Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 111


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 111. Stichting Dimensie, Leiden 1995


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 241]

C. Henstra
De Breeveertien in de woordenboeken

Abstract - The ‘Breeveertien’ (Broadfourteen) used to be and still is an extensive (broad) plain fourteen fathoms deep in front of the coast of Holland. In the seventeenth and eighteenth centuries the same plain could be called a shoal because the surrounding sea bottom was lower everywhere. In the course of the nineteenth century the differences in depth disappeared and therefore the Broadfourteen should no longer be called a shoal. In the dictionaries there are several misconceptions about the Broadfourteen; consequently the Broadfourteen is still called a shoal, even in the biggest dictionary of the Dutch language, the WNT.

 

In de lexicografie is de Breeveertien al anderhalve eeuw lang een gevaarlijke ‘ondiepte’ waarop menig woordenaar is gestrand, terwijl ze toch, zoals uit de naam is af te leiden, 14 vadem (1 vadem = 1.80 m.) diep is.

Vanaf de negentiende eeuw is de Breeveertien een uitgestrekte (breede) vlakte voor de Hollandse kust van ± veertien vadem diep; een horizontale onderbreking dus van een flauw hellende zeebodem. Aan het eind van de zestiende en in de zeventiende en achttiende eeuw werd diezelfde vlakte van ± 14 vadem diep overal omringd door een lager gelegen zeebodem; de Breeveertien had reliëf en op grond daarvan kon men haar toen een bank noemen. De diepteverschillen varieerden in de zeventiende eeuw, zoals te zien is op een zeekaart van Blaeu [1648], van 2 á 3 vadem aan de binnenkant (overgang van 14 naar 16 á 17 vadem) tot 10 vadem op een enkele plaats aan de buitenkant (overgang van 14 naar 24 vadem), zodat op sommige plaatsen de helling van de Breeveertien vrij steil geweest zal zijn. Korter en smaller van vorm en met geringere diepteverschillen treffen we ‘De brede Vierthijn’ aan op een zeekaart uit het Thresoor der Zeevaert van Lucas Jansz. Waghenaer uit 1592. Na de zeventiende eeuw nemen de diepteverschillen geleidelijk af en in de loop van de negentiende eeuw zijn ze vrijwel verdwenen. De Breeveertien als vlakte is onveranderd gebleven, maar t.o.v. haar omgeving is de situatie wèl veranderd: de diepteverschillen zijn opgeheven en op grond daarvan kunnen we niet meer spreken van een bank.

De Breeveertien had de vorm van een gebogen arm; de onderarm was loodrecht op de kust gericht en ‘raakte’ deze tussen Scheveningen en een punt tussen Noordwijk en Zandvoort; na de elleboog, ± 30 mijl uit de kust, liep de bovenarm evenwijdig aan de kust tot boven Tessel, waar de Breeveertien eindigde. Rondom de elleboog was het in de zeventiende eeuw 20 tot 24 vadem diep.

De cartografen hebben de bank in kaart gebracht,1 de lexicografen daarentegen zijn, zover ik heb kunnen nagaan, meer dan twee eeuwen aan de in vele uitdrukkingen voorkomende Breeveertien stilzwijgend voorbijgegaan. Raadselachtig is dit allerminst: in de eerste plaats is het verschijnsel zonder de in kleine kring circulerende, kostbare zeekaarten moeilijk exact te beschrijven en in de tweede plaats zijn in de

[p. 242]

zeventiende en achttiende eeuw vrijwel uitsluitend tweetalige woordenboeken verschenen, waarin een inheemse aardrijkskundige naam niet thuishoort. Eerst in 1840 duikt de Breeveertien in het Aardrijkskundig Woordenboek van A.J. van der Aa op met de volgende beschrijving:

zandbank in de Noordzee, op de kust van Holland. Zij beslaat de geheele breedte van bezuiden Scheveningen tot benoorden Noordwijk aan Zee, strekt zich op die zelfde breedte noordwestwaarts in zee uit, vormt ongeveer op de hoogte van 22o25′O.L. 52o40' N.B., [de nulmeridiaan van Greenwich werd eerst in 1884 algemeen aangenomen (CH)] eenen elleboog, en neemt van daar, allengs smaller wordende, eene noordelijke rigting tot dat zij op ongeveer 54o N.B. in eene stompe punt uitloopt.

Tot zover een correcte beschrijving. Uit de volgende onjuistheden blijkt dat Van der Aa geen of geen goede zeekaart tot zijn beschikking had, althans niet raadpleegde:

De Breeveertien is aan de binnenzijde steil, als een muur omlaag gaande, en heeft daar zes en twintig vademen diepte; aan den buitenkant is het nog dieper, doch aldaar loopt zij glooijend op tot op veertien vademen, waarop zij gemeenlijk blijft, en waarvan zij haren naam ontleent; maar digt aan den vasten wal is zij wat ondieper en wel tot negen of tien vademen toe. Sommigen willen dat zij de oude zeewering van ons land geweest zij [...]. Thans belet zij aan grootere vaartuigen, dan vissersschuiten, het landen op de Hollandsche kust.

De aangegeven diepten zijn voor de zeventiende en zeker voor de negentiende eeuw sterk overdreven en de onmogelijkheid van het landen is niet te rijmen met de volgende zinssnede ‘maar digt aan den vasten wal is zij wat ondieper en wel tot negen of tien vademen toe’; bovendien kunnen grotere vaartuigen nergens op de kust landen.

Wat zegt het WNT (III, 1 [1902]), de moeder van al onze woordenboeken, ervan?

Naam eener groote, breede zandbank vóór de Hollandsche kust die vroeger, bij Katwijk beginnende en op een afstand van 6 geogr. mijlen van de kust als een elleboog ombuigende, zich uitstrekte tot op de hoogte van Tessel, doch thans, tengevolge van veranderingen in den bodem, eene uitgestrekte vlakte vormt, dwars van Noordwijk in noordoostelijke richting zich uitstrekkende tot dwars van Callantsoog. Blijkbaar is de naam ontleend aan de doorgaande gelijkmatige diepte van omstreeks 14 vadem water welke daarop gevonden wordt.

Hierbij zij opgemerkt dat de afstand van de elleboog tot de kust niet 6 maar ± 30 mijl was. De tweede onjuistheid schuilt in de zinsnede ‘doch thans [...] eene uitgestrekte vlakte vormt’. De Breeveertien is altijd een vlakte geweest. Uit deze formulering blijkt dat de redacteur van het WNT de Breeveertien in voorgaande eeuwen niet als een vlakte zag, maar waarschijnlijk als een rug, de meest voorkomende vorm van een bank. Als er geen sprake was van een vlakte, dan ook geen ‘doorgaande gelijkmatige diepte’, zoals aan het eind van de omschrijving vermeld wordt. De kern van de omschrijving van het WNT is als volgt: eene groote, breede zandbank (die) thans eene uitgestrekte vlakte vormt.2 De Breeveertien wordt dus nog steeds als een bank gezien (in de vorm van een vlakte), hetgeen onjuist is.

Na het verschijnen van het desbetreffende deel van het WNT is de opmars van ‘de

[p. 243]

verdwenen zandbank’ niet meer te stuiten; in alle door mij geraadpleegde woordenboeken wordt de Breeveertien als bank omschreven. H. Zondervan wijkt hiervan af in zijn Algemeen verklarend woordenboek [1912]: ‘zandbank die oudtijds voor de hollandsche kust lag’ en is daarmee de enige die inzag dat er op dat moment geen sprake meer was van een bank.

In 1914 komt Van Dale in zijn 5e druk met nieuwe gegevens, die waarschijnlijk ontleend zijn aan Vivat's geïllustreerde encyclopedie bewerkt door J. Kramer [1900-1908]: ‘eene lange, breede zandbank voor onze kust, van 32o40' tot 54o N.B. en gemiddeld 14 vadem onder water’. 32o40' i.p.v. 52o40'! Dat is op de hoogte van Madeira! Deze geografische positie van de ‘zandbank’ treffen we tot en met de 12e druk [1992] aan; zelfs Viëtor, ‘oud eerste stuurman van de koopvaardij’, zoals de titelpagina vermeldt, neemt in zijn Zeemanstaal [z.j.], vermoed ik, de omschrijving van Van Dale over: ‘lange, brede zandband voor onze kust van 32o40' tot 54o00' N.B. met een gemiddelde diepte van 14 vademen’: 3 fouten plus een drukfout; de diepte is - en dat is de derde fout - niet gemiddeld 14 vadem, maar 14 vadem, zij het met enige speling.

Het aantal misvattingen is hiermee nog niet uitgeput. De Bo noemt in zijn Westvlaamsch Idioticon [1892] de Breeveertien ‘eene zeer breede droogte [sic] die meest overal veertien vamen diep ligt’. En tenslotte ziet A. Huizinga in zijn Nederlandse zegswijzen [1965] bij storm de schepen meestal verongelukken op de Breeveertien; ‘hoogstens 14 vadem diep’ geeft hij er (ter verklaring?) bij. Waarschijnlijk heeft de figuurlijke betekenis van de uitdrukking de breeveertien

illustratie

Uit: The Sea-Beacon by William Johnson Blaeu [1643], facsimile-uitgave van Theatrum Orbis Terrarum [1973].


[p. 244]

opgaan, namelijk ‘verongelukken’, hem parten gespeeld. De betekenisontwikkeling van deze uitdrukking zal zó verlopen zijn: de zee opgaan > een vrij leventje leiden > een los leven leiden (vooral van meisjes gezegd) > de verkeerde weg opgaan > verongelukken. Overigens is het heel goed mogelijk dat in de zeventiende eeuw bij stormweer een enkel schip is vergaan door de zware brekers die vermoedelijk boven de steile hellingen van de Breeveertien, rondom de elleboog, hebben gestaan.

Nogmaals, al dit onbegrip hoeft ons niet te verbazen; de Breeveertien is tenslotte geheel aan het oog onttrokken. Hopelijk worden wij niet van de weeromstuit het slachtoffer van een andere vorm van onbegrip, zoals te zien is bij Charles Nodier [1785-1840]: ‘Les dictionnaires sont des plagiats par ordre alphabétique’. Het woord ‘plagiaat’ is hier niet op zijn plaats; het werk van een lexicograaf bestaat voor een groot gedeelte uit het inventariseren van taalmateriaal èn de bevindingen van anderen; daar is niets op tegen, integendeel zelfs, mits kritische zin en speurzin daar maar niet onder lijden.

 

Adres van de auteur: Fruinlaan 3, NL-2313 EP Leiden