[p. 1]

F. Claes S.J.
Een nog onuitgegeven woordenboek van Kiliaan

Cornelis van Kiel of Kiliaan is vooral bekend als auteur van het Etymologicum Teutonicae Linguae (Antwerpen 1599), zijn Nederlands-Latijns woordenboek, een standaardwerk voor het zestiende-eeuwse Nederlands. Zijn andere publikaties, ook het Dictionarium Tetraglotton (Antwerpen 1562), waarvan de Nederlandse tekst heel waarschijnlijk van hem is, zijn naar verhouding van minder belang voor ons.

Als belangrijk beschouwen we wel de aanvullingen en verbeteringen die Kiliaan na 1599 nog in zijn werkexemplaar van het Etymologicum heeft aangebracht en die, hopelijk weldra, onder de titel De Vierde Kiliaan uitgegeven worden in de reeks Monumenta Lexicographica Neerlandica. Er is echter nog een ander, zelfs uitvoeriger, handschriftelijk woordenboek van Kiliaan bewaard gebleven: de volledige Nederlandse tekst van een nieuw Tetraglotton. Hij heeft namelijk in handschrift overvloedig Nederlandse woorden toegevoegd aan het drietalige, Latijns-Grieks-Franse Promptuarium Latinae Linguae, in 1591 door Plantijn uitgegeven. De Nederlandse woorden schreef hij in twee kolommen op witte bladen waarmee dit hele exemplaar, dat 471 bladzijden telt, doorschoten was. Op het schutblad gaf hij aan dit viertalige werk ook een nieuwe titel: Tetraglotton Latinè, Graecè, Teutonicè et Gallicè. Collectore Cornelio Kiliano Dufflaeo. Dit exemplaar berust op het Plantijnmuseum te Antwerpen onder nr. M 3681.

[p. 2]

1. Geschiedenis van dit handschrift

Nadat Kiliaan op paasdag 1607 overleden was, had Balthasar Moretus, Plantijns kleinzoon en tweede opvolger, het door Kiliaan aangevulde exemplaar van het Promptuarium toevertrouwd aan een Antwerps kapucijn, pater Anselmus. Deze wilde het nazien en aanvullen om het persklaar te maken voor publikatie. Toen hij enige jaren later echter naar Duitsland werd overgeplaatst, vond hij voor dit werk niet genoeg tijd meer. In 1616 stuurde hij daarom het aangevulde Promptuarium, samen met het aangevulde Etymologicum (nu de Vierde Kiliaan genoemd) terug naar zijn opdrachtgever. Hij meende dat beide handschriften wel goed genoeg in orde waren om gedrukt te kunnen worden.

De brief die pater Anselmus op 6 november 1616 uit Essen in het hertogdom Berg (‘Essendia, ex ducatu Montensi’) aan Balthasar Moretus schreef, wordt nog bewaard in het Plantijnmuseum (Archief 76, f. 43). Over het aangevulde Promptuarium schrijft hij dat hij er enige fouten heeft uitgehaald en dat hij met ‘deest’ (ontbreekt) verscheidene plaatsen heeft aangetekend waar geen Nederlandse tekst was bijgevoegd; volgens hem zou Moretus deze tekst zelf uit een ander (of: uit het andere, nl. het Etymologicum?) woordenboek kunnen aanvullen. Bij een eerste onderzoek heb ik echter slechts een tiental aanvullingen in het handschrift van Anselmus kunnen vinden en een vijfentwintigtal keer de aanduiding ‘deest’, dit laatste inderdaad altijd bij Latijnse trefwoorden van het Promptuarium waarbij Kiliaan geen Nederlands heeft geschreven. In totaal bedraagt het aandeel van Anselmus minder dan 0,01%. De rest van de aanvullingen op het Promptuarium is volledig in Kiliaans handschrift.

Verder handelt pater Anselmus in zijn brief over het afschrift dat hij van enige bladzijden van het nieuwe Tetraglotton heeft gemaakt. Dit afschrift, dat eveneens op het Plantijnmuseum bewaard wordt (onder nr. M 14.1), gaat slechts tot Allapsus en omvat nauwelijks meer dan 26 bladzijden van de 471 die het hele woordenboek telt.

[p. 3]

Het afschrift is gedateerd ‘1614. 14 Oct.’ en telt 52 bladzijden en enkele regels. Anselmus heeft zelf nog wat toegevoegd aan Kiliaans aangevulde Promptuarium: een twintigtal nieuwe artikelen en nieuwe Nederlandse woorden bij een tiental andere artikelen; bij deze laatste is er een fland.- en een sax.-woord, die beide uit het Etymologicum kunnen komen. Anselmus vond het echter niet nodig het hele werk verder op deze wijze over te schrijven, want, zo zegt hij, het handschrift van Kiliaan is leesbaar genoeg en alles overschrijven zou te veel tijd in beslag nemen.

Kiliaans aanvullingen op het Promptuarium zijn over het algemeen merkelijk beter leesbaar dan die op het Etymologicum. In dit laatste werk heeft hij immers alles in de randen, links en rechts, onder, boven en in het midden van de bedrukte bladzijden geschreven, terwijl het Promptuarium met witte bladen doorschoten is, waarop het grootste deel van de toegevoegde tekst staat. Omdat die bladen helemaal vol staan, heeft hij heel vaak echter ook nog een aantal aanvullingen op de bladzijden van het Promptuarium zelf geschreven. Heel goed leesbaar is de tekst voor ons toch niet!

Tenslotte hoopt pater Anselmus dat het niet al te lang zal duren eer dit werk in het licht gegeven zal worden. Hij weet immers, zo schrijft hij, dat dit werk van Kiliaan bij allen zeer welkom zal zijn, want aan zo'n woordenboek hebben de beoefenaars van het Nederlands een grote behoefte. Daarom stuurt hij deze schat (‘thesaurus’) van onze Nederlandse taal ook tijdig terug, eer hij ergens verloren zou gaan. Hij vraagt dan nogmaals dat Moretus deze schat niet langer meer zou verbergen, maar dat hij hem tot ieders nut zou uitgeven en aan het licht brengen.

In zijn brief spreekt pater Anselmus meestal over beide woordenboeken, het aangevulde Etymologicum en het aangevulde Promptuarium, samen. Hij zegt dat hij ‘utrumque Dictionarium Kiliani’ (beide woordenboeken van Kiliaan) terugstuurt en met ‘deze schat’ of ‘thesaurus’ bedoelt hij ook de beide werken. Ze zijn immers complementair: het ene gaat uit van het Nederlands, het andere van het Latijn.

De wens dat deze woordenboeken spoedig in het licht gegeven zouden worden, is niet uitgekomen. Meer dan 360 jaar na de brief

[p. 4]

van Anselmus is nog geen van beide werken verschenen. Hopelijk zal dit voor de Vierde Kiliaan, die al verscheidene jaren persklaar ligt, nu toch niet lang meer duren, en we wensen dat het nieuwe Tetraglotton over enige jaren mag volgen.

Ik merk tenslotte nog op dat beide aangevulde woordenboeken vermeld worden in de catalogus van de bibliotheek van Balthasar Moretus, omstreeks 1650 (Plantijnmuseum nr. M 29): het aangevulde Promptuarium als ‘Cornelij Kiliani Tetraglotton 1591. Pl’ (d.i. een uitgave van Plantijn; f. 54) en het aangevulde Etymologicum als ‘Dictionarium Teutonico-latinum Cornelij Kiliani...editum anno 1599...manuscriptis auctum’ (f. 66vo).

2. Vergelijking met het Tetraglotton van 1562

E. Spanoghe merkte op dat de Nederlandse tekst van Kiliaans nieuwe Tetraglotton alles bevat wat in het vroegere Tetraglotton van 1562 stond met daarbij nog talrijke latere toevoegingen van Kiliaan2. Vroeger heb ik al geschreven dat een aantal van deze toevoegingen eerst als kanttekeningen werden geschreven in de randen van een werkexemplaar van het oude Tetraglotton, nu bewaard in het Plantijnmuseum (nr. R 24.15).

Deze kanttekeningen werden door verscheidene personen, maar voor het overgrote deel door Kiliaan, opgeschreven. Als bronnen ervoor heb ik vroeger verscheidene woordenboeken aangewezen, vooral het drietalige, Latijns-Frans-Duitse Dictionariolum (Zürich 1548) van Joannes Frisius, de Nomenclator omnium rerum (Antwerpen 1567) van Hadrianus Junius, het Dictionariolum (Gent 1544) van Joannes Paludanus en waarschijnlijk ook het Dictionarium Latinogermanicum (de uitgaven uit Straatsburg 1537 en uit Antwerpen 1542) van Petrus Dasypodius en het Naembouck (Gent 1546) van Joos Lambrecht3.

De Nederlandse aanvullingen in het nieuwe Tetraglotton komen, volgens steekproeven op een 300-tal artikelen, voor ca. 38% reeds voor in de gedrukte tekst van het Tetraglotton van 1562, voor ca.

[p. 5]

32% in de kanttekeningen bij dit Tetraglotton en voor ca. 28% staan ze er nog niet in. Soms zijn deze laatste woorden nog te verklaren als aangepaste vormen van woorden bij een ander trefwoord in het oude Tetraglotton.

Het grootste deel van de kanttekeningen bij het oude Tetraglotton, volgens mijn steekproeven ca. 73%, heeft Kiliaan in dit nieuwe Tetraglotton opgenomen. Hierbij moeten we er rekening mee houden dat Kiliaan een aantal kanttekeningen niet heeft overgenomen, omdat heel wat Latijnse trefwoorden uit het oude Tetraglotton niet in het Promptuarium stonden. Nieuwe Latijnse trefwoorden heeft hij aan dit laatste blijkbaar niet toegevoegd uit het oude Tetraglotton, maar wel uit andere bronnen.

De grote overeenkomst van de aanvullingen op het Promptuarium met het Nederlands van het oude Tetraglotton, aangevuld met de kanttekeningen erbij, blijkt dadelijk bij een eerste vergelijking. Als voorbeeld geef ik hier twee reeksen aanvullingen op het Promptuarium met al de ermee overeenkomende Nederlandse woorden uit het oude Tetraglotton; de kanttekeningen bij dit laatste plaats ik tussen ronde haakjes, kanttekeningen in een ander handschrift dan dat van Kiliaan daarbij tussen vierkante haakjes. Ik cursiveer de woorden die in beide kolommen voorkomen.

  Tetraglotton (1562) Aanvullingen op het Promptuarium (na 1591)
 
Abbreuio. Verkorten. (afkorten) Verkorten, afkorten.
 
Abdico. Onteruen, verworpen, verstooten, opsegghen. (afsegghen, ontsegghen, versaecken) Synen sone wt den huyse stooten, ende hem de hope benemen van erfghenaemschap om eenigh misdaed: ont-eruen, ver-stooten, versaecken, verloochenen: op-segghen, af-segghen, ontsegghen, vertyen.
 
Abdicatio. Onteruinghe, opsegginghe. Ont-eruinghe, ont-segghinghe.
 
Abditus. Verholen, verborghen. (gheborghen) Verborghen, verholen, gheborghen.
 
Abditum. Een heimelicke, verholen ende verborgen plaetse. (heymelick ort. heymelickheyt) Heymelicke ende verborghen plaetse.
 
Abditè. Heimelick (verholentlick, verborgenlick (ger) verborgenlich) verborgentlick, secretelick, verholentlick.

[p. 6]

Abdo. Verbergen (ouerdecken, verdecken, verslaen, verhelen, versteken (ger) verschlahen. Berghen) Verberghen, verhelen, versteken: heymelick ver-slaen.
 
  Caecken. kaecken, versteken, ontsteken, versteken.
 
Abdor. (ontbreekt) verborghen worden.
 
Abdomen. Het nierbedde oft liese in den lichaem (nieren-vet, buyck-vet, onderbuyck, schmär. Buyck-vet. onderlijf. Abdomen. rosel, roselsmeer, russelsmeer. holl. fris. sic. vnghel. vet. smeer) onder-buyck, smeer-buyck, vet-sack, darm-buyck, buyck-vet.
 
Mactra. Eenen troch daermen broot in cneet oft werct, Een moelie. (broodspinde, broodkiste, back-troch, deegh-troch, moelde: ger. multen, benne: troch. holl. zel. sic. fl.) Eenen troch, om het brood te kneden oft wercken: back-troch, deegh-troch, moelde: eenen brood-korf, brood-spinde, broodkiste.
 
Mactus. God wille u laten in duechden opwassen, ende dese duecht verstercken dye in v is. oft: Hebt goeden moet, ende vaert voorts in duechden ghelijck ghy begost hebt. Ver-meerdert, ver-breydt, hebt goeden moed, ende doedt voorts wel.
 
Macula. Smette, Vlecke, Placke. Merck ende teecken. Schande, Quaden naem ende faem, Oneere. Het gat van een net. (gremele fl., maeckel sic., mael sic. [mael sic., ysermael.] maschel: spatte fl..
aen-mael, maschere, maschele. maschel. spatte. fl.
Cladde. mascher. maschel.
fland. boensel.

maesche. masche.
ooghe
, schaeck. schaecker.
maelie van t' net)
Smette, vlecke, placke, kladde: fland. gremele: holl. plagghe: sic. maeckel, mael: fland. boensel: mascher, maschel, masche: merck ende teecken: schande, quaden naem ende faem, on-eere: De schaeck oft gat van een net, de ooghe van tnet, de maelie.
 
Maculo. Besmetten, Beulecken. (smoocken. veronreynighen. spotten. fl. Gremelen. besmudden. hol. maschelen, mascheren: boenen. fl. begremelen, begremen, gremen, gremelen fl. kladden, kladderen. besoluwen fl. maschelen) Be-smetten, be-placken, be-vlecken, be-sabberen: fland. spotten, boenen, be-gremen, be-gremelen: be-kladden, kladden, kladderen, maselen, be-maselen.

[p. 7]

Maculosus. Vol smetten ende vlecken, Ghesmet ende geplackt. Vol schanden ende oneeren. (plackigh, plackaerd, beplact, besabbert, smettich. [Bondt, Bonte Vlecke. ger. punte flecke. Bonte koe. Maculosa vacca]) Plackigh, be-plackt, be-smet, plackaerd: bont. vol van schande ende on-eere.

Kiliaan heeft het oude Tetraglotton met de kanttekeningen erbij als grondslag genomen voor de Nederlandse tekst van het nieuwe Tetraglotton, maar hij heeft er voortdurend weer wijzigingen in aangebracht. Verscheidene woorden heeft hij weggelaten en sommige andere toegevoegd. We merken bijv. dat hij al de ger.-aanduidingen uit de kanttekeningen bij het oude Tetraglotton heeft weggelaten en dat hij de woorden waar deze aanduidingen bij stonden, slechts enkele keren bewaarde en dan in een vernederlandste vorm. Sommige gewestelijke woorden uit die kanttekeningen liet hij weg, maar hij nam er weer andere op.

Over de andere bronnen die Kiliaan voor het nieuwe Tetraglotton gebruikt heeft, handel ik in de volgende paragraaf. Hier wil ik er alleen op wijzen dat sommige erin toegevoegde woorden door de context in het Promptuarium verklaard kunnen worden, bijv. secretelick i.v. Abditè door het Franse Secretement, Caecken. kaecken i.v. Abdo door het Franse Cacher (het is er door een pijltje mee verbonden) en Vermeerdert, ver-breyt i.v. Mactus door het Franse Augmenté, amplifié, terwijl verborghen worden i.v. Abdor verklaard moet worden als het passief van Verberghen i.v. Abdo en smeer-buyck i.v. Abdomen door schmär, dat als Duits woord in de kanttekeningen bij het Tetraglotton staat, gecombineerd met buyck, dat verscheidene keren in andere woorden voorkomt.

Ik merk nog op dat Kiliaan i.v. Mactra de omschrijving ‘daermen...in cneet oft werct’ weglaat, juist zoals hij bijv. i.v. Abax ook een dergelijke wending, die hij eerst uit het oude Tetraglotton in het nieuwe had overgenomen, achteraf weer heeft geschrapt: eerst had hij daar geschreven ‘Spinde, renne oft schappraye daermen potten, schotelen ende anderen dinghen in sluyt’, naar het voorbeeld van het oude Tetraglotton; hij verving dit door ‘Spinde, renne oft

[p. 8]

schappraye van potten, schotelen ende andere dinghen’4. Zinnetjes en omschrijvingen met een werkwoord wilde hij nu blijkbaar vermijden.

Wellicht is dit ook de reden waarom Kiliaan het Promptuarium van 1591 wilde aanvullen tot een nieuw Tetraglotton in plaats van het oude Tetraglotton voor een nieuwe uitgave te bewerken. De artikelen van het Promptuarium zijn immers over het algemeen veel beknopter en bevatten vooral synoniemen, alleenstaande woorden, soms met bepalingen, maar veel minder zinnetjes en omschrijvingen dan het oude Tetraglotton. De Franse en de Nederlandse tekst in dit laatste woordenboek is heel vaak een omschrijving van het Latijnse trefwoord, al bevat hij dan gewoonlijk ook nog wel enige synoniemen. In de zinnetjes en omschrijvingen van het oude Tetraglotton werkt via het woordenboek van Morel, dat de voornaamste bron ervoor is geweest, de invloed van het uitvoerige Dictionarium Latinogallicum van Robert Estienne nog door. Het beknopte Dictionariolum puerorum van Estienne en het Promptuarium, dat er een bewerking van is, vertalen daarentegen de Latijnse trefwoorden gewoonlijk met alleenstaande Franse woorden. Kiliaan nu heeft, na zijn bewerking van het oude Tetraglotton, het beknopte Dictionariolum en de Frans-Latijnse tegenhanger ervan, Les Mots Francois, nagevolgd in zijn Dictionarium Teutonico-Latinum van 1574. Dit is een echt vertaalwoordenboek met voor elk Nederlands woord een of meer Latijnse equivalenten en geen omschrijvingen of zinnetjes. Hetzelfde systeem wil Kiliaan nu blijkbaar ook toepassen in een woordenboek met het Latijn voorop5.

3. Andere bronnen

Behalve het oude Tetraglotton en de kanttekeningen hierbij heeft Kiliaan voor zijn aanvullingen op het Promptuarium nog andere bronnen gebruikt. Bij de bespreking hiervan vermeld ik telkens ook wat Kiliaan al in zijn kanttekeningen bij het oude Tetraglotton had opgenomen. Ik rangschik de bronnen naar het gevonden aantal vermoedelijke ontleningen eraan.

[p. 9]

3.1. De Nomenclator van Junius

Kiliaan heeft de Nomenclator omnium rerum (Antwerpen 1567) van Hadrianus Junius als bron gebruikt voor zijn Etymologicum6 en ook voor zijn kanttekeningen bij het oude Tetraglotton7. Dat hij deze Nomenclator opnieuw gebruikt heeft voor zijn aanvullingen op het Promptuarium, blijkt vooral uit een aantal aan dit woordenboek toegevoegde nieuwe artikelen. Kiliaan haalde uit de Nomenclator nog Latijnse trefwoorden, met een Nederlandse en soms ook een Franse vertaling, die niet in het Promptuarium en ook niet in het oude Tetraglotton stonden. Bij mijn vergelijking heb ik de uitgave van de Nomenclator uit 1577 geraadpleegd.

In de aanvullingen op het Promptuarium staat Apodidrascinda met een lange Latijnse verklaring, die op een kleine afwijking na (‘se’ i.p.v. ‘sese’) letterlijk gelijk is aan die in de Nomenclator (p. 215a), en met de Nederlandse woorden ‘Schuyl-winckel, schuylhoecksken: fland. Koppe komt wt den hoecke brab. pipt oft ick en soecke u niet’ (Nomenclator: B. Schuylwinckgen, schuylhoecxken, duyckerken Flandris, Coppen comt wt den hoecke Brab. item, pijpt of ick en soeck u niet). In zijn kanttekeningen bij het oude Tetraglotton had Kiliaan alleen geschreven: ‘Apodidrascinda. borgh-spel’. In het Etymologicum staat i.v. borgh-spel letterlijk dezelfde tekst als in de Nomenclator (met ‘sese’) en i.v. koppe comt wt den hoecke wordt verwezen naar borgh-spel. Dit laatste woord is voor Kiliaan blijkbaar de gewone benaming voor dit spel. Eigenaardig genoeg ontbreekt dit woord in de aanvullingen op het Promptuarium; Kiliaan heeft dit artikel er vermoedelijk zonder meer in overgeschreven uit de Nomenclator.

Andere uit de Nomenclator overgenomen nieuwe artikelen in de aanvullingen op het Promptuarium zijn: Ooscyphium, ‘Calcoensche note, note daer men wt drinckt’ (Nomenclator: Een noote, oft een Calcoensche note...Een note daermen wt drynct, p. 178a); Peplus,

[p. 10]

‘duyuels melck’ (hetzelfde ook in de Nomenclator, p. 102a, en in de kanttekeningen bij het oude Tetraglotton); Phyllitis, ‘herts-tonge’ (ook in de Nomenclator, p. 1026, en in de kanttekeningen bij het oude Tetraglotton); Pilum ruidum, ‘Een heye, olie-block, olie-stamper’ (Nomenclator: De heye, het olyblock, p. 162a); Rutellum, ‘Een schoepe, koren-schoepe’ (Nomenclator: Corenschoppe, p. 189a; kanttekeningen bij het oude Tetraglotton: korenschoepe, koren-schoepe, schaepe).

Enige keren wijst de aanduiding hol. (Hollands) in de kanttekeningen bij het oude Tetraglotton en in het aangevulde Promptuarium op de Nomenclatur, bijv. voor ‘hol. mosche’ i.v. Passer (Een mussche; Nomenclator: Mossche, p. 47b) en voor ‘fris. hol. ghel. kiewen oft kouwen vanden visch’ i.v. Branchiae (Nomenclator: Vischkaken, kuwen (p. 49b; cf. voor de aanduiding ghel. het Tyrocinium van Apherdianus, beneden, 3.7).

In deze voorbeelden zien we duidelijk dat Kiliaan de Nomenclator zowel voor zijn aanvullingen op het Promptuarium als voor zijn kanttekeningen bij het oude Tetraglotton gebruikt heeft.

3.2. Woordenboeken van Frisius

Kiliaan heeft een vrij groot aantal woorden in zijn kanttekenigen bij het oude Tetraglotton opgeschreven uit het drietalige, Latijns-Frans-Duitse Dictionariolum puerorum (Zürich 1548) van Joannes Frisius, zoals ik vroeger al heb opgemerkt8. Aan de toen gegeven voorbeelden wil ik er nog één toevoegen: i.v. Solarium in de aanvullingen op het Promptuarium staat ‘ger. sax. sic. boene, buene’; deze twee woorden staan in de kanttekeningen bij het oude Tetraglotton zonder enige bijzondere aanduiding. De aanduiding ger. zal vermoedelijk op het drietalige Dictionariolum slaan, waarin we i.v. Solarium o.a. vinden ‘ein büne oben uff dem husz’ (büne ontbreekt hier bijv. in het Latijns-Duitse Dictionariolum van Frisius en in het Dictionarium van Dasypodius); de aanduiding sic. kan op de Teuthonista van Van der Schuren wijzen (Latijns-Nederrijnse deel: Menianum. eyn solre of boene), maar voor de sax.-aanduiding heb ik geen bron gevonden).

[p. 11]

In de aanvullingen op het Promptuarium heb ik verder geen ontleningen aan het drietalige Dictionariolum van Frisius gevonden, die nog niet in de kanttekeningen bij het oude Tetraglotton stonden. Zoals ik boven al vermeld heb, laat Kiliaan de aanduiding ger. uit deze kanttekeningen vaak weg in het nieuwe Tetraglotton. Toch komen hierin soms ook weer nieuwe ger.-aanduidingen voor. Deze aanduidingen wijzen meestal op het Latijns-Duitse Dictionariolum puerorum (Zürich 1556) van Frisius, ook al moet de spelling soms uitsluitsel geven wegens de grote verwantschap met andere Duitse woordenboeken uit dezelfde tijd. Kiliaan had dit Latijns-Duitse Dictionariolum reeds gebruikt voor zijn Nederlandse bewerking van het oude Tetraglotton9.

De volgende voorbeelden wijzen erop dat het Latijns-Duitse Dictionariolum van Frisius een bron is geweest voor Kiliaans aanvullingen op het Promptuarium en wellicht ook al voor zijn kanttekeningen bij het oude Tetraglotton: i.v. Festinanter ‘ger. sic. eylends’ (Frisius Lat.-D. Eylends; voor de sic.-aanduiding heb ik geen bron gevonden; niet in de kanttekeningen bij het oude Tetraglotton); i.v. Omninoger. gants ende gar’ (Frisius Lat.-D.: Gantz und gar; kanttekeningen bij het oude Tetraglotton: Gar, dat in verscheidene woordenboeken te vinden is); i.v. Sus ‘ger. loosse’ (Frisius Lat.-D.: Ein sauw, schweyn oder looss; kanttekeningen bij het oude Tetraglotton: loosse. vet.).

3.3. Het Naembouck van Lambrecht

Het Naembouck (Gent 1546) van Joos Lambrecht is een bron geweest voor Kiliaans Dictionarium van 157410, voor zijn Etymologicum van 159911 en voor zijn kanttekeningen bij het oude Tetraglotton12. Een enkele keer heeft hij het Naembouck nog opnieuw gebruikt voor zijn aanvullingen op het Promptuarium. Ik citeer de uitgave ervan uit 1562.

[p. 12]

De aanvulling op het Promptuarium i.v. Rostellum, ‘fland. tote’ (Naembouck: Tote, mule), staat nog niet in de kanttekeningen bij het oude Tetraglotton. De volgende aanvullingen heeft Kiliaan daar echter ook opgetekend: i.v. Apprehendo ‘fland. aen-reesen’ (Naembouck: Aenreesten oft grypen..., Aentasten...anreesen); i.v. Vigor ‘fland. groese’ (Naembouck: Groeze oft was); i.v. Virago ‘fland. meijssenknecht’ (Naembouck: Meysse-knecht), i.v. Vropygium ‘fland. pricker, prikel’ (Naembouck: Priker; kanttekeningen bij het oude Tetraglotton: prickel, pricker, prikel); i.v. Rixor ‘fland. raeck-royen’ (Naembouck: Raeckroeyen, plaren, wasschen, questie roeren oft gheschil zoucken).

Uit deze voorbeelden blijkt dat Kiliaan het Naembouck vooral voor zijn kanttekeningen bij het oude Tetraglotton heeft gebruikt, maar dat hij het een enkele keer weer opnieuw heeft geraadpleegd voor zijn aanvullingen op het Promptuarium. Bij woorden uit deze bron voegt hij gewoonlijk de aanduiding fland.

3.4. De Vocabularius Copiosus en de Expositiones Vocabulorum

De Vocabularius Copiosus (Leuven ca. 1481-1483) is een bron geweest voor Kiliaans Etymologicum, vooral voor vetus-woorden hierin. Het is mogelijk, maar niet duidelijk, dat Kiliaan hiervoor ook een sterk met de Vocabularius Copiosus overeenkomende handschriftelijke bron heeft gebruikt, de Expositiones Vocabulorum tribus ydeomatibus (handschrift O.B. 1.17 van het Plantijnmuseum te Antwerpen)13. Vroeger heb ik ook geschreven dat Kiliaan de Vocabularius Copiosus eveneens heeft gebruikt voor zijn kanttekeningen bij het oude Tetraglotton14; het is mogelijk dat hij ook de Expositiones Vocabulorum hiervoor heeft gebruikt, al is dit niet afdoende te bewijzen, zoals uit de onderstaande voorbeelden blijkt.

Kiliaan heeft de Vocabularius Copiosus een enkele keer opnieuw gebruikt voor zijn aanvullingen op het Promptuarium: i.v. Bipennis komt ‘dweers-bijle’ vermoedelijk uit deze bron (Voc. Cop.: een dweersbiil); in de kanttekeningen bij het oude Tetraglotton staat dit woord niet en in de Expositiones Vocabulorum staat ‘dweerbijl’.

[p. 13]

In andere gevallen stond de aanvulling op het Promptuarium ook al in een kanttekening bij het oude Tetraglotton en kan ze zowel uit de Expositiones Vocabulorum als uit de Vocabularius Copiosus komen. Zo bijv. i.v. Fornicorvet. keefsen’ (in de kanttekeningen bij het oude Tetraglotton zonder de aanduiding vet.)15, i.v. Paedagogus ‘vet. maeghd-toghe, maeghden-voght’ (Voc. Cop. en Expos. Voc.: maechtoghe; kanttekeningen bij het oude Tetraglotton: maeghtoghe), i.v. Sapere ‘vet. vroeden, be-vroeden’ (Voc. Cop. en Expos. Voc.: vroeden; kanttekeningen bij het oude Tetraglotton: vroeden vet.), i.v. Trochus ‘vet. torneel’ en i.v. Vlcussic. waeckel’ (Voc. Cop., Expos. Voc. en kanttekeningen bij het oude Tetraglotton: wakel).

Twee voorbeelden schijnen erop te wijzen dat Kiliaan wellicht zowel de Expositiones Vocabulorum als de Vocabularius Copiosus heeft gebruikt: i.v. Apiarium ‘bie-bock, bie-buyck, bie-karre’ (Voc. Cop.: een byeboc. een byekaer; Expos. Voc.: een byebuyc. een biekar; kanttekeningen bij het oude Tetraglotton: Bie-carre. bie-bock. bie-buyck) en i.v. Gummi ‘vet. sicamb. klibber, klubber, klebber’ (Voc. Cop.: clebber; Expos. Voc.: clibber; kanttekeningen bij het oude Tetraglotton: klebber, klubber). Volgens het eerste van deze twee voorbeelden kan Kiliaan de Expositiones Vocabulorum ook al voor zijn kanttekeningen bij het oude Tetraglotton gebruikt hebben.

Bij deze waarschijnlijke ontleningen aan twee oude vocabularia vallen Kiliaans verschillende aanduidingen op: enige woorden, keefsen, maeghd-toghe, vroeden en torneel, noemt hij ‘vetus’, andere, dweers-bijle, bie-bock, bie-buyck en bie-karre, krijgen geen aanduiding, klibber, klubber, klebber wordt ‘vet. sicamb.’ en waeckel ‘sic.’

3.5. De Nomenclator van Chytraeus

De Smet heeft aangetoond dat de Nomenclator Latinosaxonicus (Rostock 1582) van Nathan Chytraeus een bron is geweest voor sax.-woorden in Kiliaans Etymologicum16. Uit de volgende voorbeel-

[p. 14]

den blijkt dat Chytraeus ook een bron was voor sax.-woorden in de kanttekeningen bij het oude Tetraglotton, die Kiliaan heeft overgenomen in zijn aanvullingen op het Promptuarium: i.v. Coturnix ‘ger. sax. sic. wachtel’ (Chytraeus 371; kanttekeningen bij het oude Tetraglotton: ger. wachtel. ghel. sax. sic.); i.v. Lebes ‘sax. sic. deghel. sic. grape, grope’ (Chytraeus 411: ein kopperen Degel, edder Grape); i.v. Pauimentum ‘ger. sax. sic. alstrack’ (Chytraeus 391); i.v. Pituita ‘sax. qualster’ (Chytraeus 101); i.v. Vxorius ‘ger. sax. sic. sie-man’ (Chytraeus 308; in de kanttekeningen bij het oude Tetraglotton zonder een bijzondere aanduiding).

De aanduiding ger. bij wachtel kan op verscheidene woordenboeken wijzen, o.a. op de Nomenclator van Junius (Al. Wachtel, p. 45a), op het drietalige en het Latijns-Duitse Dictionariolum van Frisius en op het Dictionarium van Dasypodius; ghel. (Gelders) en sic. bij hetzelfde woord zullen op de Pappa van Murmellius wijzen en sic. bij deghel en bij grope op de Teuthonista van Van der Schuren. Alstrack (wel Esterich) en sieman heb ik echter niet in een Duits woordenboek gevonden, evenmin als ik voor grape, alstrack en sieman een sic. -bron gevonden heb.

In de aanvullingen op het Promptuarium heb ik geen enkele ontlening aan Chytraeus gevonden die nog niet in de kanttekeningen bij het oude Tetraglotton stond.

3.6. De Teuthonista van Van der Schuren

Dat Kiliaan sommige vetus- en sicamb. -woorden in zijn Etymologicum uit de Teuthonista (Keulen 1477) van Gerard van der Schuren heeft overgenomen, heb ik vroeger reeds geschreven17. Uit de volgende voorbeelden blijkt dat Kiliaan ook voor zijn kanttekeningen bij het oude Tetraglotton en opnieuw voor zijn aanvullingen op het Promptuarium woorden aan deze Teuthonista heeft ontleend en dat hij deze van de aanduiding sic. (Sicambrisch) heeft voorzien. Gerard van der Schuren, secretaris van de hertog van Kleef, behoorde inderdaad tot het gebied dat Kiliaan in zijn inleiding op het Etymologicum dat van de ‘Sicambriërs’ noemt, nl. Gelre, Kleef en Gulik.

[p. 15]

Boven, bij de vergelijking met de woordenboeken van Frisius (3.2), heb ik al gezegd dat de aanduiding sic. bij ‘boene, buene’ in de aanvullingen op het Promptuarium op de Teuthonista kan wijzen, waar we ‘boene’ in het Latijns-Nederrijnse deel i.v. Menianum vinden. Dit woord staat ook al in de kanttekeningen bij het oude Tetraglotton, maar dan zonder de aanduiding sic. In de aanvulling op het Promptuarium komt ‘wandaeghs’ i.v. Olim, met de aanduiding sic., waarschijnlijk eveneens uit de Teuthonista (N.-Lat.: wanDaghes. voirmails. eermails. wanmails. voirtyts. eer tyts...Olim...); in de kanttekeningen bij het oude Tetraglotton heeft ook dit woord geen speciale aanduiding. Een andere ontlening aan de Teuthonista in de aanvullingen op het Promptuarium, die niet in de kanttekeningen bij het oude Tetraglotton staat, is ‘sic. dallingh’ i.v. Hodie (Teuth. N.-Lat.: Dailynck. huyden. huydenmeer. Hodie...).

In de vorige paragraaf heb ik al vermeld dat ook de sic.-aanduiding bij deghel en grope i.v. Lebes vermoedelijk op de Teuthonista zal wijzen (Teuth. N.-Lat.: Deegel. pot. haven. groppen. duppen. Lebes...). Deze twee woorden heeft Kiliaan met de aanduiding sic. zowel in zijn kanttekeningen bij het oude Tetraglotton als in zijn aanvullingen op het Promptuarium opgeschreven. Zo deed hij het ook met ‘sic. hode’ i.v. Testis, dat waarschijnlijk uit dezelfde bron komt (Teuth. N.-Lat.: Hoid. hoy. in C. Cul; Culle. hoyd. Testiculus).

Tenslotte vinden we zowel in de kanttekeningen bij het oude Tetraglotton als in de aanvullingen op het Promptuarium ‘sic. pogghe’ i.v. Bufo (Padde). Opmerkelijk is dat ‘pogghe’ hier ‘pad’ betekent, zoals in de Teuthonista (Lat.-N.: Bufo. Ped. pog. karde. breetworm), terwijl Kiliaan i.v. Rana hetzelfde woord ‘pogghe’ ook als Sicambrisch opneemt met de betekenis van ‘kikker’, waarschijnlijk uit de Pappa van Murmellius (zie verder, 3.9).

3.7. Het Tyrocinium van Apherdianus

Het Tyrocinium Linguae Latinae (Antwerpen 1552) van Petrus Apherdianus is eveneens een bron geweest voor Kiliaans kanttekeningen bij het oude Tetraglotton en voor zijn aanvullingen op het Promptuarium. De vier voorbeelden van ontlening die ik gevonden heb,

[p. 16]

krijgen in de kanttekeningen bij het oude Tetraglotton alle de aanduiding gel(d)., Gelders; in de aanvullingen op het Promptuarium vervangt Kiliaan deze aanduiding bij een van deze woorden door sic. (Sicambrisch). Petrus Apherdianus was inderdaad afkomstig uit Gelre, dat volgens Kiliaan tot het Sicambrische gebied behoorde: hij is waarschijnlijk geboren te Wageningen, een stadje dat in het Etymologicum ‘opid. Hol. Gheld.’ heet18.

In de kanttekeningen bij het oude Tetraglotton staat i.v. Branchiae ‘gel. kouwen’ met de toevoeging ‘fris. holl.’, wat in het aangevulde Promptuarium geworden is ‘fris. holl. gheld. kiewen oft kouwen vanden visch’ (Tyroc. f. 27vo: Branchiae, die couwen). Bij het oude Tetraglotton staat ‘stalbroeder’ met de aanduiding ‘ghel.’ en in het aangevulde Promptuarium met de aanduiding sicamb., telkens i.v. Commiles (Tyroc. f. 77: Commilito, een stal broeder). Bij het oude Tetraglotton staat tweemaal het woord ‘twee-sack’ zonder een speciale aanduiding; het had er eerst ook gestaan met de aanduiding ‘ghel.’, maar deze kanttekening werd weer geschrapt. In het aangevulde Promptuarium neemt Kiliaan toch ‘gheld. twee-sack’ op (Tyroc. f. 20vo: Mantica, eenen twysack). Bij het oude Tetraglotton heeft Kiliaan de kanttekening ‘Raecke. gheld. fris. holl.’ geschreven, die hij overgenomen heeft in het aangevulde Promptuarium, met ook nog de aanduiding ‘ger.’ (Tyroc. f. 8vo: Palatum...die raich dat gehemelt vanden mont; de aanvulling ‘ghe-hemelte des monds’ bij het Promptuarium stond al in de tekst zelf van het oude Tetraglotton. Vanwaar de aanduiding ‘ger.’ komt, is niet duidelijk; de Duitse woordenboeken schrijven ‘Rachen’).

In het Etymologicum komt de aanduiding gheld. niet meer voor: daar noemt Kiliaan Raecke en Kauwe, kouwe, kuwe ‘sicamb.’, stalbroeder geeft hij geen speciale aanduiding en twee-sack heeft hij niet meer opgenomen. De aanduiding ‘sicamb.’ bij Raecke en Kauwe zal dus ook daar wel op het Tyrocinium als bron wijzen. Zo moet ik nu een correctie aanbrengen op wat ik in de inleiding op de reprint van dit Tyrocinium heb geschreven, nl. dat ‘Kiliaan het Tyrocinium

[p. 17]

zeker als bron heeft gebruikt, maar dat het nog niet bewezen is dat zijn aanduiding “sicambrisch” op deze bron steunt’19. Nu heb ik er duidelijke aanwijzingen voor dat Apherdianus een van de bronnen voor Kiliaans Sicambrisch is geweest.

3.8. De Thesaurus van Plantijn

Vroeger heb ik geschreven dat verscheidene woorden uit de kanttekeningen bij het oude Tetraglotton ook in de Thesaurus Theutonicae Linguae (Antwerpen 1573) van Plantijn staan en dat het mogelijk is dat enige Nederlandse woorden hierin uit deze Thesaurus komen; toen had ik echter nog geen overtuigend bewijs voor ontlening kunnen vinden20. Nu meen ik wel duidelijke voorbeelden gevonden te hebben die aanwijzen dat Kiliaan voor zijn kanttekeningen bij het oude Tetraglotton ook de Thesaurus van Plantijn heeft gebruikt.

Voor de volgende woorden, die alle zowel in de kanttekeningen bij het oude Tetraglotton als in het aangevulde Promptuarium staan, is de bewijskracht des te sterker omdat ze niet in Kiliaans Etymologicum voorkomen en ook verder in het Nederlands heel ongewoon zijn: ‘hol. lief-locken’ i.v. Allecto en i.v. Allicio (Thes.: Lieflocken. Allicere, blandiri, lactare, allectare...; eigenaardig is hier wel Kiliaans aanduiding hol.!); ‘bernagie, bornagie’ i.v. Buglossus & Buglossum (Thes.: Bornage, bernage; in de Nomenclator vermeldt Junius wel de vormen Bruynagie, boragie, bernaeds, p. 92b, waarvan Kiliaan de eerste twee heeft overgenomen, maar boragie niet in het aangevulde Promptuarium); ‘moelien-vrijer’ in de kanttekeningen bij het oude Tetraglotton, moelien-vrijder bij het Promptuarium i.v. Parasitus (Thes.: Een moelie vrijer. Parasitus, assecla mense aliene; dit is een schilderend woord voor een klaploper, afgeleid van het Brabantse woord ‘moelie’, deegtrog).

3.9. De Pappa van Murmellius

Dat de Pappa (Keulen 1513) van Joannes Murmellius een bron is geweest voor Sicambrische woorden bij Kiliaan, heeft De Smet

[p. 18]

aangetoond21. Ik heb dit woordenboek nu ook als bron gevonden voor enige sic.- of ghel.- (Gelderse) woorden in Kiliaans kanttekeningen bij het oude Tetraglotton, die hij ook heeft overgeschreven in het aangevulde Promptuarium. Van de Pappa haal ik bij de volgende vergelijking de uitgave van 1518 uit Deventer (Th. de Borne) aan.

Boven, 3.5, bij de vergelijking met de Nomenclator van Chytraeus, heb ik al gezegd dat de aanduidingen ghel. en sic. bij wachtel vermoedelijk op de Pappa zullen wijzen (Pappa f. Bi: ein wachtel). De volgende woorden staan eveneens zowel in de kanttekeningen bij het oude Tetraglotton als in het aangevulde Promptuarium: i.v. Fumarium ‘ghel. schoor-steen, smoor-gat’ (Pappa f. Ciij: ein schor-stein); i.v. Rana ‘sicamb. pogghe’ (Pappa f. B4: een vors of pogge). Boven, 3.6, heb ik al gezegd dat Kiliaan hetzelfde woord pogghe ook als Sicambrisch opneemt i.v. Bufo, met de betekenis van ‘pad’, blijkbaar uit de Teuthonista.

We zien dat Kiliaan de aanduiding ghel(d). niet alleen gebruikt voor woorden uit het Tyrocinium van Apherdianus (zie boven, 3.7), maar ook voor woorden uit de Pappa van Murmellius. Deze auteur was inderdaad insgelijks afkomstig uit het hertogdom Gelre, hij was geboren te Roermond. Bij de woorden uit deze bron is de aanduiding ghel. in het Etymologicum gewoonlijk eveneens vervangen door sic.; bij schoor-steen staat daar echter geen aanduiding en smoor-gat is er niet opgenomen.

3.10. Overzicht van de bronnen

Bij de steekproeven die ik genomen heb, heb ik geen nieuwe ontleningen gevonden aan het Dictionariolum van Paludanus, aan de Vocabularius Optimus en aan het Latijns-Duitse en het Latijns-Nederlandse Dictionarium van Dasypodius, die ik vroeger reeds als bronnen voor Kiliaans kanttekeningen bij het oude Tetraglotton heb vermeld22. Voor deze kanttekeningen heb ik nu, behalve deze vier woordenboeken, nog als bronnen gevonden: de Nomenclator van Junius, het drietalige, Latijns-Frans-Duitse, en het tweetalige,

[p. 19]

Latijns-Duitse, Dictionariolum puerorum van Frisius, het Naembouck van Lambrecht, de Vocabularius Copiosus en wellicht ook de ermee verwante Expositiones Vocabulorum, de Nomenclator van Chytraeus, de Teuthonista van Van der Schuren, het Tyrocinium van Apherdianus, de Thesaurus van Plantijn en de Pappa van Murmellius.

Voor zijn aanvullingen op het Promptuarium heeft Kiliaan de kanttekeningen bij het oude Tetraglotton overgeschreven en daarnaast nog opnieuw verscheidene andere bronnen gebruikt. Voor zover ik tot nu toe gevonden heb, horen hier zeker bij: de Nomenclator van Junius, het Dictionariolum Latinogermanicum van Frisius, het Naembouck van Lambrecht en de Teuthonista van Van der Schuren. Er zijn zeker nog andere bronnen geweest. Zo heb ik bij dit eerste onderzoek bijv. nog geen bron gevonden voor Kiliaans aanduidingen campin. (Kempens), louan. (Leuvens) en zeland. (Zeeuws) in deze aanvullingen.

4. Vergelijking met het Etymologicum van Kiliaan

Een vergelijking van Kiliaans nieuwe Tetraglotton met zijn Etymologicum is voor ons zeer nuttig, omdat we hieruit kunnen opmaken wat dit Tetraglotton ons meer te bieden heeft dan al in het Etymologicum staat. Ik moet allereerst opmerken dat een vergelijking van het aantal Nederlandse woorden in beide woordenboeken heel moeilijk te maken is. Het nieuwe Tetraglotton telt zeker veel meer Nederlandse woorden dan het Etymologicum: volgens een ruwe schatting zijn dit er ca. 700 per bladzijde, wat een totaal van ca. 300.000 betekent, terwijl het Etymologicum naar schatting ca. 40.000 Nederlandse trefwoorden telt. Bij de woorden in het nieuwe Tetraglotton tel ik dan echter ook de gewone partikels, lidwoorden, voorzetsels, voornaamwoorden enz. mee, die herhaaldelijk terugkomen. Hoeveel verschillende Nederlandse woorden er in dit nieuwe werk staan, kunnen we alleen maar ruw schatten op ongeveer evenveel als er in het Etymologicum staan. Belangwekkend is wel dat er een aantal woorden in het nieuwe Tetraglotton staan die niet in het Etymologicum te vinden zijn en verder dat de gewestelijke of andere aanduidingen vaak verschillen van die in het Etymologicum. Daarom wil ik hier nader ingaan op die twee punten.

[p. 20]

4.1. Woorden die niet in het Etymologicum staan

Op 500 Nederlandse woorden uit het nieuwe Tetraglotton die ik als steekproef heb vergeleken met Kiliaans Etymologicum, staan er 430 (86%) in het Etymologicum en 70 (14%) niet. Gewone en herhaaldelijk terugkerende partikels, voornaamwoorden enz. heb ik hier natuurlijk niet meegerekend. Deze steekproef geeft wel een ander resultaat dan mijn vergelijking van Kiliaans kanttekeningen bij het oude Tetraglotton met het Etymologicum: daar vond ik slechts 58% van die kanttekeningen weer23. Bij die kanttekeningen ging het echter om toegevoegde, meestal minder gewone woorden, waarvan Kiliaan de meeste echter ook weer in de aanvullingen op het Promptuarium of het nieuwe Tetraglotton heeft opgenomen.

Enige woorden uit het nieuwe Tetraglotton die niet in het Etymologicum staan, heb ik in de vorige paragrafen al vermeld: Calcoensche note, oliestamper en pipt oft ick en soecke u niet, bij de vergelijking met de Nomenclator van Junius (boven, 3.1), deghel en sieman, bij de Nomenclator van Chytraeus (boven, 3.5), pogghe (‘pad’), bij de Teuthonista van Van der Schuren (boven, 3.6), tweesack, bij het Tyrocinium van Apherdianus (boven, 3.7), bornagie, lieflocken en moelienvrij(d)er bij de Thesaurus van Plantijn (boven, 3.8) en smoorgat bij de Pappa van Murmellius (boven, 3.9.).

Hier geef ik nog een lijst van andere woorden uit Kiliaans nieuwe Tetraglotton die niet in zijn Etymologicum staan. Ik geef telkens de volledige Nederlandse tekst van het nieuwe Tetraglotton en cursiveer de woorden die in het Etymologicum ontbreken.

Aduersitas. Teghen-heyd, teghen-stoot, tegen-spoet, weder-stoot, wers: sic. weder-stal, weder-moed, weder-stel: fland. mis-wende.
Tegenheyt staat al in het oude Tetraglotton. Wers is in het Etymologicum alleen adjectief en adverbium (Malus, nequam. & Malè, en: Contrarius...).
Ardea. Eenen reygher, heer-gans: zel. fris. riet-dommel.
Heerganss
staat als een Duits woord in de Nomenclator van Junius (p. 44a, i.v. Ardea) en ook in de Historia Animalium van Gesner (III, p. 202). Deze laatste vermeldt i.v. Ardea Stellaris ook Rordummel en, als Fries, Reidommel (III, p. 210), maar het blijft zeer twijfelachtig of Gesner Kiliaans bron geweest zou zijn voor heergans en rietdommel. In het aangevulde Promptuarium heb ik verder geen verwantschap met de Historia Animalium kunnen vinden.
[p. 21]
Attonitus. Ver-baest, ver-wondert, ver-slaeghen, ver-schrickt: deusigh, duysigh: fland. verduert.
Verwondert
staat in het oude Tetraglotton en in de Thesaurus van Plantijn. Het werkwoord ver-wonderen staat wel in het Etymologicum.
Buglossus & Buglossum. Ossen-tongh-kruyd, buglosse, bernagie, bornagie, bruynagie. In het oude Tetraglotton: ‘Kruyt dat Ossentonge heet’; Nomenclator van Junius: ‘Ossentonge, bugloss’ (p. 89a). Bornagie heb ik boven, bij de Thesaurus van Plantijn, 3.8, al vermeld.
Buprestis. Guijgh-keffer, guijck-keuer, vee-mol, veegh-mol, een beeste in de kruyden sich houdende welck eenen os so op-blaest ende doet swellen als hy dat opgheten heeft dat hij berst, eenen groenen stinckenden keuer.
Gauchkapffer staat als een Duits woord in de Nomenclator van Junius (p. 58a, i.v. Buprestis).
Dipondium. Eenen silueren penninck doende om-trent een blancke, bijnae derthien penninghen. vet. soeselingh, labbaye: louan. bod-draegher.
Ohe. hola, hola.
Hola
staat ook al in het oude Tetraglotton, maar in het WNT dateert de oudste bewijsplaats pas van 1600 (van J. David).
Oleaginus. Van den olijf-boom: oft olyf-veruigh, ghe-veruet ghe-lyck d'olyue.
Olearius. Olijuer, olijf-man, olijf-maecker, olijf-ver-kooper.
Oleosus. Vol olien, olie-achtigh, smout-achtigh.
Olieachtich staat al in het oude Tetraglotton en in de Thesaurus van Plantijn.
Olfacio. Riecken, reucken, reuck gheuen.
In het Etymologicum staat de vorm riecken als de gewone (Brabantse) vorm en ruycken als ‘Holl. Sicamb.’ (Hollands en Sicambrisch).
Oliuetum. Olijf-bosch, een plaetse beplant met olijf-boomen, olie-gaerd.
Oliuifer. Olijf-boomen oft olie-boomen voord-brenghende.
Olieboom staat al in het oude Tetraglotton en in de Thesaurus van Plantijn.
Paralysis. Berooftheyd van ghe-voelen in eenigh deel des lichaems, ver-slappinghe der leden, ver-laemtheyd, lamsuchte, be-roernisse, ghe-raecktheyd, hol. fris. fland. ghichte, ger. sic. drop, droppe, slagh.
Berooftheyd en verslappinge staan al in de Thesaurus van Plantijn.
Parasitus. Tafel-vriend, taillioor-lecker, moelien-vrijder, lack-maraude, brock-volgher, broemer, schuyffel-schapraede, pluijm-strijcker, plateel-lecker, pluck-vogel. ger. smarotse. smorotse.
Moelienvrijder heb ik boven, bij de Thesaurus van Plantijn, 3.8, al vermeld. Lack-maraude is blijkbaar gevormd uit lecker, lacker, lecker-tand, in het Etymologicum, en Maraud (Mendicus), in de lijst van bastaardwoorden. Brockvolgher
[p. 22]
begrijpen we uit de tekst van het oude Tetraglotton, ‘Dye de brocken volcht’, wat zelf een vertaling is uit het Frans van datzelfde woordenboek, ‘Qui suit les lopins’.
Perfrico. Vrijuen, zeer vrijuen, deur-vrijuen, deur-krauwen.
Perfrictio. Vrijuinghe.
Wrijvinge staat al in het oude Tetraglotton en in de Thesaurus van Plantijn.

 

Een aantal fris. -woorden uit het nieuwe Tetraglotton die nog niet in het Etymologicum staan, heb ik vroeger reeds opgenomen in mijn Friese woorden in de zestiende eeuw (Groningen 1979, p. 8-13): bold (Audax), pusel (Culina), duyren (Duro), ant-laet (Facies en Vultus), vergoort riecken (Foeteo), acken (Horreo), stoeperye (Ignauia), keel-worgher (Incubus), ver-wendheyd (Lasciuia), klet (Persolata), efter (Post), veurwittighen (Praesagio), veur-wittinghe (Praesagitio), berfheyd (Probitas), hotte-melck (Sciston lac), ghe-sicht (Spectrum), or-stal, oystal (Statumen), deecken met voren (Sulco) en boghen-hout, boogh-hout (Taxus).

Uit deze voorbeelden blijkt dat Kiliaan in zijn nieuw Tetraglotton wel een aantal woorden van zeer uiteenlopende aard heeft opgenomen die niet in zijn Etymologicum te vinden zijn.

4.2. Woorden met een andere aanduiding dan in het Etymologicum

Als steekproef heb ik de gewestelijke en andere aanduidingen vergeleken bij 575 woorden die zowel in het nieuwe Tetraglotton als in het Etymologicum staan. Bij slechts 231 van deze woorden, d.i. 40%, stemmen de aanduidingen volledig overeen. Bij de andere 60% zijn er die volgens het nieuwe Tetraglotton gewestelijk zijn en volgens het Etymologicum algemeen of ‘vetus’, of ook omgekeerd. De gewestelijke aanduidingen verschillen soms in die zin, dat er in het nieuwe Tetraglotton een aanduiding meer of minder staat, maar het gebeurt ook dat er een andere aanduiding staat dan in het Etymologicum.

Dat Kiliaan de aanduiding brab., die hij bij Koppe komt wt den hoecke in het nieuwe Tetraglotton van Junius had overgenomen (zie boven, 3.1), in het Etymologicum weglaat, is normaal; het Brabants vormt immers de kern van zijn ‘Teutonicum’. Eigenaardiger is het dat hij bij vier uit de woordenboeken van Frisius (boven, 3.2) overgenomen woorden de aanduiding ger. in het Etymologicum weglaat: Buene, boene heet er alleen nog sax. sic., eylends komt er alleen

[p. 23]

nog in de vernederlandste spelling ijlens voor, gants ende gaer staat er ook als een algemeen woord en loosse heet er ‘vetus’. Alleen i.v. Boene, buene noemt hij dit woord nog ‘ger. sax. sicamb.’ Het is duidelijk dat Kiliaan de aanduiding ger. geleidelijk minder bij de gewestelijke aanduidingen is gaan opnemen. In het nieuwe Tetraglotton komt ze, zoals ik boven heb gezegd, ook al minder voor dan in de kanttekeningen bij het oude Tetraglotton.

De woorden uit het Naembouck (boven, 3.3) krijgen zowel in het nieuwe Tetraglotton als in het Etymologicum de aanduiding fland.; alleen aen-reesen krijgt er in het laatste woordenboek nog de aanduiding ‘vet.’ bij. Dweerse bijle, uit de Vocabularius Copiosus (boven, 3.4), in het nieuwe Tetraglotton zonder aanduiding, is in het Etymologicum ‘vet.’ (vetus), evenals Klubber, klebber, klibber, dat in het nieuwe Tetraglotton ‘vet. sicamb.’ is.

In het nieuwe Tetraglotton heet ‘grape, grope’ alleen ‘sic.’, hoewel grape in de Nomenclator van Chytraeus staat en grope in de Teuthonista (boven, 3.5 en 3.6); in het Etymologicum is Grape, grope dan ook consequenter ‘sax. sic.’, maar i.v. Grope, grape is het dan weer enkel ‘sax.’ Alstrack, in het nieuwe Tetraglotton ‘ger. sax. sic.’, waarvoor ik alleen de Nomenclator van Chytraeus als bron gevonden heb (boven, 3.5), heet in het Etymologicum, in overeenstemming hiermee, alleen ‘sax.’ Dallinck en wan-daeghs daarentegen, waarvoor ik alleen de Teuthonista als bron heb gevonden (boven, 3.6), en ook Pogghe (kikker), waarvoor ik alleen de Pappa van Murmellius als bron heb gevonden (boven, 3.9), heten in het nieuwe Tetraglotton alleen ‘sic.’, maar in het Etymologicum ‘sax. sic.’ Hoden, dat ook in Duitse woordenboeken voorkomt, maar in het nieuwe Tetraglotton, uit de Teuthonista, alleen ‘sic.’ heet (boven, 3.6), is in het Etymologicum ‘ger. sax. sic.’ Schoor-steen tenslotte, dat in het nieuwe Tetraglotton als ‘sic.’-woord vermoedelijk ook uit de Pappa komt (boven, 3.9), heeft in het Etymologicum geen bijzondere aanduiding.

De volgende woorden, die in het nieuwe Tetraglotton gewestelijk heten, zijn als algemeen in het Etymologicum opgenomen: hold, houd (i.v. Amicus, ‘sic.’), quicken (i.v. Alo, ‘hol.’), vorsten (i.v. Amplio, ‘sic. fris.’), bij-spel (i.v. Apologus, ‘hol.’), ooster-maend (i.v. Aprilis, ‘sicamb.’), wijtingh (i.v. Apua, ‘fris.’), sulle, sijle (i.v. Aquaeductus,

[p. 24]

‘hol. fris.’), wijs-seggher (i.v. Augur, ‘sic. holl. fris.’) en wit-heer (i.v. Auus, ‘fland.’).

Andere woorden die in het nieuwe Tetraglotton als gewestelijk worden aangeduid, heten in het Etymologicum ‘vetus’, bijv. stouwen (i.v. Aceruo, ‘hol.’), mis-wende (i.v. Aduersitas, ‘fland.’), quick (i.v. Animal, ‘fland. holl.’), spilden (i.v. Attenuo, ‘hol.’) en oecker (i.v. Augmentatio, ‘hol.’). Volledig verschillende aanduidingen vinden we bijv. bij fron-bode, in het Etymologicum ‘vetus sax.’ en in het nieuwe Tetraglotton, i.v. Accensus, ‘sicamb.’, bij virsten, in het Etymologicum ‘vetus saxon.’ en in het nieuwe Tetraglotton, i.v. Amplio, ‘sic. fris.’, bij trotsen, tratsen, in het Etymologicum i.v. trotsen zonder aanduiding, maar i.v. tratsen ‘hol. fland.’ en in het nieuwe Tetraglotton, i.v. Irrito, ‘sic. fris.’, en bij strighel, streel, in het Etymologicum i.v. streel zonder aanduiding, maar i.v. strighel ‘ger. sicamb.’ en in het nieuwe Tetraglotton, i.v. Strigilis, ‘fris.’.

Het opvallendste verschil heb ik gevonden bij het woord Scherne (‘spot’), in het Etymologicum ‘sax. sic. fris.’, met drie Latijnse synoniemen, Ludibrium, iocus, sanna: nu staat scherne in het nieuwe Tetraglotton i.v. Ludibrium als ‘sic. fris. holl.’, i.v. Iocus als ‘holl. fland. sic. fris.’ en i.v. Sanna als ‘sax. fris. holl.’. Hier vinden we bij één Nederlands woord vijf verschillende gewestelijke aanduidingen, die viermaal telkens op een andere wijze gecombineerd worden.

5. Besluit

Uit de bovenstaande voorbeelden moeten we besluiten dat Kiliaans nieuwe Tetraglotton en zijn Etymologicum alleen maar indirect met elkaar verwant zijn: Kiliaan heeft, althans voor een groot deel, dezelfde bronnen voor beide woordenboeken gebruikt, maar ze op een andere manier bewerkt. Sommige verschillende aanduidingen wijzen op inconsequentie bij de bewerking, maar louter willekeurig zijn ze toch waarschijnlijk ook niet. Een volledig overzicht van beide woordenboeken en van de (mogelijke) bronnen kan hier wellicht meer licht in brengen.

In dit nieuwe Tetraglotton zien we Kiliaan op een andere wijze aan het werk dan in het Etymologicum: hij rangschikt Nederlandse synoniemen naast elkaar onder een Latijns trefwoord, terwijl in het Ety-

[p. 25]

mologicum Latijnse synoniemen onder een Nederlands trefwoord staan. Hij bewerkt zijn bronnen anders dan voor het Etymologicum en het resultaat levert eigenaardige verschillen op, zowel wat woordkeuze als wat gewestelijke en andere aanduidingen betreft.

Dit eerste overzicht van het Nederlandse deel van het nieuwe Tetraglotton, nl. Kiliaans aanvullingen op het Promptuarium van 1591, wil ik zien als een inleiding op een volledige uitgave van deze aanvullingen. Evenals de Vierde Kiliaan zullen deze aanvullingen ons ongetwijfeld nog heel wat leren over de werkwijze van onze grootste zestiende-eeuwse lexicograaf.

Lijst van in dit artikel besproken woorden

acken 4.1
aenreesen 3.3, 4.2
alstrack 3.5, 4.2
antlaet 4.1
berfheyd 4.1
bernagie 3.8
berooftheyd 4.1
bevroeden 3.4
biebock, biebuyck, biekarre 3.4
bijspel 4.2
boddraegher 4.1
boene 3.2, 3.6, 4.2
boghenhout 4.1
bold 4.1
booghhout 4.1
borghspel 3.1
bornagie 3.8, 4.1
brockvolgher 4.1
buene 3.2, 3.6, 4.2
caecken 2
Calcoensche note 3.1, 4.1
dallinck, dallingh 3.6, 4.2
deecken met voren 4.1
deghel 3.5, 3.6, 4.1
deurkrauwen 4.1
duyren 4.1
duyvelsmelck 3.1
dweersbijle, dweerse bijle 3.4, 4.2
efter 4.1
eylends 3.2, 4.2
fronbode 4.2
gants ende gar, gants ende gaer 3.2, 4.2
ghesicht 4.1
grape 3.5, 4.2
groese 3.3
grope 3.5, 3.6, 4.2
guijghkeffer, guijckkever 4.1
heergans 4.1
hertstonge 3.1
heye 3.1
hode, hoden 3.6, 4.2
hola 4.1
hold 4.2
hottemelck 4.1
houd 4.2
ijlens 4.2
kaecken 2
keefsen 3.4
keelworgher 4.1
kiewen 3.1
klebber 3.4, 4.2
klet 4.1
klibber, klubber 3.4, 4.2
koppe komt wt den hoecke 3.1, 4.2
korenschoepe 3.1
[p. 26]
kouwen 3.7
lackmaraude 4.1
lamsuchte 4.1
lieflocken 3.7, 4.1
loosse 3.2, 4.2
maeghdtoghe, maeghdenvoght 3.4
meyssenknecht 3.3
miswende 4.2
moelienvrijder 3.8, 4.1
mossche 3.1
oecker 4.2
olieachtigh 4.1
olieblock 3.1
olieboom 4.1
oliestamper 3.1, 4.1
olijfbosch 4.1
olijfmaecker, olijfman, olijfverkooper, olijver 4.1
oostermaend 4.2
ossentonghkruyd 4.1
oystal 4.1
pipt oft ick en soecke u niet 3.1, 4.1
pogghe 3.6, 3.9, 4.1, 4.2
pricker, prikel 3.3
pusel 4.1
qualster 3.5
quick 4.2
quicken 4.2
raecke 3.7
raeckroeyen 3.3
reucken 4.1
rietdommel 4.1
scherne 4.2
schoepe 3.1
schoorsteen 3.9, 4.2
schuylhoecksken, schuylwinckel 3.1
secretelick 2
sieman 3.5, 4.1
sijle 4.2
smeerbuyck 2
smoorgat 3.9, 4.1
soeselingh 4.1
spilden 4.2
stalbroeder 3.7
stoeperye 4.1
stouwen 4.2
streel, strighel 4.2
sulle 4.2
teghenheyd 4.1
torneel 3.4
tote 3.3
tratsen, trotsen 4.2
tweesack 3.7, 4.1
veeghmol 4.1
verborghen worden 2
verbreyt 2
verduert 4.1
vergoort riecken 4.1
verlaemtheyd 4.1
vermeerdert 2
verslappinge 4.1
verwendheyd 4.1
verwondert 4.1
veurwittighen 4.1
veurwittinghe 4.1
virsten 4.2
vorsten 4.2
vrijvinghe 4.1
vroeden 3.4
wachtel 3.5, 3.9
waeckel 3.4
wandaeghs 3.6, 4.2
wedermoed, wederstal, wederstel 4.1
wers 4.1
wijsseggher 4.2
wijtingh 4.2
witheer 4.2

Leuven, februari 1980

 

Adres van de auteur:

Minderbroedersstraat 11

B 3000 Leuven