onderzoek dat door Catia Cucchiarini en Erica Huls werd opgesteld n.a.v. de 2e sociolinguïstische conferentie van de Anéla in mei 1995.3 Van de drie onderzoeksvelden waarin zij het Nederlandse sociolinguïstische onderzoek verdelen - 1) onderwijs, migranten, ontwikkeling; 2) interactie, taalbeheersing; 3) variatie, contact, attitudes - behandelt Sociolinguïstiek alleen het derde veld. Dat is voor een inleiding in het vakgebied een ernstig tekort. Zo ontstaat een sterk vertekend beeld van wat het vak te bieden heeft en met welke problematiek het zich bezig houdt. Ik denk dat hier zich het feit wreekt dat dit boek ontstaan is als een syllabus voor een inleidingscollege binnen de vakgroep Algemene Taalwetenschap en Dialectologie van de Katholieke Universiteit Nijmegen. De eisen die aan zo'n syllabus worden gesteld zijn geheel andere dan die welke aan een algemene inleiding in een vakgebied mogen worden gesteld. Bij een collegesyllabus geldt uitdrukkelijk dat er de opinies en de voorkeur uit mag blijken van de docenten die het vak verzorgen, al te grote eenzijdigheid kan door kritische vragen en/of andere colleges worden rechtgetrokken. Voor een in de handel gebrachte inleiding in een vakgebied geldt de eis van bredere deskundigheid en een grotere objectiviteit.
Het boek gaat dus over taalvariatie. Het onderzoek dat Boves en Gerritsen de revue laten passeren, leunt sterk aan tegen het werk van de Amerikaanse linguïst William Labov, door de schrijvers aangeduid als de grondlegger van de sociolinguïstiek. Boves en Gerritsen presenteren dat onderzoek in het kader van de theory of social identity van Henri Tajfel. Deze theorie uit de sociale psychologie verklaart menselijk gedrag als een streven naar een positief zelfbeeld waarbij vooral identificatie met de groep waartoe men zich rekent van grote invloed is. De sociaal-psycholoog Howard Giles heeft deze theorie gekoppeld aan taalgedrag, waarbij taal wordt gezien als groepssymbool.
‘Het verband tussen taal, identiteit en groepslidmaatschap loopt als een rode draad door dit boek’, verklaren de auteurs (p. 32). Dat verband wordt vooral uitgewerkt in de hoofdstukken 6-10 waar de theorie van Giles uitvoerig aan de orde komt. In de hoofdstukken daarvoor gaat het achtereenvolgens over: sociolinguïstische termen; geschiedenis van de sociolinguïstiek en methodologische aspecten van het sociolinguïstisch onderzoek, alles binnen het macrogebied.
In hoofdstuk 6 wordt het sociolinguïstisch onderzoek nog eens kernachtig samengevat in de slogan: wie spreekt wanneer hoe tegen wie? Daarvan worden verder maar twee aspecten behandeld: wie spreekt hoe? Het gaat over sociale en stilistische variatie. Verschillende onderzoeken passeren de revue. Het meeste onderzoek betreft uitspraakverschillen, een paar gaan over syntactische verschillen. Er bestaan allerlei verklaringen voor het optreden van stilistische variatie. De bekendste is die van Labov: de mate van aandacht voor het eigen taalgebruik is bepalend voor de spreekstijl. Hoe meer aandacht, hoe formeler de stijl. Daartegenover staat de opvatting van Bell: stijlkeuze is afhankelijk van de beoogde luisteraars. Deze opvatting zou dicht staan bij de verklaring van Giles, de accomodatiegedachte, die in hoofdstuk 10 aan de orde komt.
In hoofdstuk 7 komt het onderwerp ‘Taal en sekse’ aan de orde. Wat daarover binnen het kader van de macrosociolinguïstiek gezegd kan worden, blijkt zich te beperken tot de vraag of gebleken verschillen in taalgebruik van mannen en vrouwen kunnen worden verklaard door de nature/nurture-controverse: zijn de verschillen aangeboren of aangeleerd? Of wellicht allebei?
Tegenwoordig speelt overigens verreweg het interessantste onderzoek zich af binnen een vakgebied dat tot de microsociolinguïstiek wordt gerekend, de gespreksanalyse. De auteurs zijn zich daar kennelijk ook van bewust, blijkens de volgende passage:
In hoofdstuk 2 hebben we gezegd dat gespreksanalyse geen thema is dat behoort tot de macro-sociolinguïstiek - het onderwerp van dit boek. De sekseverschillen in interactie zijn vanuit sociolinguïstisch oogpunt zo interessant (en voor iedereen die wel eens een lid van de andere sekse spreekt, zo nuttig) dat we ze hier toch heel kort aanstippen. Bovendien zijn deze verschillen in interactiestrategieën tussen vrouwen en mannen door middel van makro-sociolinguïstisch onderzoek aan het licht gekomen. (p. 209)
Die laatste volzin vervult mij met diepe verbazing. Maar wat dan te denken van de volgende:
De sekseverschillen in interactiegedrag kunnen beschouwd worden als een symptoom van de ongelijke positie van mannen en vrouwen in onze maatschappij. (p. 211)