‘der dritte im Bunde’ naast Van Wijk en Van Haeringen, Jan de Vries, niet zal kunnen missen. Wel blijft een tweede druk van het NEW, waarin de kleine onnauwkeurigheden en drukfouten zijn gladgestreken, een wens voor de toekomst.

II

Hieronder mogen dan nog opmerkingen (niet meer dan een losse, vrij willekeurige greep) volgen, geordend naar de trefwoorden van het NEW.

 

Aanranden heet ‘een variant van aanranten’; deze laatste vorm is echter niet opgetekend; het WNT Dl. I en Suppl. vermelden hem althans niet. Heeroma, naar wie het NEW verwijst, zegt het voorzichtiger, waar hij schrijft dat aanranden moet gevormd zijn als ‘een samenst. uit aan en randen (ranten)’ (Ts. 63, 309 [1944]).

Afgod. Hier wordt wel verwezen naar een onwaarschijnlijke veronderstelling van Von Bahder in PBB 22, 525 [1897], maar wat J.H.

[p. 227]

van Lessen over dit woord zegt in Ts. 59, 54 → [1940] wordt niet vermeld. Voor in het Ts. behandelde woorden en zegswijzen vaart het NEW blijkbaar op het kompas van de bestaande vijfentwintigjarige registers. Maar daarin, althans in het tweede en derde register, zijn, helaas, alleen die woorden opgenomen die uit de titels der artikelen of uit aparte, duidelijke lemmata binnen de artikelen voor het oprapen lagen. Excerpeerwerk, zoals bij Koelmans vijftigjarig register op de N. Tg., is voor het Ts. blijkbaar niet verricht. Maar de onvolledigheid van deze registers op het Leidse tijdschrift werd in het geval afgod afdoende gecompenseerd door het Supplement van het WNT, dat in 1947 (afl. 5) de verklaring van Van Lessen had overgenomen. Dat het znw. afgod secundair is t.o.v. het adj. (got. afguþs), en het zelfstandig gebruikte neutrum ‘het goddeloze, het ongoddelijke’ moet hebben betekend, heeft Van Lessen aannemelijk gemaakt; zie trouwens ook Ture Johannisson in MASO 5, 65, n. 2 [1943]. Ook E. Karg-Gasterstädt kwam in PBB 67, 433 [1945] tot de conclusie dat ohd. abgot niet bij het substantief got behoort, maar ‘als Missionswort aus dem gotischen Adjektiv afguþs entlehnt ist’. De enige Germaanse taal die het woord eveneens als adjectief kent, is het Oudzweeds (afguþa); zie C.-E. Thors, Den kristna terminologien i fornsvenskan 469 [1957]. Öhmann, ZfdS 21, 135 [1965] meent dat het lat. idolum het neutrale genus van ohd. mhd. abgot veroorzaakt heeft. Dit laatste lijkt me echter niet zo zeker; bij een afleiding van het adj. afguþs ‘goddeloos’ lag voor de aanduiding van een ding, het neutrum voor de hand. Verg. het neutrale genus van got. galiuga-guþ ‘valse god’; guþ zelf is bovendien oorspronkelijk al onz. geweest. Later zegt Öhmann, Genusbeeinflussung von Substantiven durch eine fremde Sprache 7 [1968] (= Annales Ac. Sc. Fenn. B, 153, 1) het iets voorzichtiger, waar hij in het Latijnse woord ‘auf jeden Fall eine mitwirkende Ursache (ziet), dass ahd. abgot von got abweichend neben dem maskulinen auch neutrales Genus zeigt’. Maar als ohd. got nog als neutrum gebruikt kon worden, is het mannelijke genus van ohd. abgot eerder afwijkend.

Ambacht: voor gall. ambactus had verwezen kunnen worden naar o.m. een Germaanse parallel: on. proell, ohd. drigil ‘dienaar’ bij got. þragjan ‘lopen’.

[p. 228]

Ambassade: bij ambacht zit ook verstopt een etymologie van ambassade, waarbij schr. zich aansluit bij de traditionele afleiding uit prov. ambaisada. Dat it. ambasciata echter geen verband houdt met kelt. ambactus of got. andbahti, heeft M.L. Alinei duidelijk aangetoond in zijn openbare les ‘Origin and History of the Italian word ambasciata “embassy”’ [1963]. It. ambasciata beantwoordt aan de vorm die een part. perf. bij lat. in- + vulgairlat. *bassiāre moest aannemen in Midden- en Zuid-Italië. ‘Ambasciata originally is the “trip with the purpose of a service” the “errand of the ancient Italic of the Apennines down to the valley, to the plains”’ (blz. 17).

Apekool: dat dit woord voor ‘bedrieglijke zotternij’, evenals de. havkalv (in NEW met een drukfout nhd. genoemd; havkalv is trouwens een verouderde Deense vorm voor havkal), een verbastering zou zijn van on. hákarl, zoals Baur heeft beweerd, noemt De Vries een hoogst onwaarschijnlijke verklaring. Hij is hier, terecht, skeptischer dan v.H. Hij had echter kunnen verwijzen naar WNT, Suppl. (Afl. 11 [1951]), waar men leest: ‘de oude etymologie (wordt) gesteund door een verbinding als “kool en aaperij” bij Wolff en Deken (Leev. 4, 236)’.

Armoedzaaier: dat dit woord zou zijn uitgegaan van het Fries, is na het betoog van C.F.P. Stutterheim in Ts. 80, 249 [1964] wel bijzonder onzeker geworden.

Bakkes: over het tweede lid in bakhuis had het NEW toch wel iets mogen zeggen; v.W. is hier openhartiger.

Ballast: dat deze scheepsterm ‘eerst in de 15de eeuw’ in onze taal zou optreden, is overgenomen uit v.W. Waar dit op berust, is me onbekend. De oudste plaats in WNT is uit Handv. v. Amst. 352a [1544]. Oudere bewijsplaatsen zijn: Rek. v. Nijm. 3, 346 [1526] en R.G.P. 70, 348 [Middelburg, 1535].

Bastaard: in de opmerkingen vindt men niet minder dan drie hypothesen over de oorsprong van ofra. bastard; zelfs de oude Bastarnen worden er met de haren bijgesleept. Het etymologisch woordenboek van Bloch en Von Wartburg [1964] ziet in fr. bâtard een germ. *bansti- ‘schuur’, verg. got. bansts. De tweede druk van E. Gamillscheg [1966] vindt de opvatting van Bloch-Von Wartburg echter ‘lautlich

[p. 229]

nicht möglich’ en staat niet meer zo afwijzend tegenover een afleiding van fr. bât, ofr. bast ‘Saumsattel’ als in zijn eerste druk [1928].

Bed: noorw. dial. bed en ozwe. boedhil ‘leger van een dier, nest’ vindt men niet bij R. Meringer, I.F. 19, 1906, 448, zoals de tekst van het artikel in het NEW suggereert, maar in Falk-Torp i.v. Bed (I).

Bedelaar: dat bedelaar het fr. bélitre ‘man van niets’ zou hebben opgeleverd, zoals het NEW beweert, is weinig waarschijnlijk. Dat zegt M. Valkhoff, naar wie verwezen wordt, dan ook niet. Het is evident dat de -t- van het Franse woord zich slechts laat verklaren uit een Hoogduitse vorm. Valkhoff wil alleen voor de oude vorm bellendre met een mogelijke afleiding uit het Nederlands rekenen.

Beest: De Vries verklaart, naar het voorbeeld van v.H., de genusovergang vr. >onz. onder invloed van dier? Maar is dat nodig? Tal van dergelijke genusveranderingen zijn m.i. primair onder invloed van sandhivormen gebeurd, t.w. in die gebieden waar apocope optrad van de -e, die dan niet langer een conserverende werking had t.o.v. het vrouwelijke genus.

Belfroot: dit woord is niet behandeld in v.W. en v.H. Maar waarom dit lemma als hoofdvorm, waar het groene boekje alleen maar belfort - de levende vorm - heeft?

Berokkenen: het NEW noemt, evenals v.W., berocken ‘aanstoken, veroorzaken’ mnl. Dit is weliswaar niet absurd, maar het MNW geeft van berocken slechts één voorbeeld, t.w. uit Den Boom der Schriftueren, gespeeld te Middelburg in 1539.

Berooid: dit artikel stemt grotendeels overeen met v.W., behalve dan dat ofri. rāvia hier, terecht, zijn ster kwijt is. Of hetzelfde echter mocht gebeuren met ofri. *biroia is echter nog de vraag. Ofri. *roia heeft ook in v.W. geen ster, maar ik vind dit werkwoord niet in F. Holthausen, Altfriesisches Wörterbuch [1925]. Ook in de verzamelingen van het Oudfries Woordenboek te Groningen zijn deze vormen, naar B. Sjölin me meedeelt, niet te vinden.

Bevelen: als men voor dit ww., met v.W., uitgaat van een oorspronkelijke betekenis ‘verbergen, wegstoppen’, laat zich de betekenis ‘toevertrouwen’ - in materiële en niet-materiële zin - gemakkelijk begrijpen. Het NEW oppert veronderstellenderwijs een betekenisontwik-

[p. 230]

keling: ‘met aarde bedekken, begraven’ > ‘aan de aarde toevertrouwen’, dan ‘toevertrouwen in het algemeen’, om dan 10 regels te spenderen aan een meer dan onwaarschijnlijk bedenksel van J. Trier (Lehm 25 [1951]).

Billijk: of dit ndl. woord iets te maken heeft met de. dial. bile ‘voortdurend werken’, kan men betwijfelen. Is de grondbetekenis van het de. woord werkelijk ‘bovennatuurlijke kracht’ geweest, zoals A. Wolf, SSUF 1928-'30, 67 en 69 beweert? Het grote Deense woordenboek (ODS) ziet, in 1920, jutl. bile ‘arbejde energisk’ als afl. van het znw. bil ‘ivrig og dygtig arbejder; “jaern”’, dat op zijn beurt een figuurlijke toepassing is van bil ‘bijl’.

Blozen: het hieronder genoemde oudnndl. bluisteren ‘knetteren, schroeien’ zou op een germ. eu-klank wijzen, wat op zichzelf natuurlijk zou kunnen. Maar dan vraagt men zich toch af, hoe de verhouding is van bluisteren tot het t.a.p. eveneens genoemde bleisteren ‘flikkeren, schitteren’ (dit laatste heeft precies dezelfde betekenissen als bluisteren). Daar laat het NEW zich echter niet over uit, maar verwijst voor bleisteren naar v.H. 22. Gaat men daar kijken, dan blijkt dat Van Haeringen het vocalisme van bleisteren/bluisteren ziet als vertegenwoordiger van ui2. De verwijzing naar v.H. is dus wel zeer misleidend. Als we in bluisteren werkelijk germ. eu hadden, dan zou men wel een bijvorm met ie (Duits/Diets), echter niet met ei verwachten. Op bluisteren/bleisteren kom ik nog in een apart artikel terug.

Borderel: hier neemt het NEW de hypothese ‘eigenlijk “tiendenlijst van de tiendplichtige bordier”’ over uit E. Gamillscheg1-2 [1928]-[1966]. Dauzat, Dict. étym. [1946] (zie ook ed. 1964) is voorzichtiger, als hij borderel, bordereau een afleiding noemt van bord, ‘mais le rapport de sens n'est pas clair (relevé placé sur le bord = bande de papier, ou registre du bordier)’. O. Bloch en Von Wartburg ed. [1950]-[1964] leiden bordereau, ouder bourdrel, insgelijks af van bord ‘scheepsboord’ ‘parce que le relevé se place sur le bord, plutôt qu'au sens de bord, bande de papier'’.

Branie: heet in het NEW, evenals in v.W., ‘laat-mnl.’. Voor vroege ontlening, althans als pred. adj., pleit een door L. Koelmans, N. Tg. 56, 73 [1963] geciteerde passage in een brief van 1617 (te vin-

[p. 231]

den in Jan Pietersz. Coen, Bescheiden omtrent zijn bedrijf in Indië, deel VII, 280 (1952-'53), p. 280).

Dispuut: ontbreekt in NEW, evenals in v.W. en v.H. Het is, tenminste in de bet. ‘studentenvereniging die zich onderlinge gedachtenwisseling ten doel stelt’, niet eenvoudig een ontlening van fr. dispute, zoals Knuttel, WNT III, 2658 [1911] meent, maar bij verkorting uit dispuutcollege, dispuutgezelschap ontstaan. Zie E. Hulshoff Pol in Gedenkboek v.h. Collegium Classicum cui nomen M.F. 11 [1963].

Dons: het NEW vermeldt hier een ‘fri.-holl.’ vorm duist ‘stuifmeel’, dat kennelijk aan v.W. ontleend is. Nu schrijft Franck [1892] i.v. Dons al: ‘duist is de fri. vorm voor dunst’. Dat heeft Van Wijk waarschijnlijk al te gortig gevonden en er ‘fri.-holl.’ van gemaakt. De bet. ‘stuifmeel’, die v.W. in 1912 aan duist toekent, berust blijkbaar op de omschrijving ‘pollen’ van Kiliaan3 [1599], maar wordt niet bevestigd door het verdere materiaal in het WNT.

Duits: dat dit woord wanneer het in 786 voor het eerst optreedt, een blijk zou zijn van ‘een toenmalig zich bezinnen op de eigen aard en taal in het acuter wordend conflict met het romaanse volkselement’, lijkt me een enigszins anachronistische opvatting. Het is gewoon een vertaling van lat. lingua vulgaris, de volkstaal, in tegenstelling tot de kerktaal, het Latijn; vulg(us) + aris = theod(a) + isk > theodisk. Door deze geleerde vertaling is ook de eo van theodiscus te verklaren, i.p.v. te verwachten iu (zie W. Betz in Karl der Grosse 2, 305 [1965]). Dat men ‘in de loop van de 9de eeuw’ met diutisk ‘het mlat. theodiscus wilde vervangen’, zoals J. de Vries schrijft, lijkt me een vreemde formulering. Diutisk is de gewone aanpassing van het oudere, geleerde theodisk, waarvan theodiscus slechts een latinisering is. Dit theodisk kon oorspronkelijk zo ruim van inhoud zijn, dat het ook het Gotisch omvatte. Daarvandaan wordt ook deutsch = ‘Germaans’ bij Grimm begrijpelijk. Kort daarna, t.w. in 813, zou ook in Frankrijk de Romaanse lingua vulgaris, de sermo rusticus door de kerk geaccepteerd worden, zij het dan natuurlijk niet in de liturgie; zie E. Pulgram, Tongues of Italy 405 [1958].

Eerbied: het artikel is gelijk aan dat in v.W.; eerbied is echter niet gevormd van nnl. êre bieden, maar geabstraheerd uit de samenst.

[p. 232]

afl. eerbiedig, zoals Van Lessen heeft aangetoond; zie reeds v.H.

Egel: hierbij wordt genoemd ‘norw. dial. igjel “wild zwijn”’. Is de vertaling van dit, blijkbaar uit Falk-Torp 459 [1910] overgenomen, woord wel juist? Falk-Torp geeft namelijk als vertaling ‘wildfang’. Het woord komt blijkbaar uit I. Aasen [1873], en die heeft als vertaling van igel, igjel: ‘Vildbasse, urolig Krabat; om Smaadrenge. Hall.’. Verder vermeldt De Vries nog noorw. dial. ígullkǫttr; bedoeld is wel of on. ígulkǫttr, of no. dial. igelkott (Norsk Riksmålsordbok [1937]).

Gaas: Dat deze stof genoemd zou zijn naar de stad Gaza (zie reeds v.W.), is best mogelijk; daarnaast had echter ook een andere, door v.H. vermelde afl. niet ongenoemd mogen blijven.

Gekscheren: dat scheren hierin zou betekenen ‘zich aanstellen’ - bij Kiliaan2-3 [1588]-[1599]: i.v. Gheck: Den gheck spelen, den sot scheren - neemt het NEW over uit v.W. Het art. Scheren (III) in WNT versterkt ons niet in deze mening. Dit scheren betekent immers, behalve ‘bespotten, voor de gek houden’, ook ‘nabootsen, spelen voor’. Verg. mnd. scheren ‘spotten’, ohd. os. skern ‘scherts’, os. skernlik ‘possenhaft’ en os. skirnio ‘toneelspeler’, oeng. scer(n)icge ‘actress, female jester’.

Gemelijk: J. de Vries staat kritisch tegenover de opvatting van v.W. als zou ‘'t Mnl. woord...wel uit 't Du. komen’, en vraagt zich af ‘waarom zou het nl. dit woord niet gekend hebben?’ Die vraag heeft vóór hem ook Frings gesteld (‘van Wijk will die ganze niederländische Sippe aus dem Deutschen herleiten. Das ist mit dem Blick auf die germanischen Zusammenhänge gewiss nicht richtig’, Germ. Rom. 229 [1932]). Als verwante vormen had het NEW, behalve mhd. gëmelich, ohd. gamanlih, ook nog mnd. gēmelik (reeds bij v.W.) en oeng. gamenlîc kunnen vermelden, en verder ook nog nfri. jamk ‘mooi’, waarop W.J. Buma, It Beaken 13, 186-192 [1951], de aandacht heeft gevestigd. Ook Buma lijkt ontlening aan het Hoogduits van ndl. gemelijk niet waarschijnlijk.

Giro: het artikel in het NEW berust op v.H., die aanneemt dat giro ‘wsch. sedert de 19e eeuw’ in onze taal is aangetroffen, ‘misschien over hd. giro’. De kwestie of hd. giro een rol heeft gespeeld

[p. 233]

voor het ndl. woord, buiten beschouwing latend, zou ik erop willen wijzen dat reeds in de Nederlandse vertaling door K.K. Reitz, van de in het Latijn, door J.G. Heineccius (1681-1741) - een Duitser die ook enkele jaren (1723-1726) te Franeker doceerde - samengestelde Grondbeginselen van het Wisselrecht 21 [1766] het woord giro wordt aangetroffen: ‘Om welke reden men dan dikwils zes of meer overlatingen op den rug des wissels geschreven ziet, en word zoo een wissel als dan genoemd een Giro, of rondloopende Wissel’. In Io. Gottlieb Heineccii, Elementa iuris cambialis Cap. II, § X (‘Iuxtà septimam editionem Norimbergensem anni 1764) (Io. Gottlieb Heineccii, Operum VII, II, 13) luidt de tekst: ‘quale cambium tunc vocari solet ein Giro, vel, ein girirter Wechsel’. Het woord giro komt echter in onze taal vermoedelijk reeds in de 17de e. voor, blijkens gireren ‘(een wissel) een omloop laten beschrijven’, ‘endosseren’, dat ik vind bij Phoonsen, Wissel-styl 252 en 260 [1700] (de oudere druk van 1670 was niet bereikbaar). Dat hd. giro sinds 1635 is opgetekend (zie Kluge, E.W.19 [1963]) zegt niet alles; Treitschke, Hist. u. polit. Aufsätze4 (1871) 2, 495 [1869] wijst erop, dat de girobank van Amsterdam, gesticht in 1609, de oudste van Noord-Europa en de belangrijkste ter wereld was.

Haai: dat laat-mnl. haey aan on. hár zou zijn ontleend, is, wat de tijd betreft, niet geheel juist. ‘Niederländische Fischer oder Seeleute übernahmen das Wort im 15. Jh. von den Isländern und realisierten es entsprechend der damaligen isländischen nasalierten Aussprache als haai’ (W. Foerste, Taal en Tongval 11, 153 [1959]). De Oudnoorse naam, identiek met hár ‘roerklamp’, duidt het dier niet naar zijn vorm aan, maar de haai werd hár genoemd, omdat zijn rugvin op dezelfde manier uit het water stak als het oude roer boven de rand van de boot. De 5 regels die, aan het eind van het artikel, besteed worden aan een onmogelijke hypothese van Kroes, zijn er 5 te veel.

Haal 2: uit v.H. wordt in NEW de van E. Lidén afkomstige, overtuigende verbinding van haal ‘nageboorte bij de merrie’ (met ingwaeoonse â < ai) en heel(ing) ‘nageboorte bij koeien’ overgenomen, maar toch - naar ons voorkomt ten onrechte - de voorkeur gegeven aan de verbinding met hēlen ‘verbergen’.

[p. 234]

Haast: hier rekent het NEW serieus met de mogelijkheid ‘dat nnl. haast ook uit het fries herkomstig zou zijn’; v.W. heeft deze zuiver formeel theoretische mogelijkheid (ofri *hâst) ook vermeld, maar begrijpelijkerwijs aanstonds verworpen, ‘o.a. wegens 't voorkomen in 't Zuidmnl.’. Verder is het niet nodig mnd. hast, met v.W. en NEW, direct uit ofr. haste te laten komen. Het Nederduitse woord (reeds 13de e.) is aan het Nederlands ontleend; zie E. Öhmann, Die deutsche Wortsippe Hast (Z.f.d. Wortf. 16, 161-167 [1960]).

Hallo: duidelijker dan het NEW laat v.W. zich uit over de onderlinge verhouding van dit woord in de verschillende talen en de samenhang met een werkwoord: ‘oorspr. de ndl.-ndd. infin. van halen’. Men vergelijke thans de roep bij het leggen van ondergrondse elektriciteitskabels: ha-'lə.

Harp: dat Venantius Fortunatus in zijn Miscell. VII, c. 8 het woord reeds noemt voor de barbaren (Germanen), naast het Romeinse lyra en de Britse chrotta, daar is vóór Meringer reeds op gewezen door Wimmer, Runeskriftens Oprindelse og Udvikling i Norden 65 [1874].

Haver: onder dit lemma mist men de uitdr. haverklap (om de), die v.W. wèl vermeldt. Buma heeft hiervoor onlangs (Us Wurk 17, 68-69 [1968]) -, uitgaand van fri. om in aveklap, de verklaring ‘na elk kleppen van de avemarijklok’ voorgesteld. In van haver tot gort heeft men dezelfde anorganische h-.

Helleveeg: dat dit woord door reïnterpretatie uit *hellefeeks, dat ‘de gedachte op(riep) aan de woorden hel en vegen’, zou zijn ontstaan, lijkt niet waarschijnlijk. Natuurlijk is verband met vegher (Kiliaan), nnd. vegerd ‘flinke persoon’ enz. niet waarschijnlijk, maar dan vanwege de vorm en niet, zoals het NEW zegt, ‘wegens de sterk afwijkende bet.’ De verklaring van A. Beets in WNT VI, 518 [1903] ‘Uit Hel...en Veeg’, lijkt me nog altijd de meest waarschijnlijke. Alleen zou ik veeg in de samenst. niet, zoals het WNT, met ‘resolute vrouw’ weergeven, maar met ‘brutaal wijf’; zie WNT XVIII, 1050 [1952]. In dit opzicht is mnl. helleteve een mooie parallel.

Hengst: de etymologie is minder onzeker dan het NEW meent. Sperber had gelijk, toen hij 1914 stelde dat de bet. ‘mannelijk paard’ de oorspronkelijke is. In 1957 heeft G. Must hengst op overtuigende wijze

[p. 235]

etymologisch verklaard. Hengst < oerg. *haŋhista-/*haŋγista-, is met een idg. -to-suffix (evenals in rund, wisent, lat. locusta) gevormd, bij een -os/-es-stam *haŋγaz-/-iz-, *haŋγaz-/-iz-, ‘omheining van palen’ (bewaard in fins hangas, estn. (h)angas ‘omheining’) bij de Germaanse wortel haŋh-/*haŋγ- (in b.v. on. hár ‘roeidol’). De oudste betekenis van *haŋhista-/*haŋγista- is ‘dier, paard dat in een perk gehouden wordt’. Semantisch vertoont hengst dezelfde betekenisontwikkeling als fr. étalon < *stallionem, afgeleid van stallum (dat een leenwoord is uit het Germaans). De étalon ontleent zijn naam aan het feit ‘que l'étalon reproducteur est tenu à l'écurie, cf. dans la loi des Visigoths qui...quadrupedem, qui ad stallum...servatur, castraverit’ (Bloch-von Wartburg4 [1964] (Dat fr. étalon terug zou gaan op frank. *stalljo ‘der Bespringer’ bij *stalljan (Gamillscheg, EWFS2 [1967]) lijkt minder waarschijnlijk). Het woord hengst is dus ontstaan in de tijd toen het paard een huisdier was geworden.

Indonesisch: het NEW heeft wel een lemma Indogermaans, maar Indonesisch ontbreekt. Het zou de moeite waard zijn iets over het ontstaan van dit woord (niet ouder dan 1907?) te vertellen.

Inheems: anders dan bij v.W., niet als lemma opgenomen in het NEW, maar wel vermeld bij Heem. In tegenstelling tot wat v.W. zegt, is mnl. inheems als bnw. niet aangetroffen. Wel is er een mnl. bijw. inheims ‘in de stad zijnde’ [Gent, c. 1240]; pas in het derde kwart van de 16de e. duikt inheems als bnw. op benoorden de grote rivieren. Zie v. Loey, Med. V.A. 1964, 407-419.

Kol 3 ‘vistuig’: de voorstelling van het NEW is niet bar duidelijk, en de verwijzing naar Ts. 61, 1942, 19-42, 45-77 deugt niet; lees Ts. 61, 1942, 50. Beter had De Vries kunnen verwijzen naar het WNT, waar Heeroma kol ‘vistuig’ duidelijk ziet als afl. van het ww. kollen ‘op een bepaalde wijze kabeljauw vangen’.

Kommunist: een woord met een dergelijke wereldhistorische betekenis had m.i. niet mogen ontbreken. In Frankrijk ontstaan (reeds 1834 bij Lamennnais, Paroles d'un croyant; zie Romanist. Jahrbuch III, 141-142 [1950]), is het in 1848, met Marx en Engels, van Duitsland uit zijn veroveringstocht begonnen.

[p. 236]

Konijn: mogen mnd. kanin, mhd. canyn, neng. cony zo maar naast ndl. konijn staan als ontleningen van ofri. conin? Deze Nederduitse (> Hoogduitse) vormen zijn toch slechts als ontleningen aan het Nederlands (verg. brab. kanijn) te begrijpen? Ofra. con(n)il is in Alemannische dialekten ontleend als kennel(e) en derg. (zie G. Harras, Jahresbericht 1967, p. 21 [1968] van het ‘Forschungsinstitut für deutsche Sprache’ der Philips-Universität Marburg/Lahn). Eng. cony is een ‘backformation’ uit mv. conyes < ofra. conils. H.K.J. Cowan echter meent, dat in bepaalde gedeelten van Frankrijk ‘de grondvorm *koniillustratie*kuni der Prae-IE, “Iberische” of “Oud-Baskische”, taal al dan niet via het Keltisch is blijven bestaan ook na de Romanisering der betrokken streken’ (Leuv. B. 51, 153 [1962]). Dit lijkt nogal fantastisch. In dit verband hecht Cowan groot belang aan het vrouwelijke genus dat keun, volgens Vercoullie3 [1925], zou hebben. Hij oppert de veronderstelling dat er bij het WNT een ‘vergissing in het spel is’ (152, n. 6); het is hem blijkbaar ontgaan dat De Bo [1873] voor keun een onzijdig genus opgeeft.

Koning: is germ. *kuningaz wel overgenomen in het Litaus als kùningas ‘priester’? In zijn dissertatie ‘Primitive Germanic *kuningaz and its spread’ [1956] (Diss. Abstracts XVI, no. 9, 1678-1679) schrijft Antanas Klimas (Univ. of Pennsylvania) ‘Lith. kunigas “priest” was taken from Livonian German (MHG) soon after 1200 A.D. Lith kuningas so often quoted as Prim. Gmc. loanword in Lith. does not exist in Lith. writings until the 19th century. It is only a later development of Lith. kunigas, in the dialect of West Samogitian’.

Kor: betekent in zoverre een vooruitgang t.o.v. v.W. en v.H., als het NEW hier als eerste hypothese mijn verklaring in het WNT VII, 5574 [1941] overneemt, zij het zonder de bron te noemen en niet geheel ongeschonden. Immers: 1o. dial. nholl. en gron. kor ‘laag wagentje’, = kor (II) in het WNT, heeft niets met kor (I) ‘stootnet’ te maken; 2o. naast nnd. kure, kûr, kurre (< WNT) vindt men in het NEW ook nog de overbodige vormen oostfri. kure, kurre (overgenomen uit v.W.); 3o. korde, koorde staat niet naast kor maar, in de tijd, ervoor; 4o. vanwege de metathese voor heterosyllabische dentaal kan mnl. (noordholl.) crode, fri. kroade ‘kruiwagen’ niet direct met

[p. 237]

korde worden verbonden, dat aan een zuidelijk (Zeeuws of Vlaams kustdialekt) ontleend moet zijn. De gissingen, de een al onwaarschijnlijker dan de andere, die men in v.W. (geïnspireerd door Ten Doornkaat Koolman II, 412b [1882]) en v.H. vindt, zijn begrijpelijk; immers de auteurs hadden het materiaal van het WNT niet tot hun beschikking. Die gissingen (en een 16 regels tellende polemiek tegen v.H.) worden echter rijkelijk overbodig, als men eenmaal, zoals bij de schr. van het NEW het geval was, kon weten dat de oudste vorm korde is, waaruit zich later korre > kor ontwikkeld hebben. Dat in de oudst bekende aanhaling (Gr. Placaatb. 1, 1274 [1583]) korde tot koorde zou zijn ‘veretymologiseerd’, zoals ik het in het WNT VII, 5574 heb geformuleerd, lijkt me niet juist. J. de Vries heeft gelijk waar hij schrijft: ‘invloed van koord lijkt niet zeer waarschijnlijk’. De overgang o > oo is blijkbaar te vergelijken met die in fr. corde > ndl. koorde, -vorde > -voorde enz. (owgm. ŏ + r + dentaal). Of is de oude vorm koorde te verklaren door metathese voor heterosyllabische dentaal uit krōde, waarin een germ. ŏ in open syllabe tot ō is gerekt? In beide gevallen zou koorde jonger zijn dan korde. Ook keurde (Vl. Placcaertb. 2, 382 [1627]) staat blijkbaar als vorm met lange vocaal naast koorde. De oudst bekende aanhaling luidt in het handschrift coorden (Resol. v. 19 april 1583 v.d. Staten v. Holl., Inv. nr. 334 (niet gefolieerd)). Naar dr. H.C.M. van der Krabben, chartermeester bij het Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage, me op 25 febr. 1969 meedeelde, luidt de tekst der eigenlijk gezegde resolutie van 19 april 1583 aldus: ‘Op 't versouck van den Burgemeesteren ende Regierders der stede van Den Brielle is geordonneert dat 't placcaet hiernae volgende gerenoveert sal worden binnen Rotterdam, Schiedam, Brielle, op Sluys, Vlaerdingen, Delfshaven, Crimpen ende op de Lecke’. ‘Uit het woord gerenoveert’, zo schrijft hij, ‘meen ik te moeten opmaken dat bedoeld plakkaat reeds eerder was uitgevaardigd: wanneer kan ik U echter niet zeggen’. De oorspronkelijke Hollandse benaming voor het stootnet in kwestie is kroo ‘net om garnalen te vissen’ < krode, - een vorm zonder metathese -, die B. van den Berg noemt op blz. 21 van zijn in 1959 gepubliceerde beschrijving van het dialect van Zandvoort. Dit kroo is door Heeroma op overtuigende wijze geïdentificeerd met de Vriezen-

[p. 238]

veense kra en de Staphorster kräo (Driem. Bladen 19, 61-68 [1967]).

Dank zij de welwillendheid van dr. Van der Krabben heb ik verder ook het raadseltje kunnen oplossen, dat me, nu meer dan 25 jaar geleden, werd opgegeven door Gr. Placaatb. 4, 1365b [1689], waar Cordens staat. In WNT VII, 5576 [1941] schreef ik toen, dat Cordens moest zijn: òf een benaming van de schuiten, òf van de personen die met de kor vissen; in dat laatste geval diende men Corders te lezen. Nu blijkt achteraf, dat mijn emendatie de juiste oplossing is geweest. In het handschrift van de Resol. v. 2 april 1689 v.d. Staten v. Holl., Inv. nr. 593, fol. 64 ro, staat duidelijk Corders, dit zijn ‘de Zeeluyden van de kleyne zeeschuyten’. Bij de afl. korder (Dl. VII, 5681) was het oudste citaat uit Paludanus, Oudh.- en Natuurk. Verh. 250 [1776]; we hebben er nu echter een van 1689.

Kreeft: dat uit mnl. crevet (creeft), fr. crevette ‘garnaal’ is overgenomen, is misschien niet zo waarschijnlijk als het NEW wel meent. Bloch-v. Wartburg4 [1964] noemt crevette een gewestelijke Normandische of Pikardische vorm van chevrette ‘ainsi nommée à cause des sauts qu'elle fait, cf. de même bouquet’.

Kul: dat de bet. ‘flauwe aardigheid’ - toch wel bij verkorting uit flauwe kul - zich direct uit de oorspronkelijke bet. ‘teelbal’ zou hebben ontwikkeld - zoals het WNT en het NEW het voorstellen - geloof ik niet. Kul als naam van een handeling behoort m.i. bij het van kul znw. afgeleide ww. kullen. Kul in flauwe kul is een soortgelijke afl. als kullage ‘fopperij’, maar dan zonder achtervoegsel. De verhouding is zonder meer te begrijpen als men klappen: zotte klap vergelijkt met kullen: flauwe kul.

Kwispedoor: komt weliswaar nog niet bij Kiliaan voor, maar wel reeds, zoals P.J. Veth in Ts. v. Ned.-Indië Jg. 1867, Dl. I, 296 heeft aangetoond, ao. 1672 (Baldaeus, Beschryvinge van Malabar 160a: ‘Cuspidoor is een Spuwbekken of Pot’). In Uit Oost en West 14 [1889], wijst Veth nog op een iets latere oude plaats, t.w. uit Valentijn, O.-I. deel IV, 1, 61b [1726]. Het WNT, dat nota bene naar Veth verwijst, geeft intussen geen oudere plaats dan Berkhey, N.H. 2, 296 [1771].

Messing 3 (zndl.) ‘mesthoop’: de verklaring ‘afl. van de vorm

[p. 239]

mes voor mest’ is niet erg bevredigend. Uitgangspunt is natuurlijk nml. messen, waarbij door velarisering suffixsubstitutie ontstaat; verg. gewest. in Z.-Nederl. varing naast varen. Naast messen/messing staan nog lochten/lochting, uchten/uchting (zie Tavernier-Vereecken, Med. Ver. Naamk. 28, 84 [1952]). Deze velarisering is niet tot Z.-Nederl. beperkt; Overdiep, S.G.2, 238, n. 2 citeert uit Brusse kussings < kussens, ‘door gutturale uitspraak van de -n veroorzaakt’. Zeer bekend is deze velarisering in het Afrikaans: doren/doring.

Middeleeuwen: zou, evenals fr. moyen âge, een vertaling zijn van lat. medium aevum. Volgens Bloch-v. Wartburg4 [1964] komt lat. media aetas reeds in 1518, medium aevum reeds in 1604 voor. Ik vraag me af, of het Nederlandse woord, dat pas in de 18de e. optreedt, in zijn vorm middeleeuw (Leev. 7, 174 [1785]) en middeneeuw (Helmers, Holl. N. 162 [1812]) althans, niet eerder een vertaling is van fr. moyen âge [1640]? Middeneeuwen (Van Hemert, Lekt. 2, 143 [1804]), en middeleeuwen (H.W.T. in Bild.-Tydem., Briefw. 1, 272 [1811]) zouden wel eens door eng. Middle Ages [1713] (ouder Middle Age [1621]) beïnvloed kunnen zijn. Middeleeuws is reeds in 1760 aangetroffen (Wagen., Amst. 1, xvi [1760]).

Moe: waar v.H. de opvatting dat de -g in zndl. muug ‘moe’ zou berusten op een jongere afl. met -ig aanvaardt, ziet het NEW in de vormen op -g een overgang j > g. Waarschijnlijker dan zulk een overgang is echter de opvatting van O. Leys (Med. Naamk. 39, 145 [1963]), die in deze -g een verkeerde regressie ziet t.o.v. de syncope van de -d-, en wel volgens de formule -d- > (syncope) > nul/w/j > γ, met overdracht van de regressieve γ van de inlaut naar de auslaut (χ).

Motel: is dit werkelijk ontleend aan het Nhd.? Daar komt motel ‘(sedert 1953), een samentrekking van motorfahrerhotel’ voor. Zouden we motel niet direct uit het Engels hebben? Motel < motorists' hotel, eveneens het model voor het Duitse woord, is toch ouder? Zie reeds U.S.A.-citaten uit 1948 in P.C. Berg, A Dictionary of New Words in English [1953].

Nozem: is het moderne woord in zijn moderne bet. wel een regelrechte voortzetting van het reeds voor 1914 bestaande oude nozem(pie) ‘domoor, onnozele hals’? Ik heb destijds (N. Tg. 53, 50-57 [1960]) het

[p. 240]

moderne woord gezien als een ellips (swingnozem, jazznozem) met behoud van betekenis, m.a.w. een formatie van het type trein < spoortrein of kaart < briefkaart.

Of 1 (nevensch. voegw.): in tegenstelling tot v.W. meent het NEW het type met -ft- (mnl. ofte, os. ofthe) gescheiden te moeten houden van dat met dubbele dentaal (b.v. os. ŏththo). Hoe dit ook zij, bij beide typen komen naast vormen met o- ook zulke met e- voor. Over deze wisseling in vocalisme laat het NEW zich, anders dan Van W., niet uit.

Onbeschoft: waarom zoveel aandacht besteed aan de ‘erklügelte’, van 1874 daterende, van M. de Vries en E. Verwijs afkomstige eymologie in het WNT? Wat het NEW zelf voorstelt (< onbeschaafd), is inderdaad aannemelijker. Maar was de opvatting van v.W.: afl. van schobben ‘schrobben, wrijven’ niet het overwegen waard? De vorming zou dan precies beantwoorden aan lat. impolītus, dat bij Kiliaan2 [1588] als vertaling van onbeschoft voorkomt.

Papier: het Nederlandse woord is, evenmin als het Duitse, een ontlening van lat. papyrus, maar een leenwoord uit het Frans. De naam papyrus werd namelijk overgedragen op het door de Chinezen uit zijde en afval van kleerstoffen vervaardigde schrijfmateriaal, dat door de Arabieren, op het eind der 10de e., in Spanje werd ingevoerd. In Noord-Italië (Genua) wordt lat. papyrus in zijn nieuwe toepassing, met een ander suffix -ier, tot papier (12de e.). De Italiaanse handel introduceerde het woord in het Frans, vanwaar het verder naar de Nederlanden, Duitsland en Engeland werd uitgevoerd.

Pink: ook het NEW komt, evenals v.W., niet verder dan het Kiliaanse ijzeren gordijn. Als de Antwerpse woordenaar pink ‘hol.’ noemt, dan is de bron waarschijnlijk de Nomenclator [1567] van Junius geweest. Daar vinden we inderdaad (blz. 40a) als ndl. vertaling van de ‘digitus auricularis’: ‘T'clein vingerken, pinck, pinckoy’.

Pisang: volgens NEW zou zwe. pisang uit het Maleis afkomstig zijn. Zou ontlening aan het Nederlandsch voor het Zweedse woord niet meer voor de hand liggen? Zie Hellquist, SEO.

Pleister: hierbij had toch wel, ter verklaring van het vreemde ei-vocalisme (beperkt tot het westen van Noord-Nederland, terwijl de

[p. 241]

dialecten in het zuiden en oosten plaaster hebben), vermeld mogen worden wat Heeroma in Ts. 68, 89 [1951] n.a.v. pleister schreef: ‘volkomen zeker geval van foutieve substitutie van â door ei bij de frankisering lijkt mij het Latijnse leenwoord pleister uit plastrum (waarin a voor st gerekt was).’

Rotgans: heet ontleend ‘sedert de 16de eeuw’, maar dat zal vermoedelijk toch wel iets eerder zijn gebeurd. De tot nog toe oudst bekende plaats komt voor in het Esbatement vande Schuyfman (vertoond te Leuven door een rederijkerskamer uit Tienen) vs. 29 [1504]. De daarop volgende plaats is uit O.-I. e. W.-I. Voyag. 1, 23d [1598]. Kiliaan neemt rotgans pas op in zijn derde druk [1599].

Rune: dat ndl. rune ‘eerst in de 19de eeuw’ is overgenomen uit het Hd., is niet geheel juist. De ndl. uitspraak wijst op een overnemen uit de schrijf taal. Bovendien is er ook wel in een ouder stadium directe Skandinavische invloed geweest. Zo schrijft M. Houttuyn in 1782, in zijn Nat. Hist. III, 3, 595, een vertaling van Systema naturae van Linnaeus, over ‘Runsteenen, die men in Sweeden met Gothische Opschriften getekend vindt’. En wanneer F. Junius ao. 1665 spreekt over runae en alphabetum runicum (zie WNT), zal hij toch wel niet uit een Duitse bron putten.

Schouw 1 ‘schoorsteen’: is slechts een echo van v.W. Zoals C. Tavernier, in T. & T. 14, 75-76 [1962], heeft aangetoond is schouw(e) < excava, een tweelingzuster van vl. kave < lat. cava ‘holte met metselwerk bekleed’. Dat in Kiliaans schoude, schaude de d hypercorrect zou zijn, zoals Tavernier blz. 76 schrijft, is eigenlijk niet juist. Wie Kiliaan opslaat, ziet dat de d niet van hypercorrecte, maar duidelijk van etymologiserende oorsprong is. De ‘caminus effumatorius’ wordt door Kiliaan 2-3 [1588] - [1599] immers etymologisch met ‘chaude gal. calidus dicitur’ in verband gebracht. Zijn artikel schoude, schaude mag men niet los zien van een ander dat in dezelfde kolom staat, t.w. het ww.: ‘schouden, schauden....gal. eschauder’. In zijn Dictionarium [1574] heeft Kiliaan nog heel gewoon alleen maar de normale vorm schouwe. Wanneer Franck [1892] schouw ‘schoorsteen’ betrekt bij mnl. schouden ‘branden’, dan zet hij slechts de etymologische traditie voort, die in 1588 ontstaat en in 1964 in het NEW (ook in Schönfeld,

[p. 242]

Hist. Gramm.7 § 34, 1, c) nog springlevend blijkt te zijn. Er zijn etymologieën waaraan een korter leven beschoren is!

Schuin: dat dit woord pas ‘sedert Kiliaan (1642!)’ zou voorkomen, is niet geheel juist overgenomen uit v.W.: ‘sedert Kil., editie 1642’, wat niet precies hetzelfde is. Kiliaan3 [1599] noemt schuyn ‘Transuersus, obliquus’ ‘holl.’. Men zou verwachten dat hij het woord uit de Nomenclator [1567] van Junius had gehaald; geen van beide Latijnse woorden komen echter in het register van de Nomenclator voor. In 1958 (PBB = Tübingen 80, 26) en in afl. 5 van het NEW [1964] gaat schr. voor ndl. schuin uit van germ. *skūna, dat met een meerdimensionale ablaut (de uitdrukking is van Van Coetsem) zou staan naast wgm. *skīna. De vraag is echter of we voor ndl. schuin hiermee niet te hoog grijpen. Heeroma heeft namelijk bij deze ui gedacht aan ‘een foutieve substitutie van Ingweoons â’ (Ts. 68, 87 [1951]), en wel op grond van fri. skean, 17de-eeuws schaen.

Solderen: is inderdaad, zoals in v.W. en in NEW te lezen staat, opgetekend ‘sedert 't laat-Mnl.’. Maar dat betekent niet, zoals Knuttel in het WNT ons wil doen geloven, dat nnl. solderen de directe voortzetting zou zijn van het laatmnl., oostelijke (?) solderen, dat alleen in G. van der Schurens Teuthonista K 6 vob tzolderen [1475] - van daaruit(?) ook in de Gemma [1494] en als bijvorm in Kiliaan3 [1599] - is opgetekend. Onder souderen vermeldt Verdam weliswaar een voorbeeld van solderen uit Dodt v. Flensb., Arch. 4, 376 [1490], maar in deze Utrechtse ‘Ordinancie, gemaict opten Goutsmeden’ staat souderen, de gewone mnl. vorm, die, blijkens het WNT, tot in de 18de e. is blijven bestaan. Buiten West-Vlaanderen is dit souderen met [Ɔ.u] uitgesproken, d.w.z. met de klankwettige ontwikkeling -old > -oud. Afgaande op het materiaal van het WNT, krijgt men de indruk dat eind 18de-begin 19de e. solderen opnieuw is ontleend, dit keer aan het Engels (to solder). De oudste plaatsen in het WNT zijn: Chomel 3441a [1778]; Handw. 21, 90 [1805]; N.-I. Plakaatb. 15, 750 [1809]; Weiland [1810]. Het Oostvlaamse soederen (zie b.v. Teirlinck) - in Lievevrouw met een misleidende Franse ou gespeld - is op zijn beurt een jongere ontlening van fr. souder.

Sprot: behalve no. sprut, de. sprot is blijkbaar eveneens aan het

[p. 243]

nnd. ontleend, zwe. dial. sprut, op Gotland, dat J.E. Rietz 662a [1867] vermeldt in de betekenis van ‘liten strömmingsunge, i allmänhet liten fiskunge, t. ex. bland flundror’.

Staal 1 ‘ondergrond van een dijk’: wordt, evenals in v.W., beschouwd als een ablautende vorm naast steel < mnl. stēle, germ. *stelan-. De oudste vorm is echter stadel [1340] (MNW VII, 1854), die ook nog begin 15de e. wordt aangetroffen (MNW XI, 492). Staal < stadel hangt dus, zoals Verdam reeds ten dele heeft vermeld, samen met ofri. stathul in dikstathul, oeng. stađol ‘base, foundation’, os. stathal ‘stellung’, ohd. stadal ‘het staan, schuur’, on. stǫđull ‘melkplaats voor koeien’. Ndl. staal ‘grond waarop een dijk rust’ is dus wel identiek met mnd. stāle ‘staal van een dijk, dijk’ (ook ‘poot van een kast’ e.d.). Ook het door v.W. vermelde kemp. staal ‘tronk, wortelblok van een boom’ zou hierbij kunnen behoren. Staal ‘grondslag’ staat tot stadel als Noors støl ‘melkplaats’ en ‘herdershut’ (gewoon in toponiemen in Noorwegen) tot on. stǫđull.

De door v.W. en NEW genoemde woorden mnl. stāle ‘staak in viswater’, ‘steel’, Zaans staal ‘steel’, behoren natuurlijk bij een ander staal, dat niet door syncope van een d is ontstaan, maar identiek is met staal ‘steel’ (Föhr), oeng. stalu, eng. stāle ‘steel’ (zie E. Löfstedt, Nordfri. Dialekstudien 2, 64, noot 1 [1931]), en in ablaut staat met ndl. steel. A.A. Beekman in MNW XI, 492 [1941] is een beter etymoloog geweest dan de heren van het vak, toen hij staal, stadel ‘grondslag van een dijk’ en stale ‘houten staak of paal’ keurig uit elkaar hield. Van der Meulen in WNT XV, 43 [1924] doet dat trouwens ook, maar houdt, dwars tegen de feiten in, vast aan de onmogelijke identificatie van staal (IV) ‘grondslag van een dijk’ met staal (III) ‘steel, stengel’. Zelfs de betekenis ‘ondergrond van een dijk’ zou zich uit die van ‘stengel’ (een steel is het onderste gedeelte waarop iets staat) ontwikkeld hebben! Tenslotte acht hij het ‘niet onmogelijk dat stadel invloed heeft uitgeoefend op staal’ (= grondslag van een dijk). Tot zulke vreemde opvattingen kan men alleen komen, als men verlamd wordt door het etymologisch gezag van een (overigens uitstekend) woordenboek als dat van Van Wijk. Dat men voor de verklaring van de betekenisontwikkeling niet moet uitgaan van een betekenis ‘voet van de dijk’, heeft J. de

[p. 244]

Vries intussen toch goed gezien; dat staal < stadel niets anders is dan ‘grondslag waarop iets staat’, zegt hij echter niet.

Stokpaard: of het ndl. woord zo maar naast hd. Steckenpferd staat, zoals v.W. [1912], Vercoullie [1924] en NEW veronderstellen, waag ik in twijfel te trekken. Dat het altijd nog erger kan, blijkt uit WNT, waar Knuttel in 1938 stokpaard etymologiseert als ‘Uit Stok (I) en Paard’! Hd. Steckenpferd ‘Kinderspielzeug’ is reeds eind 16de e. aangetroffen. In de betekenis ‘houten “rijpaard” voor kinderen’ komt ndl. stokpaard vrij laat voor. De oudste plaats die het WNT vermeldt, is uit Dautzenberg [± 1860] die stokkepaard heeft, een vorm die ook formeel door het hd. stockenpferd beïnvloed zou kunnen zijn, als hij tenminste niet door het metrum is geconditioneerd. In dezelfde eigenlijke bet. heeft Busken Huet, Br. 1, 152 [1866] stokpaard. Als de citaten van het WNT een adequaat beeld geven van de ontwikkeling van het woord in het Nederlands - iets waar men soms niet al te veel staat op moet maken -, dan is de figuurlijke betekenis ‘liefhebberij’ in onze taal ouder dan de eigenlijke. De oudst bekende plaats (Fokke, Verz. W. 1, 84 [1783]) heeft de vorm van het diminutief, stokpaardje, wat eveneens het geval is met de daarop volgende voorbeelden: Ockerse, Charact. 1, 133 [1788] en Wildsch. 2, 33 [1793]. Ook de figuurlijke betekenis is in deze vertalende ontlening blijkbaar overgenomen van onze oosterburen, bij wie ze echter, onder Engelse invloed (hobbyhorse), veel later ontstond dan de eigenlijke, en wel als gevolg van Zückerts vertaling in 1763 van Sterne, Tristram Shandy [1759].

Te 1 bijw.: dat dit identiek zou zijn met het voorz. te, zoals v.W. en NEW suggereren, en V. Dale 6 [1950] - nog uitdrukkelijker V. Dale 7 [1961] - poneert, is niet zo zeker. T. Johannisson, Verbal och postverbal partikelkomposition 358-359 [1939], heeft duidelijk gemaakt dat het nimispartikel te identiek is met het verbaalprefix mnl. te- (b.v. in tebreken), ohd, zi-, za-, ze-, os. te-, ti-, oeng. to-. Van participia met destructief (pejoratief)-exhaustieve betekenis is het partikel op adjectiva overgegaan.

Te 2 (in des te): dat er ‘geen reden (is) het nl. te terug te voeren op (in bedî “daarom”)’, wordt aan v.H. toegeschreven. Zover ik zie, laat het supplement 167b zich alleen in positieve zin uit: te bij compa-

[p. 245]

ratieven is gelijk te stellen met os. thiu. Dit houdt natuurlijk wel in dat v.H. stilzwijgend de gelijkstelling in MNW [1885] en v.W. (ndl. te = mnl. (be) = got. þê) - Franck [1892] formuleert voorzichtiger - afwijst; dat heeft Schönfeld echter al veel eerder gedaan, t.w. in § 86 (p. 91) van zijn Historiese Grammatica [1921]. Maar als NEW de identificatie ndl. bedi = got. biþê niet aanvaardt, was er ook geen reden meer om mnl. bedi (door Schönfeld gelijkgesteld met got. voegw. þei), met v.W., als bedî te schrijven.

Treeft: dit artikel betekent een serieuze vooruitgang t.o.v. v.W. De etymologie van Frings, Germ. Rom. [1932], blz. 87 (niet 81 zoals bij v.H. en NEW): < lat. tripes, tripedem is zeer wel aannemelijk. Oeng. trefet, eng. trivet wijzen in dezelfde richting; zie C.T. Onions, ODEE [1967]. Vóór Frings heeft trouwens Mej. F. Baudet, Maaltijd in M.-E. 134, noot 3 [1904], treeft reeds uit lat. tripes afgeleid. Of ndl. treeft ook verwanten heeft in het Nederduits, zoals NEW in navolging van v.W. schrijft (Franck vermeldt nd. treft), is onzeker; het WNT vermeldt er ao. 1958 geen. De oudste mnl. plaats is van 1426 (Rek. v. Rott. 76). Het WNT noemt ook hd. (zeldzaam) treff(t). DWB1 geeft inderdaad slechts twee plaatsen, waarvan de oudste uit P. Apherdianus, Tyrocinium ling. lat. 58 [1581], zodat DWB terecht schrijft: ‘das wort ist entlehnt aus nl. treeft’. Treeft, dat nog niet voorkomt in de eerste [1552] en tweede [1556] Nederlandse editie van het Tyrocinium, vindt men pas in de 3de ed. 1560, blz. 26b: ‘Chytropus, eenen gestaelden pot, oft treft’. De tweede druk [1556] heeft echter wel blz. 23a: ‘Trypus, eenen drijuoet oft eenen gestaelden pot’4).

Trits: berust geheel op v.W., maar de formulering van het NEW is minder goed. Tegenover v.W.: ‘'t Ligt voor de hand om van een rom. afl. van het telw. lat. três “drie” (stam tri-) uit te gaan, maar er

[p. 246]

is geen etymon te vinden’, schrijft het NEW: ‘Dat men in nl. trits een verband met lat. tres gevoeld heeft, is zeker, maar het is niet aan te tonen, dat het inderdaad uit een romaans woord met de bet. “drietal” ontstaan is’. Dat men oorspronkelijk enig verband met het Latijnse woord zou hebben gevoeld, lijkt me niet zeer waarschijnlijk en het Romaanse etymon is niet ver te zoeken. Fr. triche is genoemd in afl. 24, Dl. XVII van het WNT, die in 1963, d.w.z. weliswaar voor afl. 6 van het NEW [1965], verscheen, maar slechts luttele maanden voor de dood van de schrijver. Fr. triche betekent in het kaartspel ‘trois as,...trois rois, etc. réunis dans la même main’ (Littré), en het oudste voorbeeld van het ndl. trits, t.w. uit Het Wonderlijck Proces 37 [1634], heeft insgelijks betrekking op het kaartspel. Toen ik mijn collega, N. Bakker, destijds het etymon triche aan de hand deed, durfde zij het niet aan, de afleiding van ndl. trits uit fr. triche te aanvaarden: en wel omdat ‘het ndl. woord...vooralsnog aanmerkelijk ouder (schijnt) dan het fr.’. Dat fr. triche, volgens FEW III, 2, 260a pas wordt aangetroffen in 1702 (La Maison académique, contenant les jeux [La Haye, 1702], d.w.z. 68 jaar later dan het eerste voorbeeld van trits, lijkt me geen onoverkomelijk bezwaar. Ik zou me dus liever niet afvragen ‘of fr. triche wellicht...aan het ndl. ontleend is’; de -ts van het ndl. woord wijst toch in de richting van ofr.-. Verg. trouwens ndl. trits (II) ‘(onderstel van een) bed’ < ofr. treche ‘houten onderstel’ (Godefroy). Ik twijfel of het door W. von Wartburg gelegde etymologische verband (< *triccare ‘ausflüchte suchen > fr. tricher) wel juist is. Ten onrechte besteedt het NEW in het gegeven verband aandacht aan de bet. ‘aantal, troep’, die trouwens niet alleen in het Fries, maar eveneens in het N. en O. van Nederland voorkomt. Hier speelt, zoals uit v.W. en WNT blijkt, een rist, jongere vorm rits, tussendoor.

Trouw: in tegenstelling tot v.W., die zich, evenmin als het WNT, duidelijk uitspreekt over de verhouding van trouw znw., tot trouw bnw., wordt in het NEW trouw znw. als ‘afl. van bnw.’ opgevat. Is dat zeker? Als ik goed zie, vat Kluge, E.W.19 [1963] het bnw. treu op als ‘Ableitung aus dem F. Treue’.

Vei: is het niet te gewaagd om bij Vei direct van het Nederlandse woord naar een Oudindische en een Avestische vorm over te sprin-

[p. 247]

gen?5) Is de semantische ontwikkeling die in in het WNT XVIII, 1352 (niet kol. 1509, zoals het NEW hier, alsmede i.v. Vaag 1 schrijft) heb voorgesteld, dan zo onbevredigend?

 

F. de Tollenaere

Naschrift

Gemelijk: terloops vestig ik nog de aandacht op de vreemde etymologische ‘verklaring’ van dit woord in M. Schönfeld, Historiese Grammatika2 [1924], § 125, c, die ook nog in de 7de druk [1964] § 196, c voorkomt, zij het dan, sinds de 4de druk [1947] met de toe-‘zeer onzeker’. Het hele verhaaltje over de oorspronkelijke betoning van germ. ga-, die nog bewaard zou zijn in gemelijk en mnl. gavel, moet nodig worden opgeruimd.

Kor: m.b.t. de vorm keurde [1627] kan men zich beter van commentaar onthouden, zolang men niet weet wat in het handschrift van het plakkaat staat. Vercoullie3 [1925] vermeldt een dialektische vorm kurde. Voor de overgang korde > kor, vergelijk horde > hor. De Franse naam voor de kor is bouteux ‘grand filet qu'on pousse sur le sable à l'aide d'un manche’ (sinds Furetière 1690) (W. von Wartburg, FEW 1, 456a [1928]).

Koud: voor de verbinding er om koud zijn, vergelijk er om verkouden zijn (Calisch [1864]). In alle citaten uit Van Lennep die in het WNT i.v. Omkoud zijn opgenomen, komt de spelling er omkoud voor rekening van M. de Vries. In Van Lennep zelf staat er om koud.