[p. 236]

De verklaring in de historische taalkunde

Zoals bekend onderscheidt Chomsky (1964) drie niveaus waarop het succes van een grammaticale beschrijving gemeten kan worden. Het eerste niveau is dat van de observationele adequaatheid, waarbij de linguïst geen andere pretentie heeft dan een geordend geheel van beweringen te geven over een verzamelde hoeveelheid taalmateriaal, zodanig dat de geobserveerde gevallen correct worden aangeboden zonder dat zij voorshands ontkracht worden door een tegenvoorbeeld (vgl. Seuren 1975, 22).

Een tweede en hoger niveau van succes wordt door Chomsky gekarakteriseerd als descriptieve adequaatheid. Daarbij wordt de intuïtie van de taalgebruiker verantwoord. Een grammatica die descriptief adequaat mag heten, specificeert geobserveerde en voorspelbare gevallen van taalgebruik en wel door middel van regels die de taalgebruiker beheerst en die hij volgens zijn taalkundige intuïtie zou moeten kunnen expliciteren.

Het derde en voorlopig hoogste peil van succes is het niveau van de zgn. verklarende adequaatheid. De linguïstische theorie moet daarbij een algemene basis verschaffen om uit de observationele grammatica's diegene te kiezen die bovendien descriptief adequaat is. Zo'n grammatica zou dan een verklaring geven voor de linguïstische intuïtie van de taalgebruiker en dat alles op grond van een linguïstische theorie die bovengenoemde keuze mogelijk maakt. In Chomsky's woorden:

(1) In this case, we can say that the linguistic theory in question suggests an explanation for the linguistic intuition of the native speaker. It can be interpreted as asserting that data of the observed kind will enable a speaker whose intrinsic capacities are as represented in this general theory to construct for himself a grammar that characterizes exactly this linguistic intuition (Chomsky 1964, 28).

[p. 237]

Chomsky verduidelijkt dat nog eens extra wanneer hij zegt:

(2) It is clear that the question of explanatory adequacy can be seriously raised only when we are presented with an explicit theory of generative grammar that specifies the form of grammars and suggests a mechanism for selecting among them (i.e., an evaluation procedure for grammars of a specified form) (Chomsky 1964, 30).

De verklarende kracht van de grammatica die hier nagestreefd wordt, hangt dus af van een algemene linguïstische theorie. Door het kiezen van de juiste grammatica moet het bovendien mogelijk worden de intuïties van de native speaker te verklaren. Chomsky heeft aan deze eis vastgehouden. Een citaat van veel later tijd luidt als volgt:

(3) For the moment, the problem is to construct a general theory of language that is so richly structured and so restrictive in the conditions it imposes that, while meeting the condition of descriptive adequacy, it can sufficiently narrow the class of possible grammars so that the problem of choice of grammar (and explanation, in some serious sense) can be approached (Chomsky 1972, 67).

Het is veelzeggend dat de keuze van de juiste grammatica nog een ‘problem’ genoemd wordt. We zijn er nog niet, blijkbaar, en wat nu precies verklaard moet worden en hoe, is ook nog niet geheel duidelijk. We weten dat ‘intuïtie’ een complex begrip is (zie Botha 1968, 1973, 1976) en zo dadelijk zal blijken dat ook ‘verklaren’ een vlag is die verschillende ladingen dekt. Nieuw aan dit postulaat van verklarende adequaatheid is in ieder geval het verlangen tot verklaringen te geraken op het niveau van de synchrone taalbeschouwing, die daarmee op een ander plan getild wordt dan mogelijk was bij een uitsluitend beschrijvende - gewoonlijk taxonomische - taalkunde, zoals het oudere structuralisme veelal bood.

In de diachrone taalbeschouwing is het verklaren van oudsher voor de hand liggend geweest en het hoeft dan ook geen verwondering te wekken dat ook de modernste vormen van taalkunde op dit punt ver-

[p. 238]

klarend trachten te zijn. In aansluiting bij de traditie richt men zich daarbij voornamelijk op de klankleer. De generatieve fonologie heeft daarvoor notatiesystemen ontwikkeld op grond waarvan generaliserende uitspraken over het voorkomen van klankcomplexen mogelijk worden. In de woorden van Kiparsky:

(4) The notational devices and the evaluation measure jointly characterize the notion ‘linguistically significant generalization’, in a way which is empirically testable through the investigation of linguistic universals, language acquisition, and linguistic change (Kiparsky 1972, 190).

Kiparsky wil daarbij onderscheiden tussen ‘formal explanation’ en ‘functional explanation’; de laatste soort verklaring verdient dan volgens hem de voorkeur. De formele beschrijving die de generatieve fonologie in een aantal notationele conventies ondergebracht heeft, maakt het mogelijk uitspraken te doen over het al dan niet voorkomen van accentueringen, combinaties van klanken, ‘systematic gaps’ in het systeem en wat dies meer zij. Het formalisme leidt hier tot voorspellingen en conclusies die niet noodzakelijkerwijs geanticipeerd hadden kunnen worden op basis van louter verbaal vaststellen van taalkundige feiten. Ondanks al deze voordelen heeft de formele verklaring - die hier, het zij tussen haakjes gezegd, uitmondt in het trekken van juiste conclusies en correcte voorspellingen - volgens Kiparsky beperkingen en hij ziet meer mogelijkheden weggelegd voor de functionele verklaring. Daarvoor wil hij een aantal condities formuleren, die dit keer niet tot de vorm van de grammatica behoren, maar tot de ‘output’. Dat wil zeggen dat er syntagmatische en paradigmatische condities bestaan, die bepaalde beperkingen opleggen aan de fonotactische structuur van de output. Deze condities zijn sterk verwant aan de traditionele begrippen betreffende analogie en klankverandering. Alleen heeft men zich vroeger te gauw tevreden gesteld met vage uitspraken over het bestaan van zekere tendenzen. Het is noodzakelijk daaraan nauwkeurige interpretaties te geven. We citeren nog eenmaal Kiparsky:

[p. 239]

(5) From this interpretation it follows that functional conditions, if correct, can be justified in the same way as other aspects of linguistic theory, namely by showing that they explain facts about language acquisition, linguistic change, or linguistic universals. At the risk of repetition, I will mention some of the ways in which this in principle can be done. With reference to language acquisition, it means showing that functional conditions account for facts about child language not predicted by the present theory, i.e., that children's ‘mistakes’, and the grammatical systems which are revealed by these mistakes to have been acquired, have functionally characterizable properties which are not explained by the principles of projection embodied in the notational devices of standard generative grammar (Kiparsky 1972, 196).

We lichten dit toe met een tweetal door Kiparsky besproken voorbeelden. De observaties van Roman Jakobson hebben aangetoond dat de elementen van een fonologisch systeem verworven worden in volgorde van toenemende gemarkeerdheid. Nu blijkt dat ongemarkeerde segmenten dikwijls in vroegere fasen van de taalverwerving optreden, ook wanneer geen voorbeelden daarvoor bestaan in het fonologisch systeem van de volwassen taalgebruikers. Het occlusievenstelsel van het Engels, waarin [ph]:[b] voorkomt, maar niet [p], ontwikkelt zich bij veel kinderen uit een systeem met maximaal ongemarkeerde reeksen, waarin de [p] wel een plaats heeft. Kiparsky noemt dit een voorbeeld van formele verklaring en ook Jakobson zelf neemt die term in de mond, wanneer hij stelt:

(6) Die Übereinanderlagerung der Bestandteile im Phonemsystem erweist sich als streng regelmässig; aber diese Gesetze können erst dann als erklärt gelten, wenn ihre innere Notwendigkeit erfasst und dargestellt worden ist (Jakobson 1969, 91).

We wijzen hier en passant op de term ‘innere Notwendigkeit’.

Het tweede soort verklaring is toe te lichten met het volgende voorbeeld: een differentiatie in het paradigma van de latijnse s-stammen

[p. 240]

gaat verloren door gelijkmaking van de s aan de r, die in de andere vormen voorkomt:

Nom. honōs honor
Gen. honōris honoris
Acc. honōrem honorem
 
  oud paradigma nieuw paradigma

Deze welbekende verandering - bekend als analogiewerking - voert Kiparsky terug op het begrip ‘paradigma-coherentie’. Dit is een functionele factor, die ervoor zorgt dat allomorfie binnen één en hetzelfde paradigma ertoe neigt, geminimaliseerd te worden, zelfs wanneer dat ertoe mocht leiden dat de grammatica elders gecompliceerde regels krijgt. Kiparsky meent dat dat hier het geval is, doordat de derivatie van het verwante adjectief honestus nu ingewikkelder is geworden. Dat geldt echter alleen wanneer honestus synchroon als afgeleid van honor beschouwd dient te worden, wat zeer de vraag is (Koefoed 1974, 287). Het belangrijkste verschil met de formele explanatie is hier echter dat paradigma-coherentie een onafhankelijke factor is, die niet in z'n geheel is terug te voeren op formele eigenschappen van regels en relaties tussen regels. Paradigma-coherentie verklaart ook een aantal verschijnselen uit de kindertaal: kinderen produceren taalvormen die ze nooit van volwassenen gehoord kunnen hebben. Kiparsky geeft voorbeelden uit het Grieks, maar we kunnen ook denken aan Nederlandse preteritumvormen als valde en slaapte.

Nu zullen oudere taalkundigen zeggen dat hier niets nieuws onder de zon is. De laatstgenoemde gevallen waren allang bekend als voorbeelden van analogiewerking en dat was te beschouwen als een algemeen aanvaard verklaringsprincipe in de historische taalkunde. Wil Kiparsky's voorstelling van zaken iets nieuws inhouden, dan zal dat gezocht moeten worden in scherper formulering, grotere generaliserende kracht, duidelijker formaliseringsmogelijkheid of iets dergelijks. Aan die eis voldoen de meeste transformationeel-generatieve descripties gewoonlijk wel. Maar er is nog een ander punt, dat Kiparsky als volgt onder woorden brengt:

[p. 241]

(7) The great difficulty with functional explanations in linguistics (and partly in other fields as well) has always been finding the general theories without which functional explanations of specific phenomena can have no empirical substance. It is easy to point at a specific historical event or synchronic fact and suggest an ad hoc ‘reason’ for it. But however plausible such explanations may seem, they carry no force until backed up by general claims, which go beyond the case at hand, and which for that reason can be put to a test (Kiparsky 1972, 224).

De stringente formulering van deze eis is in de oudere taalkundige literatuur wel eens afwezig; m.a.w. men heeft zich te snel tevreden gesteld met ad hoc-verklaringen. Dat men altijd heeft willen verklaren, blijkt wel uit de vele pogingen en uitlatingen in die richting. Sommige van die verklaringen zijn als zodanig aanvaard en algemeen goed geworden; andere lijken betwijfelbaar, maar zelden staat men nog stil bij de aard van zo'n verklaring zelf. Toch is dat van belang, want bij nader toezien blijkt de term verklaring in nogal uiteenlopende betekenissen gebruikt te worden.

Het verbum verklaren betekent, evenals het verwante Duitse erklären, niets anders dan ‘klaar, helder maken’. Het Franse expliquer is letterlijk ‘ontvouwen’ en to explain is in beginsel ‘vlak maken, uitspreiden’. Zo beschouwd is elke verklaring niet veel meer dan een uitleg of verheldering, maar in de wetenschap heeft ‘verklaring’ een technische betekenis aangenomen. Op heel eenvoudige wijze wordt dat uiteengezet door de Engelse filosoof Stephen Toulmin. De speciale bedoeling van de wetenschappelijke verklaring is volgens hem namelijk het verrassende, het onverwachte, het onbegrijpelijke van bepaalde verschijnselen of gebeurtenissen weg te nemen. In Toulmins eigen woorden: ‘the special function of scientific explanation [is] to bring our past experience to bear upon our present and future expectations, in such a way as to “save appearances” and turn the unexpected, as far as possible, into the expected’ (Toulmin 1970, 88). Dit is een modificatie en een verbetering van de wel vaker verkondigde mening dat verklaren in wezen niets anders zou zijn dan ‘reduceren tot het

[p. 242]

bekende’. Hempel (1965) heeft er terecht op gewezen dat zulks niet altijd het geval hoeft te zijn: het vertrouwde is tenslotte een relatief begrip en dat vertrouwde kan op zichzelf ook wel weer verklaring behoeven. Bovendien blijkt in de praktijk dat men bij verklaringen soms gebruik maakt van zeer gecompliceerde theoretische concepties, die zelf allerminst een vertrouwdheid vooronderstellen (Hempel 1965, 257, 430, 431). Zoals Hempel samenvat: ‘familiarity breeds content, but no insight’ (ibid. 432).

Wanneer we, dit in het oog houdend, een aantal verklaringen uit de taalkundige literatuur beschouwen, blijken dan ook veel van die verklaringen eerder versluierend dan verhelderend en gewoonlijk is er ook geen sprake van dat het onverwachte tot het te verwachten fenomeen verklaard wordt. We geven daartoe een aantal citaten; allereerst enkele die betrekking hebben op klankontwikkelingen:

(8) (a) Dit verschijnsel [nl. i-umlaut] werd op verschillende wijze verklaard: de studie van de moderne dialecten heeft echter geleerd dat de i-umlaut ongetwijfeld ontstaan is door mouillering van den medeklinker, die zich tusschen den ‘geumlauteten’ en den ‘umlautenden’ vocaal bevindt (Lecoutere 1942, 349).
 
  (b) Vóór de s is de n geassimileerd aan de korte vokaal, zodat er een genasaleerde vokaal ontstond, daarna is het nasale element verdwenen, met gelijktijdige rekking van de vokaal (ersatzdehnung). Dezelfde verklaring geldt voor de brab. vorm saechte (Bouman 1934, 5).
 
  (c) De afwezigheid van korte ŏ wordt verklaard doordat idg. ŏ in het germaans korte ă was geworden, en de afwezigheid van lange ā doordat idg. ā in het germ. lange ō was geworden (Schönfeld 1964, 1).
 
  (d) Trat nach Vollzug der Vokalkürzungen hinter -a ein vokalisch anlautendes Enklitikon, so wurde -a elidiert. Auf diese Weise erklärt sich der Unterschied zwischen pammuh und hvammeh (...) (Jellinek 1926, 95).

[p. 243]

  (e) Slechts in infortis-syllaben is verkorting, syncope en apocope mogelijk. Die verschijnselen zijn te verklaren uit den verminderden expiratiedruk, waarmede de infortis-syllaben uitgesproken werden (Van Hamel 1931, 58).
 
  (f) Voor een deel der gevallen geldt ongetwijfeld de verklaring, dat u uit sonante liquida of nasaal is ontstaan (Boer 1918, 38).

Zoals uit deze citaten blijkt, wordt gewoonlijk een proces van klankontwikkeling geschetst en daarmee wordt - het zij zonder enige boosaardigheid gezegd - in feite als verklaring aangeboden, wat nu juist verklaard had moeten worden. Ook ten aanzien van morfologische ontwikkelingen kunnen we soortgelijke verklaringen aantreffen:

(9) (a) Ich erkläre mir die got. germ. Formen so: die Endungen traten im Germ. wie bei der ersten Konjugation thematisch an einen Stamm auf ô; *salbô-ô wurde dann got. zu salbô; *salbô-onti zu salbônd, (...) und nach deren Analogie bildeten sich auch salbôs, salbôþ. (Von der Leyen 1908, 57).
 
  (b) J. Schmidt (...) erklärt hir-i aus *hir (vgl. her) hier und -i, Imperativ der Wzl. ei- gehen (Feist 1939, 257).
 
  (c) [t.a.v. samenstelling met verbale stam als eerste lid] Aannemelijk is de verklaring, dat het uitgangspunt geweest is de samenstelling met een nomen actionis, dat even goed opgevat kon worden als een verbale stam en dus tot analogie aanleiding kon geven; woorden dus als roofdier, koopman, rustbed (...) (De Vooys 1947, 165).

Zoals uit (9) (a) en (c) blijkt, kan ook sprake zijn van afgeleide verklaringen; met name analogie blijkt dan een grote rol te spelen. Niet zelden ook wordt expliciet verwezen naar factoren die bij de verklaring een rol (moeten) spelen; dat kunnen dan externe invloeden zijn, m.n. van andere talen of dialecten, of interne, waarvoor men terug moet gaan naar oudere taaltoestanden:

[p. 244]

(10) (a) Germ. ai heeft in het Mnl. en in het Besch. Nieuwndl. een dubbel verloop, waarvan de verklaring gezocht moet worden in den invloed van de verschillende dialecten: meestal gaat ai in een lange e over, maar in een aantal woorden blijft het een tweeklank met verhooging van de articulatie van het eerste bestanddeel, nl. ei (Lecoutere 1942, 355).
  (b) [over umlaut van lange vocalen] Toch treft men ook in het westen gevallen aan die niet alleen als later import uit het oosten te verklaren zijn (...) Stellig ook oorspronkelijk zijn: meu, weunsdag (Weijnen 1968, 35).
  (c) Van Romaanse afkomst is ook het suffix -aard, verzwakt tot -erd. Voor de verklaring zal men dus moeten uitgaan van uit het Frans overgenomen woorden als Mnl. gronjaert, goliaert, (enz.) (De Vooys 1947, 183).
  (d) Laveeren ww (...) 't beste te verklaren als een ontl. uit ofr. loveer (...) (Franck-Van Wijk 1949, 372).
  (e) Lawine (...) De w uit b kan door rhaet. bemiddeling verklaard worden (Franck-Van Wijk 1949, 373).
  (f) Tegen de theorie der ontlening en expansie ter verklaring van de palatalisatie van de ogm. û zijn ook bezwaren aangevoerd door Louise E. van Wijk (...) Ook de diftongering wordt door verschillende geleerden aldus verklaard uit de ontwikkelingen van het vocalensysteem (...) Een bezwaar echter tegen deze fonologische verklaring is, dat we, vooral voor de oudere periode, onvoldoende de chronologische ontwikkeling en de synchronie der fonemen kennen in hun geografische verbreiding (Schönfeld 1964, 88-89).
  (g) Dat i-wijziging niet intrad, wanneer i na korte stamsyllabe wegviel, had men - bij de overige vocalen - reeds vroeger gezien, maar de verklaring was eene andere. Zoolang men slechts dacht aan ééne wijzigingsperiode, was er geen andere verklaring voor dit verschijnsel, dan dat i in gevallen, waar geen wijziging optreedt, was weggevallen vòòr de intrede der wijziging (Boer 1920, 44-45).
  (h) As the explanation of sound-changes must often be sought

[p. 245]

in older forms, it is necessary to study Norse phonology historically in order to understand the grammatical structure of the language (Gordon 1949, 250).

De citaten (10) (a) t/m (f) brengen ruimtelijke factoren in het geding; (f) bovendien ook temporele factoren, die voorts het hoofdbestanddeel van (10) (g) en (h) uitmaken. Ook hier is alleen nog in afgeleide zin van verklaring te spreken. Dat kan tot zo'n gewoonte worden dat alleen doorgewinterde vakmensen genoegen nemen met uitlatingen als de volgende:

(11) (a) De verklaring als oude athematische praesentia geldt stellig voor go. kann ‘ik kan’ (...) (Van Hamel 1931, 171).
  (b) Intussen hoede men zich, elke vorm waaruit de nasaal verdwenen is, als oud en Ingvaeoons te verklaren (Schönfeld 1964, 28).

In de laatste citaten is ‘verklaren’ een bijna hermetische term geworden, alleen begrijpelijk voor ingewijden. Het lijdt geen twijfel dat de schrijvers van deze woorden - zelfs als zij de term ‘verklaren’ betrekkelijk lichtvaardig gehanteerd hebben - een voorstelling gehad moeten hebben waarbij verklaring in zeer afgeleide zin gebezigd is. Daarmee stuiten we op verschillende soorten verklaringen, waarbij we met Daniel M. Taylor (1970) er drie willen onderscheiden:

(I) de wetenschappelijke verklaring, waarbij natuurwetten gehypothetiseerd worden; dit soort verklaring bezit geldigheid zolang de eraan ten grondslag liggende hypothese niet gefalsifieerd is;
(II) de wat-verklaring, waardoor alleen duidelijk gemaakt wordt wat iets is; niet zelden zijn verklaringen van dit soort terug te voeren op wetenschappelijke verklaringen;
(III) de reden-gevende verklaring, waardoor duidelijk wordt waarom we menen dat een handeling of een mening bevredigend of juist is.

[p. 246]

Met het derde type houden we ons hier niet verder bezig. Het tweede type daarentegen is frequent in de taalkunde van de Junggrammatiker en de gehele rijke traditie van de historische taalkunde die daarop aansluit. Verklaringen door middel van begrippen als analogie, Systemzwang, umlaut, breking, de wet van Verner e.t.q. gaan in laatste instantie terug op verklaringen van het eerste type. Het gevaar van de wat-verklaring is echter dat ze door herhaald gebruik misleidend wordt. Men vergeet dan dat uitspraken als (8) (f) of (11) (a) of iets in de trant van ‘de vorm boer is te verklaren als een oe-relict’ geen verklaringen meer zijn zonder dat men kennis heeft van een geweldig stuk gehypothetiseerde klankleer uit het veld van de germanistiek en de indogermanistiek.

Een verklaring van de eerste soort nu moet aan een aantal eisen voldoen, daarover zijn wetenschapsfilosofen en methodologen het wel eens. De reeds genoemde Taylor beschouwt drie elementen als essentieel:

(a) een universele generalisatie of wet: wanneer een geval van type b plaats vindt, vindt een geval van type a plaats;
(b) de vaststelling van beginvoorwaarden: b vond plaats;
(c) de vaststelling van de daaruit volgende condities: a vond plaats.

Taylor merkt daarbij op dat element b ook wel de oorzaak van c genoemd wordt; voorts legt hij sterk de nadruk op de noodzaak van een universele generalisatie. Als verklaringen geen universele generalisaties bevatten, vloeit er niet datgene uit voort wat ze nu juist geacht worden te verklaren. Men kan geen valide conclusie bereiken wanneer men uitgaande van één speciale stand van zaken, besluit tot een andere stand van zaken zonder gebruik te maken van een universele generalisatie. Dat laatste is het geval wanneer de eerste stand van zaken gelijk is aan de tweede, dat is wanneer ze per definitie hetzelfde zijn en dus niet uit elkaar verklaard kunnen worden (Taylor 1970, 8, 11). Zo is het geen verklaring wanneer men beweert dat iemand vrijgezel is, omdat hij ongetrouwd is of wanneer we horen dat het voorkomen van een lange a in een open lettergreep een gevolg is van het feit

[p. 247]

dat lange a in een open lettergreep gerekt wordt. We moeten dus altijd kunnen voortbouwen op universele generalisaties; dat is een algemeen inzicht: ‘The very essence of explanation is generalisation’ (Craik 1967, 117).

Ook Bochenski is deze mening toegedaan. Het schema dat hij opstelt, wijkt echter in enkele opzichten af van dat van Taylor. Bochenski onderscheidt deductie en reductie. ‘Bei der Deduktion schliesst man aus einer konditionalen Aussage und ihrem Vordersatz auf deren Nachsatz:

wenn A, dann B
nun aber A
also B

Bei der Reduktion hingegen schliesst man umgekehrt aus einer konditionalen Aussage und ihrem Nachsatz auf den Vordersatz:

wenn A, dann B
nun aber B
also A’

De opbouw uit drie elementen is bij Bochenski hetzelfde als bij Taylor, maar laatstgenoemde schetst alleen een model van de deductie. Volgens Bochenski daarentegen moeten we hier uitgaan van de reductie. Die kan progressief tot stand komen, wanneer men begint met de nog onbekende A en vandaar naar de bekende of vaststelbare B gaat. Dit procédé heet verificatie. De regressieve reductie echter begint bij de bekende B en gaat terug naar de onbekende A. ‘Die regressive Reduktion heisst “Erklärung”’ (Bochenski 1971, 101).

De verklaring richt zich dus op iets dat bekend is - een feit, een uitspraak, een gebeurtenis - en bestaat altijd daaruit dat men dat bekende van iets anders afleidt. ‘Im allgemeinen heisst also “erklären” in diesem Sinne nichts anderes als ein axiomatisches System bilden, in welchem die zu erklärende Aussage abgeleitet ist’ (Bochenski 1971, 102). Daarbij zijn wederom twee gevallen mogelijk: de verklarende uitspraak is reeds als waar of juist bekend òf de verklarende uitspraak is naar haar waarheidswaarde nog onbekend. In het eerste geval be-

[p. 248]

hoeven alleen de nodige uitspraken gevonden te worden die men nodig heeft, in het tweede geval worden die uitspraken juist door de verklaring gevormd. Het eerste geval acht Bochenski aanwezig in de geschiedwetenschap en dan is er eerder sprake van regressieve deductie dan van reductie.

Ook Ernest Nagel, die zijn bekende werk de ondertitel meegaf ‘Problems in the Logic of Scientific Explanation’, beklemtoont het procédé van de derivatie van het explicandum. Wanneer het explicandum van een deductieve verklaring een individueel geval is, moet die verklaring aan twee voorwaarden voldoen: er moet tenminste één universele wet als premisse dienen en er moeten voldoende initiële condities voorhanden zijn. Naast deze deductieve verklaring onderscheidt Nagel echter nog drie andere typen. Zijn reeks van vier typen omvat dan de volgende soorten:

(a) het deductieve model, dat de formele structuur heeft van een deductieve argumentatie, waarbij het explicandum het logisch noodzakelijke gevolg is van de verklarende premissen;
(b) de probabilistische verklaring, waarbij de premissen een statistische uitspraak bevatten over een bepaalde klasse van elementen, terwijl het explicandum een singuliere uitspraak is aangaande één individueel element van die klasse. (De argumentatie wijkt niet in essentie af van het deductieve model en het is dan ook mogelijk type (b) als een onder-categorie van (a) te beschouwen, wat ook Taylor t.a.p. doet);
(c) de functionele of teleologische verklaring, waardoor één of meer functies worden aangetoond, die door een eenheid of een organisme aangewend worden om bepaalde kenmerken teweeg te brengen in een systeem waartoe die eenheid of dat organisme behoort;
(d) de genetische verklaring, die als taak heeft een opeenvolging van gebeurtenissen uiteen te zetten waardoor een of ander vroeger systeem veranderd is in een later systeem (Nagel wijst erop dat het de vraag is of dit wel een apart type genoemd moet worden) (Nagel 1968, 21-26).

[p. 249]

Nagels type (b) treffen we in de taalkunde zo goed als niet aan; in oudere publikaties zelfs in het geheel niet. Type (d) is natuurlijk de verklaringswijze bij uitstek voor historische processen, maar zo dadelijk zal duidelijk worden, waardoor deze verklaringswijze in de historische taalkunde een geringe rol speelt.

Een laatste gezaghebbende auteur die we hier aanhalen, is Carl Hempel, die nog iets uitvoeriger is in zijn beschrijving van de verschillende soorten verklaringen dan de reeds genoemde auteurs. Het meeste aandacht besteedt hij aan de zgn. deductief-nomologische verklaring. Hij stelt daarvoor een explanans op, bestaande uit begincondities en wetten, of tenminste ‘lawlike sentences’ of nomologische zinnen. Die wetten of nomologische zinnen dienen de vorm te hebben van universele uitspraken, geformuleerd in conditionele vorm; dat betekent voor Hempel een essentieel generaliserende vorm. Dat laatste wil niet zeggen dat een wet in zijn toepassingsbereik geen beperking zou mogen ondervinden. Dit laatste kan namelijk wel (Hempel 1965, 344).

Uit deze twee elementen van het explanans kan men nu door logische deductie een uitspraak afleiden, die Hempel explanandum noemt:

illustratie

Wanneer nu E gegeven is, d.w.z. dat het ‘phenomenon’ dat door E beschreven wordt, heeft plaats gevonden of voorhanden is, en wanneer een passende reeks uitspraken van het type C1, C2,..., Ck en L1, L2,..., Lr achteraf voorgesteld kan worden, spreken we van een verklaring. Wanneer de genoemde uitspraken daarentegen als gegeven voorhanden zijn en E wordt afgeleid voordat het ‘phenomenon’ zelf geattesteerd is, spreken we van predictie, voorspelling (Hempel 1965,

[p. 250]

249, 336). Een verklaring mag causaal genoemd worden, wanneer er sprake is van algemene wetten L1, L2,..., Lr, bij de gratie waarvan het voorkomen van causale voorafgaande condities C1, C2,..., Ck een voldoende voorwaarde is voor het voorkomen van het explanandum (ibid. 349). Het is van belang er hier reeds op te wijzen dat Hempel zijn schema baseert op voorbeelden uit de natuurwetenschappen, maar dat hij ook in andere takken van wetenschap (met name in de historiografie) ditzelfde model van toepassing acht en van deductieve, resp. nomologische verklaringen wil spreken.

Het is o.i. overbodig nog meer autoriteiten op het gebied van methodologie en wetenschapsleer in extenso aan te halen. Allen stemmen in grote trekken met elkaar overeen: steeds wordt gewezen op de deductieve aard van de wetenschappelijke verklaring (het explicandum is een logisch noodzakelijk gevolg van de proposities in de premissen: Lastrucci 1973, 166 e.v.) en het universele karakter van die premissen (de verklarende functie van een uitspraak vloeit voort uit haar wetmatig karakter: Geurts 1975, 111).

Nu zou men kunnen tegenwerpen dat alles wat hier te berde gebracht is n.a.v. de wetenschappelijke verklaring, gebaseerd is op de verworvenheden van de natuurwetenschappen, terwijl de taalkunde, zeker de oudere historische taalkunde, een discipline is waarvoor andere regels gelden. Deze tegenwerping houdt geen stand. Het is begrijpelijk dat men algemene beschouwingen over het principe van de verklaring graag baseert op de ervaringen van de exacte wetenschappen, die nu eenmaal kunnen bogen op een snelle ontwikkeling en grote methodologische geavanceerdheid. Dat betekent echter niet dat men in de exacte wetenschap principieel anders denkt dan in de humaniora, in die zin dat op laatstgenoemd wetenschapsgebied ineens een andere logica zou gelden. De humaniora onderscheiden zich van de nomothetische exacte wetenschappen door hun andersoortige object; ze zijn deswegen wel idiografisch genoemd: ze beschrijven het eigene van een uniek, onherhaalbaar feit of een uniek individu (zie Nagel 1968, 547), maar dat unieke is alleen begrijpelijk tegen de achtergrond van het algemene en ook hier gelden generalisaties. Wat dat laatste betreft ligt het verschil tussen de natuurwetenschappen en de geschied-

[p. 251]

wetenschap niet zozeer in de methode als in het object van onderzoek (zie bijv. ook Bochenski 1971, 136-137).

Maar ook dat object is in de taalwetenschap van dien aard dat deze wetenschap in haar wezen niet zo verschilt van de exacte disciplines. De taalwetenschap kent geen experimenten en geen herhaalbaarheid van onderzoek, maar een exacte wetenschap als de astronomie kent zulks ook niet. Daarentegen bezit het onderzoeksobject van de taalkundige een grote regelmaat, een spreiding en een frequentie van voorkomen, die tezamen het unieke karakter dat het object van de zuivere historicus kenmerkt, te niet doen. Het object van de taalkunde, ook van de historische taalkunde is niet uniek, maar in principe menigvuldig en dat brengt met zich mee dat men hier evenzeer inductie en deductie heeft toegepast als in de natuurwetenschappen. Men heeft dat al vroeg ingezien: de neogrammatici formuleerden wetten, evenals hun collega's in de fysica. Zo beschouwd is de linguïstiek niet idiografisch, maar met zekere restricties nomothetisch.

Terugkerend tot onze beschouwing van de verklaring in de linguïstiek kunnen we dus vaststellen dat aan deze verklaring dezelfde eisen mogen worden gesteld als in de exacte vakken. Impliciet hebben taalkundigen dat zelf ook al gedaan, wanneer ze van oorzaak of grond spreken (het element b uit het schema van Taylor). Of dat altijd met recht gebeurt, staat nog te bezien. Allereerst geven we enkele citaten, die het gebruik van deze terminologie illustreren.

(12) (a) Evenals in het Mhd. is ook in het Mnl. eene constructie ἀπὸ ϰοινοῦ bekend, waarbij één element als bestanddeel van twee zinnen dienst doet. Haplologie en slordigheid zullen hiervan wel de voornaamste oorzaken zijn (Stoett 1923, 152).
  (b) Dezelfde behoefte aan duidelijkheid, die veroorzaakt heeft dat -de het gewonnen heeft van -e, verhinderde ook dat de vooral Noordnederlandse neiging om de slot-e te doen afvallen, navolging gevonden heeft (De Vooys 1947, 193).
  (c) Er zijn overduidelijke gevallen dat in bepaalde woorden een klankovergang zich niet voltrokken heeft door klank-

[p. 252]

  expressieve of klankschilderende oorzaken: zo werd pîpen soms niet tot pijpen, maar leefde verder als piepen (Weijnen 1968, 7).
(d) Dit samenvallen van ĕ1 en ĕ2 in het go. heeft zijn oorzaak in de vernauwing van ĕ1 in het go., die blijkt uit de veel voorkomende spelling ei voor ĕ (Van Hamel 1931, 51).
(e) [n.a.v. de taaie levenskracht van de sterke werkwoorden] De oorzaak is dat er zoveel onder zijn, die tot de meest gebruikelijke woorden behoren, die men dagelijks gebruikt en hoort gebruiken, zodat een afwijking bij ongeoefende jongeren (b.v. geefde, neemde in kindertaal) onmiddellijk als fout gevoeld en dus gekorrigeerd wordt (De Vooys 1947, 96).
(f) Eene derde oorzaak voor het in onbruik raken van woorden is gelegen in de omstandigheid dat hun vorm een bijgedachte zou kunnen wekken, die aan den indruk van het woord schade zou doen (Verdam 1923, 282).
(g) Die Veränderungen von i und u vor r und h müssen durch die Artikulation dieser Konsonanten verursacht worden sein (Jellinek 1926, 84).
(h) Ursache des i-umlauts ist ein ursprünglich der tonsilbe folgendes ĭ oder j (Sievers 1898, 40).
(i) Die Brechung hat ihren Grund in der velaren, und wenigstens z.T. vielleicht auch labialen, Artikulation, bzw. Nebenartikulation, welche den brechenden Konsonanten eigen war (Bülbring 1902, 58).

De hier gegeven voorbeelden, die gemakkelijk vermeerderd kunnen worden - in iedere historische grammatica zijn ze aan te treffen - zijn weer typerend voor de werkwijze die we hiervoor als afgeleid of secundair gekenschetst hebben. Een duidelijk geval van een oorzaak die d.m.v. een wat-verklaring benoemd wordt, leveren (12) (a), (d) en (i); psychologische oorzaken - overigens als ad hoc-verklaring - leveren (12) (b), (c), (e) en (f); typisch technische verklaringen gaan schuil achter de formuleringen (12) (g) en (h).

[p. 253]

Ook het gebruik van de term invloed ligt in het verlengde van bovengenoemde terminologie. Allereerst weer een reeks voorbeelden:

(13) (a) Umlaut of palatalisatie is het verschijnsel dat een vokaal, onder invloed van een palatale klank, vooral i of j, in de volgende zwakbeklemde lettergreep, zijn artikulatieplaats verschuift in de richting van de palataal (Bouman 1934, 6).
  (b) Front mutation is the influence exerted by certain front sounds upon preceding back vowels, by which these back vowels were mutated into front vowels (Gordon 1949, 251).
  (c) Onder i-umlaut verstaat men de wijziging, in de richting van een palatale articulatie, van beklemtoonde vocalen onder invloed van een i of j in de volgende onbeklemtoonde syllabe (Van Loey 1965, 2).
  (d) Brechung nennt man die spaltung eines einfachen vocals in einen diphtongen unter dem einfluss von folgeconsonanten (Sievers 1915, 5).
  (e) Korte u is, onder invloed van l, n, r en labialen uit ĕ en ĭ ontstaan in: blusscen, gulden, hulpen, enz. (Van Loey 1965, 31).
  (f) Verkortende invloed van m; commen (Van Loey 1965, 92).
  (g) Onder invloed van een volgende r (vooral voor dentaal) wordt de o vaak gerekt: boord (Ohd. bort), oord ‘geldstuk’ (Ohd. ort), enz. (Lecoutere 1942, 352).
  (h) Sous l'influence de certaines voyelles de la syllabe suivante et par anticipation de leur degré d'aperture, e > i et i> e (Mossé 1942, 49).
  (i) Onder invloed van een voorafgaande of volgende l werd de ĕ of ĭ meermalen gerond tot ŭ/ˆ/ (Schönfeld 1964, 49).
  (j) By the influence of u (sometimes assisted by labial consonant) or w a preceding vowel without rounding became rounded (Gordon 1949, 252).

[p. 254]

(k) In hoofdsyllaben waren idg. ă en ŏ in oerg. ă samengevallen; in onbetoonde syllaben in de meeste gevallen waarschijnlijk eveneens, doch onder invloed van een volgende m was de oude ŏ in ieder geval nog in het oerg. bewaard (Van Hamel 1931, 46).
(l) zoo wordt nacht, dat in alle Indo-germaansche talen vrouwlijk is, mannelijk door den invloed van ‘dag’ (Verdam 1923, 268).
(m) Zo kan in de w.w. de d behouden zijn onder invloed van b.v. de enkelvoudige persoonsvormen: schaden, laden, waden, baden (...) (Schönfeld 1964, 39).
(n) Auf jeden Fall kann Einfluss des Singulars im Spiel sein (Jellinek 1926, 86).
(o) Vast staat ook de verstorende structurele invloed. Het woord schoer ‘bui’ verandert in N.-Holland niet in schuur maar blijft schoer, omdat op deze manier minder samenval met een ander schuur voorkomen wordt (Weijnen 1968, 7). [bedoeld is kennelijk: omdat op deze manier samenval...voorkomen wordt].

De term ‘invloed’ wordt hier gebruikt in de verklaring van tamelijk ingrijpende en gecompliceerde processen, zoals umlaut en breking (13) (a) t/m (d), maar ook voor de benoeming van gevallen waarin zich klankveranderingen van zeer verschillende soort voordoen (13) (e) t/m (k), in gevallen van paradigma-coherentie (13) (l) t/m (n) en in een geval van homoniemenvermijding (13) (o).

Relevant voor het opstellen van verklaringen en het gebruik van termen als oorzaak en invloed is het formuleren van generalisaties. Deze komen pas tot stand op grond van een zeker aantal observaties van gevallen waaraan regelmaat ten grondslag moet liggen. Het object van de taalkunde voldoet, zoals we zagen, aan deze eis van regelmaat. Zo is het mogelijk gebleken klankveranderingen als i-umlaut of u-breking in een conditionele zin van het type ‘als A, dan B’ te beschrijven. Het voorhanden historische materiaal in de Oudgermaanse talen heeft genoeg gevallen van A te zien gegeven om verificatie mogelijk

[p. 255]

te maken en genoeg gevallen van B om verklaringen te leveren. Het is niet ongebruikelijk generalisaties van dit typen wetten te noemen. Fraaie voorbeelden daarvan zijn o.m. de wet van Verner en de wet van Thurneysen.

Verner probeerde erachter te komen, hoe het komt dat een aantal Germaanse, speciaal in het Gotisch aantoonbare klanken niet volgens de regels van de Germaanse klankverschuiving veranderd waren. Het grote aantal gevallen deed hem besluiten dat hier geen toeval in het spel kon zijn. Door een fonetische analyse kwam hij ertoe zijn materiaal te vergelijken met geconjugeerde werkwoordsvormen die dezelfde differentiëring vertoonden. Hij kreeg daarop het vermoeden dat de oorzaak hiervan in de fonetische omstandigheden gezocht zou moeten worden, die variërend de conjugatie in het Indogermaans begeleid heeft. De Indogermaanse conjugatie berust op vier formatieprincipes: (1) variërende uitgang, (2) variërende wortelvocaal, (3) al dan niet voorkomen van augment en reduplicatie, (4) variërend accent. De eerste drie formatieprincipes werden door Verner onder de loep genomen en als mogelijke oorzaak van de differentiëring op goede gronden verworpen.

(14) Es bleibt somit nur eine erklärung übrig, und das ist keine verzweifelte hypothese, zu der ich, da alle anderen erklärungsversuche gescheitert sind, meine zuflucht nehmen muss, sondern eine entscheidung, die sich durch nüchternes argumentiren mit nothwendigkeit aufgedrungen hat: Die differenzirung muss auf dem vierten conjugationsbildungsmittel, auf dem variirenden indogermanischen accent beruhen (Verner 1877, 110-111).

Van hieruit keerde Verner terug tot zijn aanvankelijke voorbeelden, waarop dezelfde verklaring van toepassing bleek:

(15) Aus dem vorkommen der differenzirung in der conjugation habe ich meine regel deducirt, und es ist oben gezeigt, dass sie für die erklärung des wurzelauslauts in der conjugation vollständig ausreicht. Dies ist aber nicht genug. Soll die regel

[p. 256]

allgemeine gültigkeit haben, so muss sie auch für den wurzelconsonanten ausserhalb der conjugation, endlich auch für die endungen, sowohl flexions- wie derivationsendungen passen. Ich gehe jetzt zu dieser generalprobe über (Verner 1877, 117).

Deze ‘generalprobe’, die op een overvloed van materiaal toegepast wordt, bevestigt de regel die Verner opgesteld had. Aan het slot van zijn beroemd geworden artikel vat hij zijn gedachtengang nog een keer samen:

(16) Von einem scheinbar unregelmässigen punkte in der conjugation ausgehend bin ich durch eine apagogische beweisführung - eine beweismethode, die selbst von der stringenten mathematik nicht verachtet wird - zu einer erklärung gelangt, die nicht nur für jenen fall vollständig befriedigend war, sondern durch welche gleichzeitig eine reihe bisher ebenfalls als unregelmässigkeiten dastehender spracherscheinungen sich als ganz organische producte der sprachentwicklung bewährten. Eben in dem durch die erklärung enthüllten harmonischen zusammenhange verschiedener spracherscheinungen unter einander und mit der ganzen sprachentwicklung finde ich für die richtigkeit meines beweises die beste bestätigung (Verner 1877, 129-130).

De generalisatie die Verner hier gevonden heeft - en we mogen zeggen: op een voorbeeldige manier - noemen we een regel of een wet en als zodanig leidt die tot een verklaring. Ook andere, verder verwijderd liggende verschijnselen als de grammatische wisseling kunnen door deze wet ‘verklaard’ worden.

De wet van Verner (‘een stemloze spirant wordt stemhebbend wanneer hij volgt op een syllabe die niet het voornaamste woordaccent draagt’) is ook in geformaliseerde vorm eenvoudig weer te geven. King (1969, 48) doet dat als volgt:

illustratie

[p. 257]

Van Bakel (1973, 55) noteert iets anders, maar met hetzelfde effect:

illustratie

(waarbij Co aangeeft dat de bedoelde spirant na o of meer consonanten staat).

Soortgelijke observaties kunnen gemaakt worden naar aanleiding van de zgn. wet van Thurneysen, die de spirantendissimilatie in het Gotisch beschrijft. Thurneysen zocht een verklaring voor het feit dat woorden als fastubni en waldufni een regelmatige afwisseling van -tub- en -duf- te zien geven, terwijl *-dub- en *-tuf- niet voorkomen. In een kort artikel, op zichzelf veel minder indrukwekkend dan dat van Verner, komt Thurneysen dan tot de volgende formulering:

(18) Prüft man die sämtlichen einschlägigen Fälle, so ergibt sich folgende Regel: unmittelbar hinter unbetonten (nicht haupttonigen) Vokalen erscheinen stimmhafte Spiranten, wenn im Anlaut der unbetonten Silbe ein stimmloser Konsonant steht; dagegen stimmlose, wenn jene Silbe mit einem stimmhaften Konsonanten anlautet (-tub-, aber -duf-) (Thurneysen 1898, 209).

Ook hier is een generalisatie bereikt (van de restricties die Thurneysen zelf ter sprake brengt, zien we hier verder af), die geformaliseerd kan worden weergegeven. In feite geeft de schrijver twee regels: ter verklaring van fastubni geldt (19) (a) en van waldufni (19) (b):

illustratie

Deze twee formules samengevoegd leveren op:

illustratie

[p. 258]

Op grond van deze regel of wet kan de spirantenwisseling in een aantal afleidingssuffixen ‘verklaard’ worden, zoals in áuþida versus daubipa en wulpags versus stáinahs (voor meer voorbeelden Thurneysen 1898 en Van Hamel 1931, 91). Deze verklaringen op grond van wetten en generalisaties mogen met recht wetenschappelijke verklaringen genoemd worden. Wanneer het mogelijk is regels of wetten te formaliseren, zoals we hierboven gedemonstreerd hebben, verdient dat aanbeveling. Formalisering leidt niet alleen tot overzichtelijkheid, maar het dwingt ook tot logische consistentie en economische formulering (zie De Groot 1968, 71 e.v.). Eventuele vaagheden en restricties (‘soms’, ‘af en toe’, ‘in bepaalde gevallen’) worden dan manifest.

Wanneer we Hempels model van de deductief-nomologische verklaring toepassen op het verschijnsel van de grammatische wisseling in het Gotisch, kan men zich daarbij het volgende voorstellen:

illustratie

In het geval men de niet-verwachte vorm áigum wil ‘verklaren’ moeten daarvoor de uitspraken onder C en L gevonden worden. Die heeft Verner geformuleerd. Nu eenmaal zijn wet gegeven is, kunnen we uitgaande van C en L te verwachten vormen voorspellen. Dat laatste is voor een zeer regelmatige taal als het Gotisch bij herhaling gedaan en ook met succes, zoals blijkt wanneer geheel onverwacht een fragment van de Gotische bijbelvertaling ontdekt wordt (zie bijv. De Tollenaere 1972). Zo kan op grond van het voorkomen van het causatieve sandjan met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid voorspeld worden, dat een simplex sinpan bestaan moet hebben, dat echter niet overgeleverd is (zie Van Hamel 1931, 89). De wet - of de nomologische uitspraak - die bij dit alles een cruciale rol speelt, mag wetenschappelijk beschouwd inderdaad ‘wet’ genoemd worden. De wel ge-

[p. 259]

maakte tegenwerping dat een klankwet slechts beperkt geldigheidsbereik heeft in tegenstelling tot een natuurkundige wet, is niet te handhaven: ook natuurkundige wetten hebben hun eigen bereik (vele gelden bijvoorbeeld alleen voor onze aarde).

De vraag dringt zich hierbij natuurlijk op wanneer een generalisatie als geldig beschouwd kan worden. Heeft Verner zijn wet op voldoende gegevens gebaseerd? In principe doet dat er niet toe, hoewel het begrijpelijk is dat Verner, evenals Thurneysen, ernaar gestreefd heeft zoveel mogelijk bewijsmateriaal aan te voeren. Verner's ‘generalprobe’ was niets anders dan een poging tot verificatie en het materiaal bevestigde de door hem geformuleerde regel. Het is plausibel dat een onderzoeker zijn vermoedens geverifieerd wil zien; dat is een menselijke trek. Toch hecht men in de wetenschap tegenwoordig meer waarde aan falsificatie. Waar verificatie in principe nooit tot een eind komt, is één geval van falsificatie voldoende om een regel af te wijzen of op z'n minst te herzien. Zolang nu falsificatie van de wet van Verner, resp. de wet van Thurneysen, niet gelukt is, is zo'n wet geldig.

Generaliseringen zijn er in de historische taalkunde veel gemaakt; niet alle zijn ze even fraai gelukt als die van Verner of Thurneysen, maar vele beschrijvingen van processen van klankveranderingen vervullen de rol van een generalisering, die als basis voor verklaringen dient. We geven daarvan enkele voorbeelden:

(21) (a) In het oern. wordt ĕ gebroken door een a, die in de volgende syllabe wegvalt: oern. heldaR, on. hjaldr ‘strijd’ (Boer 1920, 55).
  (b) In het oern. wordt e door een in de volgende syllabe wegvallende u gebroken tot den korten tweeklank eu, waaruit dan io>illustratieo en ten slotte (...) Nerthus > Njǫrdr (Boer 1920, 58).
  (c) g, 3, k werden durch einen (einst oder noch) unmittelbar folgenden palatalen Vokal palatalisiert (Noreen 1913, 99).
  (d) Der R-Laut für sich hat unmittelbar vorangehenden Vokal palatalisiert: got. glas: urn. *glaRa>gler ‘Glas’ (Heusler 1913, 22).

[p. 260]

(e) Inlautend w ist durchweg verstummt vor stark gerundeten Vokalen (nicht ǫ) und vor Konsonanten (Heusler 1913, 49).

Procesbeschrijvingen van dit type kunnen bruikbare generaliseringen vormen. In min of meer verhulde vorm (weinig expliciet geformuleerd) of afgeleid toegepast hebben we nog enkele andere gevallen ontmoet: (8) (a), (8) (b), (12) (d), (12) (h), (12) (i), (13) (a) t/m (d). Ontkracht wordt een generalisering door een ongekwalificeerde restrictie als ‘bisweilen’ in het volgende citaat:

(22) r schwindet bisweilen durch Dissimilation, z.B. F(r)irikr (Noreen 1913, 125).

Daarbij moet dan nog opgemerkt worden dat hier sprake is van een afgeleide toepassing (een wat-verklaring), want voor een verklaring moet men eerst weer verder terug naar ‘Dissimilation’.

De procesbeschrijvingen die generaliserende waarde hebben, kunnen soms vrij gedetailleerd worden. We beschouwen daartoe de volgende twee gevallen:

(23) (a) Die Diphtongierung ging so vor sich, dass der Gleitlaut zwischen dem palatalen Konsonanten und dem folgenden palatalen Vokal mit diesem zuerst einen steigenden Diphtong bildete, der sich darnach, wahrscheinlich schon im Früh-Urengl., in einen fallenden umwandelte (Bülbring 1902, 61).
  (b) Z.B. ein *f.efall konnte zu fell werden: I. weil die zweimalige f-Artikulation auf Erleichterung drängte; 2. weil in dem verwandten *h.ehalt das zweite h nach Lautregel schwinden musste; 3. weil der Sprechende, nach der Masse der unreduplizierenden Präterita, auf eine Form eingestellt war, deren Volumen sich zum Präsensstamm verhielt wie kaus zu kiósa usw.: er verschluckte die Trennung der zwei Silben, weil ihm eine einheitliche Form vorschwebte (Heusler 1913, 105).

[p. 261]

In (23) (a) is sprake van een op intuïtie gebaseerde beschrijving van het diftongeringsproces. Citaat (23) (b) tracht een verklaring van één enkel geval te leveren, maar doet daarbij een beroep op nog andere factoren, evenzeer intuïtief, maar verder weg liggend dan in een beschrijving van klankverandering gewoon is. De auteur, Andreas Heusler, wil hier nl. psychologisch verklaren en hij begeeft zich daardoor op een gebied dat een nog verder liggend ‘waarom’ wil beantwoorden.

In het algemeen kan men stellen dat iedere verklaring slechts ten dele verklaart. Achter elk beantwoord waarom duikt namelijk een nieuw waarom op. Men heeft zelfs wel beweerd dat een verklaring dan ook geen antwoord kan geven op een waarom, maar alleen op een hoe. Het antwoord op een waarom-vraag zou alleen als verklaring mogen gelden wanneer een logische noodzaak werd aangetoond in de te verklaren verschijnselen. Bij ontstentenis daarvan zou men zich dan maar behelpen met hoe-verklaringen, die op hun best slechts accurate beschrijvingen zijn. Nagel is het met deze tegenwerping niet eens: ‘it is evident that the argument hinges in some measure on a verbal issue’ (Nagel 1968, 27). Volgens hem zijn ook antwoorden op waarom-vragen als verklaringen te beschouwen, ook als het explicandum niet intrinsiek noodzakelijk is. Maar zelfs als een accurate beschrijving van een klankverandering als generalisering - en dus als verklaringsbasis - te accepteren is, dan nog kan men weer naar de oorzaken of achtergronden van die klankverandering vragen. En dan vragen we naar een verklaring van geheel andere aard. We dienen dus te onderscheiden tussen twee soorten verklaringen:

(a) de linguïstische verklaring, die deducerend van karakter is en gebaseerd op generaliseringen, zoals bijv. de wet van Verner; we kunnen dit type zien als een technische verklaring, die geformaliseerd voorgesteld kan worden en die aanleiding heeft gegeven tot afgeleide - soms ook te ver afgeleide en daardoor onduidelijke - andere verklaringen;
 
(b) de aetiologische verklaring, die de oorzaak van het ontstaan van bepaalde taalverschijnselen tracht te ontraadselen; deze verklaring moet een beroep doen op factoren die buiten de competentie van de taalkundigen vallen, zoals de psychologie of

[p. 262]

de sociologie. (Het model van dit soort verklaringen wijkt op zichzelf echter niet af van dat van de eerste soort: het is ook deductief-nomologisch).

Een voorbeeld van de laatste soort verklaring levert de beschrijving van de analogie als taalscheppende factor, zoals Hermann Paul dat zag. De oorzaak van de analogie ligt nl. volgens Paul in de menselijke psyche. Hij gaat ervan uit dat ‘in der Seele’ attractie van verwante woorden tot groepen plaats heeft Eén soort groepen noemt Paul ‘Proportionengruppen’; daarin zijn analoge proporties tussen verschillende woorden verenigd, zoals führen:Führer:Führung = erziehen:Erzieher:Erziehung. Hij schetst dan uitvoerig het proces van analogievorming, waarvan we de twee wezenlijkste elementen hier naar voren halen:

(24) (a) Die Wörter und Wortgruppen, die wir in der Rede verwenden, erzeugen sich nur zum Teil durch blosse gedächtnismässige Reproduktion des früher Aufgenommenen. Ungefähr eben so viel Anteil daran hat eine kombinatorische Tätigkeit, welche auf der Existenz der Proportionengruppen basiert ist. Die Kombination besteht dabei gewissermassen in der Auflösung einer Proportionengleichung, indem nach dem Muster von schon geläufig gewordenen analogen Proportionen zu einem gleichfalls gegeläufigen Worte ein zweites Proportionsglied frei geschaffen wird. Diesen Vorgang nennen wir Analogiebildung (Paul 1920, 110).
  (b) Da die analogische Neuschöpfung die Auflösung einer Proportionsgleichung ist, so müssen natürlich schon mindestens drei Glieder vorhanden sein, die sich zum Ansatz einer solchen Gleichung eignen. Es muss jedes mit dem andern irgendwie vergleichbar sein, d.h. in diesem Falle. es muss mit dem einen im stofflichen, mit dem andern im formalen Elemente eine Uebereinstimmung zeigen. So lässt sich z.B. im Lat. eine Gleichung ansetzen animus: animi = senatus:x, aber nicht animus: animi = mensa: x. (Paul 1920, 116-117).

[p. 263]

In het laatste citaat (24) (b) is al bijna sprake van een geformaliseerde regel; wat daaraan ten grondslag ligt, is echter een psychologisch proces, dat Paul eenvoudigweg veronderstelt, dat naar alle waarschijnlijkheid relevant is, maar waar men tegenwoordig graag enig bewijsmateriaal voor aangevoerd zou willen zien, bijv. bestaande uit psychologische experimenten met proefpersonen. Niettemin is Pauls aetiologische verklaring zo voor de hand liggend dat iedere taalkundige er telkens weer onbeschroomd gebruik van heeft gemaakt. In ons materiaal is de analogie o.m. vertegenwoordigd in de citaten (9) (a), (9) (c), (13) (1), (13) (m), 13) (n).

Ook andere verklaringsoorzaken worden genoemd, die echter veel meer uit de lucht gegrepen zijn, bijv.: slordigheid (12) (a), verkeerd opvatten van een vorm (9) (c), behoefte aan duidelijkheid (12) (b), klankexpressie (12) (c), correctie van wat als fout ervaren wordt (12) (e), ongunstige bijgedachte (12) (f), de behoefte aan makkelijke uitspraak (23) (b). Men versta ons goed: al deze factoren zijn in genen dele uitgesloten, maar er zijn geen generaliserende uitspraken van gemaakt en steeds zien we dan ook dat ze als verklaring-ad hoc gebruikt worden.

Het speculatieve van de hierboven geciteerde gevallen wordt onderstreept door het volstrekt onbewijsbare ervan. Het gevolg daarvan is dat ter verklaring van één en hetzelfde verschijnsel verschillende hypotheses opgesteld worden, die door hun fundamenteel gebrek aan toetsbaarheid onderling niet kunnen concurreren. M.a.w. er is nooit uit te maken welke verklaring de voorkeur verdient. Een markant geval levert de Germaanse klankverschuiving, voor het ontstaan waarvan o.m. als oorzaak geopperd zijn: verhuizing van het Germaanse volk naar bergland, de groei der spraakorganen, inertie, de sociale structuur van de bevolking, een onderliggend substraat, bewogen tijden in het volksleven, en karaktereigenschappen van de Germanen! (Russer 1931, 147-195). De aanvechtbaarheid van dergelijke ‘oorzaken’ is wel evident. Weijnen (1971) heeft een groot aantal van dit soort mogelijkheden de revue laten passeren; met nogal wat terughoudendheid wijst hij op psychologische en sociologische factoren. Hoeveel voorzichtiger men in de taalkunde in dit opzicht is geworden, blijkt wan-

[p. 264]

neer men Weijnens uiteenzettingen vergelijkt met die van zijn voor-ganger-leermeester Van Ginneken, die vast meende te kunnen stellen dat taalontwikkeling van onbeschaafd naar beschaafd zou verlopen en dat armoede en ellende van een bevolking in de uitspraak van een taal merkbaar zouden zijn (Van Ginneken 1925, 6-7).

Als uitvloeisel van het zoeken naar aetiologische verklaringen zien we een frequent en lichtvaardig gebruik van termen, die als oorzaak opgevat kunnen worden, maar die zelf allerminst verklaard zijn. Eén van die termen is neiging, waarvoor nu eerst enkele bewijsplaatsen volgen:

(25) (a) Es besteht eine neigung zur dehnung einsilbiger wörter auf einfachen consonanten (...) Die neigung erstreckt sich selbst auf wörter, deren endconsonant erst aus einer geminata vereinfacht ist (Sievers 1898, 59).
  (b) Schliesslich zeigen gerade die Kasus und Personalendungen immer eine lebhafte Neigung, einander zu beeinflussen und einer den andern zu verdrängen (Von der Leyen 1908, 146).
  (c) De verleden tijd van binden luidde oorspronkelijk in het Germaansch en ook in het Middelnederlandsch in het enkelvoud: ‘ic, hi bant, du bants’, en in het meervoud: ‘wi, si bonden, gi bont’. Langzamerhand begint zich nu de neiging te vertoonen om deze vormen aan elkander gelijk te maken, niet alleen in het Nederlandsch, maar ook in het Hoogduitsch (Verdam 1923, 264).
  (d) In het Oudgermaansch bestaat de neiging om het accent naar voren terug te trekken (Van Hamel 1931, 43).
  (e) De neiging tot palatale uitspraak van de g kende het Mnd. even goed als onze Middeleeuwse Hollandse dialekten en die gemeenschappelijke neiging heeft (...) hìèr uit ghi een pron. je, jij, dààr (...) uit hetzelfde vnw. een pron. ie, i-j in het leven geroepen (Verdenius 1946, 189).
  (f) The tendency to analogical formation often removed the effects of sound-change (Gordon 1949, 250).

[p. 265]

(g) Afgezien van de bovengenoemde verkorting, bestond in 't algemeen de neiging, in 't ene dialect meer dan in 't andere, om vóór consonantverbindingen (ook zgn. geminaten) de vocaal te verkorten (Schönfeld 1964, 29).
(h) In de auslaut vertoonde m de neiging, althans in bepaalde dialecten, in n over te gaan. Naast mnl. vl. ic bem ontstaat: ic ben (Weijnen 1968, 57).

Zoals uit deze citaten (enkele uit vele) blijkt, wordt neiging impliciet toegeschreven aan de taalgebruiker (25) (a), (c), (d), (g), aan het taalsysteem (25) (b), (f)?, aan de taal (25) (e) of aan een klank (25) (h). Het valt aan te nemen dat in de taalbeschrijving een term als ‘neiging’ erg handig is; daardoor hanteren veel auteurs zulke termen minder bewust en komen dan terecht in een metaforiek en een personifiërend taalgebruik dat een linguïstische descriptie wel kan verlevendigen, maar dat de werkelijke - niet zelden raadselachtige - gang van zaken versluiert, zodat men met Stutterheim kan zeggen dat ‘tijdens die formulering het besef van een ontologische problematiek afwezig was’ (Stutterheim 1971, 260). Zo lezen we in historische grammatica's dat taalklanken versmelten, samenvallen, zich wijzigen, elkaar verdringen, overslaan op andere, doordringen in andere, samenvloeien, veld winnen, zegevieren, in beweging komen, zich splitsen, elkaar verhinderen, verschuiven, weifelen tussen verschillende mogelijkheden en dan ook nog domweg ontstaan uit iets en worden tot iets anders (voorbeelden ook bij Stutterheim 1971 en Van Bree 1971). We geven slechts een paar citaten, die ieder bij enig bladeren in taalkundige handboeken kan uitbreiden:

(26) (a) Klanken, die in een woord niet thuishooren, komen er alweder in door het eene of andere voorbeeld dat aanstekelijk werkt (Verdam 1923, 269).
  (b) De ogm. ft is in 't ownfr. overgegaan in cht, een gevolg waarschijnlijk niet zozeer van ‘verschuiving’ als wel van verslapping der artikulatie (Bouman 1934, 12).
  (c) de -s is opgeslorpt door de stam -s in: eens wijs conincs (Van Loey 1966, 29).

[p. 266]

(d) Spontane palatalisering van vocalen (...) De u in open lettergreep palataliseert in de westelijke dialecten (Weijnen 1968, 37).

Men realiseert zich bij het lezen van deze zinnen nauwelijks nog dat ‘thuishooren’ (26) (a), ‘overgaan tot’ (26) (b) en ‘opgeslorpt worden’ (26) (c) beeldspraak is en dat ‘palataliseren’ (26) (d) gezegd van een klank, een personificatie is. Toch ziet het ernaar uit dat juist beschrijvingen van dit type de historische taalwetenschap in de laatste decennia in discrediet hebben gebracht bij veel jongere taalkundigen. Als uitvloeisel van ontoetsbare speculatieve aetiologische verklaringen hebben de gewraakte metaforen niet bijgedragen tot het aanzien van de historische grammatica in de ogen van hen die in de moderne grammatica een strengere methodiek en een wetenschappelijker aanpak hebben aangetroffen. Dit prestigeverlies van de historische taalkunde, dat toch een aantal jaren het gezicht van de linguïstiek - althans in West-Europa en Amerika - heeft bepaald, is te betreuren. Men was immers zozeer op de goede weg en nog altijd gelden t.a.v. deze wetenschap de woorden van Hermann Paul:

(27) Es gibt keinen Zweig der Kultur, bei dem sich die Bedingungen der Entwicklung mit solcher Exaktheit erkennen lassen als bei der Sprache, und daher keine Kulturwissenschaft, deren Methode zu solchem Grade der Vollkommenheit gebracht werden kann wie die der Sprachwissenschaft (Paul 1920, 5).

Het lijkt erop dat men dat tegenwoordig weer ten volle beseft. Enerzijds brengt dat met zich mee dat linguïsten die gevoed zijn door het vroegere, niet historisch geïnteresseerde Neobloomfieldianisme en die met de verworvenheden van de t.g.g. historisch taalmateriaal onderzoeken, zaken herontdekken die voor oude rotten in het vak niets nieuws bevatten. Anderzijds echter leidt die herontdekking ook tot een herformulering en een herwaardering, die verfrissend zijn. Die herformulering resulteert gewoonlijk in formalisering en dat vormt een gezonde basis voor deductieve verklaringen, waarbij men terecht speculatieve aetiologische verklaringen achterwege laat.

[p. 267]

Het gaat niet te ver wanneer we hier spreken van een bevruchtende invloed van de synchronische taalwetenschap op de diachronische. In de synchronische taalwetenschap van de laatste jaren is immers alleen de deductieve, technische verklaring geaccepteerd. Daarmee keren we terug tot ons uitgangspunt, de explanatorische adequaatheid van grammatica's. Chomsky's derde niveau zou in principe bereikbaar kunnen zijn en daarmee wordt de transformationeel-generatieve grammatica een wetenschap waarin verklaringen mogelijk zijn. De t.g.g. is namelijk een deductieve theorie, d.w.z. de relatie tussen de primaire gegevens en de grammatica is van deductieve aard: bepaalde observeerbare gebeurtenissen worden als gevolgen van wetten (hypothetische constructies) voorgesteld. Op deze wijze ‘verklaart’ de t.g.g. de taaluitingen en de linguĩstische intuïties van de taalgebruiker. In de woorden van Botha: ‘Because of the nature of its abstract structure a transformational grammar should, therefore, be regarded as a methodological device EXPLAINING, in the sense of Hempel, the primary linguistic data’ (Botha 1968, 62). Het duidelijkst blijkt dit alles wanneer we ons realiseren dat de t.g.g. testbare predicties maakt. Uit het algoritme van de grammatica kan worden afgeleid dat een bepaalde zin, die niet aanwezig is in het oorspronkelijke corpus, grammaticaal is. (We stellen ons voor hierop in een volgend artikel nader in te gaan).

Een dergelijke deductieve verklaring komt oudere taalkundigen wellicht als pover voor. Toch is dat naar onze mening niet terecht. De wetenschap blijft zich hierdoor bewust van de grenzen van haar kunnen. Bij het beproeven van aetiologische verklaringen vertroebelt dat bewustzijn. De oudere presentaties van historische taalverschijnselen zijn in hun verklaringen niet altijd even zorgvuldig en vaak te speculatief - we hopen dat in het voorafgaande te hebben aangetoond. Niet zelden ook worden strikt linguïstische verklaringen en aetiologische verklaringen door elkaar gebruikt, althans niet methodologisch onderscheiden. Het zou de moeite lonen de traditionele historische grammatica, bijv. het rijke arsenaal van Schönfelds boek, in dit opzicht methodologisch te zuiveren. Het zou kunnen leiden tot een herwaardering waar de historische taalkunde wel bij zou varen.

 

M.C. van den Toorn

[p. 268]

Literatuur

Bakel, J. van
1973 ‘De grammatische wisseling in het Gotisch’, Ts 89, 52-67.
Bochenski, I.M.
1971 Die zeitgenössischen Denkmethoden5, München (Serie UTB 6).
Boer, R.C.
1918 Oergermaansch handboek, Haarlem.
1920 Oudnoorsch handboek, Haarlem.
Botha, R.P.
1968 The Function of the Lexicon in Transformational Generative Grammar, The Hague.
1973 The Justification of Linguistic Hypotheses. A Study of Nondemonstrative
Inference in Transformational Grammar, with the collaboration of W.K. Winckler, The Hague.
1976 ‘Theoretische intuïties in de transformationeel-generatieve grammatika’, in: Koefoed en Evers 1976, 31-81.
Bouman, A.C.
1934 Middelnederlandse bloemlezing met grammatika, Zutphen.
Bree, C. van
1971 ‘Nieuwe voorbeelden voor Stutterheim’, FdL 1971, 135-140.
Bülbring, K.D.
1902 Altenglisches Elementarbuch, I. Teil: Lautlehre, Heidelberg.
Chomsky, N.
1964 Current Issues in Linguistic Theory, The Hague.
1972 ‘Some Empirical Issues in the Theory of Transformational Grammar’, in: Peters 1972, 63-130.
Craik, K.
1967 The Nature of Explanation, Cambridge.
Feist, S.
1939 Vergleichendes Wörterbuch der gotischen Sprache, mit Einschluss des Krimgotischen und sonstiger zerstreuter Ueberreste des Gotischen, Leiden.
Franck-Van Wijk
1949 Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal2, door N. van Wijk, 's-Gravenhage.
Geurts, J.P.M.
1975 Feit en theorie. Inleiding tot de wetenschapsleer, Assen, Amsterdam.
Ginneken, J. van
1925 ‘De oorzaken der taalveranderingen’, Med. KAW, Afd. Lett. dl 59, serie A, no 2, Amsterdam.
Gordon, E.V.
1949 An Introduction to Old Norse, Oxford 1927 (Reprint 1949).
Groot, A.D. de
1968 Methodologie. Grondslagen van onderzoek en denken in de gedragswetenschappen4, 's-Gravenhage.
[p. 269]
Hamel, A.G. van
1931 Gotisch handboek2, Haarlem.
Hempel, C.G.
1965 Aspects of Scientific Explanation and Other Essays in the Philosophy of Science, New York, London.
Heusler, A.
1913 Altisländisches Elementarbuch2, Heidelberg.
Jakobson, R.
1969 Kindersprache, Aphasie und allgemeine Lautgesetze, Ed. Suhrkamp 330.
Jellinek, M.H.
1926 Geschichte der gotischen Sprache, Berlin, Leipzig.
King, R.D.
1969 Historical Linguistics and Generative Grammar, Englewood Cliffs, N.J.
Kiparsky, P.
1972 ‘Explanation in Phonology’, in: Peters 1972, 189-227.
Koefoed, G.
1974 ‘On Formal and Functional Explanation: Some Notes on Kiparsky's “Explanation in Phonology”’, in: Historical Linguistics II, Proceedings of the First International Conference on Historical Linguistics, Edinburgh 1973, ed. J.M. Anderson & Ch. Jones, Amsterdam, 277-293.
Koefoed, G. en A. Evers (red.)
1976 Lijnen van taaltheoretisch onderzoek. Een bundel oorspronkelijke artikelen aangeboden aan prof. dr. H. Schultink, Groningen.
Lastrucci, C.L.
1973 De wetenschappelijke aanpak. Grondprincipes van de wetenschappelijke
methode, Groningen.
Lecoutere, C.P.F.
1942 Inleiding tot de taalkunde en tot de geschiedenis van het Nederlandsch5, bew. L. Grootaers, Leuven, Groningen, Den Haag.
Leyen, F. von der
1908 Einfiihrung in das Gotische, München.
Loey, A. van
1965 Middelnederlandse spraakkunst. II. Klankleer4, Groningen, Antwerpen.
1966 Middelnederlandse spraakkunst. I Vormleer5, Groningen, Antwerpen.
Mossé, F.
1942 Manuel de la langue gotique, Paris.
Nagel, E.
1968 The Structure of Science. Problems in the Logic of Scientific Explanation2, London.
Noreen, A.
1913 Geschichte der nordischen Sprachen, besonders in altnordischer Zeit3, Strassburg.
Paul, H.
1920 Prinzipien der Sprachgeschichte5, Halle a.S.
Peters, S. (ed.)
1972 Goals of Linguistic Theory, Englewood Cliffs, N.J.
[p. 270]
Russer, W.S.
1931 De Germaansche klankverschuiving. Een hoofdstuk uit de geschiedenis der Germaansche taalwetenschap, Haarlem.
Schönfeld, M.
1964 Schönfelds Historische grammatica van het Nederlands7, uitg. A. van Loey, Zutphen.
Seuren, P.A.M.
1975 Tussen taal en denken. Een bijdrage tot de empirische funderingen van de semantiek, Utrecht.
Sievers, E.
1898 Angelsächsische Grammatik3, Halle.
1915 Abriss der angelsächsischen Grammatik5, Halle.
Stoett, F.A.
1923 Middelnederlandsche spraakkunst. Syntaxis, 's-Gravenhage.
Stutterheim, C.F.P.
1971 ‘Taalkundige, wat is er van de mens?’ in: C.F.P. Stutterheim, Uit de verstrooiing. Gesproken en geschreven taalkundige beschouwingen, Leiden, 252-265.
Taylor, D.M.
1970 Explanation and Meaning. An Introduction to Philosophy, Cambridge.
Thurneysen, R.
1898 ‘Spirantenwechsel im Gotischen’, Indogerm. Forsch. 8, 208-214.
Tollenaere, F. de
1972 ‘Razdom rodjand niujaim’, Ts 88, 1-10.
Toulmin, S.
1970 An Examination of the Place of Reason in Ethics, Cambridge.
Verdam, J.
1923 Uit de geschiedenis der Nederlandsche taal4, herzien door F.A. Stoett, Zutphen.
Verdenius, A.A.
1946 Studies over Zeventiende eeuws. Verspreide opstellen en aantekeningen, Amsterdam.
Verner, K.
1877 ‘Eine ausnahme der ersten lautverschiebung’, Zs. f. vergl. Sprachforschung 23, 97-130.
Vooys, C.G.N. de
1947 Nederlandse spraakkunst, met medewerking van M. Schönfeld, Groningen, Batavia.
Weijnen, A.A.
1968 Het schema van de klankwetten, Assen.
1971 De oorzaken in de taalgeschiedenis, Assen.