Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 100


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 100. E.J. Brill, Leiden 1984


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 1]

Wim van Galen
Sonoriteit van fonemen en de syllabestruktuur in het Nederlands*

1. Inleiding

Volgens de inzichten van de natuurlijke fonologie kan de transformationeel generatieve fonologie te veel beregelen (Hooper 1976). Dit zou mogelijk geworden zijn door een zeer vergaande abstrahering van spraak, en door een te ruim gedefinieerd regelsysteem. Het gevolg hiervan kan zijn dat er voor één en hetzelfde fonologische verschijnsel veel verschillende beregelingen mogelijk zijn, en dat er geen redenen zijn om aan te nemen, dat de ene beregeling de voorkeur moet hebben boven de andere (zie b.v. Venneman 1974). De natuurlijke fonologie nu wil een veel strenger fonologisch regelsysteem hanteren; hiertoe worden naast morfofonologische regels vooral ook fonologische regels gepostuleerd, die uitzonderingsloze generalisaties uitdrukken, en die werken op alle oppervlaktevormen van een taal. Bovendien mogen deze regels alleen gebruik maken van fonetische argumenten (Hooper 1976, pag. 14).

De natuurlijke fonologie beschouwt de syllabe als de kleinste uitspreekbare eenheid, en als basiseenheid voor de fonologische beschrijving (Hooper 1976, pag. 188-189). Syllabestruktuurcondities beschrijven de interne struktuur van de syllabe. Daarbij veronderstelt men dat er een syllabestruktuurmodel te konstrueren valt op grond van het sonoriteitsverloop binnen een syllabe: elke syllabe wordt gekenmerkt door een stijging van sonoriteit aan het begin tot een maximum (de kern), gevolgd door een daling van sonoriteit tot een minimum (de syllabegrens). De natuurlijke fonologie gaat er bij haar theorievorming van uit dat aan alle fonemen van een taal een karakteristieke sonoriteitswaarde is toe te kennen op grond waar-

[p. 2]

van d.m.v. syllabestruktuurcondities de plaats van fonemen binnen de syllabe verklaard en voorspeld kan worden (Hankamer en Aissen 1974, Hooper 1976). De aldus ontstane sonoriteitsschaal zou grotendeels taaluniverseel, ten dele taalspecifiek zijn.

Het is zeer opmerkelijk dat de natuurlijke fonologie voor het begrip sonoriteit geen enkel meetbaar akoestisch of artikulatorisch correlaat aangeeft: de syllabestruktuurcondities behoren immers tot het stelsel van fonologische regels (Hooper 1976, pag. 84), en moeten derhalve volgens de theorie geschreven worden in termen van fonetisch gedefinieerde spraakkenmerken. Hooper (1976, pag. 132) formuleert het o.a. als volgt: ‘One advantage is that the rules (bedoeld zijn fonologische regels) postulated in natural generative phonology are always subject to empirical confirmation or disconfirmation’. De syllabestruktuurcondities kunnen aan deze uitspraak niet onderworpen zijn, omdat het belangrijkste argument ervan (sonoriteit) in het geheel ongedefinieerd blijft. Bovendien is het juist de natuurlijke fonologie die pleit voor een intensieve gebruikmaking van experimenteel fonetisch onderzoek in de taalkunde (Ohala 1974). Het gemak waarmee de natuurlijke fonologie, zonder het begrip sonoriteit eenduidig te omschrijven, een zo grote verklarende kracht toekent aan een sonoriteitsschaal, wekt derhalve nogal wat bevreemding.

De ideeën omtrent de syllabestruktuur zoals de natuurlijke fonologie die heeft ingepast in een fonologisch systeem, zijn niet nieuw. De belangrijkste gegevens waarop deze ideeën berusten zijn afkomstig uit de bestudering van foneemdistributie (Bakker 1971, Sigurd 1965). Beschouwen we de vocaal als syllabekern, dan kunnen daar slechts een beperkt aantal consonanten of consonantclusters aan voorafgaan of op volgen. Het opvallendste verschijnsel in dit verband is wel dat veel consonantclusters die aan een vocaal vooraf kunnen gaan, alleen in omgekeerde volgorde op een vocaal kunnen volgen (‘spiegelneiging van consonantclusters’). Vergelijk bijvoorbeeld de paren: kruk - kurk en sla - als. Deze en verwante verschijnselen zijn in de taalkunde reeds meermalen beschreven (de Saussure 1915, Zwaardemaker en Eijkman 1928, Ladefoged 1975), waarbij tevens de gedachte dat syllabekern en -grens respectievelijk

[p. 3]

een sonoriteitsmaximum en -minimum vormen, herhaaldelijk naar voren is gekomen.1 Wat we onder sonoriteit dienen te verstaan, is echter nooit proefondervindelijk vast komen te staan.

Het bovenstaande maakt duidelijk dat de natuurlijke fonologie met haar inpassing van het begrip sonoriteit in een fonologische theorie wel zeer voortvarend te werk is gegaan, en daarmee bovendien de door haarzelf voorgestane controleerbaarheid van fonologische regels heeft veronachtzaamd. Het doel van het hierna te bespreken experiment was, om uitgaande van een bepaalde operationalisatie van het begrip sonoriteit, na te gaan of en in welke mate de inpassing van sonoriteit en sonoriteitsschaal in het fonologisch systeem van de natuurlijke fonologie te verantwoorden is. De gekozen operationalisatie van sonoriteit maakte het mogelijk een sonoriteitsschaal van alle Nederlandse fonemen op te stellen. Met behulp van deze schaal werd vervolgens het sonoriteitsverloop binnen een aantal Nederlandse consonantclusters nader bekeken.

2. Het experiment: werkwijze en verantwoording

De opzet van het uit te voeren experiment was de volgende:

1.Opname van door proefpersonen uitgesproken woorden waarin de te onderzoeken fonemen voorkwamen.
2.Het maken van oscillogrammen van deze opnames.
3.Het isoleren van de te onderzoeken fonemen uit deze oscillogrammen.
4.De berekening van de hoeveelheid geproduceerde akoestische energie (dit is een maat voor sonoriteit), gerepresenteerd door deze afgescheiden signalen, en de omrekening van deze uitkomsten naar decibels.

2.1 Het maken van de opnames

- Het stimulusmaterial. Het experiment omvatte de volgende Nederlandse fonemen:

consonanten: p, b, m, f, v, w, t, d, n, s, z, l, r, j, k, ŋ, χ, h;
vocalen: i (biet), I (bit), e (beek), ε (bed), y (buut), ø (beuk),
  oe (bus), a (baas), u (boek), o (boot), ɔ (bot), ə (de),

[p. 4]

  α (bad);
diftongen: ει (bijt), ʌü (buit), ɔu (bout).

De consonanten vormden elk het eerste foneem van een bestaand en bekend 2-syllabisch woord. Alle woorden hadden de volgende vorm: C1ac2ən, waarin C1 de consonant was die op sonoriteit gemeten werd, en waarin C2 systematisch varieerde. Elke te onderzoeken consonant kwam zodoende voor in een identieke beklemtoonde syllabe. De vocalen en diftongen werden in isolatie geproduceerd. In de bijlage is een volledige opsomming gegeven van het stimulusmateriaal.

- De wijze van aanbieden. De opnames werden gemaakt in de studio van het Instituut voor fonetiek aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. De proefpersoon zat in een geluiddichte ruimte, de afstand tot de microfoon bedroeg steeds 35-40 cm, en de aanbieding van het materiaal vond plaats via een overhead-projector die buiten de ruimte was opgesteld, zodanig dat het projectiescherm zichtbaar was vanuit de geluiddichte ruimte door een raam. Elke stimulus kon zodoende apart worden aangeboden, tempo en volgorde van aanbieding werden hierdoor constant gehouden, en doordat de proefpersoon niet wist wanneer de aanbieding van stimuli ten einde liep, werd een mogelijke daling van intonatie naar het einde toe voorkomen.

- Instructie. Bij de opname van de te onderzoeken consonanten werden de proefpersonen geïnstrueerd het op het scherm zichtbare woord langzaam en met normaal stemvolume uit te spreken. Er werd eerst met enkele woorden geoefend, en van de opname werden de eerste en laatste drie woorden niet verder verwerkt. De vocalen en diftongen werden geïsoleerd uitgesproken, en ze werden in de volgende vorm aangeboden: Spreek uit: de..als in...Ook hier werd eerst geoefend, en werden de eerste en laatste drie opgenomen uitingen niet verder verwerkt.

Per proefpersoon was de duur van het experiment ± 15 minuten. Er werd opgenomen op een Studer A 80 bandrecorder bij een snelheid van 19 cm/s.

- De proefpersonen. Twaalf proefpersonen namen aan het experiment deel, zes mannen en zes vrouwen, alle uit de leeftijdsgroep

[p. 5]

van 20-30 jaar, en alle studerend of gestudeerd hebbende aan de KU Nijmegen. Geen van de proefpersonen had een sterke dialectkleuring.

2.2 Het maken van oscillogrammen

De 408 data konden na een analoog-digitaalkonversie (bemonstering bij 10 kHz, 12 bits) als oscillogrammen zichtbaar worden gemaakt op een computerterminal (gebruikte computer PDP 11/45, rekenmachinegroep van het Psychologisch laboratorium KU Nijmegen). Alle gegevens werden opgeslagen op een RK-07 28-megabyte disk.

2.3 Het isoleren van de consonanten

Het is een bekend gegeven dat consonanten moeilijk afscheidbare, dynamische onderdelen zijn van grotere uitingen (Nooteboom en Cohen 1976). Niettemin was het voor het onderhavige experiment noodzakelijk een grens tussen consonant en erop volgende vocaal vast te stellen, en rekening te houden met het variabele karakter van fonemen.

- Grensbepaling. Op basis van literatuurgegevens (Shoup en Pfeifer 1976, Scholes 1968, Jassem 1962) en door nauwkeurige waarneming en vergelijking van oscillogrammen gemaakt in een proefopname, was er voor alle consonanten een kenmerkende verandering in het oscillogram vast te stellen. Het vaststellen van deze grens werd bovendien vergemakkelijkt, doordat alle consonanten in overigens identieke syllabes voorkwamen, nl. aan het syllabebegin (zodat de begingrens zonder meer vastlag), en steeds gevolgd door dezelfde vocaal ( /a/ ) (zodat de syllabekernen telkens grote overeenkomst vertoonden en derhalve van dienst waren bij het bepalen van wat eraan voorafging). De /ŋ/ kon uiteraard alleen aan het syllabe-einde bekeken worden.

- Het variabele karakter van fonemen. De akoestische signatuur van fonemen verschilt naargelang:

a) de fonetische kontekst waarin ze staan;

[p. 6]

b) de omstandigheden tijdens de produktie;

c) individuele spraakkenmerken.

ad a) Uitgangspunt voor een sonoriteitsschaal volgens de ideeën van de natuurlijke fonologie moet zijn dat de sonoriteit van fonemen een weinig kontekstafhankelijke grootheid is; immers alleen dan is generalisering mogelijk in de zin waarin de natuurlijke fonologie die bedoelt: het verklaren en voorspellen van de mogelijke plaatsen binnen een syllabe waar een foneem kan voorkomen.

ad b) Door een nauwkeurige proefopstelling, instructie en timing tijdens het experiment werden de omstandigheden zoveel mogelijk gelijk gehouden. We mogen aannemen dat deze omstandigheden resultaten opleveren die in overeenstemming zijn met de door Hooper (1976) bedoelde ‘careful form’.

ad c) Er werden in eerste instantie evenveel sonoriteitsschalen gemaakt als er proefpersonen waren (12). Volgens de natuurlijke fonologie zullen onder deze omstandigheden de individuele verschillen in de sonoriteitswaarden voor een foneem niet van dien aard zijn dat geen verdere generalisatie mogelijk is.

Met deze overwegingen werden de te meten consonanten met behulp van het speech editing system van een bestaand computerprogrammapakket (ILS) ‘losgeknipt’ uit de oscillogrammen van de geproduceerde woorden, en apart opgeslagen. Voor de vocalen en diftongen was deze bewerking niet nodig omdat die geïsoleerd waren uitgesproken.

In figuur 1 is te zien op welke plaats de scheiding tussen consonant en vocaal is aangebracht (p. 7).

2.4 Het berekenen van sonoriteit

Tussen het sonoriteitsverloop van een spraaksignaal en het amplitudeverloop ervan (dat zichtbaar is in figuur 1) is vaak een zeer nauwe relatie gelegd (Guile 1974, Ladefoged 1975). Welke verdere omschrijvingen van het begrip sonoriteit er ook gegeven zijn (van den Berg (1976) spreekt van ‘klankvolheid’, Hooper (1976) o.a. van ‘audibility’, Booij (1981) van ‘doordringbaarheid’), ze suggereren alle een sterke samenhang met de amplitudemaat.

[p. 7]



illustratie

Figuur 1. De stippellijn geeft de (aangenomen) grens aan tussen consonant en vocaal. Elk signaal is zichtbaar tot een centraal punt in de vocaal. Door tijdens het knippen de signalen sterk te vergroten was een nauwkeuriger scheiding aan te brengen dan in deze figuur is te zien.


[p. 8]

Onderzoek met het doel om voor elk foneem een karakteristieke amplitudewaarde vast te stellen werd reeds eerder uitgevoerd. Sacia en Beck (1926) bepaalden voor een aantal Amerikaans-Engelse fonemen de ‘phonetic speech power’ waarvoor als maat de piekwaarde in het amplitudeverloop van elk foneem gold. Uit de manier waarop Price (1980) sonoriteit opvat, blijkt echter dat naast de intensiteit ook de duur van fonemen een belangrijke invloed heeft op sonoriteit. Om de betekenis van duur in het hier beschreven experiment te betrekken, werd niet de maximumwaarde van de amplitude doch de totale hoeveelheid elektroakoestische energie van elk foneem als uitgangspunt genomen. Als fysisch meetbaar correlaat voor sonoriteit kozen we in het onderhavige onderzoek derhalve de oppervlakte onder de curve van de amplitude; er is dan ook niet naar tijd genormeerd, waardoor tevens de complicaties die zich voordoen bij het vaststellen van de duur van fonemen werden vermeden. Een maat voor deze oppervlakte werd verkregen door elke bemonsterde amplitudewaarde te kwadrateren, en deze waarden vervolgens op te tellen. In een ander kader pasten Gaitenby en Mermelstein (1977) een soortgelijke procedure toe. Voor deze bewerking werd een apart programma geschreven in samenwerking met medewerkers van de rekenmachinegroep van het Psychologisch Laboratorium KU Nijmegen.

Nadat deze bewerking was uitgevoerd werden de uitkomsten ervan gelogtransformeerd, zodat er dB-waarden ontstonden. Tegelijkertijd werd een aantal statistische bewerkingen op de resultaten toegepast (via het SPSS-programma). Met betrekking tot de gevonden dB-waarden dient opgemerkt te worden dat deze gelden ten opzichte van een arbitrair nulpunt, zodat bij interpretatie ervan alleen de verschillen tussen de fonemen van belang zijn. Als we bovenstaande sonoriteitsberekening samenvatten in een formule ziet die er als volgt uit:

sonoriteit = 10 LOG illustratie A2, waarin: A = amplitude
  i = 1 n = aantal samples.

[p. 9]

3. De resultaten

De resultaten van het experiment zijn in onderstaande tabel opgenomen.

Tabel 1. Sonoriteit in dB's per foneem en per proefpersoon. De nummers 1, 2, 3, 5, 7, 10 waren mannelijke proefpersonen, de nrs. 4, 6, 8, 9, 11, 12 vrouwelijke. De foneemnotatie is volgens het IPA. gem = gemiddelde std = standaarddeviatie.

  p t z h s f χ k v d b r w η l j m
1 20 17 18 14 20 20 20 26 19 25 30 31 32 35 35 37 37
2 19 20 16 18 19 20 20 22 32 31 34 29 33 35 33 35 39
3 11 20 23 17 22 20 19 19 28 26 28 31 32 33 33 35 34
4 17 18 19 17 19 19 20 21 27 23 20 32 30 41 34 36 37
5 12 15 17 17 19 17 20 20 17 24 32 33 31 36 39 37 40
6 15 20 15 23 20 21 24 23 30 24 31 28 34 37 37 39 39
7 16 17 34 21 21 20 21 22 23 33 33 33 35 32 37 38 42
8 14 18 19 25 21 21 24 25 20 32 29 33 36 38 39 37 40
9 18 21 15 24 20 21 19 27 31 19 31 34 34 36 39 39 40
10 12 17 22 21 20 21 26 19 28 28 28 30 32 29 33 35 35
11 7 17 13 15 15 15 20 22 17 27 24 29 31 37 37 33 40
12 15 13 16 17 18 20 18 20 28 32 30 32 34 34 38 34 38
 
gem 14.7 17.8 18.9 19.1 19.5 19.6 20.9 22.2 25.0 27.0 29.2 31.2 32.8 35.3 36.2 36.3 38.4
std 3.6 2.2 5.3 3.5 1.7 1.8 2.3 2.5 5.3 4.1 3.7 1.8 1.7 2.9 2.3 1.8 2.2
  n ε α I ə ɔ oe εi a ʌu i y ɔu u o ø o
1 39 41 43 42 45 44 46 45 46 46 43 45 47 45 47 46 47
2 38 42 43 40 42 44 44 44 44 45 45 46 46 46 46 45 45
3 36 43 43 43 42 43 46 45 44 45 41 39 48 43 45 47 44
4 36 42 41 44 43 39 42 43 43 43 45 45 43 44 45 45 44
5 39 41 42 43 41 42 43 44 45 44 42 43 46 44 46 45 46
6 39 44 42 47 44 44 48 46 46 46 48 48 47 48 48 49 51
7 41 43 47 41 44 45 44 44 46 44 45 46 45 47 45 46 46
8 43 38 39 41 39 40 41 41 39 41 40 41 41 41 43 44 43
9 39 42 38 42 40 43 40 41 42 42 45 42 45 44 45 47 49
10 34 38 40 39 41 40 38 40 41 41 38 41 41 42 42 43 44
11 40 42 45 41 43 46 42 45 44 43 47 44 43 46 47 48 47
12 39 38 39 40 41 41 40 41 39 39 45 44 39 44 42 44 44
 
gem 38.5 41.1 41.8 41.9 42.0 42.6 42.8 43.2 43.2 43.2 43.7 43.7 44.2 44.5 45.1 45.8 45.8
std 2.3 2.0 2.5 2.1 1.7 2.1 2.8 2.0 2.4 2.1 2.8 2.5 2.7 1.9 1.8 1.7 2.3

4. Conclusies en discussie

In de 12 gevonden sonoriteitsschalen zijn zoals uit tabel 1 blijkt, duidelijke overeenkomsten aanwijsbaar. De relatief hoge standaarddeviaties voor de /z/ en de /v/ kunnen mijns inziens worden toegeschreven aan het feit dat deze consonanten aan het woordbegin en voorafgaand aan een vocaal soms stemloos worden.

[p. 10]

Dat de 12 individuele sonoriteitsschalen onderling grote overeenkomsten vertonen, bevestigt de opvattingen van de natuurlijke fonologie hieromtrent (vergelijk pag. 5, ad c)). De vergelijking van de sonoriteitsschaal gebaseerd op de gemiddelde sonoriteit van elk foneem met een waarin de mediaanwaarde van elk foneem was ge-

illustratie

Figuur 2. De relatieve sonoriteit van de Nederlandse fonemen.


[p. 11]

bruikt, leverde twee nagenoeg identieke sonoriteitsschalen op. Voor een toetsing van de ideeën van de natuurlijke fonologie omtrent sonoriteit en syllabestruktuur gebruiken we derhalve onderstaande sonoriteitsschaal van gemiddelde waarden per foneem (figuur 2).

Enkele opmerkingen bij deze figuur:

1) Vergeleken met meer gebruikelijke foneemclassificaties zien we in figuur 2 onderstaande volgorde van foneemklassen:

- stemloze explosieven en fricatieven  
- stemhebbende explosieven en fricatieven   toenemende
- liquidae, halfvocalen, nasalen   sonoriteit
- ongespannen vocalen  
- gespannen vocalen.  

2) Bovenstaande volgorde van foneemklassen treffen we in grote lijnen ook aan in een aantal bestaande sonoriteitsschalen. Een fonetisch gefundeerde vergelijking van de hier gegeven sonoriteitsschaal met reeds bestaande is echter niet zonder verder experimentaal fonetisch onderzoek mogelijk: Zwaardemaker en Eijkman (1928), Hankamer-Aissen (1974), Ladefoged (1975), Hooper (1976) geven allen geen eenduidig en meetbaar correlaat aan voor sonoriteit, terwijl het experiment van Sacia en Beck (1926) ter bepaling van de ‘phonetic speech power’ (vgl. pag. 8) Amerikaans-Engelse fonemen betrof, waarbij bovendien de onduidelijkheid omtrent de kontekst waarin de gemeten fonemen voorkwamen een belemmerende factor is voor gedetailleerde vergelijking.

De opvatting van de natuurlijke fonologie is dat de syllabe te beschrijven is in termen van sonoriteit, en wel zodanig dat de sonoriteit toeneemt vanaf het syllabebegin (sonoriteitsminimum) tot de syllabekern (sonoriteitsmaximum), en vervolgens weer afneemt tot de grens met de volgende syllabe (sonoriteitsminimum). Om deze opvatting nader te bekijken werd met behulp van de hier gevonden sonoriteitswaarden het sonoriteitsverloop in een aantal Nederlandse consonantclusters onderzocht.

Kijken we bijvoorbeeld naar de mogelijke tweevoudige consonantclusters in het Nederlands aan het syllabebegin: volgens Bakker (1971) zijn dat de volgende clusters (de tussen haakjes geplaatste getallen verwijzen naar het aantal keren dat een cluster in

[p. 12]

een Nederlands monosyllabisch woord voorkomt (naar Bakker, 1971); het symbool * duidt een syllabegrens aan):

*st (170) *zw (79) *tr (64) *vr (32) *fn (2)
*sg (156) *sp (76) *pl (61) *wr (22) *sf (2)
*kr (115) *br (73) *vl (57) *fr (19) *gn (2)
*sl (104) *sn (73) *sm (43) *dw (15)  
*kl (103) *bl (72) *kw (42) *sj (12)  
*gr (86) *kn (65) *fl (36) *tw (7)  
*dr (81) *pr (65) *gl (34) *tj (6)  

Voor deze clusters geldt op drie na dat volgens de gegeven sonoriteitsschaal de sonoriteit van de eerste consonant kleiner is dan die van de tweede. In al die gevallen worden de ideeën van de natuurlijke fonologie dus bevestigd. De drie clusters waarvoor dat niet geldt zijn: *wr; *sp; *st.

Bekijken we vervolgens de mogelijke tweevoudige consonantclusters aan het syllabe-eind in het Nederlands (Bakker 1971):

st* (160) ft* (97) ks* (32) ms* (18) rp* (13)
kt* (151) mt* (73) mp* (28) lp* (18) lg* (11)
lt* (146) ns* (63) rk* (28) gs* (17) rg* (11)
nt* (138) ŋk* (59) lk* (25) lf* (16) sp* (9)
rt* (137) rs* (56) ps* (24) rm* (16) js* (5)
gt* (128) ls* (49) fs* (23) rn* (15) ŋs* (5)
pt* (106) jt* (46) rf* (21) ws* (13) mf* (1)
ts* (99) wt* (34) ŋt* (21) lm* (13) rw* (1)

In veruit de meeste van de gevallen (33 van de 40) geldt hier dat volgens de sonoriteitsschaal de sonoriteit van de eerste consonant groter is dan die van de tweede. In die gevallen bevestigt de sonoriteitsschaal dus de opvattingen van de natuurlijke fonologie over de syllabestruktuur. De clusters die deze opvattingen tegenspreken, zijn: rw*; ps*; pt*; ts*; rm*; rn*; lm*.

Via een dergelijke globale toetsing van de sonoriteitsschaal worden de ideeën van de natuurlijke fonologie grotendeels bevestigd, doch de hier gepresenteerde sonoriteitsschaal biedt - in tegenstelling tot reeds bestaande - de mogelijkheid om gedetailleerdere en

[p. 13]

exactere uitspraken te doen omtrent sonoriteit. Daartoe zijn de clusters die op grond van deze schaal uitzonderingen vormen nader bekeken.

1. *wr: het feit dat dit cluster in spraak wordt gerealiseerd als *vr houdt een bevestiging in van de sonoriteitsschaal, omdat dan een cluster onstaat dat een toename in sonoriteit betekent.

2. *sp, *st, ps*, ts*, pt*: ten aanzien van de fonemen /p/, /t/ en /s/ werd bekeken of de verschillen die de sonoriteitsschaal aangeeft signifikant zijn. De multiple range test van Scheffe maakte duidelijk dat (bij p < 0.05):

-de /p/ signifikant minder sonoor is dan de /s/;
-de /p/ signifikant minder sonoor is dan de /t/;
-de /t/ en de /s/ niet signifikant verschillend van elkaar zijn.

Bekijken we vanuit dit oogpunt alle mogelijke tweevoudige consonantclusters gevormd uit deze fonemen, dan zien we dat alleen het cluster sp* een sonoriteitsverloop heeft dat de ideeën van de natuurlijke fonologie bevestigt. De clusters *st, ts* en st* bestaan uit twee qua sonoriteit niet signifikant verschillende fonemen, terwijl de clusters *sp, ps* en pt* het door de natuurlijke fonologie voorspelde sonoriteitsverloop tegenspreken. Aan deze constateringen valt het volgende toe te voegen:

- Het feit dat sp* wel het door de natuurlijke fonologie voorspelde sonoriteitsverloop heeft, en ps* niet, lijkt niet in overeenstemming met het verschijnsel dat bij versprekingen de sp* wordt uitgesproken als ps* (‘weps’ in plaats van ‘wesp’), doch de verspreking in omgekeerde richting niet optreedt.2

- Juist de volgens Bakker (1971) in het Nederlands zo veelvuldig voorkomende clusters *st, ts* en st* geven geen toename of afname in sonoriteit te zien. Dat we in het Nederlands zowel *st als st* kennen, zou in dit verband nog als een bevestiging van het door de natuurlijke fonologie voorgestelde syllabestruktuurmodel kunnen worden uitgelegd (‘als er geen verschil in sonoriteit bestaat tussen twee consonanten, kan het cluster van die consonanten in beide volgordes zowel aan syllabebegin als -eind voorkomen’), doch in dat geval kan een sonoriteitsschaal niet duidelijk maken waarom het cluster *ts in het Nederlands niet voorkomt (behalve in een enkel leenwoord zoals ‘tsaar’).

[p. 14]

3. rm*, rw*, rn*, lm*: deze clusters worden in spraak gerealiseerd als respectievelijk *rəm*, *rəw*, *rən* en *ləm*. Hierdoor ontstaat bij de /r/ en de /l/ in termen van sonoriteit een relatief minimum, en komt daar een syllabegrens te liggen. Dit is weliswaar in overeenstemming met de door de natuurlijke fonologie aangenomen syllabestruktuur, doch deze schwa-invoeging zien we ook optreden bij een aantal syllabe-eindclusters waarvan de sonoriteit naar het syllabe-einde toe afneemt (rp* → *rəp*; rk* → *rək*; rf* → *rəf*; rg* → *rəg*; lp* → *ləp*; lk* → *lək*; lf* → *ləf*; lg* → *ləg*). De sonoriteitsschaal en de opvattingen van de natuurlijke fonologie omtrent sonoriteitsverloop kunnen in dit stadium geen aanknopingspunten geven om deze schwa-invoeging nader te verklaren.

 

Tot nog toe is de sonoriteitsschaal bekeken als mogelijk beschrijvingsmodel voor bestaande consonantclusters. De voorspellende waarde ervan ten aanzien van mogelijke consonantclusters is gering: de sonoriteitsschaal geeft geen aanwijzingen voor het al of niet voorkomen van een foneemopeenvolging. Het blijft bijvoorbeeld onduidelijk waarom de clusters *kn en *pr wel in het Nederlands voorkomen, en de clusters *km en *pw niet. Het is in dit verband misschien wel mogelijk de notie ‘mate van welgevormdheid’ (Sommerstein 1974) vanuit een sonoriteitsschaal meer inhoud te geven; volgens deze schaal immers zijn b.v. *km en *pw ‘Nederlandser’ (woorden als ‘kmer’ en het Frans ‘poire’ zijn betrekkelijk gemakkelijk uitspreekbaar) dan *mk en *wp, omdat bij *km en *pw sprake is van toenemende sonoriteit in tegenstelling tot bij *mk en *wp.

5. Samenvattende conclusies

1) In bovenstaande is voor het begrip sonoriteit een fysisch meetbaar correlaat aangegeven. Deze operationalisatie maakte het mogelijk om de fonematische struktuur van een groot aantal Nederlandse syllabes te beschrijven in termen van sonoriteitsstijging en -daling aan respectievelijk syllabebegin en -eind. Eveneens is duidelijk geworden dat een sonoriteitsschaal als hier beschreven op tal

[p. 15]

van punten te kort schiet om de syllabestruktuur te beschrijven, en dat er nauwelijks enige voorspellende waarde ten aanzien van mogelijke syllabes aan kan worden toegekend.

Om te achterhalen in hoeverre een sonoriteitsschaal van belang is voor de taalbeschrijving, is meer experimenteel fonetisch onderzoek nodig. De hier gehanteerde definitie voor de sonoriteit van een foneem (de hoeveelheid geproduceerde akoestische energie, gerepresenteerd door de oppervlakte onder de amplitudecurve van een uit een oscillogram geïsoleerd foneem, pag. 8), kan een uitgangspunt vormen voor verder onderzoek. De mogelijkheid om sonoriteit te definiëren als de gemiddelde hoeveelheid geproduceerde akoestische energie per tijdseenheid zou hierbij onderzocht kunnen worden, alsmede de kontekstafhankelijkheid van sonoriteit. Een derde aspect dat in verder onderzoek betrokken kan worden is de relatie tussen de gemeten sonoriteit en introspectieve luidheidsoordelen (Glave en Rietveld (1975) voerden een vergelijkbaar onderzoek uit naar de relatie tussen gemeten luidheid en luidheidsoordelen ten aanzien van een aantal vocalen).

2) Binnen de natuurlijke fonologie is sonoriteit in het geheel niet gedefinieerd. Niettemin wordt aan de sonoriteitsschaal een centrale plaats binnen de taalbeschrijving toegekend. Hiermee heeft deze fonologische theorie zich in hetzelfde gebied begeven waar zij de transformationeel generatieve fonologie verwijt terecht gekomen te zijn, nl daar waar elk empirisch fundament ontbreekt.

 

Nijmegen, augustus 1981

 

Adres van de auteur:

Stephanusstraat 169,

6512 HS Nijmegen

[p. 16]

Bibliografie

Bakker, J.J.M. (1971): Constant en variabel, de fonematische structuur van de Nederlandse woordvorm. Asten.
Berg, B. van den (1967): Foniek van het Nederlands. Den Haag.
Booij, G.E. (1981): Generatieve fonologie van het Nederlands. Utrecht.
Gaitenby, J.H. en Mermelstein, P. (1977): ‘Acoustic correlates of perceived prominence in unknown utterances’. In: Haskins Laboratories status report on speech research, SR 49.
Glave, R.B. en Rietveld, A.C.M. (1975): ‘Is the effort dependence of speech loudness explicable on the basis of acoustical cues?’ Journal of the acoustic society of America, JASA 58.
Guile, T. (1974): ‘The amplitude scale and its implication for phonology.’ In: Bruck, A.R. e.o. (eds): Papers from the parasession on Natural Phonology. Chicago.
Hankamer, J. en Aissen, J. (1974): ‘The sonority hierarchy’. In: Bruck, A.R. e.o. (eds.): Papers from the parasession on Natural Phonology. Chicago.
Hooper, J. (1976): An introduction to Natural Generative Phonology. New York.
Hulst, H. van der (1978): ‘Natuurlijke Generatieve Fonologie’. In: Spektator 7-8.
Jassem, W. (1962): ‘The acoustics of consonants’. In: Fry, D.B. (ed.) (1976): Acoustic phonetics. Cambridge.
Ladefoged, P. (1975): A course in phonetics. New York.
Lisker, L. (1978): ‘Segment duration, voicing and the syllable’. In: Haskins Laboratories status report on speech research, SR 54.
Mermelstein, P. (1975): ‘Automatic segmentation of speech into syllabic units’. In: Journal of the acoustic society of America, JASA 58.
Nooteboom, S.G. en Cohen, A. (1976): Spreken en verstaan, een inleiding tot de experimentele fonetiek. Assen.
Ohala, J. (1974): ‘Phonetic explanation in phonology’. In: Bruck, A.R. e.o. (eds.): Papers from the parasession on Natural Phonology. Chicago.
[p. 17]
Price, P.J. (1980): ‘Sonority and syllabicity: acoustic correlates of perception’. In: Phonetica 37, nr. 5-6.
Sacia, C.F. en Beck, C.J. (1926): ‘The power of fundamental speech sounds’. In: The Bell System Technical Journal; july 1926.
Saussure, F. de (1915): Cours de linguistique générale. Parijs 1955.
Scholes, R. (1968): ‘syllable segmentation and identification in American English’. In: Linguistics 36.
Shoup, J.E. en Pfeiffer, L.L. (1976): ‘Acoustic characteristics of speech sounds’. In: Lass, N.J. (ed.): Contemporary issues in experimental phonetics. New York.
Sigurd, B. (1965): Phonotactic structure in Swedish. Lund.
Sommerstein, A. (1974): ‘On phonotactically motivated rules’. In: Journal of linguistics 10.
Venneman, T. (1974): ‘Phonological concreteness in natural generative grammar’. In: Shuy, R. en Bailey, C.J. (eds.): Towards tomorrows linguistics. Washington.
Zwaardemaker, H. en Eijkman, L.P.H. (1928): Leerboek der phonetiek. Haarlem.

Bijlage: het stimulusmateriaal

I. Voor de consonanten: halen II. Voor de vocalen: de i als in ziek
  rapen   de u als in nu
  jaren   de oe als in boek
  kapen   de i als in pit
  zaken   de e als in beest
  vaten   de u als in put
  malen   de eu als in reus
  baken   de o als in dom
  falen   de e als in de
  naden   de a als in man
  laten   de e als in pet
  palen   de o als in rook
  waden   de a als in maan
  talen   de ij als in ijs
  samen   de ui als in huis
  daken   de ou als in trouw
  gaven  
  maling