|
|
|
| |
| | | |
F. de Tollenaere
Vlaams in ‘Vlaamse soldatenbrieven uit de Napoleontische tijd’*
Ik verhoopen van noch Eens jn vlaenderen te komen Jn volle gesontheijdt, brief 31 (1808).
Napoleon gienk vors met z'n ermen vul rooëzen
en ie keeërde were mee s'n mule vervrooëzen,
Zeisel in Frans-Vlaanderen
(Ons Erfdeel 23, 1980, 3, 461b).
Wie als Vlaming zich voor de taak gesteld ziet van dit in hoofdzaak met een historische en taalkundig-dialectologische bedoeling uitgegeven boek een bespreking te leveren, staat voor een moeilijke taak. Men werd niet alleen gegrepen door dit document van menselijk leed, een schrijnende tegenstelling tot de geromantiseerde militaire grandeur van Napoleon, door stemmen van bijna twee eeuwen terug, die tot ons spraken in een taal welke bijna gelijk is aan die welke wij van de lippen van moeder hebben gehoord. Dit betekent dat het boek ons niet losliet, dat men er zich zo mee identificeerde, dat men zoveel opmerkte dat het niet moeilijk zou vallen een volledig nummer van dit tijdschrift ermee te vullen.
Het boek bevat 317 brieven uit de periode 1799-1813. De postdienst onder de Franse Republiek en onder het Keizerrijk werkte blijkbaar voortreffelijk. Een soldaat in Maagdenburg ontvangt op 2 februari een brief (nr. 53) die zijn vrouw hem op 26 januari 1812 heeft geschreven. Een brief (nr. 192) van Nieuwpoort naar Grenoble doet er in 1806 maar zes dagen over, d.w.z. ongeveer even kort als tegenwoordig, soms.
| | | |
De brieven zijn alle geadresseerd aan plaatsen in het Département de la Lys, het latere West-Vlaanderen, op drie na. Brief 132 is bestemd voor Petegem bij Oudenaarde, in het ‘Département de l'Escaut’ of Oost-Vlaanderen; de commentaar tovert Petegem om tot Pittem, een ongelukkige vergissing. Een gelukkige, blijkbaar opzettelijke vergissing vormen intussen de brieven 7 (1805) en 8 (1806), afkomstig van Carolus Martijn uit Hondschote in het ‘Département du Nord’ of Frans-Vlaanderen. Deze brieven zijn bijzonder de moeite waard. Het Vlaams van Carolus Martijn is niet anders dan dat van de Westvlaamse conscrits en zijn Frans is niet beter. Hij vraagt niet naar nieuws uit het departement, maar naar de ‘niewemaeren die jn vlaender zijn’. Het zou de moeite waard zijn om op het archief te Rijsel een onderzoek in te stellen naar Vlaamse soldatenbrieven uit het ‘Département du Nord’, en als die er zijn, er een uitgave van te bezorgen. Dit zou een belangrijke leemte kunnen opvullen in de kennis van de taal van de Westhoek op het eind van de 18de, begin 19de eeuw. Zou hier geen taak liggen voor de Nederlandse leerstoel van prof. W. Thijs te Rijsel?
Het is intussen merkwaardig dat er geen brieven bij zijn uit Zeeuws-Vlaanderen, dat immers in 1798, samen met Maastricht en Venlo, aan Frankrijk was afgestaan, ter betaling van de geleverde ‘vrijheid’. De brieven bestemd voor plaatsen in westelijk Zeeuws-Vlaanderen zullen toch insgelijks in Brugge terecht zijn gekomen. Het was niet alleen historisch verantwoord geweest om ze op te nemen, maar bovendien ook taalkundig interessant. Hoe zag het Vlaams in brieven voor Cadzand, Sluis en Aardenburg er uit?
Van Bakel heeft uit de Brugse collectie brieven begrijpelijkerwijze alleen de Vlaamse geselecteerd. Het zou de moeite waard zijn studie te maken van de verhouding tussen het aantal Vlaamse en Franse brieven in het Rijksarchief te Brugge. Dat zou inzicht geven in de mate van verfransing van West-Vlaanderen in de Franse tijd. De conscrits die Vlaams schrijven, kennen intussen in de regel geen Frans. Hoe ze daar het slachtoffer van worden, blijkt b.v. uit de brieven 222 (ao. 1813) en 244 (ao. 1808). Soldaat Joannes Mantez, die graag Frans wilde leren, schrijft in 1807 uit Munster, dat hem dat onmogelijk is, omdat ‘wij met 8 a 9 hondert vlamijngen bij
| | | | malkander wesen’ (br. 26). Toch rapen ze onvermijdelijk Franse woorden op, duidelijk te onderscheiden van de Franse leenwoorden in hun eigen dialect; fatiguen...uijtstaen (br. 25/1), een leters (br. 33/9), chagrinieren (br. 41/2), differente signaturen (br. 41/14), nombre (41/15), masuer (br. 43/22), ik presemert (br. 44/8), als wij ons wel comporteeren (br. 72/9), jk ben bon soldaegt (br. 77/12), jai vous salue (br. 92/12), Gij lieden Moet mij pardonneren (br. 154), oorlog gedeclareert (br. 189/3), separeert (br. 285/4), gekon(d)wiert (br. 290/14), den Lenpreur (br. 316/2), repons de suet (br. 317/13). Frans zijn uiteraard ook de technische termen die tot de dienst behoren: het division (br. 34), raede (br. 291), ambarqueert,...queeren, suijvieren, visseau, envoiles (br. 293/9, 10, 12, 23), of het poor ‘haven’ (br. 307, 5).
Maar er zijn natuurlijk ook enkele conscrits die een mondje Frans kennen, zoals Denoijelle uit Ieper, die sergeant is geworden en met die kennis pronkt; in zijn brief (nr. 50, ao. 1811) leest men enfin en mononcle voor en na. Een ander is zelfs polyglot, want volgens zijn zeggen, spreekt hij Frans, Italiaans en Spaans (br. 255). Anderen kennen behoorlijk Frans, zoals b.v. blijkt uit het begin- en slotadres, beide in nagenoeg foutloos Frans, van br. 264. Brief 102, van J. van Balberghe uit Lendelede, dat hij omdoopt tot Lendelaide, heeft zelfs een geheel in het Frans gesteld postscriptum aan zijn ‘chère cousine’.
In wat volgt zullen wij ons in hoofdzaak beperken tot één aspect, de Westvlaamse volkstaal en daarbij de commentaar kritisch bekijken. De door Van Bakel uitgegeven teksten vormen een goudmijn voor de kennis van het Westvlaams van het eind 18de - begin 19de eeuw.
Ik noem hier terloops enkele eigenaardigheden uit de klankleer. Vervanging van de gemouilleerde ldoor -ld- tekende ik op in bouteijlde (br. 263/11), familde (br. 212, 271 en 274), fanilde ‘familie’ (br. 266/3), (volgens Debrabandere (De Leiegouw 21, 1979, 150) een typisch Oostvlaamse vorm; het is echter niet waarschijnlijk dat de vier genoemde brieven alle van de hand van Oostvlaamse schrijvers zouden zijn, br. 266 zeker niet). Evenzo worden -rj- tot -rd-: te konterarde (br. 272/9) en -nj- tot -nd-: Spaenden (br. 259, 271, 283/14).
| | | |
Epenthetische consonanten: -r- in Lindwaert (br. 7/6 (Hondschote, 1805) en magersijn (br. 311/5), -d- in hisder(en) (br. 32/10, 11), -t- in (wissel) brieft(e) (br. 97/17, 98, 287, 289, 302).
Paragogische consonanten: -t in gewont (br. 299), droft (br. 291), schipt (br. 291), strood (br. 200/5).
Het vervangen van -dd- door -r- in bere (br. 167/21) ‘bed’.
Uitspraak van ndl. g- als h- in hij ‘gij’ (br. 124/11) en in het in de aantekeningen onverklaard gebleven jk hebt hel nodig ‘ik heb 't geld nodig’ (br. 5). Omgekeerd realisatie van het ontbrekende foneem h- als g- zoals in gullemstet ‘Helmstedt’ (br. 58).
Bewaren van de oude overgang ft > χt in vichtien (br. 2/10; 85/9; 207/1), vechten ‘vijfde’ (br. 124/5), tweenvictigste (br. 65/26).
Bijzonder aardig zijn de vele plaatsen van hoogstad (oogstad, hoogstaed, hogstad, hoogstat), een vorm die een goede aanvulling vormt bij het artikel van O. Leys, ‘Synkope en regressie in het Vlaams en het Nederduits’ (Med. Ver. Naamkunde 39, 1963, 120-150) betreffende de wisseling υ/γ, f/χ die kenmerkend is voor Vlaamse en Nederduitse dialecten. Van hoofdstad komt men via hoofstad tot een gesynkopeerd *hoostad, gevolgd door reactie tegen de synkope gevolgd door verkeerde regressie tot hoogstad, waarbij i.p.v. een f een χ wordt hersteld. Bij De Bo vindt men het lemma hoogstad niet, maar Loquela heeft wel het uit de volksmond te Brugge, Kortrijk en Ieper opgetekende hoogwacht ‘hoofdwacht’, waarin dezelfde regressie is opgetreden. Synkope van d gevolgd door verkeerde regressie vindt men in gelegen ‘geleden’ (br. 8). Voorbeelden van de uit het Middelnederlands bekende hypercorrecte regressie zijn ze(e)de ‘zee’ (br. 79/7; 163/20), sneede ‘sneeuw’ (br. 185/15), armeijde ‘armee’ (br. 177/7).
Op het gebied van de vormleer: ik bem (passim), schon ‘schoenen’ (br. 255/17), brouck, in het Oostvlaams, ook in br. 139, vr. hier mannelijk (br. 81; 249).
Een merkwaardig relict is de aanspreekvorm uwe liefde ‘u’ (br. 112/11), dat in de 16de en 17de eeuw als lagere titel gebruikt werd, (zie echter WNT VIII, II, 2076), en herhaaldelijk zelfs het Hooghollandse UE. Met mnl. in Grieken ‘in Griekenland’ en modern vl. in de Walen ‘in het Walenland’ is te vergelijken naer russe(n) (br. 138).
| | | |
Op het gebied van de woordenschat noteerde ik:
| afzien (br. 157/10, 305/13) ‘lijden, doorstaan’, dat thans via de Vlaamse coureurstaal en de Nederlandse sportverslaggevers der Ronde van Frankrijk gewoon Hollands aan het worden is; |
| als san (br. 204/2) ‘altijd’; |
| blamuijse (br. 136/15) ‘oud keizerlijk muntstuk’, dat echter niet speciaal wvl. is, zie WNT i.v.; |
| brijzel (br. 305/12) ‘kruimel (eten)’; |
| bronselaere (br. 71/16) ‘knoeier’; |
| doorzien (br. 209) ‘doorstaan’; opgetekend samen met het synoniem |
| onderzien (br. 209/6); |
| glatte (br. 310/4) ‘gladheid’ dat zowel in De Bo als in Loquela ontbreekt, maar wel in Lievevrouw, Gents Woordenboek te vinden is; |
| haer (jn zijn ~ zijn) (br. 154/27) ‘in goede gezondheid zijn’; |
| zich ergens in gedragen (br. 305/16) ‘zich erin schikken’; verg. WNT IV, 622: zich aan een bevel gedragen ‘zich ernaar richten’; |
| gestedenesse (br. 48/13) ‘gesteltenis’; |
| gildig (br. 1/13) ‘flink’; |
| gronderen (br. 168/7) ‘begrijpen’; |
| (h)apening (br. 192/19; 195/19) ‘halve stuiver’; |
| capelaen (br. 270), een woord dat thans in Vlaanderen verdwenen is, maar in Frans-Vlaanderen nog als relict schijnt voort te leven; |
| kerstenbrief (br. 15/7) ‘doopceel’; |
| littjen (br. 58/9) ‘beetje’ (De Bo: letje); |
| maere doen (br. 4/4) ‘berichten’; |
| mette (br. 298/17) en mette moeije (br. 81/8, 163/8) ‘meter, peettante’; |
| nieuwmaeren (br. 52/9) ‘nieuws’; |
| roeij (rooij) hebben (br. 135/30, 250/17) ‘moeite, last hebben’: |
| steen Ezel (br. 249/10) ‘kleine soort ezel’; bij De Bo alleen als scheldwoord, in WNT XV, 1026: ‘in Suriname voor den gewonen ezel’ |
| toegaen (br. 63/3, 4) ‘aankomen’, waarvan het WNT XVII, 443 twee citaten vermeldt, een uit 1582 uit een Brugse tekst en een uit 1873 (De Bo); |
| torre (br. 40/4) ‘toren’; |
| verscheen (br. 42/13) ‘van elkaar verwijderd’. |
Behalve de hier genoemde termen bevat het volledige woordvormregister vele nuttige aanvullingen bij De Bo, Loquela en de
| | | | door A. Viaene uit Biekorf 1969-1974 verzamelde Kleine Verscheidenheden (I-III). Van de hier genoemde zijn doorzien, glatte, zich ergens in gedragen en gestedenisse noch in De Bo, noch in Loquela opgetekend.
Het is opvallend dat in de brieven overwegend de Nederlandse verwantschapsnamen (n)oom en moeie in levend gebruik zijn. Zelfs Pieter Joannus Planckeel uit Geluveld, die aan het slot van brief 241 zijn kennis van het Frans meent te moeten luchten met een zinnetje waarin hij zijn ‘chere pere’ vraagt hem ‘quelque argans’ te zenden, heeft het in 1808 over ‘hooms ende moien’. Noncle komt in het woordregister twee keer voor, oncle, oncel is zes keer opgetekend. Van (n)oom daarentegen geeft het register vierentwintig vindplaatsen. Tante komt zeven keer voor, matante vier keer, maar moeie, moeij en varianten daarentegen vijfendertig keer. Van zwager (swaeger) nu in Vlaanderen, althans bij de huidige generatie uitgestorven, maar Teirlinck (1921-1922) heeft nog zwaër(e), vind ik vijf voorbeelden, van schoonbroer geen enkel.
Had ik enkele jaren geleden de grootste moeite om een zestal voorbeelden van fuzike tussen 1745 en 1866 bij elkaar te harken1, in de soldatenbrieven is het woord in tal van spellingen (fijsijke, fisike, fusijke, fusike, fuzijke, versike, vijsijcke) opgetekend.
Wat de Vlaamse lezer opvalt, is dat de taalkundige commentaar bij de brieven onvoldoende vertrouwdheid met het dialect der Westvlaamse conscrits verraadt. Dat dit dialect Noordbrabantse commentatoren te machtig kon worden, lag voor de hand. Men mag er zich dan ook over verbazen dat men het blijkbaar volkomen overbodig heeft geacht een beroep te doen op de medewerking van iemand die als ‘native speaker’ met het Westvlaamse dialect vertrouwd was. De enige medewerking van Vlaamse zijde is blijkbaar die geweest van Westvlaamse gemeenten waarvoor de brieven destijds bestemd waren (zie p. 9). Van die gemeenten werden inlichtingen ontvangen, o.m. over de identiteit van de afzender, en zelfs commentaar ‘op het punt van woorduitlegging’. Hiermee heeft men blijkbaar gemeend te mogen volstaan. Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat Jan van Bakel te veel vertrouwen heeft gesteld in de kennis en bevoegdheid van de vele studenten en student-assistenten (zie p. 9) die over dit werk zijn gegaan.
| | | |
Hoe valt het anders te verklaren dat bij de commentaar onvoldoende gebruik werd gemaakt van (West)vlaamse idiotica en van het WNT? Een schoolvoorbeeld is in dit verband wel de commentaar bij de woorden kroujvage (br. 164/2), cro*ge (br. 222/18) en carwaese (br. 313/29), waarbij telkens de volgende toelichting wordt verstrekt: ‘Dr. K.C. Peeters (o.c. pag. 78) annoteert een vergelijkbaar woord, te weten “krauwagie”, als: Huiduitslag, inz. schurft’. Dit wekt de indruk dat de commentator met een volslagen duister woord te maken kreeg. En toch heeft het WNT een apart artikel krauwage met o.m. ook Noordnederlandse citaten. Bij De Bo vindt men het woord als verklaring i.v. Krauwe en Zeekrauwe. Volgens het WNT VIII, 126 vindt men krauwte ‘schurft’ in Z.-Beveland en in Zeeuws- en West-Vlaanderen.
Onbedoeld komisch is de commentaar bij een plaats in brief 20. Op 7 november 1806 schrijft soldaat Frisou uit Wesel ‘dat jk nergens geen bolletraen En vinde om te bollen’ (br. 20/9). Dit wordt dan verklaard als: ‘Wellicht glazen bol om te bollen. Het bolspel (te) spelen, wellicht jeu de boules, jeu de pétanques’. Wat men van verre haalt, is blijkbaar lekker. Dat het zuidelijk Nederlandse bollen voor de Noordbrabanders blijkbaar terra incognita is, is nog tot daar aan toe. Dat men meent met een glazen bol te kunnen bollen, is bepaald vreemd. Had men niet de moeite moeten nemen, om in het WNT de artikelen Bol (I) (kol. 283, sub b), Bolbaan, Bolling enerzijds en Tra (I), waaronder ook bolletra en trabol, anderzijds erop na te slaan? Het MNW heeft een artikel Trade ‘pad’; boltrade is reeds ca. 1300 opgetekend te Craywick (Département du Nord) (Med. Ver. Naamk. 39, 1963, 125). Een bolletra is bepaald geen glazen bol, maar een bolbaan, een bolletrade; dat was in De Bo te vinden. De Westvlaamse deken heeft gedacht dat bolletrage de goede vorm was, maar dat is onjuist; de -g- is hier het gevolg van verkeerde regressie na synkope van de -d- (zie het hierboven vermelde artikel van Leys). Het spel met de bol, de zgn. krulbol, is in Vlaanderen zeer populair, ook in Zeeuws-Vlaanderen2. Niet in Vlaanderen alleen trouwens, ook in het Pajottenland in Zuid-Brabant is het niet onbekend, zoals blijkt uit Michel van der Plas, In het Land der Belgen (1975), p. 140: ‘Het (bolspel) wordt (te Pamel) gespeeld op een lange
| | | | baan met een vloer, die, net als een dorsvloer, verhard is door met ossebloed aangestampte leem’. In het centrum van Vlaamse immigratie in de Verenigde Staten, Detroit, is er zelfs een ‘Belgian American Krul-Bowling Club’.
Ik geef nu eerst enkele voorbeelden waarbij in de commentaar onvoldoende rekening werd gehouden met de Vlaamse idiotica. Ik zeg onvoldoende, want hier en daar is het duidelijk dat men blijkbaar toch het Westvlaamsch Idioticon (1873) niet ongeopend in de kast heeft laten staan, zoals bij verwondert (br. 6/5) ‘begerig om te weten’, bij ongrij (br. 222/17) ‘ongedierte’, een plaats die een mooie aanvulling vormt bij De Bo's artikel ongroei, ongrui. Zo ook bij mast (br. 184/11)3, of bij kluijt (van de schoen) (br. 260/8), waar de verklaring van De Bo ‘stuk leer’ kritiekloos wordt overgenomen, terwijl hier toch duidelijk als pars pro toto de gehele hak wordt bedoeld.
| haerdig (br. 251/20) is niet het Hollandse aardig ‘mooi’ maar het Vlaamse aardig ‘vreemd, ongewoon’ (Loquela). |
| barze (br. 124/6) is niet ‘troep soldaten’ maar ‘trekschuit’; zie De Bo. |
| gedoldt (br. 156/15) is niet ‘rondgelopen’ maar ‘gedoold, geijld (van de koorts)’; zie De Bo. |
| driven (br. 135/33) is niet ‘landerijen’ maar druiven; zie De Bo i.v. drijvelaar. |
| hergen (br. 26/11) niet ‘hergaan, opnieuw beginnen’ maar ergen ‘erger worden’ (De Bo). |
| gast (br. 42/17) volgens commentaar ‘Onduidelijk; misschien het zoontje of de meid’. Bedoeld is ‘knecht’; zie Lievevrouw, Gents Woordenboek. |
| genatie (sonder) (br. 198/9), een woord dat noch in De Bo, noch in Loquela is opgetekend. De verbinding betekent niet ‘zonder dat het last veroorzaakt’ en het woord is niet afgeleid van fr. gener (sic). Genatie is een afleiding van wvl. hem generen ‘met de vlaamsche g en de zware e’ (De Bo) ‘zijn best doen’, dat niets te maken heeft met het Franse leenwoord generen. |
| geraedig (br. 209/10) is niet ‘mogelijk’ maar ‘raadzaam, dienstig’ (De Bo). |
| gesingen (br. 257/10) wordt aarzelend toegelicht met ‘wellicht gersingen, weilanden’. Dit ‘wellicht’ was overbodig. De Bo en Loquela hebben weliswaar het woord niet, maar A. Viaene, Kleine
|
| | | |
| Verscheidenheden uit Vlaamse Bronnen 1300-1650, Derde Reeks (Brugge, z.j.) geeft twee voorbeelden i.v. garserye (blz. 262), t.w. ghersinghen uit de Plac. v. Vlaenderen 1,687 (ao1548) en garsingen uit de Costume van Burburg 16, art. 10 (ao1615). |
| hoogtag (br. 55/3) niet ‘hoogtij, feestdag’ of ‘hoogfeest’ (br. 88/7) maar een van de grote feestdagen van de Kerk, hier blijkbaar Pinksteren (De Bo). Vergelijk in br. 145 het synonieme hogtjjd (van paeschen), en in br. 208 hoogtheijd van kersdag, waar De Bo van hoogtijd alleen de betekenis ‘H. Sacrament des Altaars’ heeft. |
| ongersnood (br. 219/5) ‘bedoeld is wel hongerdood’ (commentaar) is onjuist. In het WNT leest men i.v. Hongersnood: ‘in het Mnl....beteekent hongers nood...het nopen, nijpen, kwellen van (den) honger...In die opvatting vindt men hongers nood trouwens ook nog veel later (verg. b.v. Vondel 1, 573: uyt grooten hongers nood; Huygens 1, 624: in hongers nood)’. |
| capoen (br. 41/11) niet fr. capon ‘lafaard, schurk’, maar vl. kapoen ‘deugniet, schurk’ (De Bo). |
| keure (br. 59/12) niet ‘keuze, gelegenheid’ maar keur ‘gelegenheid (WNTVII, 2626); in br. 106/2 wordt keure (hebben, krijgen) merkwaardig genoeg fout verklaard als “medisch onderzoek” i.p.v. als gelegenheid’. |
| labeuren (br. 244/8) niet ‘landbouwen’ maar ‘(het land) omploegen, bewerken’ (De Bo). |
| zij hebben nog veele aen wat geld geluts (br. 224/5) ‘ze hebben van velen wat geld afgetroggeld’ lijkt als vertaling wel juist, maar daarmee is geluts nog niet verklaard. Het is òf het praet. van lutsen ‘schudden’ (De Bo), òf het staat voor gelust d.i. geluusd ‘geroofd, gestolen’. Verg. iemands borze luizen (De Bo). Aen in aen wat geld is echter vreemd als wij geluts als geluusd lezen. |
| is het zaeke dat ul gemeest is (br. 235/7) niet ‘dat hij (de brief) u gemist heeft’, maar ‘indien jullie zich vergist hebben’, t.w. in jullie brief i.v.m. het bedrag aan opgestuurde kronen. VI. missen kan ook betekenen ‘zich vergissen’; zie Lievevrouw, Gents Woordenboek. |
| op maeken (br. 251/6) niet ‘in opstand doen komen’ maar ‘ophitsen’ (De Bo). |
| profijtelijk (br. 224/16) niet ‘voordelig, goedkoop’ maar ‘zuinig’ (De Bo). |
| prumen (br. 268/10) is inderdaad pramen, maar dat betekent niet ‘dwingen’ maar ‘aansporen’; zie Teirlinck. |
| | | |
| gespenerd (br. 223/11), waar soldaat Benedictus Holvoet schrijft: ‘ik bem stijf gespenerd in het bakhus’ luidt de commentaar ‘Gesuspendeerd in de mond? (Op de proef gesteld door gebrek aan eten)’. Maar met een dergelijke verklaring wordt de lezer wel bijzonder op de proef gesteld. De Bo heeft een artikel spenieren, d.i. hetzelfde als speenen ‘(een kind) de borst ontwennen’. De soldaat bedoelt ‘in de mond ben ik het eten erg ontwend’. |
| stijf (br. 156/12) niet ‘ernstig’ maar ‘zeer, sterk’ (De Bo). |
| (mijn) strek (br. 219/13) is goed verklaard als ‘mijn omstandigheden’; strek heeft echter niets te maken met streek van de commentaar (‘van mijn streek’), maar is wvl. strek ‘strekkende lengte van iets’. |
| in ‘ul en vervoordert niet van Eenige zaken te doen van ster(f)huijs (d.i. erfenis, nalatenschap)’ (br. 250/43) wordt vervoordert opgevat als ‘vervorderen, voortzetten’, i.p.v. wvl. vervoorderen ‘zich verstouten’ (De Bo). |
| tewege (br. 166/4) niet ‘onderweg’, maar ‘op het punt van’ (in casu: te deserteren) (De Bo). |
| tonog (br. 58/5) in het is tonog niet hetelijk is niet ‘toch nog’ maar ‘dan nog’, d.w.z. ‘wat meer is’; verg. in dezelfde brief de erdappelen...het zijn tonog koude. |
| tons (br. 43/4) niet ‘af en toe’ maar ‘daarna, vervolgens’ (De Bo). |
| verhalppen (br. 174/22) niet ‘voorthelpen’ maar ‘behelpen’ (De Bo). |
| verleet (br. 197/21) betekent niet ‘tot ergernis geworden’ maar ‘staat mij tegen’ (De Bo). |
| vernuijken (br. 191/15) niet ‘bedriegen’ maar ‘benadelen’ (De Bo). |
| verwitsels (br. 156/3) niet ‘berichten’ maar verwijtsels ‘verwijten’ (De Bo). |
Tot zover de plaatsen waar onvoldoende gebruik werd gemaakt van lexicografische hulpmiddelen. Nu volgen andere gevallen waar de commentaar mank gaat door onvoldoende aanvoelen van het Vlaamse taaleigen.
| in afwisen van (br. 145/4) niet ‘in advies van; in de mening, hoop’ maar in afwezen ‘in afwezigheid’, d.i. ‘terwijl ik jullie door afwezigheid niet kan zien’ |
| als (br. 68/12) betekent niet ‘dat’ maar ‘wanneer’. |
| als dat (br. 185/11 en 259/2) niet ‘of dat’ maar vl. als dat, d.w.z. ndl. dat. |
| | | |
| Belliesie (br. 246/15), er is geen verband met embellissement, maar het gaat om een in de brief ingesloten billetje. |
| in den forier heeft mij bescheten (br. 248/9) wordt bescheten in de commentaar verklaard als ‘bescheiden, te verstaan gegeven’. Nu heeft De Bo wel een werkwoord bescheeden ‘bescheid geven’, maar het verl. deelw. ervan luidt bescheed. Als de commentator zich behoorlijk in de context had verdiept, dan had hij begrepen dat bescheten betekent ‘bedrogen’ en dat het een verl. deelw. is bij beschijten. |
| ten helfen (br. 215/6) verklaard als ‘ten halven, de halve tijd; om de andere dag’. Is het niet ‘ten elven’, d.i. om elf uur 's morgens? |
| conge van trimestre (br. 46/6) niet ‘verlof’ van ‘vier maanden’, maar fr. congé de trimestre, verlof dat om de drie maanden verleend wordt. |
| die in tusschen die en twee maanden (br. 230/5) is niet ‘drie’ maar dit, dus ‘tussen dit en twee maanden’. |
| drister (br. 66/17) is niet ‘te heviger’; in de brief zal wel staan du(i)ster, het enige dat in de context past. De laatste regels van de brief zijn geen ‘citaat naar een vers of een rijmende spreuk’, maar duidelijk een lied dat de vrolijke Magiel Florijn, die de dans in Rusland ontsprongen is (‘v(an) de 10 ondert man wij sijn nog 30 man’) en in de Palts ‘de wijn voor vier stuijvers’ drinkt, voor zijn lief Barbara van Sluijs zingt. |
| goete (br. 55/8) ‘goedheid’ is eigenlijk goedte met het -de/-te-suffix. |
| (met) haer (br. 163/11) niet ‘goede schik’ maar ‘met hun’, t.w. de Spanjaarden. |
| en (br. 188, r. 2) ‘heb’; commentaar was niet overbodig geweest. |
| zend uwer jonste af (br. 168/10) betekent niet ‘wees zo vriendelijk te schrijven’; jonste is hier iets concreets, t.w. het geld waar soldaat Pietrus Ponzeele om vraagt. |
| Capote (br. 114/10) is wel soldatenmantel, maar heeft die noodzakelijk een kap? |
| ten komt ter niet (br. 71/14) is niet ‘er komt niets’, maar ‘het (en) komt (er) niet’. |
| husschen (br. 131/11), de commentaar ‘rossen, verzorgen’ is juist; ik vermoed dat in de brief niet staat husschen maar kusschen ‘kuisen, schoonmaken’. |
| jk hadde mij wel van kante wel gemackt (br. 290/13) betekent-niet ‘van kant gemaakt’, maar ‘ik had mij wel uit de voeten gemaakt, verborgen gehouden, mij in veiligheid gebracht’. |
| in te kerremesse (br. 276/19) wordt kerremesse opgevat als het ww. ker- |
| | | |
| missen ‘kermis vieren’, wat uitgesloten is. Het Vlaams kent geen apokope van de -n, en zij verderop in de context wijst op een znw. |
| is moerte in merianna de moerte (br. 40/ r. 2 v.o.) wel een eigennaam? Ik denk aan maerte ‘dienstbode’. |
| diMide (br. 192/34) is niet ‘daarmee, daardoor’ maar ‘die mede’ in ‘dat ik niet die (broek en vest) mede dragen en kon’. |
| hoolie van de lijfve boomen (br. 251/22) is niet ‘olie van de olijvebomen’ maar ‘olijfoliebomen’. Fr. huile d'olive = vl. olie van de lijve, ook wel lijfolie (De Bo). |
| plukke (br. 313/30) ‘bed’ is pars pro toto van plukke ‘pluksel’. Deze bet. ontbreekt in De Bo, Loquela en Lievevrouw. |
| in hebbe gerachiert van gecondonneert te sijn (br. 116/6) heeft gerachiert niets te maken met fr. arracher en de zin is niet ‘ik heb mij onttrokken aan een veroordeling’, maar het woord is verl. deelw. van vl. rischieren (De Bo), ndl. riskeren ‘gevaar lopen’. |
| is roijte (br. 230/15) wel route ‘weg’? Is het niet rote ‘rij’ (van kennissen)? |
| schellijen (br. 1/7) is niet schaleien, maar dat is misschien een drukfout voor schaliën. |
| waarom sijnjoeptstraete (br. 119) op zijn Frans verklaard wordt als ‘rue Saint joseph’ komt ons onbegrijpelijk voor; ligt Oostende soms in Wallonië of in Frankrijk? |
| souppe boulije (br. 39/9) is niet ‘bouillon, soep’ maar ‘soep (en) soepvlees’. |
| spelosen (br. 57/14) is wel ‘tuinhuizen, paviljoenen’, maar stelt het wel speelhuizen voor? Is het niet eerder spelagen, afgeleid van spelen met het suffix -age? Spelage is echter niet in De Bo, Loquela, Lievevrouw of Teirlinck opgetekend. |
| in het eten heeft...tusschen tween gegaen (br. 316/4) betekent tusschen tween niet ‘wat twijfelachtig’ maar ‘min of meer redelijk’. |
| in wij lijeppen giele daegen dronke en op ons gat vael van flauten (br. 313/27) worden de laatste drie woorden toegelicht in de commentaar met ‘vaal ziende van flauwte’. Ik weet niet of de commentaar deze woorden betrekt bij gat of dat hij op ons gat van liepen laat afhangen. In beide gevallen is er reden tot verbazing. M.i. is op ons gat vael van flauten niet anders dan op ons gat (ge)vallen van flauwte, d.w.z. wij vielen op ons gat van flauwte. |
| verlangen (br. 114/3) is niet ‘vreugde’ maar ‘verlangen’. De soldaat heeft de brief ontvangen waar hij zo naar verlangd heeft. |
| | | |
| verleet (br. 197/21) betekent niet ‘tot ergernis geworden’ maar ‘staat mij tegen’ (De Bo). |
| jk ben mijn wieg gefate (br. 205/11) is niet weer te geven door het onmogelijke ‘ik ben mij weg gevat: ik ben weggelopen’, maar door ‘ik heb mijn weg gevonden (t.w. naar huis)’. |
| ik en waere niet verlegen (br. 224/14) betekent niet ‘ik zou er geen behoefte aan hebben’, maar ‘ik zou er geen moeite mee hebben’. |
| voort voort (br. 314/15): deze intensieve reduplicatie zou ik liever niet weergeven met ‘verder voort’ maar met ‘steeds verder’. |
| voortriekken (br. 60/10) is niet ‘voorttrekken, verder trekken’ maar ‘vertrekken’. |
| onder weege (br. 113/11) hoort niet bij wat volgt ten is geen dijzarteren aen (commentaar), maar bij wat voorafgaat Den heeld (helft) (gevangen) genoomen. |
| wij zijn daer nog al wel (br. 115/6) betekent niet ‘heel goed’ maar ‘wij hebben het daar nogal redelijk’. |
| soor (br. 209/8) ‘ellende’. Kan het staan voor seer ‘pijn, smart’? Ik heb ook even gedacht aan fr. sort ‘lot’. |
| stijf verre geset (br. 144/7) is niet ‘achteruit gezet’ maar ‘achterop geraakt’, zoals de tweede verklaring luidt. |
| vele die maer gewest en weren (br. 40/9) is niet ‘veel die omgekomen waren’, maar ‘velen die alleen maar gekwetst waren’. |
Taalkundig misleidend is ook het vermelden van Franse woorden in de commentaar ter verklaring i.p.v. de echte, levende Vlaamse leenwoorden:
| bosier (br. 195/28) is niet fr. bouger, maar vl. bougeert ‘beweegt’. |
| defanderen (br. 67/12) is niet fr. défendre, maar vl. defanderen. |
| divooren, devooren is niet fr. devoir ‘moeite’ (br. 31/5), noch devoirs ‘plichten, moeite’ (br. 96/5), maar vl. devooren in zijn ∽ doen ‘zijn best doen’, zoals het trouwens in br. 268/7 goed is verklaard. De Bo heeft een lemma devoor, maar ik ken alleen devooren als plurale tantum. |
| zonder foute (br. 44/9) is niet fr. sans faute ‘onverwijld’, maar vl. zonder foute ‘zonder mankeren, heel zeker’ (Lievevrouw). |
| refeseren (br. 173/12) is niet fr. refuser, maar vl. refuseren. |
| sanseeren (br. 163/26) is niet fr. changer maar vl. sangeren; dit is niet ‘veranderen’ maar ‘omwisselen’. |
| | | |
In sommige gevallen worden Vlaamse woorden weergegeven door hun Nederlandse equivalenten, zoals renuineeren (br. 224/15) - zou in het hs. niet staan renuweren? - ‘ruïneren’, en explekeeren (br. 192/28) ‘expliceren’, wat taalkundig niet helemaal bevredigt; pruffe (br. 148/29) is niet proef maar vl. preuve. Tekorten in de commentaar zijn er niet alleen i.v.m. ontoereikende kennis van het Westvlaams.
Voor een commentaar bij deze brieven van Vlaamse soldaten ingelijfd in Franse legers is behoorlijke kennis van het Frans onontbeerlijk te achten. Deze soldaten worden toch dag en nacht geconfronteerd niet alleen met Franse instellingen, maar ook met de officiële Franse legertaal. Telkens en telkens weer blijkt uit de commentaar onvoldoende vertrouwdheid met het Frans. Het zou niet moeilijk vallen dit uitvoerig toe te lichten. Ik geef slechts een paar voorbeelden uit heel vele:
| manatie (br. 33/10) wordt toegelicht als ‘manège, huishouden’. Dit laatste is correct, maar dat is in het Frans ménage; manège is ‘rijschool’. |
| De precepteur avie der Consribitions (br. 178/1) zou zijn de ‘onderwijzer, raadsman van de dienstplichtigen’? Het vraagteken is bepaald niet overbodig, want de commentaar houdt er toch wel eigenaardige opvattingen op na over ‘dienstverlening’ aan conscrits tijdens de Franse overheersing. De tijd van begeleiding van de wieg tot het graf was toen echt nog niet aangebroken. Brief 178 is in werkelijkheid geadresseerd aan de percepteur a vie (of avoué?) des contributions, de ontvanger der belastingen!4 |
| in marechal ferrant (br. 317/1) wordt ferrant opgevat als fr. fairant ‘fungerend’; in welk Frans woordenboek heeft de commentator zo'n woord gevonden? een maréchal ferrant is een hoefsmid. |
Blijkbaar hebben de commentatoren nooit 's konings rok gedragen. Dat zou men tenminste geneigd zijn te geloven als men de commentaar ‘granaten, appeltjes’ leest bij de 4 roo gaernaeden op alle 4 de hoeken van onse kaisaeke (br. 174/11). De grenadiers zijn echt niet genoemd naar granaatappeltjes, maar naar de handgranaten die bij
| | | | de bestorming en verdediging van bressen geworpen werden. Is de verklaring van ermeee (br. 99/12) ‘frontleger’ geen anachronisme?
Mocht men uit deze kritiek de indruk krijgen dat er niets deugt in de commentaar, dan wil ik wel bekennen dat ik vaak de vindingrijkheid en scherpzinnigheid der interpretatie heb bewonderd. Bij de lectuur heb ik gemakshalve dikwijls naar de commentaar gegrepen, omdat ik niet direct begreep wat ik las. Is het geen knappe prestatie om uit s'zeep (br. 144/11) Dieppe terecht te brengen, of uit vertaeten (br. 127/18) verlaten; zou vertaetsen (br. 254/3) niet eveneens staan voor verlaten? Verg. in br. 257 ‘ick dachte mij verlaeten van u allegaer’. Ik noem verder ook de verklaring van ricoiseganten (br. 208/10), fousten (br. 240/4), collencanse (br. 265/12), afwijnge (br. 265/13); oggen in (br. 273/14-15) en nog vele andere meer. Zou er i.p.v. histen briefven (br. 280/1) in het handschrift niet staan kisten briefven ‘doopbewijzen’?
Op enkele na zijn alle brieven geadresseerd aan plaatsen in het ‘Département de la Lys’ in Flandre. Dit is het vaderland der conscrits. De Franse Republiek en Keizerrijk blijven hun vreemd, evenals hun Franse mederekruten, waartegen zij zich afzetten, waarover zij zich uitlaten als over vreemden. Ook na twintig jaar inlijving (1797) voelen de conscrits zich alleen maar Vlamingen. Vlaanderen, het oude graafschap, dat is hun land, en niet de kortstondige ‘Vereenigde Nederlandsche Staten’, resp. de ‘Vereenigde Belgische Staten’ der Brabantse Omwenteling (1789). Dat de Belgische terminologie vanaf 1794, ook in het Nederlands, definitief zal doorbreken, zoals Hendrik Elias in zijn Geschiedenis van de Vlaamse Gedachte 1, 10 (1963) schrijft, vind ik in de brieven der Westvlaamse conscrits niet bevestigd, op één uitzondering na. Op 14 september 1811 adresseert Josephus Mattens een brief (nr. 125) aan zijn vader, wever te ‘ardwee (d.i. Ardooie met Franse uitspraak) a une Lieue de Rousselaire dans la bergique departement de Lalijs’. Het is eigenlijk merkwaardig hoe een terminologie die wortelt in het feodale bestand van vóór de Franse revolutie, door het nieuwe bewind werd geduld. Dat brief 77 geadresseerd is ‘a furne En brabend’, is een merkwaardige vergissing; een Brabander heeft blijkbaar het Franse adres voor Frans van Egroo geschreven?
| | | |
Hoewel de Vlaamse conscrits zichzelf allesbehalve als Fransen beschouwen, is het toch merkwaardig hoe ook zij het hebben over de brigands - geen ‘struikrovers’ zoals de commentaar bij br. 75/5 en 176/16 zou kunnen suggereren (maar verder meestal goed verklaard als guerrillastrijders), maar opstandelingen uit godsdienstige (Bretagne en Vendée) of nationale motieven (Italië, Spanje). En dat zo luttele jaren nadat in Vlaanderen zelf de brigands in 1798 in opstand waren gekomen tegen de Franse sansculotten. Te Hasselt staat een gedenkteken voor de Vlaamse, Brabantse en Limburgse brigands. Met de uitgave van deze Vlaamse Soldatenbrieven heeft Jan van Bakel een ander monument opgericht, dit keer voor de Vlaamse conscrits, die met hun brieven het bloedig epos beschreven hebben waarin zij tegen hun wil werden betrokken en waardoor zij meestal jeugd, gezondheid en leven ten offer moesten brengen. Hij heeft hiermee de dank van Vlaanderen verdiend.
Adres van de auteur:
Beatrixlaan 7
2361 SB Warmond
|
*Uitgegeven en van een inleiding, aantekeningen, register en een woordenlijst voorzien door Dr. Jan van Bakel met medewerking van Drs. Piet C. Rolf. Orion-Brugge, Dekker & van de Vegt-Nijmegen. 1977.
1‘Van “Visic und Pulverhorn” tot zndl. “fuzike”’ ( Taal- en letterkundig Gastenboek voor Prof. Dr. G.A. van Es 121-126 (1975)).
2Zie M.A. Aalbregtse, ‘Het krulbolspel in Zeeuws-Vlaanderen’ (in Neerlands Volksleven XX, 2, 1970) en J. Taeldemans, ‘Bolspel in het Land van Nevele: de dikke krulbol’ (in Het Land van Nevele, maart 1978,
Jaargang IX, Afl. 4).
3In het WNT, in strijd met alle regelen der etymologie, behandeld bij Massa, onder bet. 12).
4Voor de verklaring van sebeuiren (br. 174/13), suberne (br. 177/6) en saberren (br. 252/11) d.i. giberne(s) zie Studia Germanica Gandensia 20 (1979), 127-129.
|
|