[p. 62]

Boekbeoordelingen

G.A. Bredero's Schyn-heyligh. Ingeleid en toegelicht door Dr. E.K. Grootes. Met de tekst van P.C. Hoofts Schijnheiligh. Tjeenk Willink/Noorduijn, s'Gravenhage (sic), 1979. 520 pp.

Voor de eerste maal is thans in een uitgave van het verzameld werk van Bredero de Schyn-heyligh opgenomen, het in 1624 verschenen blijspel, dat de berijming is van Hoofts prozavertaling van Pietro Aretino's l'Hipocrito. Voor dit nieuwe deel in De Werken van Gerbrand Adriaensz. Bredero behoorde niemand anders dan E.K. Grootes als tekstbezorger op te treden. Zijn proefschrift, Dramatische structuur in tweevoud, was immers gewijd aan een vergelijkend onderzoek van Aretino's comedie en Hoofts in handschrift bewaard gebleven vertaling ervan.

Grootes' vertrouwdheid met de materie en de daarvoor vereiste methoden van onderzoek blijkt in deze editie van Bredero's berijming o.a. in de glasheldere inleiding. Ik denk aan het exposé betreffende het auteurschap. In de vorige eeuw hebben sommigen het nodig geoordeeld, de Schyn-heiligh uit de lijst van Bredero's werken te schrappen. De aan de auteurskwestie gewijde paragraaf in Grootes' inleiding is bijzonder instructief dankzij de zorgvuldige afweging van de mogelijke beslissingsprocedures en van de argumenten pro en contra; een staaltje van methodische aanpak en zuivere redenering inzake een auteurschapskwestie. Tegelijk toch ook m.i. de definitieve afrekening met een 19de-eeuws misverstand. Zakelijk en met gevoel voor de waarde en onwaarde van argumenten bouwt de inleider zijn betoog op. Het voert tot de conclusie, dat er ‘geen duidelijke argumenten zijn om aan Bredero's auteurschap te twijfelen’ (blz. 20). Grootes toont hier en overal een voor hem karakteristieke combinatie van omzichtigheid en doortastendheid.

In een volgende paragraaf behandelt de inleider de eigen aard van Bredero's berijming. Niet alleen Hoofts vertaling, ook de oorspronkelijke Italiaanse comedie is in proza geschreven. De voor-

[p. 63]

standers van proza op het toneel voerden het argument aan van de natuurlijkheid. In de Nederlandse letterkunde van die tijd is geen spoor van het twistpunt - poëzie of proza op de planken - terug te vinden. Grootes verklaart dat uit de ‘late start’ van de Nederlandse renaissance (blz. 21). De strijd was toen elders in Europa al beslist ten gunste van de versvorm. Ook het kader waarbinnen het drama zich in het begin van de 17de eeuw bij ons moest ontwikkelen, nl. dat van de rederijkerskamers, werkte naar Grootes' opvatting het behoud van de poëtische vorm in de hand.

De vergelijking van Bredero's berijming met Hoofts prozatekst (voor de lezer makkelijk gemaakt: de beide teksten zijn parallel afgedrukt) laat zien, dat de berijmer heel sterk steunt op zijn bron. Bijna steeds is een van de twee rijmwoorden op Hoofts proza gebaseerd. De berijmer maakt de tekst in het algemeen omslachtiger, b.v. door tautologische uitbreidingen en herhalingen. Grootes ziet evenwel terecht ook positieve kanten aan de grotere woordenrijkdom i.v.m. de functie van de tekst op het toneel. De acteurs krijgen er voor de vormgeving aan hun rol wat meer mogelijkheden door, en de toehoorders zijn met de grotere duidelijkheid gediend.

Onder de amplificaties die Grootes noemt komt ook r. 645 te berde. Bredero schrijft daar ‘onder soo vele, soo veel bekommeringhen’, waar Hooft had ‘onder soo veel becommeringen’. Grootes spreekt van een ‘zinloze herhaling’ (blz. 23). Ik geloof, dat hij hier even uitglijdt. Wie zal uitmaken of een herhaling zinloos is? Ze is er eenvoudig, en in Grootes' eigen trant ben ik geneigd te stellen, dat de acteur die de claus in kwestie moet zeggen er een effectief middel in aangereikt krijgt om emotie tot uitdrukking te brengen. Maar behalve dat is het goed mogelijk, dat de berijmer hier, nota bene, een plaats uit Granida imiteert, te weten de eerste woorden van het vierde bedrijf, waar de voedster haar verslag van de verdwijning van Granida begint met uit te roepen: ‘Onder soo veel, soo veel cieraden eel en braef // Vant menschelijck geslacht...’ (r. 1193-94). Het komt me voor, dat deze woorden Bredero door het hoofd speelden, toen hij Hoofts wending in de Schijnheiligh ‘herhaalde’.

Het oordeel over de literaire waarde van Bredero's berijming was bij degenen die hem het spel ontzegden nogal negatief. Zo ook in de

[p. 64]

bekende literatuurgeschiedenissen. Grootes komt tot een ietwat genuanceerder taxatie. Hij ziet de zwakke kanten heel wel (onbeholpen uitdrukkingswijze, omslachtigheid), maar de speelbaarheid is, als gezegd, door de uitbreidingen zeker toegenomen. Het werk zoals we het kennen was voorts blijkbaar niet helemaal gereed, vgl. de niet berijmde passages in de gedeelten waar de dokter aan het woord is. Behoefte aan repertoire voor de Nederduytse Academie heeft wellicht tot haastwerk aangezet en ook kan Bredero's onverwachte dood oorzaak zijn van de onvolmaakt gebleven vorm.

Waar de inleider betoogt, dat de intrigue van l'Hipocrito niet getypeerd hoeft te worden als ‘verward’ ben ik geheel door hem overtuigd. Aretino bouwt welbewust een samenstel van verwikkelingen op en dat versterkt het komische effect. Inderdaad kan, naar ik denk, een bekwame regie het complexe spel als een amusant geheel op het toneel zetten. Tenslotte zijn de motieven (terugkeer van een tweelingbroer etc.) door hun stereotypie makkelijk herkenbaar.

Ook over andere aspecten van Bredero's werk, b.v. de thematiek, levert Grootes interessante beschouwingen, indringend en geserreerd. Uitvoerig verantwoordt hij de tekstkritische problematiek waarvoor de Schyn-heyligh de onderzoeker plaatst. De lezer geeft zich graag aan zijn behoedzame aanpak gewonnen. Door de beschikbaarheid van Bredero's bron zou men licht in de verleiding komen, corrupte plaatsen of wat daarop lijkt met behulp van Hoofts proza te ‘verbeteren’. Maar zo'n gebruik van de bron is hachelijk: al gauw zou men daarbij de vrijheid van de berijmer om zijn tekst op te bouwen over het hoofd kunnen zien. Alleen waar de tekst evident oninterpreteerbaar is en de fout aan de hand van de tekstgeschiedenis verklaard kan worden, beproeft de editor een emendatie op de tekst van 1624.

De annotatie verklaart in ruime mate wat voor de 20e-eeuwse lezer verklaring behoeft. Ik heb een enkele kanttekening geplaatst.

De regels 237-38

 
Maer wat ist! draeght een vorst of machtigh man te Roomen,
 
En set hem onsacht neer, ghy sult danckloos t'huys komen.

bevatten naar het lijkt een klassieke topos. Men vergelijke het volgende puntdicht van Huygens (Ged. VII, blz. 157; van 27-2-1668):

[p. 65]
Servire gratis est nefas, et ingratis.
 
Hebt den ondanckbaren uw gansche levens dagen
 
Op arm en schouderen door dick en dun gedragen,
 
En sett hem eens hard neer,
 
Daer 's all de danck om veer.

Deze parallel versterkt het vraagteken, dat Grootes plaatst in zijn aantekening bij het woord draeght: ‘in een draagstoel?’ - er valt vermoedelijk aan dragen ‘op arm en schouders’ te denken, en verder aan een langdurig dragen en dan een een keer onzacht neer zetten.

De ‘fransche snee’ in r. 272 vat ik niet op als ‘versbouw’, maar als ‘middenrust, cesuur, zoals in de Franse alexandrijn gebruikelijk’.

De Sophismata van de Doctoren van Leuven in r. 990, door Bredero, niet-latinist, zelfstandig toegevoegd (vgl. ook blz. 49), zouden wel eens uit Marnix' Byenkorf overgevlogen kunnen zijn, vgl. het begin van de ‘Wtlegginghe’, eerste Capittel, in de bloemlezing Ornée-Strengholt in het KLP, blz. 156. Via de lectuur van zo'n populair geschrift kwam er toch heel wat Latijn onder de ogen van niet klassiek geschoolde lezers.

Als een der knechts in r. 1229 muzikale neigingen begint te vertonen, voegt zijn makker hem toe:

‘Wel wanneer sult ghy doch na miester Pieter gaen streven’ (r. 1230). Aan deze meester Pieter wijdt Grootes op blz. 500 een uitvoerige aantekening. Hij besluit met de opmerking, dat men i.v.m. het zingen van Quistijt ook nog aan een zangmeester zou kunnen denken. M.i. zit hij hiermee op het juiste spoor. Laten we allereerst vaststellen, dat het Hooft is die de naam introduceert in zijn prozavertaling. Verder moeten we ons herinneren, dat Hoofts (eerste) vrouw, Christina van Erp, leerlinge was van de grote musicus Jan Pietersz Sweelinck. Deze heette in de wandeling Mr. Pietersz, naar we zonder waaghalzerij kunnen veronderstellen. In dit verband is het niet zonder belang, te constateren, dat Bredero de naam Pieter heeft, maar Hooft Pieters. Hooft zou dus Sweelinck kunnen bedoelen. Een andere mogelijkheid is, dat Bredero denkt aan Sweelincks leerling, de blinde Mr. Pieter de Voys, die we ook bij Huygens eni-

[p. 66]

ge keren tegenkomen als bijzonder begaafd musicus. Deze was in 1604 van Amsterdam naar Den Haag verhuisd (zie Huygens, Ged. IV, blz. 260-61). Als Bredero (evt. ook Hooft) deze muziekmeester bedoelt, kan met zijn naam bovendien Haagse couleur locale zijn aangebracht. Hooft en Bredero localiseren de gebeurtenissen namelijk in de hofstad.

Wouters woorden ‘Ick salder gien land om koopen’ (r. 2214) worden door Grootes niet toegelicht. De wending is interessant, ook omdat ze een parallel is van Spaansche Brabander, r. 345 (vgl. in de editie van Stutterheim blz. 337). Gezien de voorafgaande vraag van Slockspeck zal Wouter wel willen zeggen: ‘ik geef mijn geld makkelijk uit, ik pot het niet op zodat ik er land voor zou kunnen kopen’.

Ten besluite wil ik zeggen, dat ik niets dan lof heb voor deze editie, de eerste moderne uitgave van de Schyn-heyligh. De uitvoering is, zoals we van De Werken van Gerbrand Adriaensz. Bredero gewoon zijn, royaal en aantrekkelijk.

 

Heiloo, maart 1980

L. Strengholt

A.M.J. van Buuren, Der minnen loep van Dirc Potter. Studie over een middelnederlandse ars amandi. Hes publishers, Utrecht, 1979; 449 blzz., ing.: f. 60, -.

Der minnen loep, ‘een der belangrijkste, representatieve dichtstukken uit onze latere middeleeuwen’ (Van Mierlo), werd waarschijnlijk in 1411-1412 te Rome door Dirc Potter, ca 1370-1428, geschreven. Na een veelszins interessante proloog behandelt de haagse ‘scriver’ en diplomaat in vier boeken de minne aan de hand van talrijke liefdesgeschiedenissen - waarvan hij er 57 navertelt -, ontleend aan de bijbel, de klassieke litteratuur en andere bronnen1.

[p. 67]

Boek I bespreekt de gecke, d.i. onverstandige, minne. Boek II behandelt de goede minne, gekenmerkt door trouw, gelijkheid, edelheid en kuisheid. Deze minne omvat vier graden: het zien ‘opter straten’, het minnekozen ‘inden gairde’, het kussen en omhelzen in eer en deugd ‘daerboven, in die camere’, de coïtus ‘opten bedde’. Het laatste stadium acht de auteur niet wenselijk te bereiken in het kader van de goede minne, omdat deze daardoor verontreinigd wordt. Elk der vier graden dient te worden beheerst door een der kardinale deugden, resp. ‘mate’, ‘wijsheit’, ‘starcheit’ en ‘rechtveerdicheit’. In het IIIe boek handelt Potter over de ongheoerlofde minne in allerlei vorm: homosexualiteit, bestialiteit, sexuele relaties met verwanten, verkrachting, liefde voor joden en voor heidenen. Boek IV heeft de gheoerlofde minne, de huwelijkse liefde, tot onderwerp. Het werk werd uitgegeven door P. Leendertz Wz., Leiden, 1845-1847; enige publicatie over Der minnen loep als werk verscheen tot nu toe niet.

De hier te bespreken monografie - waarop de auteur tot doctor in de letteren aan de Rijksuniversiteit te Utrecht promoveerde - is ‘een studie over Dirc Potters Der minnen loep als ars amandi’. De kernhoofdstukken 5 en 6 bevatten ‘de resultaten van een onderzoek naar de herkomst van Potters liefdesconcepties, op basis van een analyse van de tekst, en van een verkennend onderzoek naar de demonstratieve verhalen die de ars amandi toelichten’ (p. 1). De hoofdstukken 1-3 dragen een compilerend karakter en geven resp. een overzicht van de stand van zaken m.b.t. het Potteronderzoek (1), van het litteraire klimaat waarin het gedicht thuishoort, i.c. van de antieke en middeleeuwse artes amandi en verhalenbundels2 (2), en een ontleding van de middeleeuws traditioneel gestructureerde proloog, I, 1-324 (3). Hoofdstuk 4 brengt een uitvoerige en minutieuze ‘samenvatting van Der minnen loep en bespreking van de voor-

[p. 68]

naamste thema's’. Het slothoofdstuk 7 biedt enige afrondende beschouwingen over structuur en bronnen, conclusies en desiderata. Een ‘summary’, noten, litteratuurlijst en register completeren het boek.

Uit de confrontatie van Der minnen loep met de klassieke en middeleeuwse artes amandi en verhalenbundels volgt, dat geen van deze als bron van Der minnen loep in aanmerking komt; wel voert het onderzoek tot de conclusie ‘dat er nogal wat Ovidiaans materiaal in Der minnen loep is gebruikt’ (p. 77). Uit de analyse van de proloog concludeert de auteur, dat het Potters intentie is geweest voor de jeugd (vid. I, 178) de goede, reyne, rechte minne te behandelen, de liefde tussen een man en een vrouw als ‘een hechte vriendschapsband in de beste tradities van de klassieke oudheid en de christelijke voortzetting daarvan, waarbij overigens de normale menselijke cupiditas wordt inbegrepen’ (p. 98-99). Uit de vermelde dichternamen in I, 146-158 - welke nomenclatuur duidelijk aan Ovidius' Ars amatoria is ontleend - blijkt de nauwe verwantschap met Ovidius: Potter ‘presenteert zichzelf in zeker opzicht als een nieuwe Ovidius’ (p. 108). De samenvatting van Der minnen loep doet zien, dat aan het werk een duidelijk schema ten grondslag ligt, dat echter door de talrijke en lange exempla en de excursiones wordt geschaad (p. 189).

In het kernhoofdstuk 5 schetst de auteur de invloed van de middeleeuwse Heroïdescommentaren, de Accessus ad auctores, op de liefdesconcepties in Der minnen loep3. Als ik goed zie, voert hij voor deze beïnvloeding een drietal argumenten aan. 1. In de genoemde commentaren vindt men onder de intentio auctoris steeds een indeling in paren en tritsen. Onder de aangehaalde passages is vooral het volgende citaat frappant: ‘Intentio sua commendare quasdam a licito amore...alias reprehendere ab illicito...alias etiam reprehendere a stulto amore’ (p. 201), gec. naar E.H. Alton, ‘Ovid in the mediaeval schoolroom’, in: Hermathena 94 (1960), p. 70. De hier

[p. 69]

gebezigde termen amor stultus, amor illicitus en amor licitus stemmen op niet misteverstane wijze overeen met Potters indeling in ghecke, ongheoerlofde en gheoerlofde minne. 2. De door Potter aan de Heroïdes ontleende verhalen worden ter demonstratie daar ingevoegd, waar deze volgens de intentio auctoris thuishoren (p. 204). 3. Soms treft men overeenkomstig woordgebruik in Der minnen loep en de middeleeuwse commentaren aan en wel ‘steeds in eenzelfde soort context’ (p. 211). Bij de uitwerking van de stof heeft Potter bovendien gebruik gemaakt van Ovidius' artes amandi, meer van de Ars amatoria dan van de Remedia amoris. Daarbij heeft hij steeds gelet op het functionele van het antieke materiaal m.b.t. het eigen werk (ook hier wel via de middeleeuwse commentaren).

De tweede component van Der minnen loep, de ‘demonstratieve verhalen’, wordt in het zesde hoofdstuk besproken op basis van een globale analyse van een vijftal verhalen4. De afwijkingen in de verhalen t.a.v. de traditionele overlevering moeten volgens dr. Van Buuren niet worden toegeschreven aan ons onbekende bronnen, maar aan het feit dat deze verhalen de theorie exemplarisch toelichten, waarbij opnieuw de middeleeuwse Ovidiuscommentaren een rol hebben gespeeld. Enkele opvallende veranderingen - die binnen het geheel van Der minnen loep meestal noodzakelijk waren - zijn de perspectiefwijziging in de verhalen bewerkt naar de Epistulae Heroïdum, de concentratie op het essentiële met verwijdering van het overbodige of niet adequate, de demetamorfosering van de verhalen ontleend aan Ovidius' Metamorphosen.

In het slothoofdstuk behandelt de auteur allereerst de goede minne als liefdesconceptie in boek II van Der minnen loep. Hoewel de goede minne niet als zodanig in de middeleeuwse Heroïdescommentaren wordt gevonden, ziet hij hierin geen nieuw element, maar een uitbreiding van een al aanwezig bestanddeel: ‘de gheoerlofde minne -

[p. 70]

in concreto het huwelijk - is de vierde en hoogste trap van de goede minne - de voorhuwelijkse liefde tussen man en vrouw (jongeman en meisje) - die zelf drie trappen kent’ (p. 288). De vier ‘gradus’ in de goede minne doen het patroon van de ‘linea amoris’ herkennen, in de litteraire traditie de ‘quinque lineae amoris’: visus, allocutio, tactus, osculum en factum. Of het vier graden-patroon nu een eigen variant van Potter is, dan wel invloed van Andreas Capellanus' De amore libri tres met zijn vierdeling verraadt, vermag dr. Van Buuren niet te zeggen: terminologisch en inhoudelijk zijn er verschillen. Behalve in aantal vertonen de graden bij Potter meer verwantschap met de traditionele ‘quinque lineae amoris’ dan met Capellanus. In afwijking van de klassieke conceptie ging het Potter in Der minnen loep om het huwelijk en de weg daarheen: ‘hij wilde...het christelijk patroon van vrijen en trouwen aanbrengen’ (p. 295). Een - oppervlakkige - relatie tussen Capellanus' tractaat en Der minnen loep is er wellicht t.a.v. de figuur van Potters ‘heelghesel’, de ‘goede, heymelike vrient’ en Capellanus' ‘secretarius’, al kan men hier ook aan invloed van Ovidius denken.

Overtuigend heeft dr. Van Buuren de school als de belangrijkste cultuurhistorische achtergrond van Der minnen loep, blijkend uit de invloed van de middeleeuwse commentaren op klassieke schrijvers - de Accessus ad auctores -, in het bijzonder van de Heroïdescommentaren, aangewezen. Daarbij komt tevens het eigene in Potters dichtwerk naar voren, al had dit mogelijk wat meer geaccentueerd kunnen worden. Ik veronderstel dat de auteur dit voorzichtigheidshalve heeft nagelaten: wat eigen inventio lijkt, kan bij voortgaand onderzoek toch op ontlening of traditie blijken te berusten. Waardevol is eveneens de ‘verkenning’ van de liefdesgeschiedenissen waarvan het arrangement zodanig is, dat zij optimaal binnen het gehele werk functioneren. De verklaringen voor de afwijkingen in deze verhalen t.o.v. de bronnen zijn alleszins aannemelijk. Dat de graden der goede minne meer bekendheid met de traditionele ‘linea amoris’ tonen dan met het tractaat van Capellanus, volgt m.i. reeds uit de overheersende invloed van Ovidius. Ik ben geneigd - meer dan de auteur - elke invloed van Capellanus af te wijzen, mede op grond van het karakter van Der minnen loep. In de interpre-

[p. 71]

tatie van Potters ‘gedicht’ en van de functie der liefdesgeschiedenissen verschil ik met de auteur van deze monografie.

De liefdesgeschiedenissen karakteriseert dr. Van Buuren m.i. ten onrechte als ‘demonstratieve verhalen’, waarvan de functie is de theorie naar middeleeuws gebruik toe te lichten. Deze interpretatie legt de nadruk op de theorie, wat m.i. in tegenspraak is met de opdracht die Venus aan de dichter verstrekt (vid. I, 101-134): zij zal hem de liefdesgeschiedenissen der dichters ‘in den sinne gheven’, die hij moet navertellen en uiteenzetten ‘hoedanich is der minnen loep’, opdat ‘vrouwen, ridderen ende knechten daerby mochten leren wat liefte is ende wat minne sij’. Niet de theorie is derhalve primair, maar de merendeels geschreven liefdeshistories. Het verdient een onderzoek, of Potter met Der minnen loep misschien een imitatio van Ovidius' Heroïdes heeft willen geven, uitgebreid met andere liefdesgeschiedenissen, gerecomponeerd, en geadapteerd naar de middeleeuwse schoolcommentaren. Wat in deze commentaren uiteraard was gescheiden, wordt in Der minnen loep geïntegreerd: intentio auctoris en ‘verhaal’ zijn een intrinsiek geheel. Ik zou de formulering van de auteur omtrent de verhouding van beide componenten in Potters werk willen omkeren: de ‘verhalen’ worden toegelicht door de ‘theorie’ overeenkomstig de Accessus ad auctores, zoals ook indeling van het ‘gedicht’ en plaatsing der ‘histories’ - een term die ik verkies boven ‘verhaal’, daar Potter de liefdesgeschiedenissen waarschijnlijk niet als fictief heeft beschouwd, maar als ‘waarachtig’ - overeenkomstig deze commentaren is.

Voortvloeiend, naar ik aanneem, uit de visie op de liefdesgeschiedenissen als ‘demonstratieve verhalen’ is de kwalificering van Der minnen loep als ars amandi, waarin de huwelijkse liefde en de voorbereiding daarvan worden beschreven. Hoe moet ik dan de functie van boek I en III zien? De interpretatie, dat deze boeken ‘antithetisch tegenover de boeken II en IV (staan)’ (p. 306), ten einde door deze ‘onjuiste wijzen van liefhebben aan de kaak te stellen’ te bereiken, dat ‘de goede minne des te meer tot haar recht komt’ (p. 188), bevredigt niet. Eerder komt het mij voor, dat het Potters intentie is geweest een werk te dichten over de diverse liefdesrelaties bij de mens op basis van bijbelse, klassieke en ‘eigentijd-

[p. 72]

se’ geschiedenissen: een cursus amoris (Te Winkel) of een compendium amoris (Ingeborg Glier). Alleen t.a.v. boek II over de goede minne zou men met enig recht van een ars amandi kunnen spreken. Cf. in dezen ook de proloog (I, 221-252), waar Potter na de caritate en de amor naturalis te hebben besproken, vervolgt:

 
Van deser minne laet ic staen
 
Ende wil vander ander spreken,
 
Die menich herte heeft doen breken,
 
Hoe vele wonders dat si werct,
250
Als een yghelic siet ende merct.
 
Soe dat dit boecskijn heten moet
 
Der Minnen loep, dat donct my guet.

(Der minnen loep = niet: de wijze waarop de liefde ontstaat en toeneemt,...de ontwikkelingsgang der liefde, zoals MNW 4, i.v. loop 4), 775 verklaart; de betekenis is eerder verwant aan loop in de loop der rivieren of mogelijk in zijn gedachten de vrije loop laten). De op dit gedeelte van de proloog volgende passage over de ‘rechte mynnentlike minne’ mag m.i. niet op de bedoeling van het werk in zijn geheel worden betrokken. Terloops merk ik nog op, dat de Venus-figuur - gezien de inhoud van de vier boeken van Der minnen loep - moeilijk als de ‘goede’ Venus, de Venus van het huwelijk, valt te interpreteren; wij moeten hier toch wel de voorkeur geven aan de ‘dubbele’ Venus, de ‘goede’ en de ‘slechte’ (p. 103-104). Dat het Potters opzet geweest zou zijn ‘het christelijk patroon van vrijen en trouwen aan (te) brengen’ (p. 295) gaat mij te ver. Het ‘christelijke’ komt - als wij de indeling der liefdesgeschiedenissen naar de Accessus ad auctores ter zijde laten - nog het duidelijkst naar voren in de splitsing van de amor licitus in goede en gheoerlofde minne, waarbij de coïtus in wezen beperkt wordt tot het huwelijk. Dat voor Potter de goede minne ‘culmineert’ in de gheoerlofde minne betwijfel ik; daarvoor scheidt en onderscheidt hij beide te zeer. De goede minne is m.i. de buitenhuwelijkse liefde, waarbij een beheerste cupiditas de amicitia ‘lichamelijk’ maakt.

Al verschil ik met dr. Van Buuren in interpretatie van Potters gedicht, dit verhindert mij niet zijn studie als een belangrijke bijdrage

[p. 73]

in het Potteronderzoek te verwelkomen. Ik wens de auteur toe, dat hij zijn onderzoek van Der minnen loep mag voortzetten op de door hem aangeduide desiderata, wat kan leiden tot een nieuwe kritische uitgave van het gedicht.

 

4 augustus 1980

G.C. Zieleman

K. van der Horst, Inventaire de la correspondance de Caspar Barlaeus (1602-1648). Assen, Van Gorcum, 1978. VI, 214 pp. (= Respublica literaria neerlandica. 3.) Prijs: ƒ 75, -.

Na de inventarissen op de correspondentie van Lipsius (1968), Rivet (1971), J.F. Gronovius (1974) en Th. Canterus (1978) ligt thans voor ons die op de briefwisseling van Caspar Barlaeus, filoloog en neo-Latijns dichter.

Het is zeker mogelijk over dit soort boeken zwaarwichtige discussies te voeren en alles heel principieel te beschouwen. Ik geloof niet dat ik hier aan zoiets moet beginnen, want ik ben sterk geneigd aan dit soort boeken een groot nut toe te kennen. Ieder die zich bezig houdt met de bestudering van de Respublica literaria zal het toejuichen dat hem of haar het moeizame werk de brieven bijeen te brengen van zijn of haar ‘held’ uit handen is genomen, al was hij of zij niet geheel hulpeloos. In de Universiteitsbibliotheek te Leiden wordt immers het zogenaamde apparaat Molhuysen bewaard, waarin brieven uit gedrukte werken zijn geregistreerd. (Het valt zeer te betreuren dat het apparaat niet bijgehouden is en dat er geen lijst bestaat waaruit blijkt welke uitgaven geëxcerpeerd zijn.) Het verschil met de thans gepubliceerde inventarissen springt in het oog: deze bevatten ook ongedrukt materiaal, achter welks bestaan men pas kan komen na een ware odyssee langs bibliotheken en archieven, in binnen- en buitenland.

De samenstellers van dergelijke inventarissen verdienen meer of minder lof, naarmate zij hun werk goed gedaan hebben. Goed dient men hier te beoordelen naar twee factoren: compleetheid en nauwkeurigheid. Om met het eerste te beginnen: bijna altijd is het

[p. 74]

recensenten mogelijk gebleken aanvullingen te geven. Voor de samensteller is dit natuurlijk jammer (en behoort het verheugend te zijn), maar, zolang dit binnen de perken blijft, is de samensteller weinig te verwijten. Vooral in dit werk kan niemand alles weten en zolang een score van volledigheid van 90% is behaald mag naar mijn mening iedereen tevreden zijn. Met de nauwkeurigheid is het anders gesteld. Overschrijffouten en andere fouten zijn niet te tolereren daar ze met wat meer zorgvuldigheid en extra controle te voorkomen waren geweest.

Van der Horst is geen van bovengenoemde feilen aan te wrijven. Het is verheugend dat wij naast F.F. Bloks voortreffelijke boek over Barlaeus als melancholicus nu ook deze index op zijn brieven bezitten. Nergens kan men, met uitzondering van zijn werken natuurlijk, het belang van een republikein der letteren zo duidelijk uit aflezen als uit zijn correspondentie.

Nu iets over het boek zelf. Het begint met een puntsgewijze biografie van en een bibliografie over Barlaeus, die wordt gevolgd door een uiteenzetting van de methode volgens welke de brieven zijn geïndiceerd. Deze wijkt niet af van het beproefde systeem van Gerlo-Vervliet in hun Lipsius-inventaire. Na ‘Fonds d'archives et de bibliothèques’ en ‘Abbréviations des imprimés’ komt de chronologische lijst (pp. 21-157). Twee indices sluiten het werk af, een op de incipits der brieven (pp. 158-207) en een op de namen der correspondenten (pp. 208-214).

Drs. Van der Horst heeft een voortreffelijk werk verricht dat in accuratesse gunstig bij zijn voorgangers afsteekt. Het ware zeer te hopen dat hij of anderen op dezelfde voet met dit nuttige werk doorgaan. Misschien zouden neerlandici, door dit voorbeeld aangespoord, eens kunnen overwegen iets dergelijks op hun vakgebied aan te pakken.

R. Breugelmans

[p. 75]

Philologia Frisica Anno 1978. Lêzingen en neipetearen fan it achtste Frysk Filologekongres oktober 1978. Fryske Akademy - Ljouwert - 1979. Nr. 569. ƒ 27,50; leden en donateurs van de Fryske Akademy ƒ 25,00.

Het steeds in omvang toenemen van het verslagboek dat de gedrukte teksten van de lezingen en van de discussies erna bevat, bewijst dat de belangstelling voor de Friese filologencongressen, door de Fryske Akademy om de drie jaar georganiseerd, sedert het eerste congres in 1956 niet vermindert. De 64 bladzijden van het eerste congresboek zijn nu toegenomen tot 194. Veelmeer dan een overzicht van de acht gehouden voordrachten kan men in deze aankondiging van het in 1979 verschenen boek niet verwachten.

Hoewel de bedoeling voorgezeten had, dat de sprekers zich zouden beperken tot een bepaald thema, hebben verschillende inleiders van hun vrijheid gebruik gemaakt en ook buiten het gestelde kader hun onderwerp gezocht.

Het congresthema Tusken Frysk en Nederlânsk werd ingeleid door prof. Entjes, hoogleraar-directeur van het Nedersaksisch Instituut te Groningen. Hij sprak in het Nederlands en wees er op, dat er tussen het Nederlands en het Fries een soort niemandsland gelegen is, waarin de interacties tussen de beide talen zich afspelen met voor beide binnen het Friese territoir interessante verschijnselen. Het Fries is cultuurtaal in Friesland, maar niet op dezelfde wijze als het Nederlands in Nederland dat is. Wel heeft het Fries zich een zelfstandigheid tegenover het Nederlands weten te veroveren, welke door geen enkele andere streektaal binnen de Nederlandse grenzen verkregen is. Prof. Entjes wees erop, dat het Fries als cultuurtaal gegroeid is uit het Fries als literatuurtaal. De schepping daarvan is in de 17e eeuw begonnen, toen Gysbert Japiks in zijn Friesche Rymlerye voor het Fries koos. Merkwaardig in dit verband is, dat een Deventenaar als Jacob Revius niet hetzelfde gedaan heeft met de Overijselse dialecten, al verzamelt hij zijn poëzie onder de titel Over-IJsselsche Sangen en Dichten.

In de tweede voordracht, Frysk ûnderwiis, taelbifoardering en ideology yn de earste helte fan de 19de ieu, onderzocht prof. Feitsma van de Vrije

[p. 76]

Universiteit, hoe het in de 19de eeuw stond met het Fries in de scholen in Friesland. Dit naar aanleiding van de ‘aller noodzakelijksten raad...om toch vooral in de scholen het vriesch boersch niet te gedogen’, die de schoolopziener ds. Visser de onderwijzers gaf in een Almanak voor het Lager Onderwys en de Opvoeding, vooral in Vriesland, voor het jaar 1816. Het blijkt, dat het onderwijs in de 19e eeuw principieel onfries is, maar verschillende onderwijzers worden toch Friese schrijvers! De algemene idealen van verlichting en ontwikkeling bij de opvoeding van de schoolgaande jeugd leidt tot een haast onaantastbare hegemonie van het Nederlands, waartegen evenwel, langzaam maar zeker, sommigen zich beginnen te verzetten. Dat verzet heeft tenslotte de Friese Beweging tot gevolg.

In de derde lezing, Gysbert Japiks, dream en died, toonde prof. Galama van de Universiteit van Amsterdam en de Rijksuniversiteit te Leiden aan, dat het de droom van de 17e-eeuwse Friese dichter was, dat het Fries als een volwaardige literatuurtaal voor elke uiting van de renaissance-cultuur van zijn tijd gebruikt kon worden, precies zoals dat met het Nederlands het geval was. Tevens waagde hij het een verklaring te geven voor Gysberts keuze voor dat Fries. Die keuze leidde dan tot de daad van Gysbert, namelijk zijn poëzie in het Fries, in 1668 als Friesche Rymlerye voor het eerst verschenen. In het tweede deel van zijn lezing ondernam prof. Galama op grond van doorhalingen en verschrijvingen in de autograaf van Gysberts minneliedje Wobbelke een poging de oertekst ervan vast te stellen.

Drs. L. Pietersen, taalsocioloog te Leeuwarden, stelde in de vierde voordracht de vraag: De jierren '70, in Fryske renaissance? In een negental punten ging hij na, hoe in deze tijd, nationaal en internationaal, een aantal sociale en politieke processen werken die van groot belang kunnen zijn voor de plaats en de functie van het Fries. In het bijzonder kwamen de houding van de overheid en het Fries in het onderwijs ter sprake.

In de vijfde lezing, Taelplannen, ondernam Krine Boelens, oud-inspecteur L.O. en oud-deskundige voor tweetaligheid aan het Mienskiplik Sintrum fan Underwiisbigeliedingstsjinsten yn Fryslân, een poging, vooral op grond van in het buitenland ontwikkelde theorieën, een beter inzicht te verschaffen in de taalsituatie in

[p. 77]

Friesland. Met voorbeelden uit andere taalgebieden toonde hij aan, hoe moeilijk het vaak is de taalhouding en het taalgedrag van de mensen in een bepaalde richting te beïnvloeden. Tenslotte wees hij erop, dat de taalplanning niet los kan staan van de planning op andere terreinen in Friesland.

Dr. Ommo Wilts van de Nordfriesische Wörterbuchstelle aan de universiteit van Kiel, sprak over Nordfriesisch zwischen Deutsch und Dänisch. Specifieke klankontwikkelingen en het opnemen van vele Deense leenwoorden onderscheiden het Noordfries in hoge mate van het aangrenzende Platduits en van het Hoogduits. Over het blijven voortbestaan van het Noordfries, gesplitst in enige onderling sterk afwijkende dialecten, was dr. Wilts niet optimistisch. Een lichtpuntje is, dat de belangstelling voor onderwijs in het Noordfries de laatste jaren bij ouders en leerlingen sterk toeneemt.

De zevende inleider, drs. H. Bloemhoff uit Nijeberkoop, zorgde voor een primeur door zijn voordracht, Een peer odderingsprincipes die et Stellingwarfs anbelangen, in het Stellingwerfs te houden. De recente invoering van het Fries als een verplicht vak bij het basisonderwijs in Friesland heeft de problemen met het Stellingwerfs in de actualiteit gebracht. Overigens besprak drs. Bloemhoff deze problemen niet. Na een overzicht van de stand van zaken van taal en literatuur in de Stellingwerven, trachtte hij aan de hand van vele voorbeelden de plaats van het Stellingwerfs te bepalen aan de ene kant tussen het Drents/Overijsels en het Fries, en aan de andere kant tussen het Fries en het Nederlands. Een en ander beperkte hij tot de zinsbouw.

In de laatste voordracht van het congres, Frysk en frjemd by foarnammen yn Fryslân, deed prof. Miedema, Rijksuniversiteit te Utrecht, verslag van een onderzoek naar het gebruik van typisch Friese voornamen. Na een uitvoerig overzicht van de toestand in het verleden, met name in de oorkondentijd, toonde hij aan de hand van familie-advertenties in enige Friese kranten van de laatste jaren aan, dat het gebruik van typisch Friese voornamen achteruit gaat. Hij heeft kunnen vaststellen, dat deze achteruitgang van streek tot streek verschilt en dat ook het kerkgenootschap waartoe men behoort, waarschijnlijk van invloed is; roomsen volgen eerder

[p. 78]

de mode, dan reformatorische christenen. Verlies van de eigen Friese identiteit bij de naamgevende ouders lijkt een belangrijke rol te spelen bij het toenemen van het aantal vreemde, onfriese voornamen in Friesland.

 

Hilversum

E.G.A. Galama

Joost van den Vondel, Poëtologisch proza. Ed. L. Rens. Zutphen [1980], K.L.P. 221. (geen prijsopgave).

In het Vondel-jaar 1979 stelde Rens een bundeltje Poëtologisch proza van de grote Amsterdammer samen dat onlangs, kwadergewoontegetrouw ongedateerd, in het Klassiek Letterkundig Pantheon verschenen is. Met de titelterm duidt de Antwerpse hoogleraar op prozateksten, autonoom of als commentaar bij eigen werk opgevat, getuigend van 's dichters interesse in literaire theorie. Tot de eerste categorie behoren de Aenleidinge en het Toneelschilt, beide volledig afgedrukt. De overige dertien teksten vertegenwoordigen de tweede categorie, en bestaan uit (soms gedeelten van) ‘Opdrachten’, ‘Berechten’ en ‘Voorredes’. Weggelaten zijn teksten of tekstgedeelten die, stofproblematiek aan de orde stellende, soms meer met geschiedenis, filosofie of theologie te maken hebben dan met literatuur. Zulk een handelwijze roept de vraag op welke lezersgroep de verzamelaar op het oog heeft. Een selectie teksten als hier geboden, lijkt bedoeld voor onderzoekers van aspecten van of geheel de ontwikkeling van Vondel als literatuurtheoreticus, of van zijn plaats in de toenmalige literatuurwetenschap. Die lezers echter zullen niet slechts de (volgens Rens) voornaamste, maar álle ‘poëtologische’ teksten, en die integraal, onder ogen willen hebben. Zij zullen dus (tòch) bijvoorbeeld de WB-editie - waaraan de teksten wel zullen zijn ontleend, al wordt dat niet vermeld - gaan raadplegen. Vrees voor hun ‘geabstraheerd worden van Vondel’ (vgl. Woord vooraf, blz. 3) lijkt overbodig. Of andersgeoriënteerde lezers dit bundeltje inziend, het zullen gaan doorwerken met als verhoopte vrucht een hernieuwde aandacht voor Vondels werk? Scepsis dienaangaande blijft mij plagen.

[p. 79]

Wie ook het boekje ter hand neemt, vindt er elke tekst kort becommentarieerd en geannoteerd. De commentaar heeft waar de gelegenheid zich maar bood, geprofiteerd van recente studieresultaten. Bijvoorbeeld die met betrekking tot de Aenleidinge. In dit geval geldt dat ook - echter zonder vermelding - voor de annotatie. Behalve, zoals elders, de WB-editie, is de uitgave in de serie Ruygh Bewerp gebruikt. Bekendheid met deze reeks maakt de vraag klemmend waarom op blz. 105 niet verwezen is naar de editie (uit 1978) erin van Meijers vermelde (spel en) Voorrede.

Aan de bundeling als geheel gaat een inleiding vooraf waarin de eerste paragraaf de beweegredenen tracht aan te geven van Vondels - in Nederland opvallende - behoefte zich telkens weer te verantwoorden. Ze attendeert tevens op het verschuiven van het centrum van Vondels interesse van de stof - naar de vorm-problematiek, vanaf het ‘moment’ dat hij zich van de senecaanse traditie verwijdert. De twee resterende paragrafen dunken mij ‘Fremdkörper’ in dit boekje. De eerste ervan immers geeft beknopt ‘Aristoteles' theorie van de tragedie’, en is dus dienstig ‘om Vondels evolutie als tragicus te situeren’ (blz. 8); maar om die Vondel zal het de lezers van dit Poëtologisch proza toch wel niet gaan. De tweede schetst het Grondschema van de retorica; inderdaad ‘van algemeen belang voor het structuuronderzoek van renaissancistische teksten’ (blz. 12). ‘Maar’, zegt Rens-zèlf op blz. 6, zonder overigens naar eigen of anderer onderzoeksresultaten te (kunnen?) verwijzen, ‘in zijn verantwoordingen volgt hij [Vondel] allerminst die schoolse retorica’, immers, iets verder (blz. 7), ‘de bevindingen die recente onderzoekers hier voor de Aenleidinge hebben opgedaan (...), vinden veelal bevestiging in andere theoretische teksten’.

 

P.E.L. Verkuyl