Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 112


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 112. Stichting Dimensie, Leiden 1996


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 352]

K.H. van Dalen-Oskam en K.A.C. Depuydt
Het Vroegmiddelnederlands Woordenboek (1200-1300)
Over betekenissen en meer

Abstract - This third and last article of a series on the Vroegmiddelnederlands Woordenboek (see TNTL 112, p. 149-164 and p. 238-248) gives an insight into the structure and possible content of an entry in the dictionary. This is illustrated with several examples. The article also elaborates on some more characteristics that make the dictionary so unique, i.e. the reliable and very detailed linguistic information it provides and the fact that there is an unusual emphasis on encyclopaedic information.

Inleiding

In de twee vorige bijdragen uit deze reeks over het Vroegmiddelnederlands Woordenboek (VMNW) is de ontstaansgeschiedenis beschreven en is de minder gebruikelijke opname van onomastisch materiaal aan de orde gekomen. In dit afsluitende artikel willen wij vooral ingaan op de ‘gewone’ woorden en zullen wij aan de hand van voorbeelden laten zien wat er in elk woordenboekartikel te vinden is.

Korte betekenis en woordsoort

Gewoonlijk wordt een woordenboek geraadpleegd om na te gaan wat een bepaald woord zou kunnen betekenen of om een eventueel vermoeden daarover bevestigd te zien. Elk woordenboekartikel van het VMNW heeft daarom, meteen in het begin, een samenvatting van de verderop uitgewerkte betekenisstructuur: de zogenaamde ‘korte betekenis’ (in het onderstaande voorbeeld is dit de informatie die direct op [1] volgt).

lettinghe

[2] znw.v.

 

[1] belemmering; tijdverlies

[3]

 

(lettinge) 1/1/1 Limb 1240. letting(h)e; ds -; as -. Van de stam van het ww. letten ‘belemmeren, ophoudenmet het suffix -inghe ter vorming van een znw.

I 1. Belemmering. ‖ jmpedimentum: lettinge, Bern. 219,35 (Limb 1240). dar bi so hebbe ic hem ghelouet in goeden truwen dat ic die wateringhe van dien lande so wanner hise an minen gherechte ghebrocht heuet. dor min gherechte thalver ysele sal leyden sonder alrehande commer of lettinghe. Corp.I 552,21-24 (Whol 1281).

[p. 353]

2. Oponthoud, tijdverlies. ‖ (...) van dien dat hi hadde vernomen. Andre (l. An der) .iij. coninghe comen. Ende in der lettinghe van der vard. Die hi dede te rome ward. Kendi dat ouder was een deel. Jhesus dan .i. iaer gheel. Rijmb. 515,10-15 (Wvla 1285).

Deze indeling maakt het opzoeken van betekenissen zo efficiënt mogelijk: de ‘korte betekenis’ kan als gids dienen bij verder zoeken, maar geeft de gebruiker tevens de mogelijkheid om het woordenboek, wanneer hij dat wenst, (slechts?) als glossarium te gebruiken.

Ook meteen aan het begin van elk artikel wordt de woordsoort van het behandelde lemma gegeven (in het bovenstaande voorbeeld staat deze direct na [2]). Er worden in principe nooit twee woordsoorten onder één ingang behandeld: een gesubstantiveerd werkwoord, bijv. (dat) sien ‘(het) zien, kijken’, en het werkwoord dat ermee samenhangt, in het voorbeeld sien ‘zien, kijken’ worden apart bewerkt en met romeinse cijfers onderscheiden (sien (I) resp. sien (II)), net zoals andere homoniemen.

Middelnederlandsch Woordenboek (MNW)

Tussen de korte betekenis en het uitgebreide, met citaten geïllustreerde betekenisoverzicht staat voor taalkundig onderzoek relevante informatie. Dit blok wordt ingeleid door een verwijzing naar het lemma in het MNW (in bovenstaand voorbeeld: ‘(lettinge)’), om de gebruiker de mogelijkheid te geven het lemma dat hij raadpleegt naast de beschrijving van hetzelfde woord in het MNW te leggen. Deze uitvoerige vermelding is geen overbodige luxe, vergelijk bijvoorbeeld het VMNW- lemma iever (een vrachtschip), dat in het MNW onder een andere beginletter is terug te vinden, t.w. ‘ever’. Wanneer het MNW een andere woordsoort of een ander woordgeslacht aangeeft dan wij in ons materiaal hebben kunnen vinden, vermelden we dat achter de tekst van het aangehaalde MNW-lemma: voet, dat in het dertiende-eeuwse materiaal uitsluitend mannelijk is, heeft als verwijzing naar het MNW(voet znw.m., v.)’. Het ontbreken van een verwijzing naar het MNW is een duidelijk signaal dat de gebruiker met nieuwe informatie te maken krijgt. Het betreft natuurlijk vaak namen (zie hiervoor het vorige artikel uit dit drieluik), maar ook andere woorden, zoals bijvoorbeeld samaritaensc.

Taalkundig relevante informatie

Zoals in de eerste bijdrage over het VMNW al aan de orde is gekomen, bestaat de materiaalverzameling uit diplomatische edities van alle tussen 1200 en 1301 in de Nederlandse taal geschreven ambtelijke en literaire documenten. Elke woordvorm uit deze geschriften staat in een database en is niet alleen voorzien van een code die aangeeft tot welke woordsoort deze behoort (en bijv. in welke verbuiging of vervoeging), maar ook van codes die informeren over het document waar de

[p. 354]

betreffende woordvorm in staat, de plaats of regio waar dat document (waarschijnlijk) vandaan komt, het genre waartoe de betreffende tekst behoort en de datum waarop de tekst geschreven is (of de periode waarin deze waarschijnlijk aan het perkament is toevertrouwd). Een op die manier opgebouwde materiaalverzameling en de wijze waarop deze benaderd kan worden (door de zeer uitgebreide sorteermogelijkheden in de computerprogrammatuur bijv.), stelt de redactie in staat om op verschillende gebieden accurate informatie te geven die een handmatig geëxcerpeerde woordverzameling niet kan leveren.

Onmiddellijk na de verwijzing naar het MNW zijn de frequentiegegevens en de vermelding van de oudste vindplaats en vinddatum te vinden. Zo wordt de ingang van bijvoorbeeld het lemma voet direct gevolgd door het totale aantal vindplaatsen van dit zelfstandig naamwoord, ‘[445]’, en volgt op de verwijzing naar het MNW (zie hierboven) het wellicht cryptisch ogende ‘5/131/309 Limb 1200.’ Hiermee willen wij zeggen: ‘Het Middelnederlandse woord voet komt 445 maal in de dertiende-eeuwse handschriften voor, waarvan 5 maal in een lexicografische bron (dat is het Glossarium Bernense), 131 maal in ambtelijke bescheiden en 309 maal in literaire manuscripten; het oudste document waarin voet voorkomt, stamt uit de regio Limburg en is geschreven in het jaar 1200.’ Een dergelijke spreiding over de verschillende genres wordt niet altijd aangetroffen. Zo komt het zelfstandig naamwoord meestervolre 39 keer voor, maar alleen in de ambtelijke bescheiden (en dan nog alleen te Brugge en Gent), en evelbaren ‘duivel’ 9 maal, uitsluitend in literaire teksten (en hierin alleen in de zogenaamde Kopenhaagse Lutgart). De frequentie in het boven aangehaalde lemma lettinghe is uitzonderlijk: 1/1/1.

Ook verderop in het kopje kunnen frequentiegegevens voorkomen, namelijk bij de behandeling van de spellingvariatie en de eventueel daarop volgende beschrijving van significante regionale beperktheid van sommige van de aangetroffen spellingswijzen. Bij voet is de spellingvariatie als volgt: ‘fuet (1x), voed (2x), voet (regelmatig met procl. het vz. te), vut (Limb), uůt-, vůt en vẘt (Nrijn); ook verbogen: uote, vote (eenmaal voeete).’ Omdat ons materiaal uit diplomatisch uitgegeven teksten bestaat, zijn de gegevens bij spellingvariatie zeer betrouwbaar. Ter vergelijking: in het MNW is de informatie hierover direct achter de ingang te vinden. Bijvoorbeeld: ‘voet (voot, vuet, voit)’. (Er zijn in het MNW natuurlijk ook vormen te vinden in de aangehaalde citaten; die zijn echter voor een groot deel geselecteerd uit kritische en bovendien soms onbetrouwbare edities.)

Deze werkwijze betekent ook dat de normalisering van de spelling van de ingangen het woordbeeld niet verdoezelt, zoals zo vaak voor het MNW wordt opgemerkt. Alle spellingvarianten worden immers systematisch in een VMNW-lemma vermeld. De standaardspelling van de ingangen heeft maar één functie: het is voor de gebruiker een hulpmiddel om bij de gezochte informatie te geraken (zie daarover de paragraaf ‘alfabetisering en spelling’ in de eerste bijdrage van dit drieluik). Het kan dus voorkomen, vooral bij woorden die maar heel weinig vindplaatsen hebben, dat de vorm van de ingang niet in het materiaal is aangetroffen. Als de wel geattesteerde vormen ook maar iets verschillen van de vorm die men zou verwachten (hetgeen in het voorbeeldlemma hierboven niet het geval is), dan geven wij voor de minder doorzichtige vormen een verwijzingslemma.

[p. 355]

In de opsomming van de spellingvarianten hebben we de variatie in de verbogen en vervoegde woorddelen buiten beschouwing gelaten. Die komt systematisch aan de orde in het flexie-overzicht - iets wat in het MNW alleen bij hoge uitzondering aandacht heeft gekregen. Ook hier hebben we volledigheid nagestreefd. Voor het lemma voet ziet dit er als volgt uit: ‘ns -; gs -s, eenmaal voetsh (toenaam); ds -, -e; as -; np -e, -en; gp -e; dp -en; ap -, -e, -en.’ Hiermee duiden wij aan: in de nominatief singularis heeft voet geen uitgang, in de genitief singularis wordt voet gewoonlijk voorzien van een -s, maar eenmaal - met de functie van een toenaam - ook van een -sh, en zo verder. Eventuele Latijnse flexie bij gelatiniseerde woorden wordt ook altijd genoemd:

antwerpia

znw.v.

 

Antwerpen

[4]

 

0/4/0 Antwerpen 1248-1271. antwerpia; Lat. flexie. Door toevoeging aan de stam antwerp- van de uitgang -ia gelatiniseerde vorm van de stadsnaam antwerpen.

I 1. Antwerpen, stad aan de Schelde (prov. Antwerpen). ‖ Jn antwerpia in noua platea mansus quem contulit Gocelmus queeckin (In Antwerpen in de Nieuwstraat, een huis dat Goselm Kweekin gaf.), Obit. 1, 4-5 (Antwerpen 1248-1271). (...)

Na de spellingvariatie en de flexie kunnen achtereenvolgens aan de orde komen: morfologie, etymologie en geografische spreiding.

Wat de morfologie betreft, hebben wij meestal te maken met samenstellingen en afleidingen. Voor samenstellingen hanteren wij de beknopte formulering ‘Uit x en y’ en voor afleidingen ‘Van x met y’. Zo is het zelfstandig naamwoord lijnlaken ‘laken’ samengesteld ‘Uit het znw. lijn “vlasen het znw. laken “doek; laken”’. Het zelfstandig naamwoord harpere ‘harpspeler’ bijvoorbeeld is afgeleid ‘Van de stam van het ww. harpen “harpspelenmet het suffix -ere ter vorming van een nomen agentis’. In deze beschrijving gaan we altijd maar één stap terug. Voor meer informatie over de samenstellende delen van een woord kan men vervolgens de betreffende lemmata naslaan.

Wat de etymologie van de dertiende-eeuwse woorden betreft, hebben we als regel dat van een leenwoord systematisch vermeld wordt aan welke taal (en in welke vorm daaruit) het woord ontleend is. Zo vermelden we bij het zelfstandig naamwoord pardo(e)n: ‘Uit Ofra. pardon “vergiffenis”’ en bij het lemma paste(r)nake (pastinaak): ‘Uit Lat. pastinaca’. In het lemma perkement staat deze informatie direct na de [1].

perkement znw.

 

perkament [2]

 

(parcament znw.o.) 1/1/0 Limb 1240. per-, parkement; ns -; ds -e. [1] Ofra. percamin

[p. 356]

Mlat. pergamenum, aft. van de stadsnaam Pergamon in Klein-Azië, waar perkament het eerst werd gemaakt. Vgl. Franck/Van Wijk, s.v. perkament

I 1. Perkament. ‖ pergamenum: perkement, Bern. 274,26 (Limb 1240). (In een Dordtse rekening:) Jtem van parkemente .xxvij d. Corp.I 782,26 (Dordrecht 1284).

Bij niet-samengestelde of afgeleide woorden die geen leenwoord zijn, komt de etymologie slechts bij uitzondering aan de orde. Er bestaan immers goede etymologische woordenboeken voor ons taalgebied. Maar omdat we een volledig bestand hanteren en dit uitputtend beschrijven, komt het regelmatig voor dat het materiaal nieuwe inzichten oplevert in de etymologie van een woord. Die gevallen worden ook beschreven. Bovendien geven wij altijd aan, wanneer de etymologie van een woord nog niet bevredigend is verklaard in de bestaande naslagwerken en ook niet op grond van ons materiaal verhelderd kan worden. Zo merken we op over het zelfstandig naamwoord palloen (een bep. vruchtdragend gras): ‘Herkomst onbekend’ en bij sarc (I) (garen voor een bep. wollen stof): ‘Etymologie onduidelijk, vgl. MNW VII, 167’.

Het laatste aspect van de taalkundig relevante informatie in een VMNW-lemma is door ons kort ‘geoinfo’ genoemd. Deze informatie is nauw verbonden met het boven al besproken overzicht van spellingvarianten. De volledigheid van de database en de verschillende ordeningsmogelijkheden die de computer ons biedt, maken het betrekkelijk eenvoudig om bij woorden die in verschillende regio's voorkomen te zien of bepaalde vormvarianten regionaal beperkt zijn. Als hierin duidelijke lijnen te ontdekken zijn, dan beschrijven wij deze. Een voorbeeld is het zelfstandig naamwoord gracht ‘gracht’, met de volgende spellingvariatie: ‘gracht(e-) (100x), gract (1x), graecht (1x), graft(e) (8x), gragt(e) (11x), graht (9x), grecht(e) (2x)’. De geoinfo bij deze gegevens is als volgt geformuleerd: ‘De vormen met -ft zijn Hollands, die met -ht zijn Oost-Vlaams (Wr.Rag.), die met -gt zijn Limburgs, evenals die met palatale vocaal: gregt-. Het woord is vrouwelijk in alle gewesten, behalve in Limburg, waar het onz. (of mann.?) is. (...)’. Wanneer een vorm in slechts één document uit een bepaalde regio is aangetroffen, vermelden we dat ook altijd. In het bovenstaande voorbeeld is dat zo voor de vorm graht, die alleen in Oost-Vlaanderen is geattesteerd en wel in de tussen haakjes vermelde Wrake van Ragisel.

De betekenisomschrijvingen

Het betekenisgedeelte van een lemma in het VMNW verschilt formeel niet zoveel van de andere historische woordenboeken in ons taalgebied (zoals het MNW en het WNT). Er wordt aandacht besteed aan definiëring [1], geïllustreerd uiteraard met citatenmateriaal [2], vaste verbindingen krijgen een afzonderlijke beschrijving [3], citaten die afzonderlijke toelichting verdienen worden apart gezet in een zogenaamd schrapje [4] en de citaten zelf, die in hun diplomatische vorm in het woordenboek worden geciteerd, worden - waar nodig - aangevuld met een vertaling [5], suggesties voor een andere lezing [6] en/of verklarend commentaar [7] (in alle gevallen cursief afgedrukt).

[p. 357]

Hieronder illustreren wij dit aan de hand van een aantal lemmata waarin de vet afgedrukte en tussen vierkante haken geplaatste cijfers corresponderen met de hierboven opgesomde punten.

goetlike

bw.

 

vriendelijk; vroom; eerbiedig

[7]

 

(goedelijc) 2/0/5 Limb 1200. gutleke, -like, gůtlike. Van het bnw. goet met het suffix -like ter vorming van een bw. De spelling -u- i.p.v. -oe- in gesloten syllabe is Limburgs (Van Loey II, § 85a). Alleen in Limburg en de Nederrijn aangetroffen.

I 1. Op vriendelijke, welwillende wijze. [1] ‖ [2] benignitas: gutheit / benigne: gutleke, Bern. 144,39-40 (Limb 1240). Daries sprac do den kinde gutlike to. Floyr. 300,36-37 (Nrijn 1201-1225). dat bret man euer uor trůc. dar sie up spilen solden. sie satten dat sie wolden. floyres wan den alden af. gutlike her it wider gaf. (Het bord trok men tevoorschijn, waarop ze een spel zouden gaan spelen. Ze gingen zitten zolang ze er zin in hadden. Floris won van de oude man. Vriendelijk gaf hij het hem terug.) [5], Floyr. 303,36-304,1 (Nrijn 1201-1225). (...) want si was eine urouwe scone. si hiet urou aihe uan montone. twe scone kercen si untstac. gůtlike si tu ůume sprac. wie is it u uergaen tenacht. Aiol 328,3-7 (Nrijn 1220-1240).

2. Op vrome wijze. ‖ virtus: cragt / virtuosus: cragtlec / virtuose: gutleke, Bern. 341,21-23 (Limb 1240). De vertaling van Lat. virtus ‘deugdis in bovenstaande aanh. blijkbaar(geestelijke) kracht’, ‘(morele) goedheid’ [7]. In den einod[e. he] nam sin armode. Vele gutl[ike.] he wolde godis rike. Der m[ide] erweruen. Servas 292,34-38 (Limb 1200).

3. Op deemoedige, eerbiedige wijze. ‖ Vrolike si sungen. da si te heme drungen. Si uilen heme te vuten. gutlike sine gruten. Servas 290,21-24 (Limb 1200).

sies

znw.

 

jachthond

[1]

 

(sies znw.m.) 0/1/0 Limb 1276-1300. sies; ns. < Ofra. seüz ‘bep. soort jachthond’ < Gall. segusius (vgl. FEW XI, p. 414).

I 1. Jachthond. De plaats in onderstaande aanh. is corrupt. Hs. A heeft reynout de ries, hs. F symon die sies, hs. B Symonet die rike vriess en hs. P Pater simonet die vriese (vgl. Rein., ed. Hellinga p. 170-171). Het is niet duidelijk wat er in de oorspr. tekst gestaan heeft. ‖ [hoe mochti]c vergetten dis [dat aldar s]ininit (of sininit? hs. onduidelijk; l. simonet? red.) [6] die sies [die valsce p]ennincge sloeh [dar hi hem] mede scone bedroueh (hs. gehavend), Rein.E 387,13-16 (Limb 1276-1300).

ghiën

zw.ww.trans.

 

verklaren; bekennen

[3]

 

(gien) 0/2/1 Middelburg 1254. gien, ghie-; 3e sg.ind.pres. ghied; inf. gien; part.perf. gheghiet.

[p. 358]

I 1. Verklaren, erkennen, toegeven. ‖ (Heinrick heeft land verkocht aan Ie) omme ene summe, van penghen die hi je hem heinricke alse hi vor ons gheghiet heuet te vollen vergouden heuet, Corp.I 2775,22-23 (Zierikzee 1300).

- In de volgende aanh. meer bep.: (voor iets) uit kunnen komen, goede argumenten hebben (voor iets). [4] ‖ heuestu die cruce ontfaen got heeschet sijn belof wldaen ne soeker af negheen aflaet hensi oft sonder loes so staet so dattu dars uoer gode gien wies kennesse niemen mach ontulien (Parafrase: Als je beloofd hebt op pelgrimstocht te gaan, probeer er dan niet onderuit te komen, maar zie er alleen dan van af wanneer je er gegronde redenen voor hebt - je moet je voor God kunnen verantwoorden.), Nat.Bl.D 175,33-38 (Wvla 1287) [5].

2. (Jur.) Bekennen, belijden. Met de gen. van de zaak. ‖ Ghied hi oek der schoud; so moet hi bliuen ints grauen steen, Corp.I 56,31-32 (Middelburg 1254).

ghecocht

bnw.

 

gekocht zijnde

[7]

 

1/6/0 Limb 1240. gecogt, ghecoct, gheco(c)ht, icocht (met Westvlaams i- voor ghe-); ns -; ns mannelijk -; ns onzijdig - (eenmaal in postpos.); gs vrouwelijk (?) -er. Eig. part.perf. van het ww. copen ‘kopen’.

I 1. Gekocht zijnde. ‖ emptio: copinge / empticjus: gecogt, Bern. 191,10-11 (Limb 1240). ende dese .lx. roeden lands ghecocht. lichghen an dat uorseide land in grote coppic. Corp.I 987,22-24 (Zaamslag? 1285). (Dorsale notitie:) icocht lant.-, Corp.I 394,9 (Brugge 1276-1300). (Deel van een dorsale notitie:) .xxx. s̃ parisisen iarlijcs vp .ii. ymeten ende ½ ymete lants lighende in sinte walburghs proghie ghecogter rente dar die wit niet ouer no stoet.-, Corp.I 2361,42-44 (Veurne 1291-1310).

In de verb. ghecocht portere. Iem. die voor zijn poorterschap betaald heeft; volwaardige stadsbewoner (met alle bijbehorende rechten en plichten). [3] ‖ Jacob ackengnis prosenterde hem alse ghecoht poertre van sinen jaren jnde maent van nouembre jnt jar mo ccco & xiiijo (nov. 1314), Corp.I 1644,6-8 (Oudenaarde 1314).

Bij definities, citaten, dateringen van citaten, tekst van verbindingen en betekenis van verbindingen zijn soms opmerkingen gemaakt (typografisch onderscheiden door een cursief lettertype). Deze flexibiliteit om extra informatie van welke aard dan ook te kunnen toevoegen, past in de opzet van de redactie om de gebruiker zo volledig mogelijk te informeren. Wat dit laatste betreft, verdient de inhoudelijke aanpak van het betekenisgedeelte van een VMNW-lemma zeker nadere toelichting.

Vooraf dient echter wel duidelijk te worden gemaakt dat het VMNW qua materiaal zeker in een lacune bij het MNW voorziet, maar dat het woordenboek inhoudelijk niet als een aanvullingenproject op het MNW is opgezet. De betekenisanalyses worden op basis van het gehele materiaal gemaakt, staan op zichzelf en bevatten beslist geen opsomming van alleen datgene wat in het MNW ontbreekt. Het vz. van, bijvoorbeeld, heeft in het MNW 21 betekenissen, terwijl de analyse ten behoeve van het VMNW resulteerde in 50 hoofdbetekenissen, verdeeld over 16 hoofdgroepen (Romeinse cijfers).

[p. 359]

We zijn reeds uitvoerig ingegaan op de samenstelling van het materiaal (eerste artikel) en op het feit dat elk voorkomen (elke woordvorm) uit de database beschreven wordt. De ruim 1.600.000 bewijsplaatsen die in ruim 27.000 lemmata verwerkt moeten worden, leveren echter een a-typische verzameling op als elk lemma op zijn frequentie nader bekeken wordt. Er zijn heel wat lemma's waarvan we slechts één vindplaats hebben (ca. 10.350, d.i. 38% van het totaal aantal lemmata), terwijl van functiewoorden (voorzetsels, voegwoorden, voornaamwoorden en lidwoorden) uitzonderlijk veel materiaal voorhanden is, bijvoorbeeld van vindplaatsen ende (78.697) en van (56.680). Dit heeft invloed gehad op onze werkwijze. Wij stellen ons niet op het strikte standpunt dat elk woord een analytische betekenisomschrijving moet krijgen, gevolgd door het vermelden van een aantal synoniemen. Met analytisch omschrijven bedoelen wij het bepalen van de belangrijkste distinctieve kenmerken van een betekenis van een woord (zie bijvoorbeeld het lemma bode (I) dat wij verderop in dit artikel aanhalen). Deze analytische definities worden gemaakt op basis van een contextanalyse waarbij een relatief groot aantal vindplaatsen een voorwaarde is. Bij woorden met slechts één of enkele vindplaats(en) is het derhalve niet mogelijk om een analytische definitie vast te stellen zonder raadpleging van andere woordenboeken als bijvoorbeeld het MNW en het WNT, waar wel systematisch zo gedefinieerd is. Deze woordenboeken beslaan een grotere tijdsperiode en beschikken daarom gewoonlijk over meer materiaal per ingang. Dit heeft als gevolg dat het VMNW regelmatig gebruik maakt van enkelvoudige en meervoudige synoniemendefinities en in principe alleen daar waar dit mogelijk en nodig is tot analytisch definiëren overgaat. Daarin toont het VMNW zijn verschillende gezichten. Het ene moment lijkt het ‘slechts’ een vertaalwoordenboek te zijn, namelijk daar waar alleen enkelvoudige of meervoudige synoniemendefinities zijn gegeven; het andere moment lijkt het weer een ‘gewoon’ wetenschappelijk-historisch woordenboek. Maar we gaan nog verder. Omdat we plaatsen persoonsnamen behandelen (zie de tweede bijdrage van dit drieluik), die hun eigen typische manier van definiëren vragen, lijkt het VMNW soms op een onomasticon. En tot slot lijkt het woordenboek soms ook wel een encyclopedie. Dit is een uitvloeisel van onze overtuiging dat in een woordenboek van het dertiendeeeuws veel meer aandacht geschonken dient te worden aan sociaal-historische informatie dan men tot nog toe in historische woordenboeken heeft gedaan. Immers, omdat de beschreven periode chronologisch zo ver van ons af ligt, zullen bepaalde termen en begrippen uit die tijd veelal niet tot de actuele kennis van de gebruiker van het woordenboek behoren. Daarbij is het ons ideaal om de gebruiker zoveel mogelijk speurwerk in andere naslagwerken te besparen. Hieronder volgt een aantal voorbeelden ter illustratie van het bovenstaande.

De analyse van woorden met één vindplaats kan leiden tot verschillende mogelijkheden van betekenisomschrijving. Heel soms blijft een vindplaats obscuur, zoals in het onderstaande voorbeeld, waarvan ook de herkomst en daardoor de vorm van het VMNW-lemma onzeker is.

[p. 360]

tribulum, -us?

znw.

 

?

[1]

 

0/0/1 Nrijn 1250. tribulo; ds (mog. Lat. flexie?). Etymologie onduidelijk. Er is een Lat. tribulum ‘vijzelen een Lat. tribulus ‘distel; Tribulus L.’, die beide een dat.sg. tribulo hebben. Hiermee wordt echter niet het vr. lidw. der verklaard, men zou den verwachten.

I 1.? ‖ Of tu dat antlítte wile scone maken. Nim wiroc ande mastix ande stot it mit eteke ande stric anedín worehowet. it wíttet so der tribulo dat witte mal mít watere dunne ande dua dar mide duscones (Als je je gezicht mooi wilt maken, neem wierook en mastiek en vermeng dat met azijn en strijk het op je voorhoofd. Het zuivert als volgt: maal het wit met de vijzel?/van de distel? verdun het met water en was je ermee; je wordt (er) mooi (van).), Gen.rec. 343,39-42 (Nrijn 1250).

Het volgende lemma geeft een duidelijk voorbeeld van een meervoudige synoniemendefinitie.

wereltwijf

znw.o.

 

publieke vrouw

[1]

 

(wereltwijf) 0/1/0 Mechelen 1270. wereld wijf; as. Uit de znw. werelt en wijf.

I 1. Publieke vrouw, hoer. ‖ vort. die weuere die met heme hout en wereld wijf die te velde set (die haar publiekelijk neerzet (installeert)); hine mach niet weuen alse langhe alse hi es in desen state hine hebbe hem tirst ghebetert. Corp. I 185,31-33 (Mechelen 1270).

Vanzelfsprekend krijgt vakjargon een uitvoerige betekenisomschrijving.

venteuse

znw.v.

 

laatkop

[1]

 

(ventose) 0/1/0 Gent 1236. uenteusen; ds. Vgl. Ofra. ventouse ‘zuignap, laatkop’.

I 1. (Med.) Laatkop, glazen of metalen kop om bloed te laten. ‖ Die willen mogen hem telker mand ene waruen don blotlaten ter uenteusen. Corp.I 27,8-10 (Gent 1236).

Veel woorden met één vindplaats komen uit het Glossarium Bernense. De enige context die deze woorden hebben, is het Latijnse hoofdwoord. Het valt dan ook meestal niet uit te maken welke betekenis de maker van het glossarium in gedachten had toen hij het Middelnederlandse interpretament neerschreef. In deze gevallen bevat de betekenisomschrijving de mogelijkheden die op basis van het Latijn en het Middelnederlands zijn vastgesteld. Zie bijvoorbeeld:

[p. 361]

wakinghe

znw.v.

 

(het) waken, bewaken; nachtwake

[1]

 

(wakinge) 1/0/0 Limb 1240. wakinge; ns. Van de stam van het ww. waken met het suffix-inghe.

I 1. (Het) wakker liggen, blijven of zijn, (het) waken, ook: (het) houden van de wacht, (het) bewaken; nachtwake, d.i. het vierde deel van de tijd tussen zonsondergang en zonsopgang. ‖ vigilia: wakinge, Bern. 339,38 (Limb 1240).

In het volgende (niet volledig afgedrukte) woordenboekartikel worden analytische definities wel gebruikt.

bode (I)

znw.m.

 

boodschapper; bode; gevolmachtigde; plaatsvervanger; knecht; Bode

[416]

 

(bode) 2/277/137 Limb 1200, bo(e)de; ns -; gs -n; ds -, -n; as -; np -, -n; gp -n; dp -n; ap -, -n. De spelling boede komt voor in Whol. (4x). Ohol. (12x), Utrecht (1x) en Ovla. (Aalst; 7x); voor het overige wordt in alle gewesten steeds bode(-) gespeld.

I 1. Boodschapper.

1.1. In het alg.: iem. die om een boodschap gestuurd wordt; iem. die een boodschap overbrengt. ‖ nuntjus: bode / nuntium: bodescap, Bern. 261,13-14 (Limb 1240). Dv sente Seruas de ge[r]echte, di getruwe godis knegte. Gemanet hadde also. du waren sis uele uro. Wide achter lande. da he sine boden sande. S[ente Se]r[uas der gude. da was u]ele [maneg man.], Servas 293,26-36 (Limb 1200). (...)

1.2. Bode, iem. die beroepshalve bodediensten verricht; stadsbode, gerechtsbode. ‖ Jtem .iij. lb. ende viij. sol vander boden cledere. Corp.I 782,3 (Dordrecht 1284). Jtem didde den bode .iiij. s̃ in die h[aghe], Corp.I 783,12 (Dordrecht 1284). (...)

1.3. Boodschapper van God; engel. ‖ (...) [den heme der] heilege bode gaf. Ende de here [bisc]op solde wesen, ende si bit heme wol[den] genesen. (hs. gehavend), Servas 290,12-14 (Limb 1200). So lange bat die maget fijn Dat anderwerf din bode sijn Aldaer got sendde weder lise Die sprac tehare in derre wise Lutgart nv laett v suchten staen, Lutg.K 30,9-13 (Wbra 1265-1270). (...)

1.4. Gezant, legaat; woordvoerder. ‖ legatio: bodescap / legatus: bode, legat, Bern. 240,11-12 (Limb 1240). jc bem eene steruelike creature ende van minen ghesellen bode ende wi bidden v dat ghi bid gode ouer mi ende ouer de mine die hier wonen, Nat.Bl.D 23,4-8 (Wvla 1287).

2. Plaatsvervanger.

2.1. Officiële plaatsvervanger; gevolmachtigde; persoon die uit hoofde van zijn functie namens een ander optreedt. ‖ Dabt es Sculdech daer te hebbene sinen bode & daer te wesene alse here. Corp.I 44,32-33 (Gent 1253). (...)

Een zeer uitvoerige analyse en beschrijving krijgen de woorden met een groot aantal vindplaatsen, zoals bijvoorbeeld functiewoorden. Omdat ook deze gebaseerd is op alle vindplaatsen, is de betrouwbaarheid van de analyse groter dan die van handmatig geëxcerpeerde woordenboeken, die vaak met een beperkte en daardoor soms

[p. 362]

gebrekkige materiaalverzameling moeten werken. Hieronder volgt een uittreksel uit de inhoudsopgave bij het artikel van. Deze illustreert hoe de betekenisanalyse bij voorzetsels bestaat uit het omschrijven van de functie die dat voorzetsel heeft in relatie tot de directe context waarbinnen dat voorzetsel voorkomt en hoe daarbinnen ook syntactisch verder onderverdeeld kan worden.

V Ter aanduiding van de beweegreden, de oorzaak, de grond, de aanleiding of de verklarende omstandigheid.
1. Bij de aanduiding van de beweegreden, de aandrift als innerlijke bron waaruit een handeling of gevoel, e.d. voortvloeit, of als grondslag waarop een handeling of gevoel berust.
1.1. De beweegreden of aandrift zelf wordt genoemd.
1.2. Bij de aanduiding van datgene wat als zetel of oorsprong van deze beweegredenen of aandriften wordt beschouwd.
2. Bij de aanduiding van de oorzaak.
2.1. Bij een ww. of werkwoordelijke verbinding (ww. + znw.).
2.2. Bij een znw.
2.3. Bij een bnw.
3. Bij de aanduiding van de grond, de aanleiding, op grond van.
3.1. In 't alg.
3.1.1. Bij een ww. of werkwoordelijke verbinding (ww. + znw.).
3.1.2. Bij een bnw.
3.1.3. Bij een znw.
3.2. Bij de aanduiding van het motief van een aanklacht, beschuldiging, e.d.
3.3. Bij de aanduiding van de grond van vrees, afkeer, e.d.
3.3.1. Bij een znw.
3.3.2. Bij een bnw.
3.3.3. Bij een ww.
4. Bij de aanduiding van de verklarende omstandigheid.
4.1. Bij een intr. of onpers. ww.
4.2. Bij een bnw.

Plant-, dier- en steennamen proberen wij zoveel mogelijk te identificeren (hieronder geven wij daar enkele voorbeelden van). Waar nodig verwijzen wij naar vakliteratuur op dat gebied en ook een systematische verwijzing naar de brontekst bij vindplaatsen uit Der naturen bloeme ontbreekt niet (zie de gegevens volgend op Nat.Rer. in onderstaande voorbeelden). Dit doen wij ook systematisch bij bijbelse namen (zoals in het vorige artikel van dit drieluik beschreven is). Bij aanhalingen uit andere teksten waarvan de brontekst bekend is, verwijzen wij naar deze brontekst en citeren wij er alleen uit wanneer wij deze nodig hadden om de betekenis van het Middelnederlands vast te stellen.

iena

znw.v.

 

hyena (dier; steen)

[3]

 

(hiëne) 0/0/3 Wvla 1287. iena, jena; ns -; ds -. < Gr.-Lat. hyaena.

I 1. Hyena (Nat.Rer. hyena), benaming van de tot het geslacht Hyaena behorende roofdieren. Wellicht betreft het hier de gestreepte hyena (H. hyaena) die voor-

[p. 363]

komt van Noord- en Noordoost-Afrika door Klein-Azië tot India. Langs zijn ruggengraat lopen manen of althans langer haar. De overige soorten komen alleen ten Zuiden van de Sahara voor. Zie ook ana. (Nat.Rer. 4,53). ‖ Iena es i beeste jn doede graue es hare feeste dar dode gedoluen sijn, Nat.Bl.D 81,11-13 (Wvla 1287).

2. Hyena (Nat.Rer. hyena), een niet nader geïdentificeerde soort steen. Het betreft hier meer bep. de naam van de steen die volgens Maerlant, in navolging van Nat.Rer., voor op de kop van de hyena aan te treffen is en die diegene die hem onder zijn tong draagt het vermogen geeft om in de toekomst te zien. Volgens Wyckoff 1967, p. 96 zou het een regenboogkleurig of katoogachtig mineraal kunnen zijn, echter niet uitgesloten is, aldus Wyckoff, dat het slechts een term van diamanthandelaars betreft, zich beroepend op bep. macht tegen het kwade. (Nat.Rer. 14,42). ‖ Iena die steen heuet de name van ere beesten ombequame dar ic af sprac hir te voeren, Nat.Bl.D 394,25-27 (Wvla 1287).

tilia

znw.

 

linde

[1]

 

0/0/1 Wvla 1287. tilia; ns. Lat. tilia ‘linde’.

I 1. Linde (Nat.Rer. tilia), boom behorend tot het geslacht Tilia L. Het is niet duidelijk welke soort(en) het hier betreft. Vgl. Zander p. 545-546 voor een beschrijving van de mogelijke soorten. (Nat.Rer. 10,49). ‖ Tilia dats de lende, Nat.Bl.D 338,17 (Wvla 1287).

Het lemma cistiaus ten slotte laat zien hoe uitgebreid de encyclopedische informatie in het VMNW soms kan zijn.

cistiaus

znw.

 

Cîteaux

[10]

 

0/7/3 Wbra 1265-1270. c(h)isteaus, cistiaes, cistiaus, cysteaus, cystiaus, sistiaes; ds. Hetzij van Ofra. cistels ‘rietland’, hetzij van Lat. cis tertium (lapidem) ‘aan deze zijde van de derde (mijlpaal)’. De Mlat. naam luidt: cistercium.

I 1. Cîteaux, plaats in de omgeving van Dijon (dep. Côte-d'Or (F)).

1.1. Cîteaux, moederklooster van de cisterciënzer orde. Het klooster werd in 1098 gesticht door Robert, abt van Molesme. ‖ (...) want goet ende ere Dede oppenbare got die here Van Cistiaus din grawen nonnen Dat si lutgarden ie gewonnen, Lutg.K 10,2-5 (Wbra 1265-1270).

In de verb. die ordine van cistiaus. 1. De cisterciënzer orde. De cisterciënzers werden ook grawe moneke genoemd. Van de mannelijke tak van deze orde worden in de aanh. kloosters genoemd te Brussel (prov. Brabant), Foigny (dep. Aisne (F)) en Kamerijk (Fra. Cambrai, dep. Nord (F)). ‖ So vercochte wouter dat guet ierachteghen lieden, den abt, ende den couuente van den godshuse van sainte bernaerts van der oerdenen van cystiaus, Corp.I 305,1-3 (Brussel 1276). (...)

In de verb. die ordine van cistiaus. 2. De cisterciënzerinnen orde. De vrouwelijke tak van de cisterciënzers dateert van 1132; het eerste klooster was Tart, ten noordoosten van Cîteaux. De cisterciënzerinnen worden ook grawe nonnen genoemd. In de aanh. is sprake van de cisterciënzerinnenkloosters van de bosco te Nieuwenbosse (prov. Oost-Vlaanderen)

[p. 364]

en die biloke te Gent (prov. Oost-Vlaanderen) en van bethlehein op Schouwen (prov. Zeeland). ‖ (Geoorkond wordt:) dat zuster maria. abbadessa van den boscho bi ghent. ende hara conuent. van der ordinen van cysteaus. hebben coep ghesproken. ende gheuoreword. ghehantslaghet. ende gods penninc dar up ghegheuen. Corp.I 395,46-396,3 (Heusden (B) 1278). (...)

Aan de hand van bovenstaande voorbeelden hopen wij geïllustreerd te hebben hoe veelzijdig het VMNW zal worden. Deze veelzijdigheid en de mate waarin volledigheid wordt nagestreefd, zal ons inziens resulteren in een betrouwbaar woordenboek dat de meest uiteenlopende soorten gebruikers zal kunnen dienen. De (diplomatisch weergegeven) spellingvariatie bijvoorbeeld kan van groot belang zijn voor uitgevers van dertiende- en veertiende-eeuwse teksten; zelf hebben wij de ervaring dat moeilijke tekstpassages vaak alsnog geïnterpreteerd kunnen worden met behulp van het spellingsoverzicht van die woorden die aanvankelijk problematisch waren voor een goed begrip. De systematische weergave van spellingvariatie, flexie en geografische informatie kan verder een goed aanknopingspunt zijn voor nader taalkundig onderzoek. De betekenisomschrijvingen tenslotte bieden een schat aan informatie aan literair-historici, historici en natuurlijk aan ieder ander die geïnteresseerd is in de dertiende-eeuwse taal en cultuur.

 

Adres van de auteurs:

Instituut voor Nederlandse Lexicologie, Postbus 9515, nl-2300 ra Leiden