[p. 308]

Boekbeoordelingen

J. Svennung, Zur Geschichte des Goticismus (Skrifter utgivna av K. Humanistika Vetenskapssamfundet i Uppsala, 44: 2B). Stockholm. Almqvist & Wiksell, 1967. Prijs Zw. Kr. 20. -.

Habent sua fata...populi! De Goten en de Wandalen hebben oorlogen gevoerd, gebrandschat, verwoest en geplunderd. In dit opzicht hebben deze barbaren hun Romeinse leermeesters naar beste vermogen nagevolgd. Wie van beiden, Goten of Wandalen, in de ‘consuetudo bellorum’1) de meesterschapsprijs verdient, zal ik niet proberen te achterhalen. Toch roepen de namen van beide volkeren bij ons thans geheel verschillende associaties op.

Die der Goten doet ons denken aan Wulfila, aan het Oostgotische rijk van Theodorik de Grote of aan dat van de Westgotische koningen in Spanje, misschien zelfs aan het zgn. Gotische schrift of aan de Gotische bouwstijl.

De naam der Wandalen mag dan misschien bij enkelen de gedachte oproepen aan het Germaanse volk dat in N.-Afrika in 439 een bloeiend rijk stichtte, bij vrijwel iedereen echter is hij onverbrekelijk verbonden met het vernielen van kustwerken of andere cultuurmonumenten. Toch is deze associatie van de Wandalen met het vandalisme even onverdiend als toevallig. Ook hier hebben we te maken met een ‘Wandlung der historischen Realität’, zoals de ondertitel luidt van het in Zürich in 1954 verschenen boek Goten und Wandalen van H. Helbling. Vandalisme is immers pas in 1794 als slagwoord bewust geschapen door H. Grégoire, bisschop van Blois, in zijn rapport aan de Nationale Conventie, getiteld ‘sur les destructions opérées par le vandalisme’. Grégoire protesteerde hiermee tegen de vernietiging van bibliotheken en monumenten die herinnerden aan het koningschap. De bisschop heeft

[p. 309]

gezegd: ‘Je créai le mot pour tuer la chose’2). Hij had natuurlijk, i.p.v. vandalisme te kiezen, even goed kunnen opteren voor hunisme, gothisme of normandisme (Robert Guiscard 1084). Men moet er echter niet aan denken, wat er gebeurd zou zijn indien Grégoire, denkend aan de plundering van Rome door de Galliërs in het jaar 390 v. Chr., het in zijn hoofd had gehaald zijn moedertaal te verrijken met de term gaulisme...‘pour tuer la chose’!

In elk geval een woord gothisme heeft Grégoire niet gemaakt en ook niet het woord gothicisme. Hoe oud goticisme dan wel is, in welk land en wanneer het is ontstaan, zegt Svennung niet; dat zou ons taalkundigen juist bijzonder interesseren3). Maar de taalkundige belangstelling van de classicus J. Svennung voor de titel van zijn boek reikt niet verder dan de mededeling in het voorwoord, dat de schrijfwijze met c ‘etymologisch wohlbegründet’ is. Ook over dit detail krijgen wij geen nadere mededelingen.

Onder goticisme verstaat men in de ‘Ideengeschichte’ de voorstelling dat de Goten, na hun emigratie uit Skandinavië, in de vroege middeleeuwen zowat de hele bekende wereld zouden hebben veroverd en grote gebieden van Europa bevolkt. Tot een dergelijke, voor ons nogal absurde opvatting, gepaard met respect en bewondering voor een volk van wereldveroveraars, kon men natuurlijk alleen maar komen omdat men gaandeweg onder de Gotische vlag allerlei volkeren liet varen die er op geen enkele manier onder thuis hoorden. Een oud klassiek voorbeeld hiervan, men treft het al aan bij Orosius in het begin van de 5de eeuw na Chr., is wel de identificatie Geten = Goten. De Getae waren Thracische stammen aan de Beneden-Donau; ze werden in de eerste eeuw vernietigd en verdwenen uit de geschiedenis. Maar als de Goten bij de Donau komen te wonen worden ze ook Getae genoemd. In latere tijd wordt Gotisch synoniem van wat nu Germaans heet; het is b.v. bekend hoe Deense taalkundigen als Rasmus Rask en Vilhelm Thomsen spraken van ‘den gotiske Sprogklasse’.

[p. 310]

Belangrijk voor de ontwikkeling van het goticisme is vooral geweest de Westgotische traditie in Spanje. De grote verheerlijker van dit Gotische rijk was de aartsbisschop van Sevilla, Isidorus (gest. 636), met zijn Historia Gothorum. Ook na de Arabische zegepraal bij Vejér de la Frontera in het jaar 711 bleef dat Gotische zelfbewustzijn, meer mythe dan realiteit, leven en heeft als zodanig elan gegeven aan de restauratie van de oude patria Gothorum.

Het zou echter vooral het Concilie van Basel zijn, gehouden tussen de jaren 1431 en 1449, dat een krachtige impuls zou worden voor de Gotische idee. Op dat concilie namelijk maakten zowel de Spaanse als de Zweedse vertegenwoordigers, op grond van hun afstamming van de roemrijke Goten, aanspraak op de ereplaats in de vergadering. De woordvoerder van de Zweedse koning Erik, koning van de Skandinavische Unie, was Nicolaus Ragvaldi (Nils Ragvaldsson), bisschop van Växjö in Småland, later (1438) aartsbisschop van Uppsala. De protestatie waarmee de Zweedse bisschop zijn aanspraken verdedigde, is ons in verschillende versies bewaard.

Op het Concilie van Basel was eveneens aanwezig een jonge, begaafde Italiaanse humanist, Enea Silvio de Piccolomini, die in 1464 als paus Pius II zou sterven. Piccolomini was als historicus een zeer oorspronkelijke geest, hij was kritisch en wilde terug naar de bronnen. Zijn in Basel gewekte belangstelling voor de geschiedenis der Goten vond haar bekroning in 1453 toen hij, inmiddels bisschop van Siena geworden, in het Benediktijnerklooster Göttweig in Oostenrijk, een handschrift van Jordanes ontdekte.

Het humanisme in Italië, met zijn bewondering voor de antieke bouwkunst, leidde ertoe dat men de middeleeuwse architectuur ging verachten. Het gevolg was dat men een omstreeks 1150 in Frankrijk ontstane bouwstijl ging beschouwen als een uitvinding van de barbaren, de Goten die Rome ingenomen hadden; vooral Giorgio Vasari heeft zich omstreeks 1550 in dit opzicht verdienstelijk gemaakt. Deze stijl, die hij niet eens de naam stijl waardig keurde, noemde hij echter tedesco! Goticus in deze toepassing wordt het eerst in 1610, in een Latijns werk van een jezuïet, aangetroffen, in het Frans echter pas in 1619. De toepassing Gotisch op het middeleeuwse schrift is ouder en wordt reeds

[p. 311]

omstreeks 1440 aangetroffen4). Uit wat Svennung op blz. 57 schrijft, kan men echter de verkeerde indruk krijgen, dat deze toepassing secundair zou zijn ten opzichte van die in de bouwstijl.

Vóór Vasari echter heeft Erasmus de Goten prijsgegeven aan de humanistische verachting. Omstreeks 1505 beklaagt deze er zich over ‘quam foede disciplinas omnis confuderint isti Gothi, quanto supercilio suam inscitiam perdoceant, quam stolida peruicacia et propriam tueantur ignorantiam et alienam eruditionem aspernentur’. En de Straatsburgse lexicograaf Petrus Dasypodius vertaalt in 1536 gotthicus als ‘das den Gothis zugehört Et pro barbaro accipitur’; gotthicum ingenium is ‘eine grobe unverstendige art’. Deze humanistische verachting van de Goten was algemeen in West-Europa.

Ditzelfde humanisme zou echter, door zijn kritische en geleerde grondslag, leiden tot een eerherstel van deze Goten. Twee jaar na de ontdekking door Silvio de Piccolomini van een handschrift van Jordanes, werd, in 1455, de Codex Hersfeldensis, het enig bewaarde handschrift van de Germania van Tacitus, in Duitsland gevonden, naar Rome gebracht en daar omstreeks 1470 gedrukt. Dit zou de Duitsers de wapenen verschaffen om van zich af te bijten tegen de Italiaanse arrogantie.

In Engeland had de naam der Goten, die men vaak identificeerde met de Skandinaviërs of de Germanen, al heel vroeg een goede klank. In de 17de en 18de eeuw krijgt Gotisch zelfs de politieke kleur van ‘vrijheidslievend’, ‘parlementarisch’ en ‘demokratisch’. De romantiek gaf aan de Gotische, d.i. de nationale waarden, tenslotte de ereplaats.

Dat in Zweden - vanwaar de Goten volgens Jordanes gekomen zijn, Zweden waarvan de koning reeds in 1164 met rex gothorum werd toegesproken5) - het Goticisme een goede voedingsbodem zou vinden, lag voor de hand. Toch is het Goticisme in Zweden eigenlijk niet autochtoon, doch berust op import uit het continent, t.w. op invloed van de Spaanse Westgotische tradities. De Gotische ideologie zou in

[p. 312]

Zweden worden uitgebouwd door bisschop Nicolaus Ragvaldi, maar vooral door Johannes Magnus, de laatste katholieke aartbisschop van Zweden, die in Rome in ballingschap leefde. Hij schreef daar omstreeks 1540 zijn Historia de omnibus Gothorum Sueonumque regibus, die in Rome in 1554 werd gedrukt. Dit laatste werk leverde de ideologie voor het Zweedse imperium van Gustaaf II Adolf, door de Franse koning Louis XIII verachtelijk ‘ce goth’ genoemd. Maar van koningin Christina, de dochter van Gustaaf II Adolf, weten we, door Isaac Vossius, haar leraar in het Grieks, dat ze haar Gotische voorvaderen verwenste, en gaarne afstand had gedaan van de troon, als ze daarmee de plundering van Rome door Alarik en zijn Goten ongedaan had kunnen maken. Geen wonder dat ze de Codex Argenteus, die in 1648 met de keizerlijke schatten uit Praag naar Zweden was gebracht, bij wijze van betaling overliet aan Isaac Vossius. Maar het Zweedse goticisme zou niet dulden dat deze kostbare schat voor Zweden verloren ging. De Zweedse kanselier Gabriel de la Gardie wist het handschrift voor 500 rijksdaalders voor zijn vaderland terug te kopen. Op 14 juni 1669 schonk De la Gardie de codex aan de universiteitsbibliotheek van Uppsala ‘till en ewig warande possession’. In zijn daarbij gehouden redevoering sprak De la Gardie er zijn voldoening over uit, dat hij het originele manuscript van Wulfila - zo dacht hij althans - terug had kunnen schenken aan zijn vaderland, nadat het gedurende zovele eeuwen in vreemde handen was geweest. De toenmalige Grootzweedse visie zag de schepping van Wulfila duidelijk als een Zweeds werk6).

Het zou tenslotte een hoogleraar uit Uppsala zijn, de overigens geniale Olaus Rudbeck, die in 1679, in zijn boek Atlantica sive Manheim, de Zweedse chauvinistische fantasterijen ad absurdum zou voeren. Volgens dit werk was Zweden identiek met de Atlantis van Plato, en was de Apollotempel der Atlantiden niets anders geweest dan het oude heidense heiligdom in Gamla Uppsala.

 

* * *

 

Svennungs Zur Geschichte des Goticismus is een samenvatting van de geschiedenis der Gotische gedachte vanaf de idealisering van de

[p. 313]

Goten bij de Antieken, over de verachting van de zijde der Renaissancisten tot hun uiteindelijke verheerlijking door de romantiek. Deze samenvatting levert ons op een overzichtelijke manier een bijzonder rijk materiaal. Met zijn geleerd en degelijk boek heeft de schrijver velen, de oud-germanisten, maar veel meer nog de beoefenaren der ideeëngeschiedenis, alsmede de kultuurhistorici en literairhistorici aan zich verplicht.

De vraag of dit boek goed en vlot geschreven is, durf ik niet zonder meer positief te beantwoorden. Zelfs als de schrijver als historicus de evenknie zou zijn van Huizinga, dan zou hij als stilist waarschijnlijk toch niet diens gelijke mogen worden genoemd. Hoe dan ook, aan de compositie van Zur Geschichte des Goticismus is in ieder geval toch wel te merken, dat dit werkje oorspronkelijk als aanhangsel was bedoeld bij het boek Jordanes und Scandia, dat in dezelfde serie is verschenen. Dit kan veel verklaren.

Ik vraag me af of de Nederlanden niet, evenzeer als Oostenrijk en Zwitserland, recht hadden kunnen doen gelden op een apart hoofdstuk in deze geschiedenis van het goticisme. Het aandeel van Nederlanders aan de studie van het Gotisch kan daarbij stellig als een belangrijke factor gelden. Svennung noemt zelf, behalve Hugo Grotius, ook nog de ‘Leidenaren’ Philippus Cluverius en Marcus Zuërius van Boxhorn. In het boek van R.G. van de Velde, De Studie van het Gotisch in de Nederlanden [1966] echter, wordt Cluverius niet eens vermeld, terwijl Boxhorn alleen terloops wordt genoemd in een brief van Janus Vlitius, en dan nog alleen in zijn Latijnse travesti Boxhornius.

Belangrijk is ook het literatuuroverzicht (p. V-X). Hierbij mis ik het boek van P. Frankl, The Gothic. Literary Sources and Interpretations through Eight Centuries. Princeton University Press [1960]. C. Weibull, die op p. 105 genoemd wordt, ontbreekt in de bibliografie. In verband met Hs. 11: ‘Gotische’ Ideen im Frankreich des 18. Jahrhunderts, zie men thans ook Marie E. Lein, Persistance et renouveau du gothique en France avant Chateaubriand (Modern Philology 66, 121-135 [1968-1969]).

Dat hier en daar wat zetfouten zijn blijven zitten, b.v.: p. 1 Cassidor, p. 109 the Germanus, is normaal. Met Franse citaten schijnt de zetter

[p. 314]

wel eens moeite te hebben gehad, b.v. p. 99: pas les l'usage, waarschijnlijk i.p.v. ‘pas par l'usage’, p. 100 en comparasion i.p.v. ‘en comparaison’, p. 103 Ces Goth étaint i.p.v. ‘Ces Goths étaient’.

 

F. de Tollenaere

Dr. E.R. Nieuwborg, Retrograde Woordenboek van de Nederlandse Taal. Antw., Uitgeverij Plantijn N.V., 1969. XV en 1115 blz. Prijs geb. 800 F.

Als eerste produkt van enige omvang - en welk een omvang! - van de gemechaniseerde lexicografie in het Nederlandse taalgebied verschijnt dit retrograde woordenboek van het Nederlands, onder auspiciën van het Instituut voor toegepaste Linguïstiek van de Katholieke Universiteit Leuven, met medewerking van het Rekencentrum aldaar. Het is in feite een index op Van Dale in spiegelbeeld: de woorden zijn er geordend op de letters in alfabetische volgorde van achteren naar voren, dus op a volgt ba, dan aba, Kaäba, baba, en het laatste woord is jazz. Het zijn er ongeveer 192.000, en daarmee is dit werk het omvangrijkste retrograde woordenboek dat beschikbaar is; het Duitse van Maters heeft er maar 138.000. Meer nog dan voor de enkele woordindex of de concordantie, illustreert het retrograde woordenboek de mogelijkheden van de mechanisering voor de lexicografie: het is bijna ondenkbaar dat iemand met de ‘handwerk’-methode er ooit toe gekomen zou zijn zo'n woordenboek samen te stellen, en wat een tijd zou dat gekost hebben! In zijn Woord Vooraf zegt Dr. Nieuwborg niet hoe lang hij ermee bezig is geweest, maar er valt wel uit op te maken dat het niet veel meer dan twee jaar moet zijn geweest.

Het retrograde woordenboek is ‘in de eerste plaats bedoeld als een werkinstrument om het onderzoek van de woordvorming te vergemakkelijken’. De discussie over het achtervoegsel -esk in de jongste afleveringen van de Nieuwe Taalgids illustreren voortreffelijk het nut dat zo'n woordenboek daarbij kan opleveren, en er is daarbij dan ook zelfs al gebruik gemaakt van het werk van Dr. Nieuwborg in proef. Niet altijd zijn de gegevens echter zo gemakkelijk af te lezen als in dit geval; er zal soms nog wel enig tel- en rekenwerk te verrichten over

[p. 315]

blijven. Stel men wil de verhouding nagaan tussen de infinitieven op -en en de verbale abstracte op -ing, dan is het wel gemakkelijk te constateren dat de woorden op -en 140 bladzijden beslaan en die op -ing 68, maar bij de eerstgenoemde zijn dan o.a. ook meegeteld bloedkoralen, warmte- en andere stralen, gezwollen en alle stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden op -en. Zo is het ook licht te zien dat de woorden op -heid 22 blz. beslaan, en die op -te 13½; maar terwijl de eerste groep homogeen is, zitten bij de laatste ook woorden als akte en buste. Zo illustreert dit werk tegelijk de mogelijkheden en de begrenzingen van de mechanisatie in de lexicografie: zij levert het materiaal tot in de puntjes geordend af, maar de interpretatie blijft geheel voor rekening van de onderzoeker, om van lexicologisch redactiewerk nog maar te zwijgen.

De ij is, gelukkig en terecht, als i + j behandeld; alle woorden op ij vindt men daardoor onder de J. Dit brengt ook mee dat men b.v. krijtkruit vindt, wat éven verwarrend werkt, maar precies klopt met het spiegeleffect dat aan de retrogrademethode eigen is. Men kan er een sterk argument uit putten tegen de plaatsing van de ij aan het eind van het alfabet, zoals die maar al te vaak in naslagwerken wordt toegepast, en ook in dit tijdschrift wel eens bepleit is (Dl. 84, 226 vg).

Ten aanzien van de presentatie zijn er enige verschillen met het Duitse retrograde woordenboek van Maters: alles is in hoofdletters afgedrukt, terwijl Maters gelijkluidende woorden met en zonder hoofdletter (arm - Arm; regen - Regen) onderscheidt. Daardoor kan men bij Nieuwborg wel zien dat er drie woorden jas zijn, maar niet dat een daarvan een persoonsnaam is. Zijn woordenboek is niet in boekdruk uitgevoerd, maar geheel van de magneetbanden afgedrukt. Daarbij zijn vrij veel letters wat onduidelijk overgekomen. De homoniemen zijn genummerd, maar de nummers staan zonder spatie tegen de woorden, wat soms verwarrend werkt, omdat 1 en I niet erg duidelijk onderscheiden zijn.

Dit zijn echter slechts geringe bezwaren tegen een werk dat voor het onderzoek van de woordvorming van bijna onvoorstelbaar groot nut zal blijken te zijn. De samensteller van het model, Van Dale, vindt er een correctief in op enige inconsequenties betreffende de aaneenschrij-

[p. 316]

ving. De uitgever zal het echter niet in de eerste plaats moeten hebben van de kleine groep van lexicografen en woordonderzoekers; in zijn prospectus wijst hij er dan ook terecht op dat het werk ‘voorzeker een prachtig hulpmiddel (is) voor puzzelaars en rijmelaars’. Alle rijmwoordenboeken worden hiermee inderdaad overbodig.

 

Leiden, April 1970

C. Kruyskamp

Dialektatlas van Zuid-Holland en Utrecht door L. van Oyen met medewerking van E. Blancquaert † en Chr. J. van der Voet, I-II. Antwerpen 1968, Reeks Nederlandse Dialektatlassen, nr. 17.

Krachtiger dan waar ook in het Nederlandse taalgebied dringt zich in Zuid-Holland de vraag aan ons op of er ter plaatse nog wel sprake kan zijn van dialekt of dat men niet beter kan spreken van plaatselijk of regionaal gekleurd Nederlands. Theoretisch is zulk een vraag alleen met een beroep op de taalwil op te lossen. En dan zal zeker het aantal dialektsprekers in dit gebied niet groot zijn. Afgezien echter van deze vraag, krijgt men uit de hier besproken atlas de overigens niet verrassende indruk dat de oude locale of regionale eigenaardigheden er ver verdwenen zijn.

Zeker komen we soms heel onverwachts nog onbekende vormen tegen: rugge ‘zwaar (van werk)’. dat opgegeven werd voor Noordwijkerhout, Ankeveen en Roelof Arendsveen, breumels voor ‘bramen’ in Nieuwkoop of warrels voor ‘eigenwijze lui’ in Langeraar. Het in het WNT uitsluitend voor Berkhey geattesteerde leuk ‘lauw, halfwarm’, overigens daar ‘in een deel van N.- en Z.-Holl. gebruikelijk’ genoemd, vindt men hier voor Langeraar in de verkleinvorm leukies. Maar in het algemeen zijn de oude dialektvormen vaak ver teruggedrongen, soms de volledige ondergang nabij. De ontronding in het woord brug, vereeuwigd in het toponiem Terbregge onder Hillegersberg, valt op de hele kaart 121 maar tweemaal meer te bespeuren, nl. in de vissersdialekten van Scheveningen en Katwijk aan Zee. De ontronding bij oude iu voor r, eenmaal als een typisch hollands verschijnsel bestempeld, komt op de kaart van duur (kaart 47) slechts negenmaal meer te voorschijn: in Aalsmeer,

[p. 317]

Noordwijk aan Zee, Katwijk aan Zee, Scheveningen, Rijpwetering en verder Oostvoorne, Rokkanje, Heenvliet en Spijkenisse; met uitzondering van Rijpwetering en Aalsmeer, dus eigenlijk nergens meer in het ‘binnenland’. Wie echter zoals ik bij ervaring weet hoe moeilijk het is die ier-vormen bij de enquête te laten verschijnen, acht de mogelijkheid dat er toch nog wel meer ier-sprekers te vinden zouden kunnen zijn, overigens niet geheel uitgesloten.

Ook deze atlas toont weer hoe moeilijk het is syntactica te betrappen. Een voorbeeld daarvan levert de eerste zin, die met een conditioneeltemporele als-zin begint: ‘als de kippen een sperwer (kleine roofvogel) zien, zijn ze bang’. Persoonlijk heb ik het feit dat de enquête met zo'n ingewikkelde, samengestelde, zin begon, nooit erg gelukkig gevonden. Hier lijkt mij dan ook het resultaat begrijpelijk aan de lage kant. De typische geïnverteerde al-constructie komt in deze atlas slechts één keer, n.l alleen in Koudekerk, te voorschijn. Toch moet deze in Holland beslist frequenter zijn. Men zie hiervoor bijv. mijn Nederlandse Dialectkunde2 par. 136. Ook onlangs heb ik haar nog eens door mijn achtjarig kleindochtertje in het niet ver van Koudekerk gelegen Nieuwkoop horen gebruiken. Maar zelfs komt bij de concurrerende als-constructie de uit de dialectliteratuur als o.a. Hollands en Utrechts bekend staande congruentie van het voegwoord alleen in Driebergen te voorschijn.

Uiteraard levert deze atlas ook materiaal voor het boeiende aa-probleem. Op de kaart van Te Winkel reeds vindt men in Zuid-Holland een aa-gebied, waarvan het niet onmogelijk is dat het de bakermat van de beschaafde Nederlandse aa zou zijn. En inderdaad, ook de hier besproken atlas kent plaatsen die voor de ABN aa geen andere representant dan die zelfde aa kennen. Dat is bijv. het geval met Leiden en Stompwijk. Maar ook in Langeraar vond ik slechts eenmaal een afwijking, nl. veerze naast vaarze, en in Waddingxveen alleen /pae.rt/, /stae.rt/ en /kae.s/. De door Te Winkel gewekte indruk wordt door de atlas dus inderdaad bevestigd. Waar Nieuwkoop reeds een groot aantal ae's vertoont, hoef dat niet te verwonderen daar het, hoewel in Te Winkels aa-gebied gelegen, in ieder geval ook bij hem vlak tegen het ae.-gebied aan ligt.

Terwijl G. Kloeke en A. de Knegt, Een aanvulling van de muis-huis-

[p. 318]

kaart TT IV 147 vlg. in Heenvliet voor î en û alleen gediftongeerde vormen kenden, komen hier in Heenvliet toch nog ongediftongeerde relicten opduiken; een kleine correctie dus nog op het door Kloeke toch al zo nauwkeurig getekend beeld.

Ook verschaft deze atlas weer nieuw materiaal voor de werkzaamheid van het centraliserend accent, zowel voor Zuid-Holland als voor Utrecht. Ik doel hierbij op de uitspraak Schonneve ‘Schoonhoven’, Ojik ‘Odijk’, Blaisik ‘Bleeswijk’, Stompik ‘Stompwijk’ en voor gevallen met eindbeklemtoning op Mefoort ‘Montfoort’, Ktoef ‘Kortenhoef’ en Merkerk ‘Meerkerk’.

Als voor mij totaal onverwacht syntactisch verschijnsel noteer ik de constructie waarbij in de zin ‘ik heb (het) hem afgeraden om zo laat (vlak) langs het water te gaan’ (zin 54) de infinitief met niet geconstrueerd wordt.

Nog steeds stijgt ons gevoel van dankbaarheid voor de redactie van de Reeks dat ze met taaie volharding doorzet. Dat in dit deel als vraag 142 nog 33 uit de literatuur over het Zuidhollands bekende woorden als ‘ui’, ‘boter’, en ‘tenen’ extra zijn toegevoegd, kan alleen maar als een voordeel beschouwd worden.

 

A. Weijnen

Verschaeviana Eerste deel, aflevering 1. 144 blz. Prijs 150 BF.

Verschaeviana is een nieuw tijdschrift, dat uitgegeven wordt door het Jozef Lootensfonds, Baron Ruzettelaan 433, B-8320, Assebroek. Hoofdredakteur is Jaak L. de Meester. Het Jozef Lootensfonds is financieel mogelijk gemaakt door Maria Lootens, die daarmee een wens van haar broer Jozef, vriend en bewonderaar van Verschaeve, in vervulling bracht, nl. ‘om de uitstraling van Cyriel Verschaeve te bevorderen’. In een Ten Geleide wordt deze èn als dichter èn als Flamingant zeer ongelijk gewaardeerde priester ‘een van de groten van ons volk’ genoemd. De redactie stelt zich voor nog niet gepubliceerd werk van Verschaeve af te drukken, een definitieve wetenschappelijke uitgave van het hele oeuvre voor te bereiden en tot stand te brengen, het maken van vertalingen te stimuleren, vooral in het Duits, archivalia, verhandelingen,

[p. 319]

herdrukken van moeilijk te raadplegen artikels, bibliografica en dgl. die op hem betrekking hebben, op te nemen. Ook zijn vriendenkring zal aan de beurt komen.

Behalve enkele in memoriams geeft deze aflevering een Duits artikel, Verschaeves Erbschaft door Albert Mirgeler, wat me, gezien de houding van Verschaeve in de Tweede Wereldoorlog, geen gelukkig begin lijkt. Daarna volgt het eerste deel van Het drama van Cyriel Verschaeve en Robrecht de Smet (11 november 1918-30 september 1925) door R. Vanlandschoot. Het is een rijk gedocumenteerd artikel, waaruit o.a. blijkt, in welk een tragische situatie de meer of minder activistische Flaminganten tijdens en na de Eerste Wereldoorlog kwamen te verkeren.

Hierna worden brieven van Cyriel Verschaeve aan Jozef Lootens tot half april 1910 afgedrukt en tenslotte volgt een deel Verschaevebibliografie 1949-1969.

 

G. Kazemier