Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 102


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 102. E.J. Brill, Leiden 1986


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 161]

Dirk Geeraerts
Over woordverlies in lexicaal-semantische overgangsgebieden

I

1. Inleiding.1

Polysemievrees is één van de tendenzen die door een structurele benadering van taalverandering naar voren worden gebracht als mogelijke oorzaak van wijzigingen in het lexicale systeem van een taal. Zo stelt Gilliéron, die deze strukturele zienswijze in de lexicologie heeft geïntroduceerd, dat ‘pathologische’ homonymie zowel als polysemie tot het verdwijnen van lexicale elementen kan leiden: ‘La collision phonétique (homonymes) et sémantique (hypertrophie) a été dans les langues une éternelle menace, une éternelle cause de disparitions lexicales’ (1918: 157). Aan de hand van Goossens' toepassingen van het polysemievreesprincipe in de dialectgeografie (1962, 1963: 208-228, 1969: 98-106, 1977: 98-101) wil ik in dit opstel en een volgend iets dieper ingaan op het betreffende verschijnsel. Ik zal me daarbij beperken tot de gevallen die Goossens zelf voorstelt, en tot die welke hij bij auteurs als Eylenbosch (1962, 1966) en Willemyns (1966) aanwijst als mogelijke voorbeelden van polysemievrees.

Ik heb twee redenen om mij met polysemievrees bezig te houden. In de eerste plaats meen ik aan Goossens' verklaring van het verschijnsel bepaalde moeilijkheden te ontdekken, die het streven naar een alternatieve verklaring de moeite waard maken. De bezwaren tegen zijn visie worden in de volgende paragraaf uiteengezet. In de tweede plaats heb ik in een aantal artikelen (1983a, 1983b, 1984, 1985a, 1985b, Geeraerts & Moerdijk 1983) gewezen op het nut van een prototypische categoriseringsopvatting voor de linguïstische semantiek in het algemeen en de studie der betekenisverandering in het bijzonder.2,3 Prototypiciteit impliceert nu dat de natuurlijke

[p. 162]

taal een neiging vertoont tot maximalisering van de polysemie der lexicale elementen, in tegenstelling met de minimaliserende neiging die door het polysemievreesprincipe wordt aangenomen. Immers, de flexibiliteit die resulteert uit de mogelijkheid om licht afwijkende gevallen als perifere varianten van de prototypische kern in een conceptuele categorie op te nemen, verhoogt het aantal conceptueel verschillende toepassingen van dat begrip. De prototypetheorie laat zien dat categorieën die traditioneel als één enkel, strikt gedefinieerd concept worden beschouwd, in feite een bundel vormen van onderling afwijkende conceptuele toepassingen, die op grond van familiegelijkenisrelaties zijn gegroepeerd rond één of meer centrale toepassingen.3 Ook los van enige theoretische stellingname kan men trouwens met Ullmann (1972: 175) vaststellen, dat de alomtegenwoordigheid van polysemie in de natuurlijke taal enige restricties oplegt aan Gilliérons stelling dat semantische ‘hypertrofie’ tot het verdwijnen van woorden leidt. Ook Goossens zelf zegt dat polysemie ‘gehört zum Wesen der Sprache selbst, die ohne sie nicht existieren kann’, maar voegt daaraan toe: ‘Fest steht nur - das hat die Sprachgeographie bewiesen -, dass die Sprache inbestimmten Fällen gegen hinderliche Polysemien reagiert’ (1969: 106).

Nog intrigerender dan het feit dat onderzoekers zulke tegengestelde neigingen aan de taal toekennen, is de vaststelling dat zij hun opvattingen in beide gevallen kaderen in een functionele benadering van de taal. Aan de ene kant presenteert Goossens polysemievrees als een aspect van de intern-linguïstische methode in de dialectgeografie, methode die in de taalontwikkeling een functionele teleologie aan het werk ziet in de vorm van ‘een gerichtheid van de systemen om optimaal te functioneren’ (1977: 94). Aan de andere kant heb ikzelf (1983c) de prototypische opbouw van lexicale categorieën proberen te verklaren op grond van functionele restricties op de organisatie van de menselijke kennis. Ik zal in het tweede artikel terugkomen op het functionele karakter van prototypes; het volstaat op dit punt te vermelden dat niet alleen het al dan niet bestaan van een neiging tot polysemie, maar ook de daarbij aangehaalde functionaliteit van de taalontwikkeling noodt tot een nadere beschouwing van Goossens' case studies.

[p. 163]

In het onderhavige artikel wordt eerst aangegeven waarom de analyse van Goossens mij op bepaalde punten minder overtuigend lijkt. In de volgende twee paragrafen wordt dan telkens één van de twee factoren besproken waarop ik een alternatieve analyse wil bouwen. Die alternatieve analyse volgt in de vijfde paragraaf, maar zal beperkt zijn tot de duidelijke gevallen uit de reeks te behandelen voorbeelden. De minder duidelijke of moeilijk te beoordelen gevallen worden besproken in het vervolgartikel, waarna een discussie van de functionaliteitsvraag tenslotte een theoretische afronding van het geheel brengt. Ik wil er van meet af aan de nadruk op leggen, dat ik de volgende beschouwingen met de nodige voorzichtigheid en bescheidenheid presenteer. Zonder dat ik een analyse op grond van polysemievrees in beginsel uitgesloten acht, wil ik aannemelijk maken dat er in ieder geval ook een alternatieve hypothese over de oorzaken van woordverlies in lexicaal-semantische grensgebieden mogelijk is. Omwille van het relatief gering aantal voorbeelden waarop we ons kunnen baseren is het onontbeerlijk beide hypothesen aan verder empirisch onderzoek te onderwerpen; veeleer dan de discussie beslechten, wil ik een discussie openen door te wijzen op de mogelijkheid van een alternatief voor polysemievrees in de door Goossens bedoelde zin.

2. De communicatieve analyse.

Goossens verklaart het door hem gesignaleerde woordverlies in lexicaal-semantische overgangsgebieden op grond van de communicatieve functie van de taal: er is een pathologische polysemantische grenssituatie die tot communicatieve conflicten leidt. In de grensstreek tussen twee betekenisgebieden wordt een woord dat verschillende betekenissen heeft en dat daardoor aanleiding geeft tot misverstand in z'n beide betekenissen vervangen door ersatzbenamingen. Hieronder volgen schematisch de verschillende voorbeelden van Goossens (1962), Eylenbosch (1962, 1966) en Willemyns (1966). De betrokken begrippen zijn tussen aanhalingstekens gegeven in de linkerkolom; de woordvormen zijn cursief weergegeven. De tweede kolom van links en de uiterst rechtse kolom geven

[p. 164]

de toestand weer in de semantische gebieden die met elkaar botsen. De derde kolom van links geeft de therapeutische toestand in de grensstreek, waar de polysemantische term uit beide grotere gebieden niet optreedt. Ik zal naar de onderscheiden gevallen verwijzen met behulp van de verdwenen polysemantische term. Hierbij valt nog te vermelden dat deze schematische voorstellingen4 abstraheren van bepaalde factoren waarop ik in wat volgt zal terugkomen. Zo wijst Goossens in het zuiden van het niemandsland bij lopig op een mogelijk tweede geval van polysemievrees t.a.v. heet, terwijl het zuiden van de grensstreek bij blekken niet omschrijvingen met algemene termen als omdoen heeft, maar inz. stroppen gebruikt in de betekenis ‘een weide scheuren’.

Diagram I.1: gecombineerd onomasiologisch-semasiologisch diagram m.b.t. het verdwijnen van opper in een deel van Belgisch-Limburg. Gebaseerd op Goossens (1962, 1963); kaart aldaar.

Westelijk
gebied
Niemandsland Oostelijk
gebied
‘hooiopper’
(kleine
hooistapel)
heukel (kleine)
heukel
opper
‘hooirook’
(grote
hooistapel)
opper (grote)
heukel
heukel

Diagram I.2: gecombineerd onomasiologisch-semasiologisch diagram m.b.t. het verdwijnen van blekken in een deel van Belgisch-Limburg. Gebaseerd op Goossens (1962, 1963); kaart aldaar.

‘een weide)
ondiep ploegen,
scheuren’
blekken (een weide)
omdoen e.d.
scheuren/breken
‘(een stoppelveld)
ondiep
ploegen’
(stoppels)
omdoen e.d.
(stoppels)
omdoen e.d.
blekken

[p. 165]

Diagram I.3: gecombineerd onomasiologisch-semasiologisch diagram m.b.t. het verdwijnen van lopig in een deel van Belgisch-Limburg. Gebaseerd op Goossens (1962, 1963); kaart aldaar.

‘bronstig
(van koeien)’
lopig willig willig
‘bronstig
(van honden)’
vuil heet lopig

Diagram I.4: gecombineerd onomasiologisch-semasiologisch diagram m.b.t. het verdwijnen van keest in een deel van Vlaanderen. Gebaseerd op Willemyns (1966); kaart aldaar.

‘pit (van
een vrucht)’
keest kern kern
‘scheut(van
een plant,
aardappel)’
scheut scheut keest

Diagram I.5: gecombineerd onomasiologisch-semasiologisch diagram m.b.t. het verdwijnen van kruid in een gebied ten westen van Brussel. Gebaseerd op Eylenbosch (1962); kaart aldaar.

‘rapen’ loof loof kruid
‘onkruid’ kruid vuil(igheid) vuil(igheid)

Diagram I.6: gecombineerd onomasiologisch-semasiologisch diagram m.b.t. het verdwijnen van trog in een strook op de grens van Oost-Vlaanderen en Zuid-Brabant. Gebaseerd op Eylenbosch (1966); kaart aldaar.

‘baktrog’ trog moele moele
‘voederbak’ (varkens)bak (varkens)bak trog

[p. 166]

De communicatieve ontsporingen die de therapeutische verwijdering van de polysemantische term veroorzaken zijn volgens Goossens van tweeërlei aard. Aan de ene kant kan het gaan om reële misverstanden: ‘In de buurt van een betekenisgrens kan nu twijfel ontstaan omtrent de precieze betekenis van het woord: men heeft het aan de linkerzijde van de barricade in een bepaalde betekenis horen gebruiken, aan de rechterzijde in een andere betekenis. Wie het woord in de betekenis van het gebied links van de grens wil gebruiken in het gebied rechts van de grens, wordt verkeerd begrepen; wie omgekeerd het woord in zijn betekenis van het gebied rechts gaat bezigen in het gebied links, wordt eveneens verkeerd begrepen’ (1962: 37). Dit is volgens Goossens het geval bij opper en blekken. Bij lopig, aan de andere kant, (waar het verschil er één is van selectierestricties op de syntagmatische combinatiemogelijkheden van het woord, veeleer dan van paradigmatische conceptuele kenmerken) wekt het gebruik van het woord in een ongewone context bevreemding, eerder dan dat het tot misverstanden in enge zin leidt: ‘Tussen de twee betekenisgebieden in bestaat er een smalle strook, waar lopig in geen van beide toepassingen gebruikt wordt. Het is niet aan te nemen dat het precies in die strook nooit bestaan heeft; het moet er integendeel verdwenen zijn doordat de taalgebruikers uit deze streek in de aangrenzende plaatsen aan de oostkant werden uitgelachen wanneer zij het in toepassing op koeien gebruikten; dezelfde onprettige reactie moeten zij beleefd hebben wanneer zij in de aangrenzende plaatsen aan de westkant een hond lopig noemden’ (1977: 101). Bij deze communicatieve invulling van het begrip ‘polysemievrees’ zijn een drietal opmerkingen te maken, waarvan vooral de tweede en de derde zwaar doorwegen.

In de eerste plaats kan men zich de vraag stellen of de communicatieve interacties tussen de bewoners van de grensstreek en die van de belendende gebieden zo frequent tot misverstand of bevreemding leiden dat het voor eerstgenoemden efficiënt wordt hun lexicon aan te passen. Hoe vaak zal men met bewoners van het volgende dorp of een paar dorpen verder spreken over de bronst van honden, over pitten van vruchten, over onkruid of over baktroggen? In een agrarische context zijn gesprekken over koeien, over het ploegen of

[p. 167]

over het hooien wel meer voor de hand liggend, maar in het merendeel van de gevallen gaat het toch wel om onderwerpen waarvan het frequent optreden in gesprekken (althans zo frequent dat een permanente aanpassing van het taalsysteem nodig wordt) niet erg waarschijnlijk is. Toch moet men voorzichtig zijn met deze redeneertrant, omdat een verklaring van woordverlies in grensgebieden als een reactieverschijnsel natuurlijk altijd een communicatief contact tussen beide gebieden impliceert. Ik wil in wat volgt dan ook niet bestrijden, dat er tussen de betrokken gebieden contacten bestaan, maar ik wil wel enige vraagtekens plaatsen bij de opvatting dat de motivering voor het woordverlies te zoeken is in het ontsporen van die contacten: wie die communicatieve moeilijkheden wil vermijden zou immers steeds uitsluitend in z'n contacten met de naburige dorpen op z'n woorden kunnen letten, zonder dat dit hem dwingt zijn eigen taalsysteem als zodanig te wijzigen. (Zulke contextueel bepaalde registerwijzigingen zijn natuurlijk goed bekend uit de sociolinguïstische literatuur).

In de tweede plaats is er statistisch gesproken niet méér reden om bij de polysemantische term communicatiestoornissen te vrezen dan bij de veel frequentere situatie waarbij de heterosemie zich slechts naar één kant uitstrekt.5 Een term als keest is door een bewoner van het grensgebied buiten dat gebied in vier situaties te gebruiken, waarvan er slechts twee tot moeilijkheden leiden. (Er zijn geen moeilijkheden als keest ten westen van de grens in de betekenis ‘pit’, en ten oosten in de betekenis ‘scheut’ wordt gebruikt. Er zijn wel moeilijkheden als keest ten westen met de semantische waarde ‘scheut’, en ten oosten in de betekenis ‘pit’ wordt gebruikt). Stellen we daar een woord tegenover dat in (bijv.) het oostelijke dorp een andere betekenis heeft dan in het eigen dorp, maar dat bij de westelijke buren dezelfde betekenis heeft, dan zal ook dit woord bij gebruik buiten het eigen gebied in de helft van de gevallen misverstand of bevreemding wekken. Daar waar in beide gevallen de ‘stoornisratio’ 50% bedraagt, zal niemand het laatste voorbeeld als een pathologische taalsituatie willen beschouwen (zoniet zou taalgeografisch betekenisverschil nagenoeg onmogelijk worden). Waarom zou de polysemantische situatie communicatief gesproken dan wél om een therapeutische ontwikkeling vragen?

[p. 168]

In de derde plaats leidt het doordenken van het vorige argument tot de conclusie dat een consequente toepassing van het communicatieve principe meestal ook de therapeutische situaties zelf nog uitsluit, omdat ook deze nog tot communicatieve misverstanden leiden. Die therapeutische configuraties zijn immers typisch situaties met een dubbele ‘enkelzijdige’ heterosemie, wat o.a. tot gevolg heeft dat niet alleen de ontsporingsratio maar ook het absolute aantal ontsporingen gelijk wordt aan dat in de polysemantische situatie. Het duidelijkst is dit bij trog, kruid en keest: bijvoorbeeld, gebruikt een taalgebruiker uit het grensgebied kern in het linkse gebied, dan wordt hij niet begrepen, en gebruikt hij scheut in het rechtse gebied, dan wordt hij evenmin goed verstaan. De communicatieve moeilijkheden zijn in dit geval even erg als bij de polysemantische situatie, wat de therapeutische situatie paradoxalerwijze even ongewenst maakt als de pathologische. Ook bij de andere voorbeelden kan men dit vaststellen, zij het niet altijd even uitgesproken als bij trog, keest en kruid. Bij lopig is de situatie duidelijk t.o.v. willig, en schijnbaar ook t.a.v. heet. Dit is echter een algemene term ter aanduiding van de geslachtsdrift, die als zodanig zowel links als rechts verstaanbaar kan zijn; ik kom hier verderop nog op terug. Bij opper zal er waarschijnlijk geen misverstand ontstaan, wanneer iemand in het rechtergebied kleine heukel gebruikt in plaats van opper, of wanneer hij dat laatste woord in het linkergebied vervangt door grote heukel. Bevreemding ontstaat anderzijds wel wanneer hij links kleine heukel gebruikt en rechts grote heukel in plaats van simpelweg heukel. Hij riskeert dan gevraagd te worden, waarom hij van een kleine, respectievelijk grote heukel spreekt, als het hem gaat om een heukel van gewone afmetingen (in de ogen van de nietgrensbewoner). Veronderstellen we vervolgens dat de bewoner van het niemandsland niet kleine of grote heukel, maar ongedifferentieerd heukel gebruikt (een mogelijkheid waarover verder nog iets gezegd wordt), dan zijn de communicatieve moeilijkheden evenmin te vermijden.

Alleen bij blekken is het communicatieve gevaar helemaal geweken, omdat de therapeutische perifrase gebruik maakt van algemene termen (i.c. voor het begrip ‘ploegen’) die aan beide zijden van

[p. 169]

het grensgebied begrepen worden zonder misverstand of bevreemding op te wekken. Het blekken-voorbeeld zal in het tweede artikel in extenso besproken worden, maar vooruitlopend op paragraaf 4 valt al op te merken, dat de verwijdering van het communicatieve conflict hier blijkbaar een conceptuele reorganisatie met zich meebrengt: twee specifieke begrippen worden vervangen door één overkoepelend, algemeen begrip. In het merendeel van de besproken gevallen blijkt echter dat de therapeutische situaties al evenzeer communicatieve problemen opleveren als de oorspronkelijke, en dat maakt een communicatieve motivering van het therapeutische proces minder plausibel.

Hierbij valt nog op te merken dat de verklaring van Goossens een interlinguale configuratie als bron van de therapeutische ontwikkelingen aanneemt, en niet een zuiver intralinguale, zoals Gilliéron dat oorspronkelijk deed: de eerste ziet de contacten tussen verschillende taalsystemen als oorzaak van de stoornissen, terwijl de ander polysemie als een systeem-intern verschijnsel behandelt, zonder dat de communicatieve interactie van dit systeem met een ander een rol hoeft te spelen. De mening dat een interlinguale, taal-externe communicatieve analyse niet helemaal bevredigt, suggereert dan ook een intralinguale, taal-interne heranalyse. Een tweetal preliminaire opmerkingen zijn daarbij op hun plaats.

3. Eerste preliminaire stap: overlapping.

Een taal-interne analyse veronderstelt twee dingen: een beschrijving van het betrokken taalsysteem vóór de wijzigingen optreden die tot het woordverlies leiden, en een analyse van de mechanismen die die wijzigingen tot stand brengen. In deze paragraaf wordt op de eerste component ingegaan. Een eenvoudige hypothese die we daarbij kunnen hanteren is deze: voor er woordverlies optreedt, is de lexicaal-semantische configuratie in wat later het niemandsland zal worden, de conjunctie van de configuraties in de linker- en de rechtergebieden. De oorspronkelijke gebieden overlappen dan elkaar in het grensgebied; dat gebied kent en gebruikt de systemen die aan beide zijden gangbaar zijn. Voor het keest-voorbeeld geeft dat de volgende configuratie.

[p. 170]

Diagram I.7: gecombineerd onomasiologisch-semasiologisch diagram m.b.t. het keest-voorbeeld, in de configuratie vóór de werking van het therapeutische woordverlies.

‘pit (van
een vrucht)’
keest keest/kern kern
‘scheut (van
een plant,
aardappel)’
scheut scheut/keest keest

Nu is men in eerste instantie geneigd om een intralinguale analyse alleen op grond van deze overlappingsanalyse voor mogelijk te houden. Gaat men niet uit van het bestaan van een overlappingsgebied, dan heeft een bewoner van wat het niemandsland zal worden initieel ofwel het lexicaal-semantische systeem van het rechtergebied, ofwel het systeem van het linkergebied, en dan lijkt een interlinguale analyse onvermijdelijk om de wijzigingen in die systemen te verklaren. (De disjunctieve systemen op zich zijn immers niet pathologisch). Gaat men echter uit van een overlappingssituatie, dan bezit de bewoner van de grensstrook de conjunctie van beide lexicaal-semantische systemen: zijn eigen taal is de optelsom van de systemen der overlappende gebieden. Deze situatie is nu wèl toegankelijk voor een zuiver intralinguale analyse: het gaat er dan om of het door conjunctie tot stand gekomen systeem zodanige kenmerken vertoont dat het voor een wijziging in aanmerking komt. Dat is dan ook de methode die ik in wat volgt zal gebruiken: ik zal bekijken of de conjunctieve grenssituaties om de een of andere reden labiel zijn.

Toch is het enigszins simplistisch om ervan uit te gaan dat alleen een overlappingsanalyse zoals hier geschetst, een systeem-interne verklaring mogelijk maakt. Die analyse impliceert dat het ‘geconjugeerde’ systeem een tijdje als zodanig bestaat, en dat vervolgens de therapeutische mechanismen in werking treden die (om nog nader te specificeren redenen) tot woordverlies leiden. Deze implicatie is echter niet onvermijdelijk, omdat die mechanismen ook (om in de medische terminologie te blijven) preventief kunnen werken: de

[p. 171]

principes die ervoor zorgen dat feitelijk bestaande pathologische situaties worden opgeheven, kunnen ook worden ingeroepen om te verklaren dat ze niet ontstaan. Wanneer bijvoorbeeld door het contact tussen de twee oorspronkelijke gebieden een grensgebied dreigt te ontstaan met een configuratie zoals in het schema hierboven, zou de verwijdering van het polyseme woord preventief kunnen optreden, al dan niet gepaard aan een conceptuele reorganisatie. Ik zal niet trachten een definitieve keuze tussen een preventieve en een strikt therapeutische systeem-interne analyse te maken, omdat het mij in eerste instantie alleen te doen is om de mogelijkheid van een systeem-interne analyse als zodanig. Wel zal ik in wat volgt uitgaan van de therapeutische variant daarvan, en wel om twee redenen: enerzijds lijkt het mij voor expositorische doeleinden aanschouwelijker uit te gaan van een reëel bestaand overlappingsgebied i.p.v. de iets gecompliceerdere preventieve benadering, en anderzijds zijn er (zoals dadelijk te vermelden) een aantal lichte aanwijzingen voor een effectieve overlapping.

Hierbij zijn nog drie opmerkingen te maken. Primo, vergelijkt men het eerste boven gegeven citaat van Goossens (1962: 37) met het tweede (1977: 100-101), dan valt het op dat de eerste aanhaling een raaklijn-analyse zonder overlapping lijkt te impliceren, terwijl de tweede meer van de overlappinganalyse uitgaat. Is deze interpretatie van het tweede citaat juist, dan is de hieronder toegepaste methode niets meer dan de consequente explicitering van een benaderingswijze waarvan de kiem ook al bij Goossens zelf te vinden is. Elders zegt hij trouwens: ‘Die Bewohner der Grenzstrecke zwischen den Verbreitungsgebieten zweier Heteronyme stehen sowohl mit den Sprechern aus dem Bereich, wo das erste Heteronym, wie mit denen aus dem Gebiet, wo das zweite verwendet wird, in Verbindung. Auf diese Weise lernen sie zwei Bezeichnungen für einen Begriff kennen. Die Folge ist, dass diese Kontaktzone sich zu einem Mischgebiet entwickeln kann, wo die beiden Ausdrücke mit gleicher Bedeutung nebeneinander verwendet werden’ (1969: 87).

Secundo, de kaartbeelden van de hier behandelde gevallen bevatten zelf aanwijzingen voor een overlappingsanalyse. Aan de ene kant zijn er plaatsen in de buurt van de strook waar de polysemanti-

[p. 172]

sche term verdwenen is, die die term in z'n beide betekenissen gebruiken. Zo wijst Goossens op een gebiedje ten zuidwesten van het opper-niemandsland, waar die term zowel met de betekenis ‘hooirook’ als met de betekenis ‘hooiopper’ te vinden is. Het opvallendst is echter het trog-voorbeeld, waar zich ten noorden van het niemandsland een grensgebied bevindt waar trog zowel de voederbak als de bakkerstrog aanduidt. Aan de andere kant zijn er ook gevallen waarin de gewraakte term in één van z'n betekenissen blijft bestaan naast de andere term die voor dat begrip in de conflictsituatie optreedt. Zo zien we op de onomasiologische ‘onkruid’-kaart bij Eylenbosch (1962) goed hoe het vuil(igheid)- en het kruid-gebied door elkaar lopen; in een aantal plaatsen is er synonymie van beide termen. Goossens van zijn kant wijst bij lopig op een tiental plaatsen aan de rand van het niemandsland waar lopig en willig samen voorkomen in toepassing op koeien. Tenslotte leert een onderzoek op basis van het Woordenboek van de Limburgse Dialecten (Weijnen, Goossens & Goossens 1983) dat in het blekken-niemandsland niet alleen de omdoen-perifrases uit het linkergebied te vinden zijn, maar ook een term als breken, die aansluit bij het rechtergebied.6 M.a.w., al verschilt de frequentie van voorbeeld tot voorbeeld, bij alle gevallen zijn feiten te vinden die passen in een overlappingsanalyse, uitgezonderd bij keest, waar het materiaal niet gedetailleerd genoeg is om vergelijkbare vaststellingen te doen.

Tertio, bij het ontstaan van de overlappingsgebieden spelen communicatieve processen een rol als dragers van de verspreidingsbeweging waardoor zekere gebruikswijzen doordringen in een aangrenzend gebied. Zoals ik daarstraks opmerkte, hoeft de erkenning van dit feit niet te impliceren dat de boven geformuleerde kritiek op de communicatieve analyse wordt ontkracht. De communicatieve aard van het ontstaan van het grensgebied (of het dreigende ontstaan ervan, in de preventieve benadering) betekent niet dat ook de therapeutische wijzigingen die vervolgens in die grensstrook optreden, een communicatieve motivering hebben. In de hier nagestreefde niet-communicatieve analyse gebeurt het woordverlies in twee stappen: eerst nemen de gebieden in de contactzone elkaars vormen over (of neemt slechts één gebied de vormen van het andere over)

[p. 173]

en vervolgens ondergaat het zo ontstane mengsysteem een wijziging. Omdat deze tweede beweging in het merendeel van de gevallen een therapeutische situatie oplevert die communicatief gesproken even ongewenst is als de oorspronkelijke, moet men zoeken naar een systeem-interne, niet-communicatieve motivering.7

4. Tweede preliminaire stap: conceptuele reorganisatie.

In het contactgebied tussen twee lexicaal-semantische gebieden kan niet alleen tot een lexicale, maar ook tot een semantische reorganisatie worden overgegaan. Het probleem is te formuleren in termen van het traditionele onderscheid tussen homonymie en polysemie: wanneer we er rekening mee houden dat alle hier behandelde voorbeelden van polysemievrees in eerste instantie slechts etymologisch polyseem zijn, dan rijst de vraag of ze ook op het synchrone vlak als zodanig zullen worden beschouwd, of dat ze integendeel als homoniemen worden ervaren.8 Het onderscheid tussen homonymie en polysemie is, zoals welbekend, vaak moeilijk te maken (zie Ullmann 1972: 178), maar wanneer we het proberen te formuleren in termen van een prototypische betekenisopvatting, valt er mogelijk enig nieuw licht op het probleem. In een prototypische betekenisopvatting valt er immers een onderscheid te maken tussen twee vormen van semantische meervoudigheid: enerzijds kunnen verschillende betekenissen of betekenisnuances georganiseerd zijn rond één gezamenlijk prototype, en anderzijds kan een lexicaal element verschillende prototypische kernen bevatten (die ieder nog een aantal nuances kunnen vertonen). Naarmate deze kernen losser van elkaar komen te staan is er meer kans dat ze als afzonderlijke categorieën worden beschouwd. De traditionele wijsheid dat de afstand tussen betekenissen correleert met de tendentie om ze als polysemantische realiseringen van eenzelfde categorie, dan wel als onverbonden homoniemen te behandelen, kan in de prototypetheorie worden verduidelijkt aan de hand van de Wittgensteiniaanse ‘familiegelijkenissen’ die de onderscheiden toepassingen van een categorie verbinden. In het geval dat de toepassingen van een lexicaal element rond elkaar gegroepeerd zijn als in de links on-

[p. 174]

derstaande figuur, is er weinig kans dat één van die toepassingen een aparte, homonieme categorie gaat vormen. In het geval dat de toepassingen geschakeld zijn als in de figuur rechts is de mogelijkheid groter dat de extreme toepassingen niet langer als met elkaar verbonden worden ervaren. (Men vindt deze figuren ook terug bij Bartsch 1981. Als voorbeeld van de linkerfiguur denke men aan het door Wittgenstein 1953 geanalyseerde Spiel, of aan de andere voorbeelden van ‘familiegelijkenissen’ zoals die door Rosch & Mervis 1975 zijn besproken. Een voorbeeld van de rechterfiguur kan men vinden in een woord als kas: de betekenissen ‘bak’ en ‘kassa’ zijn historisch wel verwant maar worden door de hedendaagse taalgebruiker niet als zodanig ervaren). Het zal overigens wel duidelijk zijn dat deze overwegingen slechts een eerste aanzet proberen te geven voor een studie van het homonymieprobleem in een prototypisch kader; veel meer dan de richting aanwijzen waarin het onderzoek kan gaan, wil ik niet doen.



illustratie

Ondertussen is naar ik hoop wel al duidelijk geworden hoe de geschetste problematiek relevant is voor de studie van polysemievrees: de prototypetheorie vindt de vorming van polysemantische clusters als zodanig aanvaardbaar en zelfs functioneel voordelig (om redenen die in het tweede artikel worden uiteengezet), maar wanneer de extremen in die clusters niet langer als verbonden nuances van eenzelfde categorie worden ervaren, worden zij synchroon behandeld als etymologische homoniemen. Cruciaal voor de ontwikkelingen in lexicaal-semantische overgangsgebieden is dan ook de relatie tussen de beide concepten die bij de vorming van de polysemantische situatie betrokken zijn. Aan de ene kant kun-

[p. 175]

nen die als nauwelijks verbonden worden gevoeld, zodat ze als aparte conceptuele categorieën worden behouden en behandeld. Aan de andere kant kunnen ze als zo verwant worden ervaren, dat ze als nuances van één enkel prototypisch concept kunnen gelden. Het verschil is er een in categorialiteit: in het laatste geval worden twee oorspronkelijk gescheiden conceptuele categorieën gesubsumeerd onder één nieuwe conceptuele categorie die de oorspronkelijke concepten als nuances bevat, in het eerste geval blijft de oorspronkelijke conceptuele structuur intact.

Deze mogelijkheden zijn uitermate belangrijk, omdat ze tot andere lexicale strategieën leiden. Wanneer de oorspronkelijke conceptuele structuur behouden blijft zal er een neiging zijn om de onderscheiden conceptuele categorieën ook lexicaal te onderscheiden, zoals dat ook in de klassieke gevallen van (etymologische) homonymievrees het geval is. Wanneer daarentegen een nieuwe, overkoepelende categorie wordt gevormd, zal de neiging bestaan om de oorspronkelijke concepten die als nuances in de nieuwe categorie zijn opgenomen, niet langer lexicaal te onderscheiden, maar hoogstens met behulp van perifrases waarin de lexicale benoeming van de overkoepelende categorie een rol speelt. Merk op dat deze hypothese over het verschil in lexicale houding t.o.v. de conceptuele organisatie gebaseerd is op het klassieke ‘één vorm, één betekenis’-principe, met dien verstande dat met ‘betekenis’ niet eender welke conceptuele nuance wordt bedoeld, maar een samenhangende cluster van zulke nuances waarvan alle elementen nog als duidelijk met elkaar verbonden worden ervaren. De nagestreefde interne analyse van de lexicale reorganisatie door woordverlies zal dan ook rekening moeten houden met mogelijke conceptuele reorganisaties. Voor ik tot die analyse overga, moeten ter aanvulling of nuancering echter nog de volgende opmerkingen worden gemaakt.

Ten eerste: de aantrekkelijkheid van de voorgestelde analyse blijkt uit het feit dat de behandelde therapeutische situaties grofweg in twee categorieën uiteenvallen. Bij trog, kruid, keest en lopig blijven de oorspronkelijke concepten lexicaal onderscheiden, maar bij opper en blekken worden ze samengenomen onder een overkoepelende term, resp. heukel en omdoen (of andere termen die het ploegen in het

[p. 176]

algemeen aanduiden). De oorspronkelijke concepten zijn in dit laatste geval te onderscheiden door niet-lexicale strategieën, m.n. het gebruik van verschillende directe objecten bij blekken en de toevoeging van een adjectief bij opper (soms ook het gebruik van een diminutief voor de nuance ‘hooiopper’). In termen van conceptuele categorieën gebeurt bij blekken en opper een reorganisatie waarbij oorspronkelijk lexicaal gescheiden categorieën samengeklapt worden in één overkoepelende categorie waarvan het conceptueel specificeerbare nuances zijn. In meer psychologische termen kunnen we zeggen: wat oorspronkelijk als twee verschillende activiteiten werd voorgesteld, wordt nu gezien als twee varianten van wat in essentie slechts één soort van dingen is. De prototypetheorie impliceert dus niet dat de oorspronkelijke entiteiten niet langer conceptueel onderscheiden kunnen worden, maar wel dat ze niet langer als afzonderlijke basiscategorieën in het lexicaal-semantische systeem zijn opgenomen.9 Men zou kunnen zeggen: hun overeenkomsten worden belangrijker dan hun verschillen; als men ze toch wil onderscheiden, dan kan men dat doen door onderscheiden nuances van de nieuwe, overkoepelende categorie naar voren te brengen. Een zaak die we hierbij zouden willen weten, is of in het opper-geval steeds adjectieven of diminutiefvormen worden toegevoegd om het onderscheid te maken. Goossens (1963: 206) zegt dat de toevoegingen kunnen gebeuren, een uitspraak die weliswaar niet expliciet zegt maar wel suggereert dat de nuancerende middelen niet steeds worden gebruikt.10

Ten tweede: een samenbundeling van twee concepten wordt zeker niet alleen bepaald door de conceptuele afstand die er objectief gesproken tussen die concepten bestaat. In de keest- en kruid-gevallen is het moeilijk (los van etymologische overwegingen) een conceptuele kern te bepalen die beide begrippen overkoepelt: synchroon gezien liggen die al te ver van elkaar af. Bij lopig is dat echter niet het geval; meer, de polysemantische gebruikswijzen van dat woord liggen zeer dicht naast elkaar, doordat ze slechts selectierestrictioneel verschillen. Dat een lexicaal onderscheid tussen beide toepassingen niettemin behouden blijft, kan worden toegeschreven aan een functionele nood aan een aparte term voor het bronstig zijn

[p. 177]

van koeien: deze laatste gebeurtenis is functioneel gezien blijkbaar prominent genoeg om ze apart te lexicaliseren. Het zal daarbij wel geen toeval zijn dat we voor de bronstigheid van honden (die in het agrarische leven een veel minder belangrijke plaats inneemt) een term krijgen waarvan Goossens opmerkt dat hij de algemene betekenis ‘brandend van zinnelijke hartstocht’ heeft (1962: 52). De interfererende invloed van functionele afstand op conceptuele afstand in strikte zin leidt tot de conclusie dat de vorming van overkoepelende categorieën moeilijk te voorspellen is, en dat is goed te merken wanneer de polysemantische overlappingssituatie zowel door behoud van lexicaal onderscheid als door de vorming van een overkoepelend begrip wordt opgelost. Dat is het geval bij trog, dat zoals gezegd ten noorden van het niemandsland beide betrokken betekenissen heeft. Dat het functionele gebruiksverschil tussen beide genoemde voorwerpen hier op de achtergrond verdwijnt ten voordele van hun overeenkomst in vorm en uitzicht, wordt ook door Eylenbosch zelf met functionele factoren verbonden, m.n. met het feit dat in die streek het zelf brood bakken, ‘meer nog dan elders’ tot het verleden behoort (1966: 171-172). Overigens wijst ook Goossens (1962: 38) op de invloed van functionele factoren. N.a.v. het zuidwestelijke gebied waar opper (en niet heukel) de hooirook zowel als de hooiopper aanduidt, merkt hij op dat de polysemie daar blijkbaar niet hindert, omdat er zeer weinig gehooid wordt.

Ten derde: een bepaalde conceptuele configuratie of reorganisatie leidt niet alleen tot specifieke tendenzen op het lexicale vlak (zoals daarnet beschreven), maar omgekeerd gaat er ook van de lexicale factoren een invloed uit op de conceptuele situatie. Deze wisselwerking is vooral daaraan te merken, dat de vorming van een overkoepelende term pas plaats vindt, wanneer de betrokken concepten onder één lexicale noemer worden gebracht (en dat is natuurlijk de polysemantische term), en niet reeds in de stabiele oorspronkelijke gebieden: de lexicale convergentie bevordert of vergemakkelijkt de conceptuele convergentie. Bij opper gaat de lexicale samenval zelfs nog verder: in het overlappingsstadium (waarvan hieronder een schematische voorstelling) kunnen beide betrokken concepten zo-

[p. 178]

wel met heukel als met opper worden aangeduid; men mag aannemen dat deze lexicale ongedifferentieerdheid de conceptuele samenval in de hand werkt. In de gevallen lopig, keest, kruid en trog (waarvan in paragraaf 3) keest als voorbeeld in schema werd gebracht) ziet men anderzijds dat het overlappingsgebied de betrokken concepten wel nog onomasiologisch onderscheidt, waarbij kan worden aangenomen dat dit verschil in lexicale synonymiek van beide concepten het conceptueel uit elkaar houden ervan vergemakkelijkt. Dat we bij trog niet alleen een ontwikkeling met behoud van het categoriale onderscheid maar ook een categoriale reorganisatie vinden, wijst er overigens op dat het al dan niet bestaan van onomasiologische verschillen in het overlappingsgebied hoogstens een secundaire, versterkende rol maar geen primaire, determinerende rol speelt. Ook bij blekken kunnen we zien dat een absolute coïncidentie van de onomasiologische distributie van de betrokken begrippen geen noodzakelijke voorwaarde is om tot een conceptuele reorganisatie te komen.

Diagram I.8: gecombineerd onomasiologisch-semasiologisch diagram m.b.t. het opper-voorbeeld, in de configuratie vóór de werking van het therapeutische woordverlies.

‘hooiopper’
(kleine
hooistapel)
heukel heukel/opper opper
‘hooirook’
(grote
hooistapel)
opper opper/heukel heukel

Ten vierde: voor zover ik kan nagaan is de conceptuele reorganisatie die ik in het voorgaande heb beschreven identiek aan wat Goossens (1969: 105) aanduidt met Pauschalanwendbarkeit, een verschijnsel dat hij onderscheidt van polysemie: ‘Auf den meisten Bedeutungskarten, auf denen sich Bedeutungsgebiete überlagern, hat das “doppeldeutige” Wort nicht zwei Bedeutungen, sondern es hat einen Inhalt, der ausserhalb des Gebietes mit Pauschalanwendbar-

[p. 179]

keit in zwei Inhalte aufgegliedert wird, die jeder für sich von einem besonderen Ausdruck bezeichnet werden’. Volgens deze omschrijving is de hier bedoelde conceptuele reorganisatie hetzelfde als het ontstaan van Pauschalanwendbarkeit. Het wekt dan ook enige bevreemding dat Goossens er niet is toe overgegaan in bepaalde gevallen van ‘polysemievrees’ de creatie van zo'n Pauschalanwendbarkeit te zien: ook t.a.v. deze tweede preliminaire stap zou men kunnen zeggen, dat hij slechts consequent een analysemogelijkheid exploreert waarvoor ook bij Goossens aanknopingspunten zijn te vinden.11

5. Een alternatieve analyse.

Gegeven het ontstaan van menggebieden met hetzij behoud van conceptuele differentiatie, hetzij conceptuele reorganisatie, welke mechanismen moeten we dan inroepen om het woordverlies in die gebieden te verklaren?

In het geval van opper en blekken is de motiverende factor waarschijnlijk de verwijdering van een overtollige synonymie: we gaan er immers van uit dat in die gevallen slechts één conceptuele categorie meer overblijft, en dat betekent dat in het overlappingsgebied die categorie met twee lexicale elementen wordt benoemd. (Opper en heukel in het ene geval, blekken en perifrases met algemene termen voor ‘ploegen’ in het andere geval - zulke algemene termen zijn immers in ieder geval ook voor het omploegen van weiden te gebruiken). Zo'n toestand is oneconomisch, en strookt niet met het isomorfiebeginsel dat één linguïstische vorm gekoppeld wordt aan één conceptuele categorie (het ‘één vorm, één betekenis’ - principe, met dien verstande dat onder ‘betekenis’ niet één enkel concept, maar een conceptuele categorie wordt verstaan, i.e. een samenhangende cluster van individuele concepten). Dat er zoiets als synonymievrees bestaat, is overigens een veelvuldig gedane vaststelling in de lexicale semantiek. Zo zegt Ullmann (1957: 112): ‘Total synonymy is an embarras de richesse which language can ill afford’, en Goossens merkt op over dialectgeografische menggebieden met synonymie: ‘Das häufige Vorkommen von Mischgebieten

[p. 180]

beweist also gar nicht, dass die Sprache Synonymie leicht erträgt. Diese Bereiche beweisen gerade das Gegenteil: Wo Synonymie entsteht, reagiert die Sprache. Das führt in der Regel zum Verschwinden von einem der gleichbedeutenden Wörter, das Mischgebiet wird wieder zum “reinen” Wortgebiet’ (1969: 92-93). Is het verwijderen van overtollige synoniemen dus een mechanisme dat met een zekere plausibiliteit kan worden ingeroepen, dan rijst daarnaast nog de vraag waarom precies opper en blekken verdwijnen, en niet heukel of omdoen, ploegen enz. In het laatste geval kan worden gewezen op het feit dat ploegen e.d. gevestigde, ingeburgerde algemene termen zijn: men mag dan veronderstellen dat blekken, wanneer het een algemene betekenis heeft gekregen, als nieuwkomer in die hoedanigheid een minder stevige plaats inneemt dan de gevestigde algemene term.12 Belangrijker lijkt me echter een factor die Goossens zelf vermeldt als mede-oorzaak voor het woordverlies, en die voor beide gevallen tegelijk geldt, nl. het optreden van vormverwarringsvrees t.a.v. opper en blekken (voor details consultere men Goossens 1962).13

In de gevallen waarin geen sprake is van conceptuele reorganisatie (keest, kruid, trog) moeten we de verklaring zoeken in een combinatie van twee factoren. Aan de ene kant werkt synonymievrees t.a.v. ieder van de betrokken conceptuele categorieën afzonderlijk; deze hebben in het overlappingsgebied immers ieder twee lexicale elementen bij zich (zie bijv. het bovenstaande schema voor keest). Aan de andere kant werkt t.a.v. de polysemantische term het isomorfiebeginsel nog op een bijkomende manier: in de veronderstelling dat beide begrippen categoriaal gedifferentieerd blijven, zal de polysemantische term onderworpen worden aan de tendens een isomorfierelatie tussen de conceptuele categorieën en de lexicale elementen te creëren, wat in ons geval tot woordverlies leidt. De hypothese dat de categoriale differentiatie gerelateerd is aan de functionele of conceptuele afstand tussen de betrokken begrippen (in deze zin dat differentiatie optreedt, wanneer die afstand te groot wordt om de concepten in kwestie binnen één conceptuele cluster te houden), maakt het daarbij mogelijk om de geschetste werking van het isomorfieprincipe synchroon gelijk te schakelen met homonymie-

[p. 181]

vrees. Ook daar gaat het immers om concepten die te ver van elkaar liggen om als één categorie te worden beschouwd, en die met dezelfde woordvorm worden benoemd.14 Om deze overeenkomst met de klassieke homonymievrees ook terminologisch een vaste vorm te geven, stel ik voor te spreken over ‘polycategorialiteitsvrees’: het isomorfiebeginsel houdt in dat per lexicaal element slechts één conceptuele cluster van samenhangende nuances wordt aangetroffen, of althans, dat men in een aantal gevallen kan vaststellen dat de taal (therapeutisch of preventief) naar zo'n toestand streeft. Deze nieuwe term heeft het voordeel dat hij aangeeft hoe de hier voorgestelde analyse zich verhoudt tot polysemievrees en homonymievrees in hun etymologische interpretaties. Aan de ene kant moet binnen het geheel der polysemieverschijnselen een onderscheid worden gemaakt tussen polycategoriale meerduidigheid (waarbij één categorie zich splitst in verschillende categorieën) en intracategoriale meerduidigheid (die betrekking heeft op de samenhangende nuances binnen één categorie). De terminologie maakt het herkennen van deze verschillende toestanden niet gemakkelijker, maar geeft wel aan dat het om verschillende conceptuele configuraties gaat, waar de taal anders op reageert. Aan de andere kant geeft de nieuwe terminologie aan, dat polycategoriale meerduidigheid van (etymologisch gesproken) polysemantische oorsprong synchroon gezien eenzelfde toestand constitueert als (etymologische) homonymievrees.

Alles bij elkaar betekent dit dat de motivering voor het woordverlies niet ligt bij een communicatieve polysemievrees, maar bij het isomorfiebeginsel, dat zelf weer in twee vormen optreedt: enerzijds als synonymievrees (wat we de onomasiologische variant van het isomorfiebeginsel kunnen noemen) en anderzijds als polycategorialiteitsvrees (de semasiologische variant van het beginsel). Het voordeel van deze verklaringswijze is, ten eerste, dat ze een taal-interne analyse geeft die daardoor de moeilijkheden van de communicatieve benadering vermijdt. Ten tweede biedt ze een empirische verfijning, doordat ze duidelijk weet te maken dat er twee types van woordverlies dienen te worden onderscheiden. Ten derde heeft ze het theoretische voordeel dat polysemie niet als zodanig, maar uit-

[p. 182]

sluitend in de vorm van polycategorialiteit hinderlijk wordt geacht; daarmee lijkt mij meer recht gedaan aan de reeds in de inleiding gesignaleerde alomtegenwoordigheid van de polysemie in de natuurlijke taal. En tenslotte laat deze verklaring zien dat het onderscheid tussen concepten in de meest strikte zin en conceptuele categorieën, zoals dat m.n. door de prototypetheorie wordt beschreven, ook voor de dialectgeografie consequenties heeft.

Deze omschrijving van de aantrekkelijkheid van een taal-interne, niet-communicatieve verklaring kan echter niet anders dan voorlopig heten. Enerzijds moet immers nog worden bepaald welke de functionele gronden zijn voor het ingeroepen isomorfiebeginsel. Anderzijds zijn er nog een aantal voorbeelden van polysemievrees die ik nog niet heb behandeld; zo heb ik nog niets gezegd over het lopig-voorbeeld, over de nuances die t.a.v. blekken nodig zijn, en over de voorbeelden die Goossens aanwijst in andere talen dan het Nederlands. Deze theoretische en empirische aanvulling van wat hier in beginsel werd vastgelegd, zal de stof vormen voor een tweede artikel.15

 

Adres van de auteur:

Vakgroep Nederlands RUL

Postbus 9515

2300 RA Leiden