[p. 81]

Vetus-woorden bij Kiliaan

In zijn Dictionarium Teutonico-Latinum van 1588 en in zijn Etymologicum Teutonicae linguae van 1599 vermeldt Kiliaan bij een vrij groot aantal trefwoorden de aanduiding vetus of vet., soms gecombineerd met een andere aanduiding als vet. fland., vet. ger., vet. holl., vet. sax. enz. Deze gecombineerde afkortingen betekenen, zoals Verdeyen schrijft, niet vetus flandricum enz., maar veteribus Flandris of vetus, Flandrice enz.1)

Kiliaan, die in zijn Praefatio ad Lectorem uitvoerig handelt over etymologie, schrijft er slechts enkele woorden over het opnemen van verouderde woorden. Hij schrijft namelijk dat hij de woorden wil opnemen ‘quibus Germania inferior praecipuè nunc vtitur, aut olim vsa est’. Deze laatste zinsnede, die we in zijn voorrede van 1588 en 1599 vinden, ontbrak nog in 1574, waarin hij ook nog geen aanduiding vet(us) gebruikte.

Kluyver onderzocht reeds in zijn Proeve eener Critiek op het Woordenboek van Kiliaan ('s-Gravenhage, 1884) wat vetus bij Kiliaan kan betekenen. Hij schrijft dat Kiliaan sommige woorden aan een Duitse tekst heeft ontleend en er een Nederlands voorkomen aan heeft gegeven, waarin ze misschien nooit hebben bestaan, zo bijv het woord alteveel (p. 85). Andere woorden heeft hij vermoedelijk nergens op zichzelf gevonden, maar enkel uit bekende samenstellingen afgeleid, bijv. am (p. 86-87), bal (p. 92) en schap (p. 117). Kluyver besluit ‘dat vetus niet zelden beteekent, dat een artikel voor KILIAAN

[p. 82]

slechts eene theoretische - en voor ons in 't geheel geene waarde heeft’ (p. 119).

In dit artikel willen we nu, zoveel mogelijk aan de hand van Kiliaans bronnen, trachten na te gaan waarom onze grote zestiende-eeuwse lexicograaf vetus-woorden in zijn woordenboek opnam.

1. Vetus-woorden, gevormd naar woorden uit anderstalige woordenboeken

Een eerste, belangrijke groep vetus-woorden zijn inderdaad, zoals Kluyver schrijft, woorden die Kiliaan in een anderstalige bron gevonden heeft en waaraan hij zelf een Nederlands uitzicht gegeven heeft.

1.1 Hoogduitse woordenboeken

Heel wat vetus-woorden of vet. ger.-woorden heeft Kiliaan in een aangepaste vorm overgenomen uit een Duits woordenboek, vooral dan uit Die Teütsch Spraach (Zurich, 1561) van Maaler. Vaak is daarnaast ook het beknoptere Dictionariolum Germanicolatinum (Zurich, 1556) van Frisius, dat nauw verwant is met het woordenboek van Maaler, als bron mogelijk; van Frisius heb ik de uitgave van 1596 nagekeken, die de titel draagt Novum Latinogermanicum et Germanicolatinum Lexicon, maar die evenals de uitgave van 1586 een ongewijzigde herdruk is van de tweede uitgave van het Dictionariolum van 1568.

Enige voorbeelden van zulke vet. ger.-woorden in het Etymologicum zijn: Aette (Tata, pater; in deze vorm bij Maaler, niet bij Frisius), oor-aen-heere (Proauus; bij Maaler Uranherr i.v. Uräni, niet bij Frisius), Saegh (Pauidus; Zag bij Maaler en Frisius2) en Wanck (Momentum; in deze vorm bij Maaler en Frisius). Het valt nu op dat Aette en Wanck in Kiliaans Dictionarium van 1574 de aanduiding

[p. 83]

ger. onmiddellijk na het trefwoord krijgen. Deze aanduiding staat daar bij in het Nederlands ongebruikelijke woorden, die Kiliaan echter opneemt om een beter inzicht te geven in de vorming en betekenis van gewone, gebruikelijke Nederlandse woorden: ‘ad veram linguae cognitionem necessariae’; in zijn voorrede op dat Dictionarium zegt hij ook dat inzonderheid van verscheidene samenstellingen en afleidingen het simplex bij ons vrijwel onbekend is, maar uit het Duits bijgehaald moet worden.3)

Ook een aantal woorden die Kiliaan in zijn Etymologicum als vetus kenmerkt, kregen in het Dictionarium van 1574 de aanduiding ger. bij het trefwoord, bijv. artsenen (Mederi; in 1574 zoals bij Maaler en Frisius Artznen), artsenije (Medecina; in 1574 Artznye, bij Maaler en Frisius Artzney), be-stellen (Conducere; bij Maaler en Frisius in deze vorm) en Dulden (Ferre, pati; bij Maaler en Frisius in deze vorm. In de kanttekeningen bij zijn Etymologicum4) voegde Kiliaan aan dit woord de aanduidingen holl. sax. en het equivalent ger. dulden toe).

Nog andere vetus-woorden heeft Kiliaan, met aanpassing van de vorm, ontleend aan Maaler of Frisius, zo bijv. Aen-laet (oor-saecke, in 1574 met het equivalent ger. anlass; bij Maaler en Frisius Anlasz), boom-wachs (Resina; bij Maaler Baumwachs, niet bij Frisius), nap (diepe schotel, in 1574 met het equivalent ger. napff, dat in 1599 bij de andere betekenis van nap staat; bij Maaler en Frisius Napff. In de kanttekeningen bij zijn Etymologicum verving Kiliaan vet. hier door sax. holl.), reysigh krieghs-volck (Equites: copiae eqestres; bij Maaler Reisig kriegszuolck, niet bij Frisius), schaffenaer, schaffer (Curator, procurator, dispensator, oeconomus; bij Maaler en Frisius Schaffner. In zijn kanttekeningen noemt Kiliaan dit woord ook ger. sax.) en tetse, tatse (Palma pedis feri animalis; bij Maaler en Frisius Datzen,

[p. 84]

Da(ap)pen eines wilden thiers. In zijn kanttekeningen schreef Kiliaan Tetse nog eens op met het equivalent ger. datzen. Dit Duitse woord nam Kiliaan vermoedelijk in een vernederlandste vorm op, zoals Dr. F. de Tollenaere me in een persoonlijke mededeling signaleerde, om de etymologie van zijn ander trefwoord Tetse...Tactus, ictus palmoe, een gewoon Brabants woord, duidelijk te maken).

Bij verscheidene vetus-woorden heeft Kiliaan in zijn Etymologicum de Duitse vorm uit Maaler of Frisius als ger.-equivalent na de Latijnse synoniemen geplaatst, o.a. bij Oor-aene (Abauus. ger. vraene. q.d. ouer-aene; bij Maaler Uräni, niet bij Frisius. Kiliaans verklaring ouer-aene sluit aan bij zijn eraan voorafgaande artikel Oor, or...Videtur dictio contracta ex ouer), sterre, starre (Rigidus, asper, inflexibilis. germ. starrend; bij Maaler Starrend, niet bij Frisius), Welck (Vietus, flaccidus, marcidus, fracidus. ger. sax. vvaelck; bij Maaler en Frisius Wälck) en weruen (Deposcere. & Solicitare. ger. vvaerben; bij Maaler en Frisius Wärben).

Vermoedelijk nam Kiliaan al deze woorden, zowel die met vet. ger. als die met vetus, met of zonder ger.-equivalenten, op wegens de verwantschap ervan met gewone Nederlandse woorden. De betekenis van vetus moet hier overeenkomen met die van ger. in 1574 na het trefwoord: het geeft in het Duits gebruikte woorden aan die de oude Germaanse oorsprong van Nederlandse woorden duidelijk maken. Overigens zien we dat de aanduiding ger. onmiddellijk na het trefwoord in 1599 nog slechts zelden alleen voorkomt, maar bijna altijd in verbinding met een andere aanduiding.5)

1.2. Het Dictionarium van Calepinus

Kiliaan heeft soms equivalenten in verscheidene talen uit het polyglotte Dictionarium van Calepinus in een vernederlandste vorm opgenomen als vetus-woorden. Zo vormde hij vermoedelijk de woorden horse-breker (vetus. Equiso. angl. horse breake; bij Calepinus, ed. 1590, Equiso...Ang. An horse brcaker or keeper), Mis-happe (vetus ang.

[p. 85]

Infortunium; bij Calepinus Infortunium...Ang. Mishappe, mischance, mischiefe. De woorden Mis-kansse, Infortuniū. ang. mischaunse, en Mis-kief, fland. Infortunium: vitium. gal. meschef: ang. mischiefe, noemt Kiliaan niet vetus, blijkbaar omdat hij ze ook nog elders dan bij Calepinus gevonden heeft) en wijfsch beld (vetus. germ. Femina; bij Calepinus Foemina...Germ. Ein Weibsbild, ein Fraw. Weibsbild staat niet bij Maaler, Frisius of Dasypodius).

Ik merk op dat deze drie vetus-woorden zeer ongewoon zijn in het Nederlands. Horsebreker is niet opgenomen in het MNW of het WNT. Voor Mishappe vermeldt het MNW behalve Kiliaan ook de woordenboeken van Meyer en Weiland; het WNT schrijft over dit woord van Kiliaan: ‘de bedoeling is zeker, dat het woord in het Eng. eveneens luidt, daar Kil. niet gewoon is verouderde engelsche woorden op te geven...Hoewel daarnaast happe en happen in het Mnl. en ook bij Kil. niet voorkomen, zoo is er geen voldoende reden om aan Kiliaen's mededeeling te twijfelen, en des te minder, daar ndl. hapje nog heden bekend is in de bet. een gelukje, fortuintje, buitenkansje’. Toch meen ik dat Kiliaans Mis-happe, als vetus. ang.-woord, ons geen echt bewijs geeft voor het vroeger gebruik van dit woord: vermoedelijk nam hij het over wegens de vermeende samenstelling ervan uit twee gewone woorden, mis (verkeerd) en happen (grijpen). Voor de twee synoniemen ervan, die Kiliaan niet vetus noemt, vinden we wel bewijsplaatsen in het Nederlands: voor Miscanse vinden we er in het MNW weliswaar slechts één, maar voor Miskief een vrij groot aantal, zowel in het MNW als in het WNT. Wijfsbeelt tenslotte wordt in het MNW opgegeven als ‘in oostmnl.’, met één bewijsplaats.

Nog andere vetus-woorden heeft Kiliaan waarschijnlijk gevormd naar aanleiding van equivalenten in andere talen bij Calepinus, bijv. Eyle (j. eyl-land. Insula. gal. isle: hisp. isla. ang. yle; bij Calepinus Insula...Gall. Vne isle...Belg. Een Eylandt. Hisp. La isla...Ang. An yle), waarmee hij de etymologie van het woord eiland wil aantonen (Eyle staat niet in het MNW of het WNT), en Sleue (vetus. ang. j. mouwe. Manica; bij Calepinus Manica...Belg. Een mouwe...Ang. A sleeue, a manicle). Over Kiliaans woord Sleue schrijft het MNW: ‘Zijne opgave “vetus Ang” is niet zeer duidelijk: hij bedoelt zeker, dat

[p. 86]

het woord, behalve in het Engelsch, ook in het Ndl. bekend is geweest’. Ik geloof veeleer dat het Kiliaans bedoeling was met dit Engelse woord op een oude verwantschap met het Nederlands te wijzen, wellicht wel met sloouen de mouwen (j. op-slaen. Reflectere manicas).

In Kiliaans kanttekeningen bij zijn Etymologicum vinden we tenslotte nog een duidelijk voorbeeld: kock. vet. gallus. ang. &c. kockeloer & kockeloren vide in calepino. Hier vormt Kiliaan een vetus-woord kock met de betekenis van haan naar aanleiding van het Franse Coq en het Engelse A cocke bij Calepinus i.v. Gallus, om zo het woord kockeloeren te verklaren. In het Etymologicum zelf komt Kocke (j. haen) als vctus-woord overigens waarschijnlijk ook al uit deze bron. Voor deze betekenis van Kok verwijst het WNT alleen naar Kiliaan. Het schrijft: ‘Daar kok, althans in deze bet...in het Mnl. niet schijnt voor te komen, zou men voor het Ndl. kunnen denken aan een nieuwe spontane vorming of een ontleening’. Ik denk veeleer dat Kiliaan het woord in de betekenis van ‘haan’ heeft geconstrueerd naar aanleiding van de andere talen omdat hij er een etymologisch verband in zag met zijn volgende trefwoord kockeloeren.

1.3. Het Dictionaire Francoislatin van Thierry

Kiliaan heeft ook enige Franse trefwoorden uit het Dictionaire Francoislatin (Parijs, 1564) van Jean Thierry in een aangepaste vorm overgenomen als vetus-woorden, zoals blijkt uit de volgende voordeelden:

Thierry (1564) Etymologicum (1599)
Meseau, ou Mesel, Leprosus, Elephanticus... Mesel. vetus. j. melaedtsch. Leprosus ger. maltzig. gal. mesel, meseau.
Meselerie, Elephantia, & Elephantiasis, Lepra. meselrije. vetus. Lepra. gal. meselerie.
Roder le pais. Concursare, Peruagari terras. roden. vetus. j. rotteyen. Concursare, peruagari terras. gal. roder.

De woorden Mesel en meselrije heeft Kiliaan blijkbaar vooral opgenomen wegens de (vermeende) verwantschap met het Duitse maltzig

[p. 87]

(dit staat bij Maaler en Frisius) en met het Nederlandse mazelen (enige woorden verder staat in het Etymologicum Messelen. fris. j. maselen). Ik merk op dat Mesel en meselrije niet in het WNT zijn opgenomen en dat het MNW ervoor alleen naar Kiliaan verwijst. Roden verbindt Kiliaan met de eraan voorafgaande woorden Rode, reude (Canis mas: d.i. reu, rekel) en roden, reuden (Catulire). Hoewel rooien, rondzwerven, volgens het WNT in het Nederlands soms wel voorgekomen is en in het Westvlaams nog voorkomt, heeft Kiliaan het blijkbaar toch alleen naar aanleiding van het Franse roder opgenomen wegens de verwantschap ervan met Nederlandse woorden.

Soms combineerde Kiliaan gegevens van Thierry met die van een andere bron, bijv. in zijn artikel vaene. vetus. Palear: pellis è boum gutture instar vexilli depēdens. gal. fanon. Bij Thierry vinden we: Le Fanon d'vn beuf, la peau qui luy pend soubs le long du col, Palear, palearis. Kiliaan haalde zeer waarschijnlijk zijn Latijnse omschrijving en zijn gal.-equivalent uit Thierry, maar zijn trefwoord uit de Vocabularius Copiosus, die schrijft: Palear. de vane. pellis qui sub collo bovis fluitat.6)

Eigenaardiger nog zijn enige vet. fland.-woorden waarvoor ik geen andere bron dan Thierry heb kunnen vinden: Aronde (vet. fland. Hirundo. gal. arōdelle; Thierry: Arondelle, Hirundo...), Bokel (vet. fland. Vmbo. & Fibula. gal. boucle; Thierry: vne Boucle, Fibula) en Masse, massue (vetus. fland. Claua. gal. massue; Thierry: Vne Massue, Claua). Hoewel ook Verdeyen in zijn Vergelijkende lijst van de ‘Flandris’ woorden bij Kiliaan (Inleiding op het Naembouck, p. LVXCVI) geen mogelijke bron voor deze drie woorden heeft kunnen aangeven, steunt Kiliaan voor zijn aanduiding fland. hier nog wel op een andere bron. Vermoedelijk wil hij met de aanduiding vetus echter wijzen op de verwantschap van deze, hem persoonlijk onbekende,

[p. 88]

woorden met het Frans en zegt hij daarom dat ze tot de ‘oude taal’ behoren.

1.4. De Bibliotheca Scholastica van Rider

In mijn inleiding op Kiliaan IV (2.10) toon ik aan dat het Engels-Latijnse woordenboek van John Rider, de Bibliotheca Scholastica (Oxford, 1589), een bron geweest is voor verscheidene kanttekeningen van Kiliaan. Aan enige Engelse woorden hieruit gaf Kiliaan een Nederlands voorkomen, noemde ze vet. en voegde er na de Latijnse synoniemen (overgenomen van Rider) de Engelse vorm als ang.-equivalent aan toe: zo bijv. kancker (vet. i. roest. AErugo, ferrugo. ang. canker), kanker-worm (vet. Eruca, campe. ang. kankerworme), Ragghe (vet. Panniculum, lacinia. i. slets. ang. ragge), snuyuel (vet. Mucus, myxa. ang. sniuell), Waeue (vet. vnda, fluctus. ang. waue. gal. vague) en waeueren (vet. Vacillare. ang. wauer). Deze vetus-woorden, die verder in het Nederlands niet aangetroffen worden, heeft Kiliaan vermoedelijk opgenomen wegens de verwantschap ervan met woorden in zijn Etymologicum: Kancker (ziekte), Raghe (spinneweb), snuyuen en Waeueraet (Liquamen). Zou hij zo niet op het vermeende ‘oude etymon’ van deze Nederlandse woorden hebben willen wijzen?

Andere artikelen in zijn kanttekeningen paste Kiliaan uit de Bibliotheca Scholastica aan zonder de aanduiding vetus, met dan meestal als trefwoord een in het Nederlands gebruikelijk woord, bijv. schetteren ghelijck een kraeye (Cornicari ang. chatter), slobberen (Inquinare, sordidare, commaculare. ang. slubber) en wel dan (Euge. ang. wel done. age, agedum).

1.5. De Nomenclator Latinosaxonicus van Chytraeus

Uit de Nomenclator Latinosaxonicus (Rostock, 1582) van Nathan Chytraeus haalde Kiliaan enige woorden met de aanduiding vetus en met sax.-equivalenten na de Latijnse synoniemen, bijv. velt-steen (vetus. Silex. sax. feltsteyn, veltsteyn; Chytr. kol. 42: feldstein), Wreyt (vetus. j. wreed. Austerus, acerbus. sax. vvreyth; Chytr. kol. 512: wreith) en in de kanttekeningen wollen-knaep (vet. Lanificus, lanifex. sax. wullenknap; Chytr. kol. 262: wullenknap). Andere

[p. 89]

woorden uit deze Nomenclator noemt Kiliaan vetus. sax., bijv. mansbeeld (vetus. sax. Mas; Chytr. kol. 91: Mansbildc) en vleesch-moelic (vetus. sax. sic. j. vleesch-soppe. Iusculum è carne. & Offa carnis; Chytr. kol. 431: ein fleischmölie edder soppe).

Ook deze woorden nam Kiliaan blijkbaar op wegens de verwantschap met Nederlandse woorden. We vragen ons echter af waarom hij de eerste drie woorden alleen vetus noemt en de laatste twee vetus. sax.; is het misschien omdat de eerste drie nog dichter bij gewone Nederlandse woorden staan?

2. Vetus-fland.-woorden

In zijn studie De verouderde woorden bij Kiliaan (Gent, 1899) ging J. Jacobs na of de ongeveer 250 vet.-fland.-woorden in Kiliaans Etymologicum reeds in middeleeuwse bronnen voorkomen en of ze in latere tijd in een Nederlands dialect of in de algemene taal bekend waren. De term vet. fland. verklaart Jacobs als ‘verouderd Vlaamsch, d.i. een Vlaamsch woord of een Vlaamsche vorm die vroeger gebruikelijk was en naar Kiliaans beste weten nagenoeg in onbruik’ (p. 9). Zijn onderzoek toont aan dat slechts een vierde van Kiliaans vet.-fland.-woorden ‘inderdaad als Vlaamsch en terzelfder tijd verouderd’ beschouwd mag worden; een ander vierde van deze woorden wordt volgens Jacobs nog in Vlaanderen gebruikt (p. 13). Niet minder dan drie vijfde ervan wordt daarenboven echter ook elders gevonden. De auteur besluit dat Kiliaan zeer dikwijls waarheid spreekt, maar onvolledig werk leverde omdat hij de oorsprong van de bronnen niet kende (p. 8). Later verdedigde Jacobs zijn interpretatie van vet. fland. als ‘verouderd Vlaams’ nog in een lezing voor de Vlaamse Academie (cf. ‘VetusenVetus flandricumbij Kiliaan, in V.M.K.V.A. 1927, p. 300-314).

Verdeyen daarentegen verklaart vet. fland. als ‘dit is een oud woord en een Vlaams woord’: in sommige gevallen werd het volgens Kiliaan ‘nog’ door de Vlamingen gebruikt, maar in andere gevallen werd het volgens hem ook door hen alleen maar ‘vroeger’ gebruikt (cf. vooral zijn inleiding op het Naembouck, p. LII-LIV en CXX-CXXI).

[p. 90]

2.1. Het Nacmbouck van Lambrecht

Verdeyen vermeldt in zijn inleiding op het Naembouck (p. L, n. 44) enige vet.-fland.-woorden waarvoor dit Naembouck Kiliaans bron was. Het is in het geheel niet zeker dat Kiliaan deze woorden bovendien ook nog in een oude bron gevonden zou hebben. Wellicht postuleert hij dat deze woorden in de oude lingua Teutonica bestaan hebben enkel wegens de verwantschap ervan met andere woorden die tot de algemene omgangstaal van zijn tijd behoorden.

Wanneer Kiliaan in het Naembouck Nieten oft te nieten doen vindt, neemt hij Nieten, dat hij in zijn eigen taalgebruik niet kent, op als fland. op grond van zijn bron en als-vet. omdat dit het grondwoord is van ver-nieten (ver-nietighen), waarnaar hij verwijst; te niete doen, dat hij als algemeen Teutonicum beschouwt, neemt hij zonder beperkende aanduiding op.

Ook Spilder (door Verdeyen in zijn lijst vergeten) heet fland. op grond van het Naembouck en vet. wegens het volgende, algemeen gebruikelijke spille-been. Van dit woord postuleert Kiliaan om etymologische redenen ook de vorm spilder-been7).

Het woord Spiet neemt Kiliaan eveneens op als vet. flan., met een verwijzing naar spiesse, maar ook met het equivalent sax. speit. Dit woord heeft hij inderdaad niet alleen in het Naembouck (Spiet, sperre: Espieu) gevonden, maar ook bij Chytraeus (in 1585: Hasta...Spedt, Lance, kol. 223), zodat hij het ook hierom als oorspronkelijk algemeen Germaans kon beschouwen. Op Spiet volgt in het Etymologicum spietse. j. spiesse, wat aantoont dat Kiliaan Spiet aanneemt als grondvorm vorm van Spiesse.

Een ander woord, ghe-nooten (coire, concumbere), vond Kiliaan in het Naembouck enkel i.v. Naturéren. Dit laatste woord nam hij achteraan in zijn lijst van bastaardwoorden op, maar het echt Germaanse ghe-nooten noemt hij vet. fland.

Ook in zijn kanttekeningen neemt Kiliaan nog enige vet.-fland.-woorden uit het Naembouck op, bijv. afgoddist (Idololatra; in het

[p. 91]

Naembouck Afgoddiste: Idolatre), volgens Kiliaan blijkbaar ook een niet-algemeen, maar toch oud Nederlands woord, verwant met andere Nederlandse woorden. Bij ver-ghif (ver-ghiffenisse), dat in het Etymologicum alleen vetus heet, blijkbaar als grondwoord van verghiffenisse, voegt Kiliaan in zijn kanttekeningen ook fland. en wel op grond van het Naembouck. Bij ver-quaeden (ver-argeren) daarentegen, in het Etymologicum ook een vetus-woord, heeft Kiliaan in zijn kanttekeningen vetus vervangen door fland., wellicht omdat hij dit woord bij nader inzicht toch maar als een gewoon gewestelijk woord beschouwde. Deze voorbeelden laten zien dat Kiliaan bij woorden uit het Naembouck soms aarzelde met de aanduidingen vetus en fland.

2.2. Het Dictionariolum van Paludanus

Bij de fland.-woorden die Kiliaan volgens de vergelijkende lijst van Verdeyen8) uit het Dictionariolum rerum maxime vulgarium (Gent, 1544) van Paludanus overgenomen kan hebben, heb ik twee vet.-fland.-woorden gevonden. Het eerste is be-strijden (vet. fland. Obiurgare), waarvoor Paludanus (ed. 1561) schrijft: Obiurgare, bekijuē, bestrijdē. tenser, reprendre aigrement (p. 75). Ik merk op dat Kiliaan bij Bekijuen geen beperkende aanduiding voegt, blijkbaar omdat hij dit een gewoon woord vindt; deze betekenis van be-strijden daarentegen vindt hij wel ongewoon (daarom noemt hij het fland.), maar wellicht toch ‘etymologisch’ mogelijk en daarom vet. Ook het woord Liekercke (vet. fland. j. munte. Mentha) heeft Kiliaan waarschijnlijk van Paludanus overgenomen, die (ed. 1561) schrijft: Nenta < sic >, heylighe, lie kercke, hertecruyt. herbe nommée mente (p. 37). De woorden heylighe en herten-kruyd neemt Kiliaan als fland. op; waarom hij bij Liekercke ook nog vet. schrijft, is niet duidelijk.

2.3. De Flandria van Marchantius

Verdeyen vermeldt twee voorbeelden van vetus-fland.-woorden die Kiliaan ontleend heeft aan de Flandria Commentariorum Lib. IIII

[p. 92]

Descripta (Antwerpen, 1596) van Jacobus Marchantius9). Beide woorden, keur-heer en land-houder, staan bij Marchantius in dezelfde zin (p. 148) en zijn volgens hem niet oud: hij gebruikt het presens appellantur. Hieruit besluit Verdeyen dat ze voor Kiliaan ‘Vlaams en bovendien oud’ zijn, een bevestiging dat men vetus en fland. uit elkaar moet houden. We kunnen hiermee akkoord gaan, maar menen dat vetus hier slaat op de verwantschap met andere Nederlandse woorden, inzonderheid stad-houder en keur, zodat Kiliaan wijst op de oude oorsprong ervan.

2.4. Welke andere bronnen had Kiliaan voor vet.-fland.-woorden?

Uit de drie bovenvermelde bronnen komt volgens Verdeyens vergelijkende lijst (p. LV-XCVI) slechts een klein gedeelte van Kiliaans vet.-fland.-woorden. Verdeyen vermeldt zelf (p. XXXVIII) nog het veertiende-eeuwse Livre des mestiers of Bouc van den ambachten als een mogelijke, maar niet zeer waarschijnlijke bron. In dit werk, uitgegeven door J. Gessler in 1931, staan ook enige van Kiliaans vet.-fland.-woorden, bijv. messagier, rosside (cf. Verdeyen, p. XXXVIII) en arselmaend (id., p. LV), maar een echt bewijs voor ontlening heb ik niet kunnen vinden. Bij de lijst van maanden in het Livre des Mestiers (f. 11r, ed. Gessler, 1, p. 24) is me wel opgevallen dat hier behalve Kiliaans vet. flan. aerssel-maend (October) ook twee vetus-woorden, Piet-maend (September) en smeer-maend (November) te vinden zijn. Een andere bron, die misschien zelf op het Livre des mestiers steunde, is echter goed mogelijk.

Enige andere vet.-fland.-woorden kunnen eventueel in een aangepaste vorm overgenomen zijn uit het boven (1.2) reeds besproken Dictionarium van Calepinus: bijv. Koyffe (j. beckeneel...gal. coiffe. i. Capillare, reticulum; bij Calepinus Capillare...Reticum...Gall. Vne coiffe...Calepinus vermeldt hier geen Nederlands; coiffe staat niet bij Thierry), Mottoen (j. haemel. Veruex. gal. mouton: ital. montone castrato; bij Calepinus Veruex...Gall. Vn mouton. Ital. Castrone, castrato montone. Ger. Ein hammel. Calepinus vermeldt weer geen

[p. 93]

Nederlands. De Nomenclator van Junius schrijft ongeveer hetzelfde: Veruex...B. Hamel, weer. G. Mouton. It. Montone castrone, castrato...(ed. 1577, p. 40), Radie (Radius. gal. rayon: ital. raggio: hisp. rayo; bij Calepinus Radius...Gall. Rayon du Soleil...Ital. Raggio...Hisp. El rayo...), Stoppe (Stupa, siue stypa συπεῖον, συπωίον. gal.

estoupe: ital. stoppa. hisp. estopa: a stoppen. i. stipare. quòd stupa nauium rimoe stipentur siue obturentur; bij Calepinus Stupa, poe, vel Stypa...Gall. Estoupes de lin ou de chanure. Ital. Stoppa...Hisp. Estopa de lino...à Groeco συπεῖν, quod stupam significat: vel à stipando, quòd ea stipentur: hoc est, obturentur navium rimoe) en Wijghant (Gigas...gal. geant: ital. gigante: hisp. gigante: ang. giant; bij Calepinus Gigas...Gall. Geant. Ital. Gigante...Bel. Een Ruese. Hisp. Gigante. An. A gyant...). Hoewel Calepinus voor deze voorbeelden wel een bron is geweest, schijnt de aanduiding fland. daarnaast nog op een andere bron te wijzen. Blijkbaar wijst de aanduiding vet. echter op de stamverwantschap in de verschillende talen en steunt deze op Calepinus.

Wanneer we in het oog houden dat Kiliaan met vetus vooral op de oude oorsprong wilde wijzen van woorden die hij in zijn eigen taalgebruik niet kende, kan het ons niet zozeer verwonderen dat hij ook thans algemeen gebruikelijke woorden vet. fland. noemt, bijv. achterhoede, boeren, ghe-sellinne, oolick (oodelick) en Rancke (ramus).

3. Uit oude woordenboeken overgenomen vetus-woorden

Een aantal vetus-woorden heeft Kiliaan overgenomen uit oude woordenboeken, zeker uit twee vijftiende-eeuwse woordenboeken, de Teuthonista (Keulen, 1477) van G. van der Schueren en de Vocabularius Copiosus (Leuven, ca. 1481-1483), en waarschijnlijk ook uit twee oudere zestiende-eeuwse zakelijk ingedeelde woordenboeken, de Pappa (Deventer, 1514) van J. Murmellius en het Tyrocinium linguae Latinae (Antwerpen, 1552) van P. Apherdianus.

3.1. De Teuthonista van Van der Schueren

Hoewel ik er lang aan getwijfeld heb of de Teuthonista (Keulen, 1477) van de Kleefse secretaris Gerard van der Schueren een bron

[p. 94]

voor Kiliaan is geweest (zie nog mijn inleiding op Kiliaan IV, 2.13), meen ik nu voldoende overeenkomst ervan met Kiliaans vetus-woorden te hebben gevonden om beïnvloeding aan te nemen.

Zo komen waarschijnlijk uit het Nederrijns-Latijnse deel van de Teuthonista de vetus-woorden braecke (j. ghebreck. Defectus, carentia; in de Teuthonista Braicke. gebreck. Defectus. carencia. indigencia), gheyl (Fecundus, vber; in de Teuthonista Gheyl. vruchtber als eyn acker off boem. Fertilis. Uber. Fructuosus. fecundus...), ghelden (Emere), kraemen (Mercari...), marckten (Mercari...; in de Teuthonista Copen. cramen. tuygen. marckten. gelden. Emere. comparare. mercari...), huppelinck (j. vorsch. Rana; in de Teuthonista Huplyng. vorsch. Rana...), Oecken (j. ver-meerderen; in de Teuthonista ver-Meerren. oecken. Augere. Augmentare), wegh-laeghen (Insidiari; in de Teuthonista voirHalden. wege laigen. laighleggen. Insidiari...) en Neder-kleed (j. broecke. Femorale; in de Teuthonista Broicke. nederkleit. lendenyer. Bracca...Femorale...).

Uit dezelfde bron kan het vetus-sicamb.-woord kerck-heer komen (j. prochiaen, d.i. paroecus, curio; in de Teuthonista Kerckner. parner < = parher> kerspelpaep. Pastor...Kiliaan noemt Par-heer ger. sax. fris. sicam. en kerst-pel-man, kerst-pel-pape een gewoon woord; ik merk nog op dat ook Kerspelsman in de Teuthonista staat); het is ook mogelijk dat Kiliaan ver-dacht (Suspectus) vetus noemt omdat hij het in de Teuthonista gevonden heeft (verDacht. bewaynt. Suspectus).

Enige van Kiliaans vetus-woorden kunnen uit het Latijns-Nederrijnse deel van de Teuthonista overgenomen zijn, bijv. maegh-taele (j. maegh-schap; in de Teuthonista Consanguinitas. Maichtale of maichscap).

Andere voorbeelden van ontlening heb ik gevonden in Kiliaans kanttekeningen bij zijn Etymologicum. Zo bijv. Bloycken (Latrare), dat hij er tweemaal optekent, eenmaal met de aanduiding vet. en eenmaal met de aanduiding sicamb. (in de Teuthonista Bloicken als eyn hont...Bassen) en verren (vet. Procul abesse. & Procul discedere; in de Teuthonista Verren. Elongare. Absentare. Abvicinare). Een ander voorbeeld is wijse moeder (sicamb. Obstetrix), dat Kiliaan eveneens als vetus-woord heeft bijgeschreven in een kanttekening bij

[p. 95]

zijn exemplaar van de Thesaurus Theutonicae linguae: Wijse moeder. vet. j. vroed vrouwe. obstetrix.

Zo zien we hoe Kiliaan bij woorden uit de Teuthonista meestal vetus schreef, maar ook sicamb. (Sicambrisch, dat volgens zijn Praefatio de streek van Kleef omvat). Beide aanduidingen wijzen erop dat een woord in het Teutonicum ongewoon is: bij vetus dacht Kiliaan er daarbij aan dat hij het uit een oude bron haalde en bij sicamb. dat deze bron uit de streek van Kleef kwam.

Het aantal vetus-woorden uit de Teuthonista is toch vrij beperkt: op de eerste 200 zuiver vetus-woorden (niet gecombineerd met een andere aanduiding of met equivalenten in andere talen) in het Etymologicum heb ik er slechts drie gevonden die waarschijnlijk aan dit woordenboek ontleend zijn.

3.2. De Vocabularius Copiosus

Al enige jaren geleden heeft Dr. F. de Tollenaere (Leiden) me gesignaleerd dat de Vocabularius Copiosus (Leuven, ca. 1481-1483) een bron voor vetus-woorden van Kiliaan geweest kan zijn, inzonderheid voor drie artikelen vaerende vrouwe, vaerende wijf (cf. WNT XVIII, kol. 544 en p. XVI en MNW VIII, kol. 1265). Deze drie artikelen komen inderdaad zeer waarschijnlijk uit de Copiosus: voor de eerste betekenis staat varende vrauwe er i.v. Drias, voor de tweede i.v. Pharail en voor de derde i.v. Abiena (volgens het MNW een zetfout voor Aliena).

Ik heb nog enige duidelijke voorbeelden van ontlening gevonden, waarbij ook Kiliaans Latijnse omschrijving overeen komt met die in de Copiosus:

Copiosus (ca. 1481-1483) Etymologicum (1599)
Cucurbita een veetsen dicitr quedā herba fructu rotondo... Veetse. vet. Cucurbita: herba fructu rotundo.
Instans teghenwordicheit vloes dr finis pteriti...vel breuissima pars temporis que nō expectat successionem... Vloes, vleus, vlus. vet. j. teghenwoordigheyd. Instans: instās monumentu, breuissima pars temporis. & Mox.

[p. 96]

Het voornaamste argument voor ontlening van vetus-woorden aan de Copiosus is echter het vrij grote aantal in het Nederlands ongewone woorden die Kiliaan vetus noemt en die met dezelfde Latijnse equivalenten in de Copiosus staan, bijv. adel-broeder (vet. Adelphus; Copiosus: Adelphus adelbrueder...), bie-bock, bie-buyck (vetus. Apiarium, aluearium) en bie-karre (vetus. j. bie-korf; Copiosus: Apiariū een byeboc een byekaer...Alueare een bieboc een byekaer...Aluearium idem...), black (vetus. Glaber; Copiosus: Glaber bra brm. blac ghelet saechte...), blick (vetus. j. blanck. Candidus; Copiosus: Candidus. a. um blick ende vel wit...), boeck-mangher (vetus. Bibliopola; Copiosus: Bibliator een boecmanghere...Bibliopola idem...), Bolghenschap (vetus. Offensa, culpa; Copiosus: Offensa mesdaet vel bolghenscap. i. culpa...), dijeling (vetus. Femorale; Copiosus: Femorale lis. dielinc...), domen (vetus. j. dompen. Vaporare; Copiosus: Vaporare domen...), drintigh (vetus. Turgidus; Copiosus: Turgidus da dum. tornich vel drintich...), droeuē (vet. Dolere, tristari. & Turbare; Copiosus: Tristor aris. tristari drueuen. idē dolere...Turbo as. are. turberen storen drueuen...), dwaes-voghel (vetus. Nycticorax; Copiosus: Nicticorax een iup vel dwaesvoghel...), dweerse bijle (vet. Ascia. & Bipennis; Copiosus: Bipennis een dweersbiil...), Erre (vetus. Ira: & Iratus; Copiosus: Iratus ta turn erre...), er-schap (vetus. j. gram-schap; Copiosus: Ira erscap...), Ghe-selen (vet. Confligere; Copiosus: Confligere gheselen i. siml fligere pugnare...), Ghe-tons, ghe-tonst (vet. Pactum; Copiosus: Pactum ghetonst...), ghe-trouwen (vetus. j. betrouwen; Copiosus: Fido is. fisus sum ghetruwē...), Gheysen (vet. Curare, mederi, Copiosus: Curare sorghen vel ghenesen gheysen...medeor...), Ghichte (vet. j. ghifte. Donum; Copiosus: gaue uel een ghichte...), Keeffen (vetus. j. kebsen. Fornicari; Copiosus: Fornicor aris fornicari keeffen...), kimp (vetus. j. kamper. Pugil; Copiosus: Pugil een kimpe...), Kleyne (vetus. j. heymelicke. Latrina; Copiosus: Latrina een cleine...), vloedigheyd (vetus. Copia; Copiosus: Copia volheit vel vloedicheit...) en Wakel (vetus. Vlcus, apostema; Copiosus: Vlcus eris. een wakel, ē apostema).

Nu is het wel waar dat de meeste van deze woorden (niet: de Latijnse verklaring bij Cucurbita een veetsen, het hele artikel Instans...

[p. 97]

vloes...en de woorden blac, boecmanghere, ghichte en cleine) ook vrijwel letterlijk hetzelfde staan in het handschrift Expositiones Vocabulorum tribus ydeomatibus (Hs. O.B. 1.17 van het Plantijnmuseum te Antwerpen). Dit handschrift is zeer waarschijnlijk een bewerking van de Vocabularius Copiosus10). Deze laatste is echter een waarschijnlijkere bron van Kiliaan omdat de zes hierboven vermelde voorbeelden niet in het handschrift staan en omdat het zeer de vraag is of dit handschrift in de zestiende eeuw reeds in het bezit van Plantijn of Kiliaan was (Van Sterkenburg vermeldt nog een zeventiende-eeuwse hand ‘franciscus faber est nomen meus’11) en of Kiliaan het kon kennen. Slechts één van Kiliaans vetus-woorden, borckel (j. gheere, slippe) heb ik in het handschrift en niet in de Copiosus gevonden (cf. voor dit woord O. de Neve in Ts. 88, 1972, p. 273-276). Wellicht is voor dit éne woord toch een andere, verwante bron mogelijk.

Zeer waarschijnlijk heeft Kiliaan een betrekkelijk groot aantal van zijn vetus-woorden uit de Vocabularius Copiosus overgenomen: op de eerste 200 zuiver vetus-woorden (zonder een andere aanduiding en zonder equivalenten in andere talen) heb ik er 22 gevonden die hij waarschijnlijk en 6 andere die hij misschien uit deze bron heeft gehaald. Toch had Kiliaan ongetwijfeld nog heel wat meer dergelijke ongewone woorden uit de Copiosus kunnen halen. Hij is selectief te werk gegaan. Aan de hand van de gevonden voorbeelden van ontlening meen ik te mogen aannemen dat zijn criterium hierbij geweest is de overeenkomst of beter nog de aangenomen verwantschap met andere, in het Nederlands gewone woorden.

De vetus-woorden uit de Copiosus kunnen we ‘verouderde Nederlandse’ woorden noemen, althans in die zin dat ze in de oudere geschreven taal vóór Kiliaan voorkomen, in tegenstelling bijv. met de vetus-woorden die Kiliaan uit anderstalige woorden in een aangepaste vorm heeft overgenomen.

[p. 98]

3.3. De Pappa van Murmellius

In een artikel over Sicambrische woorden, dat weldra zal verschijnen, wijst G. de Smet op enige waarschijnlijke en mogelijke ontleningen van Kiliaan aan de Pappa (Keulen, 1513/ Deventer, 1514) van Joannes Murmellius. Onder de waarschijnlijke ontleningen noemt hij het vetus sicamb.-woord Slup (Ligula), duidelijk een verschrijving of zetfout voor sleup, want het staat tussen Sleunen en Sleur; in de Pappa staat sleup i.v. Ligula (ed. Deventer 1518, f. D ir, bij vergissing seup). Onder de mogelijke ontleningen noemt De Smet nog het vetus. sicamb.-woord hornte (Crabro. angl. hornet), dat in de Pappa i.v. Crabro staat (ed. 1518, f. B ijv). Ik vermoed dat Kiliaan het angl.-equivalent hornet uit het Dictionarium van Calepinus kan hebben overgenomen, waar we i.v. Crabrones (mv.) het Engelse meervoud Hornettes vinden. De overeenkomst van dit Engelse met het Sicambrische woord kan voor Kiliaan een reden geweest zijn om beide over te nemen.

In de uitgave van de Pappa uit Deventer in 1518 heb ik tevergeefs nog naar andere vetus- of vetus-sic.-woorden van Kiliaan gezocht.

3.4. Het Tyrocinium van Apherdianus

In de inleiding op het Tyrocinium linguae Latinae (Antwerpen, 1552) van Petrus Apherdianus, ter perse in de reeks Monumenta Lexicographica Neerlandica, vermeld ik bij 5.1. Invloed op het Etymologicum van Kiliaan het vetus-woord vlock-assche (Fauilla), dat Kiliaan waarschijnlijk uit het Tyrocinium heeft overgenomen. Het zijn de enige twee plaatsen waar dit woord in het Nederlands werd aantroffen.

Tevergeefs heb ik in het Tyrocinium echter naar andere vetus-woorden gezocht die Kiliaan eruit zou hebben overgenomen. Gewoonlijk neemt hij ontleningen aan dit zakelijk ingedeeld woordenboek op zonder een beperkende aanduiding, misschien een enkele keer met sicamb., al is dit niet zeker. Waarom zou hij vlock-assche als vetus beschouwen? Wellicht omdat het voor hem een ongewoon woord is,

[p. 99]

dat toch samengesteld is uit twee gewone Nederlandse woorden en dat dus etymologisch tot het Teutonicum behoort.

4. In een van Kiliaans bronnen als verouderd vermelde woorden

Kiliaan heeft als vetus, meestal gecombineerd met een andere aanduiding, een aantal woorden opgenomen die in een van zijn bronnen, hoofdzakelijk van niet-lexicografische aard, verouderd genoemd worden. Vaak worden deze woorden daar opgenomen ter verklaring van bekende en gebruikelijke woorden. Ik vermoed ook dat dergelijke verklaringen Kiliaan op de gedachte gebracht hebben in zijn woordenboek vetus-woorden op te nemen.

4.1. De Annales Boiorum van Turmair of Aventinus

In mijn inleiding op Kiliaan IV (3.26) vermeld ik drie woorden die Kiliaan als vet. ger. heeft overgenomen uit de Annalium Boiorum libri septem (Ingolstadt, 1554) van Johann Turmair of Joannes Aventinus: her-schuld, herban en reys-gheld. Het gaat hier over drie benamingen van een oorlogsschatting die volgens Turmair in de tijd van Karel de Grote werd opgelegd en waarvan deze zegt dat het er de ‘Germanica vocabula’ voor zijn.

4.2. De Opera van Becanus

Kluyver schrijft in zijn Proeve eener Critiek dat Kiliaan de vetus-woorden Ancken (p. 91-92) en Kalle (p. 115-116) onder invloed van Becanus heeft opgenomen. Beide woorden zijn verder in het Nederlands onbekend.

Ancken (Figere) beschouwt Kiliaan ongetwijfeld als het grondwoord van Ancker, in navolging van Becanus, die in zijn Opera hactenus non edita (Antwerpen, 1580) schrijft: ‘Anc idem est quod figo, vnde Ancker instrumentum quo vel naues finguntur’ (Francicorum libri III, p. 84). Hoewel Kiliaan deze redenering niet herhaalt, veronderstelt hij ze toch wanneer hij het werkwoord anckeren vertaalt met ‘Figere anchoram...anchora fundare nauem’.

Ook voor Kalle (Pulchra, formosa) steunt Kiliaan volgens Kluyver op Becanus, ‘voor wiens philosophischen geest het woord kal eigen-

[p. 100]

schappen bezit, die op een hooge oudheid wijzen. Het is een dier onverminkte vormen, waarin men duidelijke sporen waarneemt van den geest des Scheppers’ (Proeve eener Critiek, p. 116). In dezelfde Opera van Becanus. in het deel Hermathenoe, p. 73, vinden we in margine ‘Cal, id est pulcher’. Het woord Kal (Pulcher), dat Kiliaan, wellicht uit onachtzaamheid, niet vetus noemt, verbindt hij nog met het Griekse ϰαλός.

4.3. De Britannia van Camden

In mijn inleiding op Kiliaan IV (3.5) vermeld ik drie kanttekeningen met vetus, die Kiliaan heeft overgenomen uit de Britannia (Londen, 1586) van William Camden: groen, gron (vet. sax. Locus palustris. Hinc Groningen vrbem Frisiae occidentalis dictam scribit Guil. Camdenus), shyre (vet. angl. sax. i. partiri, als verklaring bij het artikel Schier, schierken houts. fland. Pars aut particula ligni abscissa) en kyning, cyning (vet. sax., i.v. koningh). In de eerste twee gevallen spreekt Camden over een ‘Saxonica dictione’ met een werkwoord in het presens, maar in het derde geval over ‘Saxonico verbo maiores nostri (appellauerunt)’.

Een ander voorbeeld geef ik in Ts. LXXXVII (1971), p. 13: aan het vetus. ang.-woord Holm, holme voegt Kiliaan in zijn kanttekeningen de aanduiding sax. toe met een Latijnse omschrijving uit en een verwijzing naar Camden. Hier zegt Camden duidelijk in het perfectum ‘vocârunt Saxones’, zodat Kiliaan het vetus. ang.-woord nu wel tevens vetus-sax. wil noemen.

Ook een vet. germ.-aanduiding heb ik gevonden die uit Camden komt, nl. bij Glesse i.v. Glas, waarover Camden schrijft: ‘cum Germani antiqui electra Glesse vocarint’ (Britannia. ed. 1590, p. 747).

4.4. De Getarum gestis van Jornandes

Ook het werk van de zesde-eeuwse bisschop van Ravenna, Jornandes, De Getarum, siue Gothorum Origine & rebus gestis, in 1597 te Leiden uitgegeven door Bonaventura Vulcanius, was een bron voor Kiliaans kanttekeningen. In mijn inleiding op Kiliaan IV (3.12) vermeld ik het vetus-woord Alruyne, waarbij Kiliaan naar Jornandes

[p. 101]

verwijst. Deze noemt Aliorumnas een woord van de Goten (p. 67), maar in zijn commentaar schrijft Vulcanius juist dat Alrunoe de huidige benaming is: ‘quoe & hodie vocantur Alrunoe’ (p. 183). Zou Kiliaan soms het hele bedrijf van ‘mulier maga’ (tovenares) als verouderd of als uitheems beschouwen?

4.5. De Batavia van Junius

In Ts. LXXIV (1956), p. 47, merkt De Smet op dat Kiliaan zijn vetus-woorden Swent (Iuuenis) en swente (Virgo, iuuencula) uit de Batavia (Leiden, 1588) van Hadrianus Junius heeft gehaald, waarin we lezen: ‘Gothicè namque...Suentha virgo seu iuuencula...Cimbri12) hodierno die, swenth, iuuenem appellant’ (p. 409). Junius noemt deze woorden bestanddelen van de persoonsnamen Amalasuinda en Suenthibold. Deze namen heeft Kiliaan eveneens van Junius overgenomen, in de vormen Amalasuente en Suenthibold, zodat we kunnen aannemen dat Kiliaan Swent en swente als bestanddelen hiervan opneemt en vetus noemt.

4.6. De Nomenclator van Junius

Kluyver vermeldt het vetus-woord vaerende wijf (toouerersse) en het vetus. hol.-woord Woack (dood-kleed), die Kiliaan uit de Nomenclator omnium rerum (Antwerpen, 1567) gehaald heeft (Proeve eener Critiek, p. 19). Het woord vaerende wijf zelf staat nu wel niet in de Nomenclator, maar de Latijnse omschrijving ‘volatica mulier, apud veteres, teste Adr. Iunio. strix volatica’ komt uit de volgende passage: ‘Lamia...Malefica mulier quoe et volatica antiquitus dicebatur, teste Festo, & strix...B. Toueresse...’ (Nomenclator, ed. 1577, p. 367). Het trefwoord vaerende wijf kan Kiliaan dan naar aanleiding van ‘mulier volatica’ overgenomen hebben uit de Vocabularius Copiosus, waar we vaerende vrowe zeer waarschijnlijk met deze betekenis vinden i.v. Pharail (cf. boven, 3.2). Het woord Woack, dat Kiliaan als vetus. hol. karakteriseert, behoort volgens Junius inderdaad tot de ‘vetusta

[p. 102]

Batavorum lingua’ (Nomenclator, ed. 1577, p. 123, i.v. Amiculum ferale), zodat vetus.-hol. hier inderdaad wel ‘Oudhollands’ zal betekenen.

4.7. De origine Frisiae van Kempius

In mijn inleiding op Kiliaan IV (3.13) vermeld ik twee vet. fris.-woorden, koorde, korde en Schoet, die Kiliaan in zijn kanttekeningen heeft overgenomen uit De origine, situ, qualitate et quantitate Frisiae, et rebus a Frisiis olim praeclare gestis (Keulen, 1588) van Cornelius Kempius. Deze noemde die twee woorden gebruikelijk bij de oude Friezen, zodat het wel degelijk ‘oude Friese’ woorden zijn.

4.8. De Archaionomia van Lambarde

De Smet heeft er reeds verscheidene jaren geleden in een onuitgegeven lezing voor een Colloquium van Gentse germanisten op gewezen dat vetus sax. in enige gevallen waarschijnlijk teruggaat op William Lambarde. In mijn inleiding op Kiliaan IV (3.14) geef ik enige voorbeelden van vetus-woorden uit de Archaionomia sive de Priscis Anglorum Legibus libri (Londen, 1568) van Lambarde: heyde, heyde lands (vetus. sax.) in het Etymologicum, ealdormen (vet. angl., i.v. ouder-man) en man-boete, mans-boete (vetus) in de kanttekeningen. Een ander voorbeeld is were (Luitio) in het Etymologicum vetus. sax. ang., dat Lambarde Saxonicè noemt (f. Bijv).

Al deze woorden en ook andere, die Kiliaan sax. angl., apud Anglosax. of apud veteres Saxon. noemt, komen uit een lijst van Oudengelse woorden, waarbij Lambarde meestal Saxonice schrijft. Deze verschillende aanduidingen schijnen voor Kiliaan ongeveer dezelfde waarde gehad te hebben, nl. Angelsaksisch. Het valt op dat Kiliaan verscheidene van die woorden ter verklaring of vergelijking bij gewone Nederlandse woorden schrijft, bijv. in de kanttekeningen gebure sax. ang. i.v. Boer, gerefa sax. angl. i.v. graef, marca apud Anglosax. i.v. marck en pund apud veteres Saxon. i.v. Pond (cf. mijn inleiding op Kiliaan IV, 3.14).

[p. 103]

4.9. De Miraculis van Lemnius

In Ts. XC (1974), p. 139, heb ik een vetus-woord vermeld dat Kiliaan in zijn Etymologicum heeft overgenomen uit De Miraculis occultis naturae libri (ed. 6, Antwerpen, 1581): stelle, stalle. vetus. j. kreke. Zoals ik daar geschreven heb, heeft Kiliaan zich hier vergist en aan stelle, stalle een betekenis gegeven die het bij Lemnius niet heeft. Deze zegt namelijk dat de Zeeuwen (nostri) die naam geven aan schaapskooien of veestallen. Het is niet duidelijk waarom Kiliaan dit woord vetus noemt: de meeste woorden waarbij Lemnius ‘nostri’ schrijft, karakteriseert hij immers als zeland.

4.10. De Poliorceticôn van Lipsius

Ook de Poliorceticôn sive de machinis, tormentis, telis, libri quinque (Antwerpen, 1596) van Justus Lipsius was een bron voor een vetus. ger.-woord en waarschijnlijk ook voor een vet.-woord in Kiliaans Etymologicum. Het artikel Tribock (vetus. ger. j. springhael, blije. vulgò tribucetum) komt volledig en het artikel sprinck-hael, springael, sprinck-gael, springhel (vet. Catapulta: balista machinae bellicae genus, ballistae tormentum. gal. leod. espringall, vulgò trebuchetum. gal. trebucet. i. trutina, libella, Iust. Lips. vide Blije) zeker voor een deel uit de volgende passage van Lipsius (p. 152):

In Chronico quodam Leodicensi...tribuceta...Bibliam petrariam, & cetera bellica instrumenta. Ex quibus dixeris Biblias quoque, hoc genus appellatum...An illud accedit, quod Trybock (voce haud nimis diuertente) Germani dicunt? Ita enim in fragmento quodam Germanicae historiae...Neque scio an Gallorum non etiam vox sit, quibus instrumenta aut machinulae suspensae & lapsiles, Trebuchetz appellantur. Lego & in aliis Chronicis *Esspringalles, (in margine) *In Leodicensi...des engens & mangoneals & espringalles.

Kiliaans vetus-ger.-woord Tribock staat bij Lipsius inderdaad als Oudgermaans13). Het is mogelijk dat hij ook het artikel van het vet.-

[p. 104]

woord sprinck-hael volledig heeft gevormd naar aanleiding van de tekst van Lipsius, waarbij hij dan aan het Luiks-Franse woord espringalle een Nederlandse etymologie gaf en het afleidde van Sprinck (spronck).

4.11. Otfrid, Willeram en Merula

Zoals ik in Ts. 87 (1971), p. 18, en in mijn inleiding op Kiliaan IV (3.28) reeds heb geschreven, heeft Kiliaan het vetus-woord Adeeligh in zijn kanttekeningen overgenomen uit de Oudduitse parafrase van het Hooglied door de elfde-eeuwse abt Willeram, in 1598 te Leiden uitgegeven door de Hollandse rechtsgeleerde Paulus Merula onder de titel In Canticum Canticorum Paraphrasis gemina.

In deze uitgave neemt Merula ook een woordenlijst op uit het Oudduitse evangelie van Otfrid, Expositio Alemanica veterum Francorum Vocabulorum, in libro Euangeliorum Otfridi usitatorum (p. 169-179). Uit deze lijst heeft Kiliaan ook twee vetus.-ger.-woorden opgenomen in zijn Etymologicum: Gome (vetus. ger. Homo. Otfrid. VVeissenburg; ed. Merula, p. 172 Gomon, mensch, nobis mensch, homo) en vvorold (i.v. Wereld; ed. Merula, p. 179 Vuorolt, werlt, nobis werelt, mundus). I.v. Quetteren verwijst Kiliaan ook nog naar Otfrid voor: ‘quetten & quaden veteres Teut. dixerunt pro loqui; ed. Merula, p. 176 Quad, sagt, sprach, nobis seide, inquiebat).

In het volgende voorbeeld heeft Kiliaan de woorden van Otfrid als germ.-equivalent opgenomen en de equivalenten van Merula als vetus. holl.: sweer, swaegher. vetus. holl. Gener. germ. schvvcher: suehur apud Otfrid (ed. Merula, p. 177: Suehur, schweher, nobis sweer, aut swager, gener). Het woord swagher heeft Kiliaan in deze betekenis eveneens als vetus. holl. opgenomen, hoewel Merula het duidelijk als zijn (‘nobis’) equivalent geeft. Blijkbaar wil Kiliaan erop wijzen dat deze voor hem vreemde betekenis van swagher toch verwant is met de twee andere betekenissen van het woord: het is een ‘oude’ verwantschap. Zo kunnen we vetus. holl. hier opvatten als een oud en ook een Hollands woord.

Hetzelfde kan gelden voor Waeren (vet. holl. j. wandelen), dat Kiliaan uit de commentaar van Merula op Willeram gehaald heeft (p. 40: quibusdam waren, etiam pro wandelen). I.v. Wambeys haalt

[p. 105]

Kiliaan nog uit dezelfde commentaar het woord van Willeram wambon (p. 30: Wambon, Venter, & hinc forte facta vox wambeys), waarvan Kiliaan zegt: ‘veteribus dicitur venter’.

Een andere lijst van woorden uit Otfrid werd opgenomen door Bonaventura Vulcanius in zijn De Literis & Linguis Getarum, siue Gothorum (Leiden, 1597) onder de titel Vocabula aliquot Veteris linguoe Teutonicoe (p. 65-67). Uit deze lijst nam Kiliaan zeker een vetus.-ger.-woord en een vet.-woord over: goman, gomman (vetus. ger. Maritus, paterfamilias. Otfrid. VVeissenburg.; ed. Vulcanius, p. 65 Gomman, Vir, Maritus) en quene (vet. Vxor, materfamilias. Quenum, siue quena, veteribus Teutonibus dicitur...; ed. Vulcanius, p. 66 Quena, Vxor). Uit dezelfde lijst komt ook i.v. Wambeys: Wamba, vetus Venter. Vulcan. (p. 67 Wamba, Venter).

4.12. De Res Germanicae van Rhenanus

In mijn inleiding op Kiliaan IV (3.23) heb ik het woord Menghen. vet. ger. Mango vermeld, dat Kiliaan in zijn kanttekeningen heeft opgenomen uit de Rerum Germanicarum libri tres (Basel, 1551) van Beatus Rhenanus. Hier valt op dat Rhenanus uitdrukkelijk zegt: ‘Mangonum adhuc nomē & res apud Germanos manet. die Mengen’ (p. 95). Ook hier betekent vct. ger. dus: een oud en ook een Germaans (Hoogduits) woord.

In dezelfde inleiding heb ik ook twee voorbeelden gegeven van Oudfrankische woorden (veteribus Francis) waarmee Kiliaan artikelen van zijn Etymologicum aanvult: thegan (i.v. Deghen, deghen-man, dat een vetus-woord is) en anco (i.v. Haetse). In beide gevallen is etymologische verwantschap duidelijk de reden waarom Kiliaan deze Frankische woorden opneemt.

4.13. De Saksenspiegel

Kluyver schrijft in zijn Proeve eener Critiek (p. 84-85) dat Kiliaan het vetus-woord al-te-vecl (Hermaphroditus) aan een Duitse uitgave van de Saksenspiegel ontleend moet hebben. Daar komt het, in de vorm altvile, voor in het vierde artikel van het eerste boek, terwijl er in de Nederlandse drukken geen erop gelijkende vorm te vinden is.

[p. 106]

Kiliaan zou dus de vorm altvile vernederlandst hebben tot al-te-veel en er een verklaring aan hebben toegevoegd: ‘qui nimium habet, quia vtrumque sexum’. Deze etymologische verwantschap kan m.i. juist de reden zijn waarom Kiliaan het woord heeft opgenomen.

Welke uitgave van de Saksenspiegel Kiliaan gebruikt zou hebben, heb ik evenmin als Kluyver kunnen vinden. Verscheidene andere vetus-woorden kan hij er nog uit gehaald hebben, die voorkomen in het register op de uitgave in de Monumenta Germanica Historica: Sachsenspiegel. Landrecht, bezorgd door K.A. Eckhardt, Hannover, 1933. Zo bijv. goo-graue, go-graef (vet. sax.; Sachsenspiegel: gôgrêve. Zentgraf), Bodel (vetus. sax. sicamb.; Sachsenspiegel: bodel. Büttel, Gerichtsbote), Ghe-twecde broeder, ghe-tweede suster (vet. sax. sic.; Sachsenspiegel: getweiet. getrennt, Halbgeschwister), mael-boom (vetus. sax. sicam.; Sachsenspiegel: mâlboum. Grenzbaum) en Thins, thiens, tins (vet. sax. fris. sicam. hol.; Sachsenspiegel: tins. Zins) in het Etymologicum en Lemen (vet. sax. Mutilare; Sachsenspiegel: lemen. Lähmen, verletzen), Mangk, mank (vet. sax. Inter; Sachsenspiegel: mang. zwischen), moeniū (sax. vet. i.v. Menighte; Sachsenspiegel: menye. Menge) en ne (sax. vet.; Sachsenspiegel: ne nicht) in Kiliaans kanttekeningen.

5. Besluit

Kiliaan heeft zijn vetus-woorden uit een groot aantal bronnen verzameld en ze ingepast in het wetenschappelijk, etymologisch systeem van zijn woordenboek, zijn Etymologicum Teutonicae linguae. Door zijn afhankelijkheid van zijn bronnen waren vergissingen en inconsequenties niet uitgesloten. Zo gebeurt het zelfs dat hij woorden waarvoor we bij hem de oudste bewijsplaats vinden, dus neologismen in zijn tijd, als vetus karakteriseert, bijv. in zijn kanttekeningen de woorden ghe-lettert (vet. Literatus; cf. WNT IV, kol. 1146) en selfstandichheyd (vet. Substantia; cf. Ts. XCI, 1975, p. 6).

Gecombineerd met een andere aanduiding kan vetus in feite soms betekenen oud en ook Vlaams, oud en ook Hollands, oud en ook Saksisch enz., maar soms ook Oudvlaams, Oudhollands, Oudsaksisch enz. Voor Kiliaan is vetus in principe echter wel een eigen, aparte

[p. 107]

aanduiding. Hij wil uit alle gewesttalen en ook uit het Hoogduits en het Saksisch woorden opnemen, zo zegt hij in zijn Praefatio, ‘die bij ons nu minder gebruikelijk zijn, sommige zelfs vrijwel onbekend’ (nobis autem nunc minus tritas, imo quasdam ferè incognitas). Hij schijnt dus te denken dat die woorden ‘vroeger’ bij ons (d.i. in het Teutonicum) wel gebruikelijk waren. Toch blijkt niet in de eerste plaats het feitelijke vroegere gebruik, maar wel de oude taalkundige oorsprong en verwantschap van de woorden van belang te zijn voor Kiliaan.

Zoals zovele andere zestiende-eeuwse humanisten zocht onze Duffelse lexicograaf naar etymologische verklaringen van de woorden. Daarom nam hij ook oude woorden in zijn woordenboek op, die in zijn tijd niet gebruikelijk waren in het Teutonicum, maar waarmee hij de etymologie en de betekenis van de gebruikelijke woorden wilde toelichten. Het gaat hem er daarbij niet om of deze woorden vroeger werkelijk in het Teutonicum gebruikt werden, zodat het eigenlijk verkeerd is deze vetus-woorden ‘verouderde’ woorden te noemen. Vetus betekent voor Kiliaan: behorend tot de ‘oude grondtaal’, van waaruit hij de etymologie en de verwantschap van de huidige lingua Teutonica duidelijk wil maken. Het oude taalmateriaal in zijn woordenboek is geen doel op zichzelf, maar dient allereerst om inzicht te geven in het taalgebruik in Kiliaans eigen tijd.

Lijst van in dit artikel besproken woorden

achterhoede 2.4
adecligh 4.11
adelbroeder 3.2
aenlaet 1.1
aersselmaend 2.4
aette 1.1
afgodist 2.1
alrnyne 4.4
alteveel 4.13
ancken 4.2
anckeren 4.2
anco 4.12
aronde 1.3
arselmaend 2.4
artsenen 1.1
artsenije 1.1
 
bekijven 2.2
bestellen 1.1
bestrijden 2.2
biebock, bicbuyck 3.2
biekarre 3.2
black 3.2
blick 3.2
bloycken 3.1
bodel 4.13
boeckmangher 3.2
boeren 2.4
bokel 1.3
bolghenschap 3.2
boomwachs 1.1
borckel 3.2
botteldoren 3.2
braecke 3.1
 
cyning 4.3
 
dijelingh 3.2
domen 3.2
drintigh 3.2
droeven 3.2
dulden 1.1

[p. 108]

dwaesvoghel 3.2
dweerse bijle 3.2
 
caldormen 4.8
erre 3.2
erschap 3.2
eyle 1.2
 
gebure 4.8
gerefa 4.8
ghelden 3.1
ghelettert 5
ghenooten 2.1
gheselen 3.2
gheselinne 2.4
ghetons, ghetonst 3.2
ghetrouwen 3.2
ghetweede broeder, ghetweede suster 4.13
gheyl 3.1
gheysen 3.2
ghichte 3.2
glesse 4.3
gograaf 4.13
goman 4.11
gome 4.11
gomman 4.11
goograve 4.13
groen, gron 4.3
 
heyde, heyde lands 4.8
heylighe 2.2
herban 4.1
herschuld 4.1
hertenkruyd 2.2
holm, holme 4.3
hornte 3.3
horsebreker 1.2
huppelinck 3.1
 
kal 4.2
kalle 4.2
kancker 1.4
kanckerworm 1.4
keeffen 3.2
kerckheer 3.1
kerstpchman, kerstpelpape 3.1
keurheer 2.3
kimp 3.2
kleyne 3.2
kock 1.2
kocke 1.2
kockeloeren 1.2
koorde, korde 4.7
koyffe 2.4
kraemen 3.1
kyning 4.3
 
landhouder 2.3
lemen 4.13
liekercke 2.2
 
maeghtaele 3.1
maelboom 4.13
maenium 4.13
manboete 4.8
mangk, mank 4.13
mansbeeld 1.5
mansboete 4.8
marca 4.8
marckten 3.1
masse, massue 1.3
menghen 4.12
mesel 1.3
meselrije 1.3
messagier 2.4
mishappe 1.2
miskansse 1.2
miskief 1.2
mottoen 2.4
 
nap 1.1
natureren 2,1
ne 4.13
nederkleed 3.1
niete, te - doen 2.1
nieten 2.1
 
oecken 3.1
oolick, oodelick 2.4
ooraene 1.1
ooraenheere 1.1
parheer 3.1
pietmaand 2.4
pund 4.8
 
quaden 4.11
quene 4.11
quetten, quetteren 4.11
 
radie 2.4
ragghe 1.4
raghe 1.4
rancke 2.4
reysgheld 4.1
reysigh krieghsvolck 1.1
roden 1.3
rosside 2.4
 
saegh 1.1
schaffenaer, schaffer 1.1
schetteren ghelijck een kraeye 1.4
schier, schierken houts 4.3
schoet 4.7
selfstandichheyd 5
shyre 4.3
sleup 3.3
sleve 1.2
slobberen 1.4
slub 3.3
smeermaend 2.4
snuyvel 1.4
snuyven 1.4
spiesse 2.1
spiet 2.1
spilder 2.1
spilderbeen, spillebeen 2.1
sprinckhael, springael, sprinckgael, springhel 4.10
stelle, stalle 4.8
sterre, starre 1.1
stoppe 2.4
swagher 4.11
sweer 4.11
swent 4.5
swente 4.5

[p. 109]

tatse, tetse 1.1
thegan 4.12
thins, thiens, tins 4.13
tribock 4.10
 
vaene 1.3
vaerende vrouwe, vaerende wijf 3.2, 4.6
veetse 3.2
veltsteen 1.5
verdacht 3.1
verghif, verghiffenisse 2.1
vernieten 2.1
verquaden 2.1
verren 3.1
vleeschmoelie 1.5
vleus 3.1
vloedigheyd 3.2
vlockassche 3.4
vloes, vlus 3.2
 
waeren 4.11
waeve 1.4
waeveraet 1.4
wakel 3.2
wamba 4.11
wambon 4.11
wanck 1.1
weghlaeghen 3.1
welck 1.1
wel dan 1.4
were 4.8
werven 1.1
wijfsch beld 1.2
wijghant 2.4
wijse moeder 3.1
woack 4.6
wollenknaep 1.5
worold 4.11
wreyt 1.5

Leuven, mei 1976

F. Claes S.J.