Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 103


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 103. E.J. Brill, Leiden 1987


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 37]

Dirk Geeraerts
Over woordverlies in lexicaal-semantische overgangsgebieden
II

In het eerste artikel (TNTL 102, 1986, 161-186) zijn de algemene principes aangegeven van een niet-communicatieve analyse van polysemievrees, waarbij rekening wordt gehouden met het al dan niet optreden van conceptuele reorganisaties. In dit artikel worden enkele bijkomende voorbeelden behandeld, en wordt ingegaan op de theoretische achtergronden van de voorgestelde verklaringsprincipes.

6. Variaties op de basispatronen.

Uit het voorafgaande is gebleken dat woordverlies in lexicaal-semantische overgangsgebieden twee onomasiologisch-semasiologische basisconfiguraties kan opleveren: een zigzagpatroon zonder conceptuele reorganisatie, en een patroon waarbij een conceptuele reorganisatie tot een monolexicale therapie leidt. In deze paragraaf zal ik een aantal voorbeelden aanhalen die laten zien dat op deze basisconfiguraties variaties kunnen optreden. Wegens plaatsgebrek kan ik de voorbeelden niet in detail bespreken; ik zal moeten volstaan met het resultaat van een grondiger analyse, zonder dat de verschillende overwegingen aan bod kunnen komen die tot die conclusies leiden. Geïnteresseerde lezers kunnen een uitgebreide versie van deze paragraaf bij mij bekomen. Er zijn drie specificaties van het basispatroon waarop ik de aandacht wil vestigen.

In de eerste plaats: de onderscheiden gebieden in het zigzagpatroon kunnen zelf nog een geografische differentiatie ondergaan. Weijnen (1966:136), daarin gevolgd door Goossens (1969:104), wijst op het feit dat in Henegouwen een strook voorkomt waar geen reflexen te vinden zijn van lat. vascellum. Het bijgevoegde diagram II.1 laat zien dat in het zuidelijke deel van het niemandsland een

[p. 38]

geografische verdeling te zien is tussen het Luiks-Naamse stî, en het woord uit de Franse Champagne. Deze verdeling is voorspelbaar, omdat het niemandsland in het zuiden aan Frankrijk grenst, en in het noorden aan het Naams-Luikse gebied.

Westelijk gebied Overgangsgebied Oostelijk gebied
‘doodkist’ cercueil boîte locellus cercueil boîte locellus vascellum
‘schepel’ vascellum stî stî
‘schepel’ vascellum
Diagram II.1: gecombineerd onomasiologisch-semasiologisch diagram m.b.t. het vascellum-niemandsland in Henegouwen. Gebaseerd op Pée, Winnen & Renson (1957); kaarten aldaar.

In de tweede plaats: de basispatronen kunnen in combinatie voorkomen, zoals blijkt uit een nadere analyse van het door Höing (1958) behandelde Korn-voorbeeld, waarvoor hieronder diagram II.2 volgt. Bekijkt men alleen de twee bovenste rijen van het diagram, dan sluit het beeld aan bij het in-elkaar-schuivende patroon van de keest-trog-kruid-voorbeelden met lexicale differentiatie. Kijkt men echter naar de wederwaardigheden van de term Korn zelf, dan ziet men dat er geen woordverlies optreedt maar dat hij overleeft als overkoepelende term. Het proces waardoor dit gebeurt, is analoog aan de opper- en blekken-voorbeelden: in conceptueel opzicht verdwijnt bij het gebruik van Korn in het grensgebied het onderscheid tussen de oorspronkelijke begrippen naar de achtergrond ten voordele van hun gemeenschappelijke kern. ‘Die erweiterte Bedeutung umfasst die beiden Getreidearten, von denen in den Bereichen beiderseits dieses Gebiets jeweils eine mit dem Ausdruck Korn bezeichnet wird’ (Goossens 1969:102). Dat de oorspronkelijke begrippen die door hun samenval de overkoepelende betekenis

[p. 39]

‘graangewas’ vormen, toch apart benoemd blijven worden, is functioneel natuurlijk goed verklaarbaar: het onderscheid tussen de graansoorten is voor de landbouwer te belangrijk om ze zonder meer onder één categorie te brengen. Het voorbeeld moet echter met de nodige voorzichtigheid beschouwd worden, omdat de algemene betekenis van Korn mogelijk de originele is. Er zijn een paar chronologische aanwijzingen die tegen deze opvatting pleiten, maar doorslaggevend zijn die vooralsnog niet.

Westelijk gebied Overgangsgebied Oostelijk gebied
‘rogge’ Roggen Roggen Korn
‘spelt’ Korn Fesen Fesen
‘graan’ (algemeen) Frucht Korn Getreide
Diagram II.2: gecombineerd onomasiologisch-semasiologisch diagram m.b.t. Korn in Zuid-Duitsland. Gebaseerd op Höing (1958) en aanvullend materiaal uit dialectwoordenboeken van Jutz (1960), Schmeller (1827) en Fischer (1904). Kaarten bij Höing (1958) en Goossens (1969).

In de derde plaats: het belang van conceptuele reorganizaties blijkt ook wanneer de toestand in de interfererende gebieden niet eenduidig is, maar hooguit enige tendenzen vertoont. Dat is het geval bij blekken, dat we op grond van het WLD-materiaal aan een nadere analyse kunnen onderwerpen. Het bijgevoegde schema toont dat de toestand in het overgangsgebied zeer heterogeen is; de situatie in de belendende gebieden is dat niet minder. Die situatie vertoont de volgende tendenzen. Zowel ten westen als ten oosten van het niemandsland is er een tendens om het begrip ‘een weide scheuren’ met een specifieke term te lexicaliseren: breken of scheuren ten oosten, en blekken of scheuren ten westen. Eveneens in beide gebieden is er een tendens om ‘stoppels ploegen’ te benoemen met

[p. 40]

dezelfde term als het ruimere begrip ‘ondiep ploegen’. Dit is uitgesproken het geval in het oosten, met de term blekken, maar ook ten westen is deze tendens (minder sterk) aanwezig met storten. De neiging om ‘stoppels ploegen’ apart te lexicaliseren (en anders dan ‘ondiep ploegen’ in ruimere toepassing) is niet zeer sterk; alleen in het westen zijn er een drietal plaatsen met stoppelen. Tenslotte is de neiging om ‘een weide scheuren’ (en dan bepaaldelijk de eerste fase daarvan, het losploegen van de graslaag) onder de noemer blekken samen te nemen met ‘stoppels ploegen’ (en andere vormen van ondiep ploegen) niet sterk, en dat is een belangrijk punt: doordat het ondiep ploegen van weiden slechts een weinig prominent onderdeel is van een ruimer functioneel proces, is de neiging om dit proces als geheel apart te specificeren sterker dan de neiging om een onderdeel ervan samen te zien met andere vormen van ondiep ploegen.

Gewapend met het inzicht in deze tendenzen kan de taal-interne analyse bepaalde voorspellingen doen, rekening houdend met de veronderstelling dat blekken in het grensgebied zowel de westelijke toepassing ‘een weide scheuren’ als de oostelijke toepassing ‘ondiep ploegen (o.m. stoppelvelden)’ krijgt. Een eerste hypothese die we uit het voorgaande kunnen afleiden is dat de neiging om die twee begrippen apart te lexicaliseren zal verminderen op grond van het feit dat hun samenval onder de lexicale noemer blekken het onderscheid tussen beide verdoezelt. Dat dit inderdaad het geval is, blijkt uit het feit dat slechts drie van de tien grensplaatsen ‘een weide scheuren’ apart lexicaliseren (L416, L367, L368) en dat eveneens slechts drie plaatsen ‘ondiep ploegen, m.n. ook stoppelvelden’ als één afzonderlijk begrip benoemen (L362, L366, L367). Een subsidiaire hypothese hierbij is dat, als de genoemde toepassingen toch apart worden benoemd, zeker niet blekken de uitverkoren term zal zijn (de inhoud van dat woord in het grensgebied is immers niet specifiek genoeg meer). Zo zien we dan inderdaad dat in de daarnet genoemde gevallen scheuren of breken enerzijds en storten anderzijds als specifieke termen naar voren komen.

Vervolgens mag worden verondersteld dat de toch al niet erg sterke neiging om ‘stoppels ploegen’ (los van ‘ondiep ploegen’ in rui-

[p. 41]

‘een weide scheuren’ ‘stoppelland ploegen’ ‘ondiep ploegen’
L319 omdoen stoppelploegen (geen opgave)
L361 (een wei) ploegen stoppelploegen (geen opgave)
L362 omploegen; omdoen storten storten
L366 omdoen storten storten
L367 omdoen; scheuren (jonger) storten storten
L368 (ris) ploegen; (ris) omdoen; (ris) breken ontstoppelen; stoppelploegen dreeg ploegen; opvoren
L369 (groes) ploegen; dreeg omvaren stoppelvaren stoppelen varen dreeg ploegen
L415 omploegen stoppelploegen (geen opgave)
L416 (ris)omdoen; scheuren (minder gebr.); ploegen stoppelen omdoen; stoppelen ploegen dreeg ploegen; hardland ploegen
L417 scheuren; (ris) omdoen stoppelen ploegen (geen opgave)
Schema II.1: onomasiologisch overzicht van de benamingen voor de begrippen ‘een weide scheuren’, ‘stoppelland ploegen’ en ‘ondiep ploegen’ in het blekken-niemandsland, zoals opgegeven in het WLD.

[p. 42]

mere zin) als één specifiek begrip te lexicaliseren zeker niet zal toenemen. In het grensgebied is slechts één ondubbelzinnig geval te melden: L368 met ontstoppelen. Tenslotte valt de hypothese te formuleren dat, volgens de in het eerste artikel beschreven mechanismen, de begrippen ‘een weide scheuren’ en ‘ondiep ploegen, bepaaldelijk ook stoppelvelden’ onder één overkoepelend begrip zullen worden geplaatst. In het onderhavige geval is er in het grensgebied inderdaad een sterke tendens om beide begrippen niet apart te lexicaliseren, maar om ze als specifieke, met perifrases benoemde toepassingen van het algemene begrip ‘ploegen’ te behandelen. Men zou misschien geneigd zijn te denken dat ‘ondiep ploegen’ een veel meer voor de hand liggend overkoepelend concept is, maar in het voorafgaande is duidelijk gebleken dat het aspect ‘ondiep ploegen’ in het geheel niet prominent is bij het begrip ‘een weide scheuren’: de conceptuele samenval onder blekken in het grensgebied is er dan ook niet één waarbij verschillende vormen van ondiep ploegen onder dezelfde lexicale noemer komen, maar wel één waarbij de begrippen ‘ondiep ploegen (in verschillende toepassingen)’ en ‘een weide scheuren’ (dat veel meer is dan alleen maar een vorm van ondiep ploegen) in een overkoepelend begrip worden opgenomen.

Uit deze overwegingen blijkt dat een analyse van contactsituaties waarbij rekening wordt gehouden met de interacties tussen verschillende concepten en conceptuele niveaus, ook zodanig kan worden verfijnd dat gecompliceerde en op het eerste gezicht structuurloze situaties zoals die bestaan in het blekken-niemandsland, verklaarbaar worden in functie van de conceptuele tendenzen in de aangrenzende gebieden en van de reorganisaties die de conceptuele samenval onder blekken veroorzaakt. Meer in het algemeen laten de voorbeelden in deze paragraaf zien dat de gecombineerde onomasiologisch-semasiologische methode voor de bestudering van polysemievrees flexibel genoeg is om voorbeelden te analyseren die afwijken van de in het eerste artikel beschreven basispatronen. Toch is veel voorzichtigheid geboden, niet alleen omdat een gedetailleerde behandeling van ogenschijnlijk simpele gevallen van polysemievrees laat zien dat de feiten vaak veel ingewikkelder zijn dan

[p. 43]

een vluchtige beschouwing zou laten vermoeden, maar ook omdat de gegevens voor een adequate beoordeling van de voorbeelden niet altijd voorhanden zijn. (Het is ook omwille van het gedeeltelijk ontbreken van benodigde gegevens dat ik een aantal door Goossens vermelde voorbeelden niet verder heb besproken. Dat geldt o.m. voor het Wagner-geval bij Bellmann (1961) en Goossens' eigen lopig-voorbeeld; voor een analyse verwijs ik weer naar de op aanvraag verkrijgbare uitgebreide versie van deze paragraaf).

7. De functionele gronden van polycategorialiteitsvrees.

Wat in theoretisch opzicht uit het bovenstaande en uit het vorige artikel blijkt, is dat de samenhang tussen betekenissen een restrictie vormt op het lexicaal-semantische isomorfiebeginsel. Dat beginsel is wel van kracht, maar het is alleen in overeenstemming te brengen met de onmiskenbare feitelijke polysemie van de natuurlijke taal als het wordt geïnterpreteerd in de vorm van polycategorialiteitsvrees. Hiermee is niet gezegd dat er geen andere restricties op het beginsel werken: herhaaldelijk hebben onderzoekers erop gewezen dat de mogelijkheid om betekenissen contextueel te differentiëren een rem vormt op de tendens om ze lexicaal te differentiëren (zie Ullmann 1972:181). Evenmin wil ik suggereren dat hiermee het laatste woord over het isomorfiebeginsel is gevallen. Integendeel, door isomorfie niet te definiëren als een één-op-één-relatie tussen een lexicaal element en afzonderlijke concepten, maar als een één-op-één-relatie tussen een lexicaal element en een conceptuele categorie, opgevat als een samenhangende cluster van individuele concepten, hoop ik een hypothese te hebben geformuleerd die het onderzoek naar het isomorfiebeginsel tot het inslaan van nieuwe en vruchtbare wegen kan stimuleren. Om de uitdieping van dat verschijnsel ook in theoretisch opzicht althans één stapje verder te brengen, wil ik tot slot ingaan op een tweede vraag die in de inleidende passage tot het eerste artikel werd gesteld: hoe is het mogelijk dat zowel voor het isomorfiebeginsel als voor de polysemantische clustering van betekenissen functionele verklaringen worden voorgesteld?

[p. 44]

Voor de maximalisering van de prototypische polysemie van een conceptuele categorie zijn drie functionele redenen aan te voeren, zoals ik al elders heb betoogd (1984); bij ieder van deze redenen gaat het om eisen waaraan de menselijke kennis dient te voldoen wanneer hij optimaal wil functioneren. In de eerste plaats is het (zoals ook Rosch zelf heeft opgemerkt) cognitief gesproken voordelig dat conceptuele categorieën een zo groot mogelijke densiteit hebben: het is een voordeel voor de cognitieve werking van ons kennissysteem wanneer we met de activering van één enkele categorie toegang krijgen tot een heleboel informatie: het clusteren van nuances rond prototypische kernen is daarbij een natuurlijke strategie om het informatieve gehalte van een categorie te doen stijgen. In de tweede plaats zal het kennissysteem niet alleen een tendens tot informatieve densiteit, maar ook een neiging tot structurele stabiliteit vertonen: het categoriale systeem kan alleen efficiënt werken als het niet een nieuwe structuur moet krijgen telkens wanneer er nieuwe gegevens bijkomen. Maar aan de andere kant moet het cognitieve systeem, in de derde plaats, flexibel genoeg zijn om nieuwe informatie op te nemen en om zich aan te passen aan de immer veranderende omstandigheden van de buitenwereld. Opdat het niet chaotisch zou worden moet het kennissysteem een ingebouwde neiging tot structurele stabiliteit hebben, maar deze stabiliteit mag niet verstrakken tot rigiditeit, opdat het systeem zichzelf steeds zou kunnen aanpassen. Het zal t.a.v. dit tweede en derde punt duidelijk zijn dat prototypisch geordende categorieën op eminente wijze de eisen van stabiliteit en flexibiliteit vervullen: doordat licht afwijkende nuances een plaats vinden binnen bestaande categorieën kan het voorhanden zijnde categoriale systeem behouden blijven, maar doordat die categorieën niet op een rigide wijze gedefinieerd zijn vertonen ze de nodige soepelheid t.a.v. de wisselende eisen die de ervaring aan het kennissysteem stelt.

Het is in dit verband essentieel dat bestaande categorieën fungeren als interpretatieve schema's die het verwerken van nieuwe ervaringen leiden: de in de cognitieve psychologie van o.m. Bruner en Piaget algemeen aanvaarde gedachte dat de menselijke ervaring gemedieerd wordt door de kennis waarover het individu reeds be-

[p. 45]

schikt, betekent op het conceptuele vlak dat conceptuele categorieën werkzaam zijn als verwachtingspatronen bij het verwerken van nieuwe ervaringen en het verwerven van nieuwe kennis. (Zie ook Vroon 1976: hfdst. 1 voor een niet-technische inleiding tot de ‘cognitieve revolutie’ in de psychologie). Nieuwe gegevens worden geïnterpreteerd in functie van, tegen de achtergrond van bestaande modellen, en deze interpretatie kan de vorm aannemen van een partiële overeenkomst: ook wanneer een nieuw feit niet volledig identiek is met de bestaande categorie, kan het er voldoende mee overeenkomen om als perifere instantie van de categorie daarin te worden geïncorporeerd. Het is op deze manier dat categorieën uitgroeien tot clusters van toepassingen die door familiegelijkenissen samenhangen. Het cruciale van deze overweging is nu dat eenzelfde punt de soepelheid en de interne eenheid (dus de stabiliteit) van een categorie bepaalt. Aan de ene kant is zo'n categorie een soepel toepasbaar interpretatieschema, en aan de andere kant worden de verschillende toepassingen van het model juist samengehouden door dat schema, waarvan ze als instanties worden gezien. Op grond van dit inzicht kunnen we ook zeggen dat de eenheid van een categorie verloren gaat als haar toepassingen niet langer worden geünifieerd door één enkel schema; we hebben gezien dat dit het geval kan zijn wanneer de afstand tussen twee toepassingen te groot wordt om ze nog tot een conceptuele eenheid (men zou kunnen zeggen: een ‘gelijkende familie’) te verenigen. In zo'n geval verdwijnt de eenheid van de categorie en ondergaat het conceptuele systeem een wijziging: de categorie splitst zich.

Vanuit dit perspectief is nu ook het isomorfiebeginsel functioneel te verklaren. De polysemie van een lexicaal element hindert niet wanneer de polysemantische toepassingen worden samengehouden door een unificerende, als interpretatieschema fungerende categorie, omdat onderling afwijkende toepassingen dan steeds vanuit het schematische verwachtingspatroon (de conceptuele kern van de categorie) verstaanbaar zijn. Polysemie hindert echter wel wanneer de verschillende toepassingen te ver van elkaar af komen te liggen, en wanneer het lexicale element daardoor niet langer overeenstemt met één enkele conceptuele categorie. Veeleer dan bij polysemie

[p. 46]

ligt het gevaar dan ook bij conceptuele polycategorialiteit: wanneer een lexicaal element verbonden is met één conceptuele categorie heeft de taalgebruiker rechtstreeks toegang tot het interpretatieve schema, maar wanneer de interne eenheid van de conceptuele categorie die de inhoud vormt van het lexicale element, is verloren gegaan en is vervangen door afzonderlijke conceptuele categorieën, rijst het extra probleem van de keuze van het in de gegeven omstandigheden meest adequate interpretatieve schema. Deze toestand is cognitief gesproken minder efficiënt: hij is oneconomisch omdat hij meer denkwerk vraagt. Zo er dan ook een isomorfiebeginsel aan het werk is, dan is dit een tendens tot een één-op-één-verhouding tussen lexicale elementen en conceptuele categorieën, en niet tussen lexicale elementen en afzonderlijke betekenissen. Het is dan ook in die zin dat we het streven naar isomorfie in feitelijke situaties aan het werk hebben gezien: de werking ervan bleek beperkt door het al dan niet aanwezig zijn van een onoverbrugbare conceptuele of functionele afstand tussen de betrokken betekenissen. Wat op theoretische gronden voorspelbaar is lijkt empirisch te worden bevestigd: het isomorfiebeginsel treedt in werking wanneer de eenheid van de toepassingen van een lexicaal element niet langer verzekerd wordt, en het dus moeilijk wordt te spreken van één conceptuele categorie in de hier bedoelde zin.

In theoretisch opzicht is deze cognitief-psychologische benadering van de taalfunctionaliteit vooral van belang omdat zij een geuniformeerde behandeling toelaat van twee linguïstische tendenzen die voorheen min of meer in oppositie tegenover elkaar stonden. Waar de overduidelijke polysemantische geaardheid van de taal en het isomorfiebeginsel voorheen contradictorische verschijnselen waren, zijn zij nu complementaire aspecten van één enkele functionele benadering. In beide gevallen gaat het immers om de cognitieve efficiëntie van de taal, met dien verstande dat ieder der tendenzen zich op een andere dimensie richt: de neiging tot maximalisering van de categorie-interne polysemie heeft betrekking op de cognitieve efficiëntie van het conceptuele systeem als zodanig, terwijl de neiging tot maximalisering van de isomorfie betrekking heeft op de cognitieve efficiëntie van de relatie tussen lexicale elementen en conceptuele categorieën. In het ene geval is de dimensie

[p. 47]

zuiver inhoudelijk, in het andere geval betreft zij de relatie tussen conceptuele inhoud en linguïstische vorm. Of nog: in het ene geval betreft zij de efficiënte werkzaamheid van het conceptuele systeem als verwachtingsmodel, in het andere de efficiënte toegang tot dat systeem.

Ik besef dat deze functionele, cognitief-psychologische verklaring van prototypiciteit en van het isomorfiebeginsel een enigszins speculatief karakter heeft, maar ik geloof dat de theoretische aantrekkelijkheid van het geheel daar althans in zekere mate tegen opweegt. Deze aantrekkelijkheid wordt nog verhoogd wanneer men inziet dat de voorgestelde benadering kan worden uitgebreid tot een functionele classificatie van de factoren die van belang zijn bij betekenisveranderingsprocessen. Omdat ik in een ander artikel (1983d) uitvoerig heb aangegeven hoe een functionele classificatie de inadequaatheden van Ullmanns klassieke en welbekende schema (1957:220-244, 1962:211-217) weet te vermijden, wil ik me hier beperken tot een beknopte weergave van de wijze waarop een alternatieve classificatie kan worden ontworpen die de benadering van de vorige paragraaf in zich opneemt. Dat kan in vijf stappen. Ten eerste, naast het daarstraks ingeroepen streven naar efficiëntie moet rekenschap worden gegeven van de expressieve rol van de taal als motief voor semantische of lexicale verandering. Ten tweede, ook deze expressiviteit kan zuiver conceptueel zijn (wanneer uitdrukking wordt gegeven aan nieuwe concepten), maar ze kan, zoals het efficiëntiestreven, ook gesitueerd worden op het formele vlak (wanneer nieuwe woordvormen worden geïntroduceerd met een bijzondere sociolinguïstische of stilistische waarde). Ten derde, het streven naar efficiëntie op het formele vlak uit zich niet alleen in het isomorfiebeginsel, maar ook in verschijnselen als volksetymologie (uiting van een streven naar transparante vorm-inhoudrelaties, althans in een aantal gevallen) en ellips (uiting van een streven naar economische expressiemiddelen). Ten vierde, traditionele betekenisveranderingsmechanismen als metafoor en metonymie zijn voorname strategieën om de interne polysemie van conceptuele categorieën te verhogen. Ten vijfde, de in de classificatie opgesomde factoren treden meestal in combinatie op. Bij elkaar geeft dat het bijgevoegde schema.

[p. 48]

Expressieve principes Efficiëntie-principes
Op het vlak van de inhoud Introductie van nieuwe concepten ter expressie van objectieve veranderingen in de wereld of subjectieve veranderingen in iemands kennis van of houding t.o.v. de wereld. Neiging tot maximalisering van de intracategoriale polysemie, o.m. door mechanismen als metafoor en metonymie.
Op het vlak van de vorm en van de relatie vorm-inhoud Introductie van nieuwe woordvormen omwille van hun sociolinguïstische of stilistische expressiviteit. a. Neiging tot isomorfische vorm-inhoudrelaties (b.v. polycategorialiteitsvrees).
    b. Neiging tot economische vorm-inhoudsrelaties (b.v. ellips).
    c. Neiging tot transparante vorm-inhoudrelaties (b.v. volksetymologie).
Schema II.2: overzicht van de functionele gronden van lexicale of semantische taalverandering.

8. Slotbeschouwingen.

Tot slot van dit artikel wil ik nogmaals benadrukken dat het ver van mij is te beweren dat de hier voorgestelde analyse een volmaakte verklaring van woordverlies in lexicaal-semantische overgangsgebieden inhoudt, noch dat haar theoretische uitdieping een volledige functionele theorie van betekenisverandering constitueert. Ik heb slechts in alle bescheidenheid en met de nodige aarze-

[p. 49]

lingen een alternatief voor de verklaring van woordverlies uit polysemievrees willen voorstellen, een alternatief dat mij in ieder geval valabel en theoretisch aantrekkelijk genoeg lijkt om in de discussie te worden betrokken. Deze alternatieve verklaring lijkt mij preferabel omdat zij de moeilijkheden van een communicatieve analyse vermijdt, omwille van het feit dat zij het onderscheid tussen monolexicale therapieën à la opper en blekken, en bilexicale therapieën à la keest, kruid en trog weet te verklaren, omwille van het feit dat zij meer recht doet aan de onmiskenbare rol van polysemie in de natuurlijke taal, en omwille van het feit dat zij aanknopingspunten biedt voor een algemene functionele theorie van betekenisverandering, zoals ik in dit tweede artikel heb trachten te verduidelijken. Daar staat natuurlijk tegenover dat het relatief gering aantal gevallen dat in deze studie aan bod is gekomen tot meer empirisch onderzoek noopt. Pas dan zou op afdoende wijze duidelijk worden of het onderscheid tussen categorie-interne polysemie en polycategorialiteit in het merendeel der gevallen de voorspelde gevolgen heeft, en pas dan zou op grond van een grote hoeveelheid materiaal in detail kunnen worden nagegaan hoe en wanneer conceptuele categorieën uiteen- of samenvallen. Nog andere methodologische punten spelen een rol: Goossens (1969:88) heeft erop gewezen dat een vermenging van mondeling en schriftelijk ingezamelde gegevens moeilijkheden kan opleveren, en men moet dan ook de vraag stellen in hoeverre de ‘gemengde’ samenstelling van het WLD-materiaal invloed uitoefent op de kaartbeelden die n.a.v. blekken zijn vermeld. Het lijkt me dan ook voorbarig om de hypothesen die ik heb geformuleerd, nu al met grote stelligheid tot conclusies te verheffen; ik zou mijn bedoelingen al ruimschoots voldaan weten, wanneer de hier voorgestelde verklaringswijze veelbelovend genoeg werd geacht om er verder onderzoek in te verantwoorden.

 

Adres van de auteur:

Vakgroep Nederlands RUL

Postbus 9515

2300 RA Leiden

[p. 50]

Bibliografie

Bartsch R. 1981. ‘Kommunikatienormen en lexikale verandering’. TTT 1:83-101.
Bellmann G. 1961. Mundart und Umgangssprache in der Oberlausitz. Marburg: Elwert Verlag.
Berlin B. 1978. ‘Ethnobiological classification’. In E. Rosch & B.B. Lloyd (red.), Cognition and categorization (Hillsdale: Erlbaum), 10-26.
Chambers J.K. & P. Trudgill 1980. Dialectology. Cambridge: University Press.
Eylenbosch E. 1962. Woordgeografische studies in verband met de taal van het landbouwbedrijf in West-Brabant en aangrenzend Oost-Vlaanderen. Leuven: Symons.
Eylenbosch E. 1966. ‘Middeleeuwse woordgeografie’. Handelingen van de Zuidnederlandse Maatschappij voor Taal- en Letterkunde en Geschiedenis 20, 157-172.
Fischer H. 1904. Schwäbisches Wörterbuch. Tübingen: Laupp.
Geeraerts D. 1983a. ‘Prototype theory and diachronic semantics: a case study’. Indogermanische Forschungen 88:1-32.
Geeraerts D. 1983b. ‘Lexicografie en linguïstiek: Reichling gerehabiliteerd’. TNTL 99, 186-206.
Geeraerts D. 1983c. ‘Diachronic extensions of prototype theory’. L.A.U.T. Paper, series A, 119. Ook in G. Hoppenbrouwers e.a. (ed.), Meaning and the lexicon (Dordrecht: Foris, 1985), 354-362.
Geeraerts D. 1983d. ‘Reclassifying semantic change’. Quaderni di Semantica 4, 217-240.
Geeraerts D. 1984. ‘Type en prototype’. TTT. Tijdschrift voor Tekst- en Taalwetenschap 4, 69-86.
Geeraerts D. 1985a. ‘Preponderantieverschillen bij bijna-synoniemen’. NTg 78, 18-27.
Geeraerts D. 1985b. ‘Polysemization and Humboldt's principle’. Cahiers de l'Institut de Linguistique de Louvain 11, 3/4, 29-50.
Geeraerts D. 1985c. Paradigm and paradox. Leuven: Universitaire Pers.
Geeraerts D. 1986. Woordbetekenis. Een overzicht van de lexicale semantiek. Leuven: Acco.
Geeraerts D. & A. Moerdijk 1983. ‘Lexicale semantiek en morfologische betekenisbeschrijving’. NTg 76, 517-531.
Gilliéron J. 1918. Généalogie des mots qui désignent l'abeille. Paris: E. Champion.
Goossens J. 1962. ‘Polysemievrees’. TNTL 99, 36-55.
Goossens J. 1963. Semantische vraagstukken uit de taal van het landbouwbedrijf in Belgisch-Limburg. Antwerpen: De Nederlandsche Boekhandel.
Goossens J. 1969. Strukturelle Sprachgeographie. Heidelberg: Carl Winter.
Goossens J. 1975. ‘Van einen seltsanen stut’. In H. Fromm e.a. (red.), Verbum et signum (München: Wilhelm Fink Verlag).
Goossens J. 1977. Inleiding tot de Nederlandse dialectologie. Groningen: Wolters-Noordhoff.
[p. 51]
Höing H. 1958. Deutsche Getreidebezeichnungen in europäischen Bezügen. Giessen: Schmitz Verlag.
Jaberg K. 1936. Aspects géographiques du language. Paris: Droz.
Jutz L. 1960. Vorarlbergisches Wärterbuch. Wien: Holzhausen.
Pée W., G. Winnen & J. Renson 1957. ‘De benamingen van de doodkist in Noord- en Zuid-Nederland, Wallonië en de aangrenzende gebieden’. TT9, 97-133.
Rosch E. 1975. ‘Cognitive representations of semantic categories’. Journal of experimental psychology 104, 192-233.
Rosch E. 1977. ‘Human categorization’. In N. Warren (ed.), Studies in cross-cultural psychology I. New York: Academic Press.
Rosch E. 1978. ‘Principles of categorization’. In E. Rosch & B.B. Lloyd (eds.), Cognition and categorization. Hillsdale N.J.: Lawrence Erlbauwm.
Rosch E. & C.B. Mervis 1975. ‘Family resemblances’. Cognitive Psychology 7, 573-605.
Rosch, E. & C.B. Mervis 1981. ‘Categorization of natural objects’. Annual review of psychology 32, 89-115.
Schmeller J. 1827. Bayerisches Wörterbuch. Stuttgart: Cotta.
Tollenaere F. de 1974. ‘Lexikografie en linguïstiek. Het probleem der woordbetekenis’. TNTL 90, 81-105.
Tollenaere F. de 1983. ‘Nogmaals “Lexicografie en linguïstiek”’. TNTL 99, 306-311.
Tuerlinckx F. 1886. Bijdrage tot een Hagelandsch Idioticon. Gent: Hoste.
Ullmann S. 1957. The principles of semantics. Oxford: Basil Blackwell.
Ullmann S. 1972. Semantics. Oxford: Basil Blackwell.
Vroon P. 1976. Bewustzijn, hersenen en gedrag. Baarn: Ambo.
Weijnen A., J. Goossens & P. Goossens 1983. Woordenboek van de Limburgse dialecten I-1. Assen: Van Gorcum.
Willemyns R. 1966. ‘De pit van een peer in de Zuidnederlandse dialecten’. TT 18, 115-134.
Wittgenstein L. 1953. Philosophical investigations. Oxford: Basil Blackwell.