|
|
|
| |
| | | |
Cor van Bree
De morfologie van het Stadsfries (I)*
Abstract - This article proposes an analysis of the morphology of Town Frisian, the mixed Dutch-Frisian dialect of a number of towns in the Dutch province of Fryslân (Friesland). It is generally assumed that this dialect came into being under Dutch influence in the 16th century. Which language does Town Frisian agree with, Frisian or Dutch, in cases in which morphological differences exist between these languages? The analysis shows that the endings of the verb and adjective as well as diminutive formation are in agreement with Frisian, that derivation and composition as well as the sound alternations of the strong verb are in agreement with Dutch, and that the inflection of the noun is mixed Dutch-Frisian. These differences are explained by means of factors which determine the level of stability at issue, i.e. the degree of awareness. It appears that the stable domains are Frisian and the instable domains are Dutch in origin. On the one hand this confirms the theory that Town Frisian came into being because Frisians tried to learn Dutch. On the other hand it confirms the theory on differences in stability and their effect in language contact and language change.
| |
1. Inleiding
Het was in 1940 dat Hellinga in dit tijdschrift een uitvoerig artikel publiceerde waarin hij het probleem van het ontstaan van het Stadsfries aan de orde stelde: Hellinga 1940. Hij reageerde hierin onder andere op Kloeke die in zijn vermaarde boek over de Hollandse expansie (Kloeke 1927) ook het Stadsfries aan de orde had gesteld. Na zoveel jaar, nu onze contactlinguïstische inzichten zich verdiept hebben, is het de moeite waard het probleem opnieuw te bekijken.1
Voor het ontstaan van het Stadsfries (in de zestiende eeuw) zijn in feite twee scenario's denkbaar: 1. het Stadsfries is ontstaan doordat de Friezen van de steden hun Fries zijn blijven spreken maar daarin instabiele elementen (elementen waarvan de spreker zich relatief goed bewust is) aan het Nederlands hebben ontleend, 2. het is ontstaan doordat de Friezen van de steden op het Nederlands zijn overgegaan maar daarin, in een tweede-taalverwervingsproces, stabiele elementen (elementen waarvan de spreker zich relatief weinig bewust is) van het Fries hebben overgebracht.2 In het laatste geval zou er niet sprake zijn van ontlening, van Nederlandse elementen in het Fries, maar van impositie, van Friese elementen in het Nederlands.3 Bij het eerste scenario verwachten we de Nederlandse elementen vooral bij de inhoudswoorden aan te treffen; ontlening is immers primair een lexicale aangelegenheid. We vinden de Nederlandse elementen echter niet alleen bij de inhoudswoorden maar ook in andere taalonderdelen terug. Dat pleit dus niet voor een ontleningsscenario. Bij het tweede scenario is de verwachting dat we de Nederlandse elementen in de instabiele en de Friese in de stabiele zullen aantreffen. Deze verwachting komt uit: globaal gesteld komen de Nederlandse elementen niet alleen
| | | | voor bij de inhoudswoorden maar ook in de lexicale fonologie4 en in de morfologie van de sterk beklemtoonde (en daardoor opvallende) syllabe, bijvoorbeeld bij de klinkeralternanties van de sterke werkwoorden, de Friese elementen daarentegen in de morfologie van de zwak beklemtoonde (en daardoor minder opvallende) syllabe, in uitgangen bijvoorbeeld, in de syntaxis en in uitspraakeigenaardigheden (het zogenaamde ‘accent’). Uitzonderingen worden gevormd door inhoudswoorden met een huiselijke gebruikssfeer die vaak Fries zijn; dergelijke woorden blijken ook vaak de Friese klanken te hebben.5
De conclusie kan derhalve zijn dat het Stadsfries is ontstaan als Nederlands in Friese mond, meer specifiek, met een formulering van Kloeke (1927: 81), als Hollands in Friese mond (zie echter beneden over de invloed van de wordende standaardtaal). De Friezen hebben daarbij dus de morfologie hetzij vanuit hun Fries in het Nederlands c.q het Hollands overgedragen hetzij in het Nederlands c.q. het Hollands aangeleerd. Heel vaak zien we dat bij niet-schools gestuurde tweede-taalverwerving de morfologie (althans in eerste instantie) verdwijnt. Extreme voorbeelden daarvan leveren ons de pidgins. Over het algemeen zijn de variëteiten die daarbij in het spel zijn, niet (duidelijk) met elkaar verwant. Bij Stadsfries, Fries en Hollands gaat het echter om nauw verwante variëteiten waarbij wél morfologische overdracht c.q. verwerving pleegt plaats te vinden.
Het Stadsfries is dus vanuit een proces van tweede-taalverwerving te begrijpen. De Friezen hebben echter dat proces voortijdig afgebroken: zo zijn ze (globaal) in de morfologie niet verder gekomen dan de sterk beklemtoonde syllabe. Twee (vooral onbewuste) motieven kunnen hierbij een rol gespeeld hebben, namelijk ‘gemak’: ‘als ze (nl. de Nederlanders c.q. de Hollanders aan wie men zich aanpaste) ons maar kunnen verstaan’ en een provinciaal zelfstandigheidsgevoel (vgl. Hellinga 1940: 148): ‘we willen ons Friese karakter niet helemaal prijsgeven’. Vervolgens is er conventionalisatie opgetreden: het Stadsfries heeft de status van een zelfstandige variëteit gekregen.
Er is echter een probleem. De stabiele elementen (o.a. dus de morfologie van de zwak beklemtoonde syllabe) die kenmerkend zijn voor het Fries en dus ook voor het Stadsfries, vinden we ook wel buiten Friesland terug, onder andere in de Nederlandse dialecten van Noord-Holland (bijv. het West-Fries) en soms zelfs in het Katwijks. Op de vraag of we op grond hiervan van een Fries substraat mogen spreken, ga ik hier niet in (zie hierover bijv. Van Bree 1997a). Het probleem is of de betreffende elementen misschien ook niet voorkwamen in het Nederlands dat in de zestiende eeuw in de Friese steden werd geïntroduceerd. Deze vraag is bepaald niet onrealistisch: we moeten voor het Nederlands dat in de steden doordrong, niet alleen denken aan ambtenaren, die uit diverse delen van Holland (en Brabant) afkomstig geweest kunnen zijn, maar ook specifiek aan Noord-Hollandse kooplieden (zie Hof 1956: 43). In ieder geval zijn er in de (instabiele) lexicale fonologie treffende overeenkomsten tussen het Stadsfries en het Noord-Hollands.6 Nu zijn de stabiele elementen in kwestie zowel in het Stadsfries als in het Fries duidelijker aanwezig dan in het Noord-Hollands maar het is natuurlijk heel goed mogelijk dat ze in de zestiende eeuw nog even sterk in de laatstgenoemde variëteit voorkwamen. Kunnen ze dus niet net zo goed als de instabiele elementen als Nederlandse (in casu Hollandse) elementen aangeleerd zijn? Het Stadsfries zou dan globaal in
al zijn onderdelen Nederlands in oorsprong zijn.
| | | |
Erg waarschijnlijk is het bovenstaande niet: er is sprake geweest van een natuurlijk, dus niet van een door de school gestuurd, tweede-taalverwervingsproces, en bij een dergelijk proces duurt het lang voordat de stabiele sectoren zo tot het bewustzijn doordringen dat ze worden aangeleerd. Daar komt bij dat er ook, niet-noordelijke, Hollanders in de steden geweest moeten zijn bij wie de betreffende elementen niet voorkwamen. En hoe dan ook, in het Fries van de stedelingen moeten ze zeker aanwezig geweest zijn. We kunnen het er derhalve op houden dat het Stadsfries qua oorsprong niet zonder meer Nederlands maar Nederlands in Friese mond is.
In de in noot 1 genoemde publicaties heb ik verschillende taalonderdelen behandeld en daarbij de nodige voorbeelden gegeven. De onderdelen in kwestie waren: de inhoudswoorden, de lexicale fonologie, de morfologie van de sterke en van de zwakke syllabe en de syntaxis (constructies, functiewoorden en woordvolgordes). Er waren bij de vergelijkingen uiteraard steeds drie variëteiten in het geding: Nederlands, Fries en Stadsfries. Bij het Nederlands bleek zowel met het Hollands (vooral Noord-Hollands, o.a. het Westfries) als met de schrijftaal c.q. het Standaardnederlands in statu nascendi rekening te moeten worden gehouden. Zie hieronder schema 1 voor het schema van vergelijking dat ik gehanteerd heb.
Schema 1: schema van vergelijking 1
|
| 1. | Wanneer het Stadsfries overeenkomt met het Fries en daarbij ook met het westelijke Nederlands (en mogelijk ook het Noord-Hollands), dan is het geval niet bewijskrachtig. |
| 2. | Wanneer het Stadsfries overeenkomt met het Fries en niet met het westelijke Nederlands, dan komen de betreffende elementen uit het Fries. Naar het Noord-Hollands waarin ze ook zouden kunnen voorkomen, is dan niet meer gekeken (zie de overwegingen hierboven). |
| 3. | Wanneer het Stadsfries niet met het Fries overeenkomt maar wel met het westelijke Nederlands, dan komen de betreffende elementen uit het Nederlands. |
| 4. | Wanneer het Stadsfries niet met het Fries overeenkomt en evenmin met het westelijke Nederlands maar wel met het Noord-Hollands, dan komen de betreffende elementen uit het Nederlands en wel uit een bepaald dialect daarvan, nl. het Noord-Hollands. |
| 5. | Wanneer het Stadsfries niet met het Fries overeenkomt en evenmin met het westelijke Nederlands, en ook niet met het Noord-Hollands, dan is het geval niet bewijskrachtig. Het Stadsfries heeft dan een eigen ontwikkeling doorgemaakt. |
Interessant zijn alleen de gevallen 2, 3 en 4. Hierin wijken enerzijds Fries en anderzijds westelijk Nederlands en/of Noord-Hollands van elkaar af en de vraag is dan aan welke kant het Stadsfries staat. Niet interessant zijn de gevallen 1 (waarin de variëteiten overeenkomen) en 5 (waarin het Stadsfries een eigen weg gegaan is).
Ik heb niet alleen zoveel mogelijk rekening gehouden met de in de vergeleken talen aanwezige variatie (vgl. voor het Nederlands het Noord-Hollands) maar ook met de toestand waarin ze in de zestiende eeuw verkeerden. Voor een volledige analyse van het Stadsfries in vergelijking met het Nederlands (inclusief Noord-Hollands) en Fries was echter geen plaats. De bedoeling van dit artikel is de Stadsfriese morfologie (flexie, afleiding en samenstelling) aan een dergelijke analyse te onderwerpen.7
Die analyse zal vooral plaatsvinden op basis van de moderne stadia van de betrokken variëteiten waarbij modern ruim moet worden opgevat, namelijk niet alleen als
| | | | twintigste- maar ook als negentiende-eeuws. Zoveel mogelijk houden we echter rekening met voor de zestiende (en zeventiende) eeuw geldende afwijkingen daarvan. Dergelijke afwijkingen worden vermeld; heb ik geen aanwijzingen daarvoor gevonden, dan vermeld ik niets. De afwijkingen zijn overigens niet groot in aantal.
Dit laatste raakt aan een tweetal problemen van taalhistorisch onderzoek. Het is ten eerste een probleem dat we bepaalde verschijnselen over het hoofd kunnen zien; verder zoeken, ook buiten de naslagwerken om, zou misschien nog iets kunnen opleveren. Het is ten tweede mogelijk dat de toevallige overlevering ons parten speelt: zelfs als we alle beschikbare bronnen hebben doorgenomen en een bepaald verschijnsel daarin niet hebben aangetroffen, is dat strikt genomen nog geen bewijs voor het ontbreken ervan. Het is dus heel goed mogelijk dat het beeld dat in dit artikel impliciet (door niets te vermelden) of expliciet (door iets wél te vermelden) van de zestiende-eeuwse taaltoestanden gegeven wordt, (nog) niet correct is. Het lijkt echter zeer onwaarschijnlijk dat verder onderzoek zoveel afwijkingen van de hedendaagse toestanden zou opleveren dat de moderne situatie niet meer de basis voor onze conclusies zou kunnen zijn.
| |
2. Theoretische overwegingen
2.0. Inleidende opmerkingen
In de vorige paragraaf is onderscheid gemaakt tussen stabiele en instabiele taalonderdelen c.q. elementen. Dit is een handig maar ook een grof onderscheid. Er is namelijk veeleer sprake van een scala van stabiliteitsgraden, van uiterst stabiel tot uiterst instabiel. Zo bevindt het ‘accent’ zich aan de stabiele pool en bevinden de inhoudswoorden zich aan de instabiele pool; ergens daartussenin bevindt zich de morfologie (globaal genomen).
Welke factoren bepalen nu de graad van stabiliteit? Of anders geformuleerd, omdat stabiliteit vooral door bewustzijn bepaald wordt: welke factoren bepalen de graad van bewustheid die de taalgebruiker omtrent een bepaald taalonderdeel heeft? Het is niet mogelijk deze vraag hier uitputtend te behandelen; ik beperk me tot die factoren die voor ons onderwerp van belang zijn. Er is om te beginnen het regelkarakter (zie hieronder onder 1): hoe sterker dit is (hoe meer het betreffende onderdeel bij wijze van spreken ‘geautomatiseerd’ is8), des te stabieler zal het zijn. Er is een aantal subfactoren te noemen die voor het regelkarakter bepalend zijn: de graad van abstractie, het al dan niet verplicht zijn in de zin (zie §2.1.1), het al dan niet optreden van congruentie (zie §2.1.2), de mate van doorzichtigheid (zie §2.1.3) en de frequentie (zie §2.1.4). Verder moeten genoemd worden het sterk of zwak beklemtoond zijn (zie §2.2) en het al dan niet elementair zijn van een bepaald verschil tussen T1 en T2 (zie §2.3).9 Hieronder worden de factoren één voor één besproken. Voorbeelden ter illustratie worden aan het Fries ontleend: het Fries beschouwen we immers als de substraattaal van het Stadsfries. Voorbeelden ontleend aan het Nederlands zouden echter hetzelfde beeld opleveren.
| |
| | | |
2.1. Het regelkarakter
2.1.1 Graad van abstractie en verplicht zijn in de zin
Hoe hoger de abstractiegraad, des te sterker het regelkarakter. De syntaxis wordt beheerst door regels die in abstracte termen, in termen van zinsdelen en woordsoorten, kunnen worden geformuleerd. Daartegenover staan de in klankvorm en betekenis uiterst concrete inhoudswoorden. De morfologie neemt een tussenpositie in. De flexie is verwant met de syntaxis: het gaat hier vaak om regels met een tamelijk abstracte semantiek. Afleiding en samenstelling bevinden zich echter globaal genomen dichter bij de lexicale pool: de semantiek is over het algemeen minder abstract. Hiermee parallel loopt een belangrijk verschil: het al dan niet verplicht zijn in de zin. Wat verplicht is, heeft een sterker regelkarakter dan wat niet verplicht is. De flexie is verplicht terwijl afleiding en samenstelling omzeild kunnen worden: vgl. boerin met vrouw van een boer en boerenwerk met werk voor een boer.
Samenvattend kunnen we vaststellen dat flexie gemiddeld een duidelijker regelkarakter heeft dan afleiding en samenstelling. De flexie zal dus gemakkelijker vanuit T1 in T2 doordringen dan afleiding en samenstelling. De keerzijde hiervan is dat afleiding en samenstelling gemakkelijker zullen worden aangeleerd.
| |
2.1.2. Congruentie
Belangrijk voor het regelkarakter is ook de congruentie. We komen hier terecht bij het verschil tussen de inherente en de contextuele flexie.10 Bij de inherente flexie treedt er een verschil in betekenis op, bijvoorbeeld tussen het enkelvoud en het meervoud van de zelfstandige naamwoorden en tussen de tegenwoordige en verleden tijd bij de werkwoorden, bij de contextuele flexie wordt het optreden van de uitgangen bepaald door de syntactische context, bijvoorbeeld bij het enkelvoud en het meervoud van de werkwoorden. In het laatste geval is er sprake van congruentie: het enkelvoud treedt in het algemeen op bij een enkelvoudig onderwerp, het meervoud bij een meervoudig onderwerp. Een ander voorbeeld is de flexie van de bijvoeglijke naamwoorden: afgezien van bijzondere gevallen krijgt het Friese bijvoeglijke naamwoord bij bijvoeglijk gebruik de uitgang -e, niet echter bij onzijdige zelfstandige naamwoorden wanneer onder andere in ‘een’, ien ‘één’ of gjin ‘geen’ voorafgaat: in moai hynder ‘een mooi paard’.
Verwacht kan worden dat door de context bepaalde elementen stabieler zullen zijn dan ‘vrije’ elementen: de door de context bepaalde elementen worden gemakkelijk samen met de elementen waarmee ze verbonden zijn, van T1 in T2 overgebracht. Daarentegen zullen congruerende elementen van T2 doordat men niet alleen elementen maar ook verbanden moet aanleren, moeilijker worden verworven. Eigenlijk gaat het hier meer om de stabiliteit van bepaalde combinaties dan om die van afzonderlijke elementen.
Een verwante factor speelt ook een rol in de morfofonologie. Een voorbeeld daarvan leveren de achtervoegsels van de verkleinwoorden. Zo komt in het Fries - ke na klinker voor (koke ‘koetje’), -tsje bijvoorbeeld na l (stâltsje ‘steeltje’, ‘stalletje’), -je bijvoorbeeld na k (boekje ‘boekje’) enz. Het optreden van de variant van het achtervoegsel is dus gebonden aan bepaalde klankstructuren van de stam. Hoewel dit niet gebruikelijk is, zullen we ook hier van congruentie spreken.
| |
| | | |
2.1.3. Vormelijke en semantische doorzichtigheid
Ook de vormelijke en semantische doorzichigheid is van invloed op het regelkarakter. Hoe groter de doorzichtigheid, des te duidelijker het regelkarakter. We beschouwen de doorzichtigheid als een secundaire factor: het regelkarakter wordt in de eerste plaats door de graad van abstractie, het al dan niet verplicht zijn in de zin en het al dan niet congruent zijn bepaald; secundair wordt dit door de doorzichtigheid versterkt of verzwakt. Primaire factoren zijn fundamenteel, secundaire meer toevallig van aard.
Met vormelijke doorzichtigheid wordt bedoeld dat, bij een constante semantische verhouding, bij een vorm a alleen een vorm b kan horen en omgekeerd bij een vorm b alleen een vorm a. Met semantische doorzichtigheid wordt bedoeld dat bij een constante vormverhouding ook steeds dezelfde semantische verhouding optreedt.
Een voorbeeld van vormelijke doorzichtigheid is dat in het Fries praktisch altijd bij een 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd met nuluitgang een overeenkomend meervoud tegenwoordige tijd op -e optreedt: mien - miene ‘meen - menen’ (een uitzondering is bijv. slach - slane ‘sla - slaan’); omgekeerd treedt bij een meervoud tegenwoordige tijd op -e altijd een 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd met een nul-uitgang op. Een voorbeeld van semantische doorzichtigheid is dat we bij de Friese werkwoorden bij de vorm-verhouding stam plus nul-uitgang tegenover stam+-e steeds dezelfde functionele verhouding aantreffen: ‘1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd’ (en ook ‘gebiedende wijs’) tegenover ‘meervoud tegenwoordige tijd’ (en ook ‘infinitief’).
Voorbeelden van vormelijke ondoorzichtigheid ontlenen we aan de afleiding: zo staat naast wannelje ‘wandelen’ als nomen actionis wanneling maar naast komme ‘komen’ niet komming maar komst en naast begearich ‘begerig’ het werkwoord begeare maar naast machtig ‘machtig’ níet een werkwoord machte (wél het zelfstandige naamwoord macht). De samenstellingen leveren ons voorbeelden van semantische ondoorzichtigheid: praktisch altijd is bij deze woordvormingen van het begin af semantische specialisatie in het spel. Vergelijk wetenmoal ‘meel gemaakt van tarwe’ met bernemoal ‘meel voor kinderen’.
Een ander aspect van vormelijke doorzichtigheid is het aantal regels of correspondenties waarvan sprake is. Zo heeft in het Fries de zwakke verleden-tijdsvorming in dit opzicht een grote mate van doorzichtigheid: de enige mogelijkheden zijn immers miend/miende ‘meen/meende’, rûke/rûkte ‘ruiken/ruikte’, helje/helde ‘halen/haalde’ en fette/fetsje ‘vatten/vatte’, in tegenstelling tot de sterke verledentijdsvorming met haar vele klassen en subklassen. Het subsysteem van de sterke werkwoorden is in genoemd opzicht dus niet doorzichtig wat in mindering komt op het regelkarakter ervan.
Ook op het punt van de doorzichtigheid hebben afleiding en samenstelling dus een minder sterk regelkarakter dan de flexie, althans de externe flexie door middel van uitgangen. Het regelkarakter van de interne flexie (bij de sterke werkwoorden), door middel van klankwisseling, is minder duidelijk. Het is van belang op te merken dat het hier om gemiddelden gaat: per onderdeel van flexie of woordvorming kan de doorzichtigheid wisselen.
Van belang is ook dat doorzichtigheid twee kanten op kan werken: ze kan bevorderen dat stabiele elementen uit de eerste taal in de tweede doordringen (impositie), ze kan ook, omgekeerd, bevorderen dat instabiele elementen uit de tweede taal
| | | | beter worden aangeleerd. In het eerste geval versterkt ze de stabiliteit van bepaalde onderdelen, in het tweede geval de instabiliteit oftewel de aanleerbaarheid ervan. Welke onderdelen doorzichtig zijn, kan uiteraard per taal verschillend zijn: tegenover een doorzichtig verkleinwoordpatroon in T1 kan een ondoorzichtig in T2 staan of omgekeerd. Doorslaggevend is de mate van doordringen: als de flexie, de afleiding en de samenstelling van T1 globaal of per onderdeel bijvoorbeeld slechts matig doordringen, is de noodzakelijke keerzijde daarvan dat ze een grote kans hebben om aangeleerd te worden. Die kans wordt dan in tweede instantie vergroot of verkleind door de doorzichtigheid in T2. In dit onderzoek is alleen, en wel globaal, op de mate van doordringen gelet.11
| |
2.1.4. Frequentie
Secundair mede-bepalend voor het regelkarakter is de frequentie: hoe frequenter een patroon, des te steviger het in het taalvermogen verankerd is. De frequentie van de morfologie-onderdelen die in het hier beschreven onderzoek een rol spelen, zal hierna gedetailleerd aan de orde komen. Hier volstaan we met op te merken dat volgens globale schatting de flexie gemiddeld frequenter is dan samenstelling en afleiding en dat van de genoemde drie de flexie dus het beste zal kunnen doordringen.12
Evenals de doorzichtigheid is dit een factor die beide kanten op kan werken: ze kan zowel de stabiliteit als de instabiliteit c.q. aanleerbaarheid bevorderen. Doorslaggevend is weer de mate van doordringen: als de flexie, de afleiding of de samenstelling van T1 globaal of per onderdeel bijvoorbeeld slechts matig doordringen, is de noodzakelijke keerzijde daarvan dat ze een grote kans hebben om aangeleerd te worden. Die kans wordt dan in tweede instantie vergroot of verkleind door de doorzichtigheid in T2. Zoals hierboven al vermeld, wordt alleen, en wel globaal, op de mate van doordringen gelet.
| |
2.2. Beklemtoning
Verschijnselen die zich afspelen in sterk beklemtoonde syllabe vallen sneller op, zijn dus instabieler dan verschijnselen in zwak beklemtoonde syllabe: ze dringen dus moeilijk door maar worden wel snel aangeleerd. De beklemtoning is een zelfstandige factor naast het regelkarakter. Zo kan een bepaalde Ablaut regelmatig (en frequent) zijn (wat bevorderlijk is voor de stabiliteit) maar zich voordoen in klemtoonde syllabe (wat juist niet bevorderlijk is voor de stabiliteit). We spreken daarom hier van een primaire factor.
Het verschil in klemtoon is van belang bij de zwakke- tegenover de sterke-verledentijdsvorming, dus bij de externe tegenover de interne flexie. De zwakke is gekenmerkt door uitgangen zonder klemtoon, de sterke door klank- (meestal klinker-)wisselingen in stamsyllaben met klemtoon. Afleiding en samenstelling hebben op het punt van beklemtoning geen duidelijk karakter; we kunnen ze op dit punt gemiddeld als plusmin karakteriseren. Zo dragen wat de afleiding betreft, sommige achtervoegsels de hoofdklemtoon, andere een nevenklemtoon en weer andere geen klemtoon: vgl. resp. fri.13 boerinne, wanneling en begearich. Wat de samenstelling betreft, het deel waarop niet de hoofdklemtoon valt (meestal is dat het tweede deel), heeft altijd een nevenklemtoon. Tussenklanken of delen van stamvarianten kunnen echter in een syllabe zonder klemtoon voorkomen: vergelijk bijvoorbeeld de
| | | | tussensjwa in folkeferfarren ‘volksverhuizing’ en het element el in middelfinger ‘middelvinger’. Anders ligt het met de tussen-s in bijvoorbeeld folksaard ‘volksaard’.
| |
2.3. Elementaire en niet-elementaire verschillen
Is er bij een bepaald verschil tussen T1 en T2 sprake van duidelijk andere elementen of van dezelfde of identificeerbare elementen die anders worden gebruikt? De verwachting kan zijn dat een duidelijk ander achtervoegsel sneller opvalt, dus minder stabiel zal zijn, dan hetzelfde of een in klankvorm vergelijkbaar achtervoegsel dat op een andere manier wordt gebruikt. We hebben ook hier met een zelfstandige factor te maken, los van het regelkarakter. Een afleidingsprocédé in T1 kan aan de ene kant ondoorzichtig zijn (wat niet bevorderlijk is voor de stabiliteit) maar aan de andere kant slechts gebruiksverschillen vertonen met het overeenkomende procédé in T2 (wat juist wel bevorderlijk is voor de stabiliteit).
Een voorbeeld van een duidelijk ander achtervoegsel, dat in het Nederlands niet voorkomt, is het Friese -mer waarmee bijvoeglijke naamwoorden van plaatsnamen worden gevormd: Bûtenpostmer ‘iemand uit Buitenpost’, een voorbeeld van hetzelfde achtervoegsel maar anders gebruikt, met een van het Nederlands afwijkende lexicale distributie, is het Friese -lik in ferjitlik tegenover het ndl. vergeetachtig. Bij gebruiksverschillen kan ook gedacht worden aan verschillen in afleidingsbasis (ook al zijn dergelijke verschillen ingrijpender dan verschillen in lexicale distributie): vergelijk Fries geútsoek, een afleiding met het voorvoegsel ge- van een samengestelde verbale stam die in het Nederlands niet mogelijk is (*geuitzoek), verder ook aan kleine betekenisverschillen (waarbij de betekenissen dus nauw bij elkaar aansluiten): zo kunnen in het Fries toponymische afleidingen ter aanduiding van een man ook voor een vrouw worden gebruikt (Pannekeet (1979: 134): myn frou is in Lemster ‘mijn vrouw is afkomstig uit Lemmer’, Ljouwerter ‘iemand uit Leeuwarden’, Gaastmarder ‘iemand uit Gaastmeer’ enz. Wanneer er echter een duidelijk betekenisverschil is, moeten we verschillende affixen aannemen. Een voorbeeld is het Engelse -ing van de progressive form, bijvoorbeeld in walking, dat niet gelijk gesteld kan worden aan het Nederlandse of Friese -ing ter vorming van nomina actionis, bijvoorbeeld in wandeling of wanneling.
Bij de bepaling van de soort verschillen die hier in het geding is, moeten we proberen rekening houden met de erváring van de tweede-taalleerders. Duidelijk andere elementen zijn elementen die zij als anders erváren in tegenstelling tot ‘dezelfde’ elementen met gebruiksverschillen waarbij de identiteit zich aan hen opdringt.14 In het eerste geval zullen we voortaan van elementaire verschillen spreken, in het andere geval van niet-elementaire verschillen.
In het geval van elementaire verschillen zullen T1-elementen dus niet gemakkelijk kunnen doordringen, in het geval van niet-elementaire verschillen juist wel. Of vanuit T2 geformuleerd: in het eerste geval zullen T2-elementen gemakkelijk worden aangeleerd, in het tweede geval niet. Duidelijk is intussen geworden dat het bij deze verschillen anders dan in de hiervóór besproken gevallen om relatieve kenmerken van T1 gaat, namelijk in verhouding tot T2.15
| |
| | | |
2.4. Toepassing van de theorie
In de volgende paragrafen worden de verschillende onderdelen van de Stadsfriese morfologie in detail besproken. We zullen telkens nagaan of een onderdeel (vooral) Fries, Nederlands of gemengd Fries/Nederlands van oorsprong is. Met behulp van de zojuist besproken factoren zullen we dat vervolgens proberen te verklaren. We beginnen onze analyse met de uitgangen, met een deel van de flexie dus (de externe flexie). Daarna volgt een ander deel van de flexie, namelijk de klankwisselingen zoals we die onder andere bij de sterke werkwoorden terugvinden (de interne flexie). Hierop volgen paragrafen over de afleiding, de verkleinwoorden en de samenstelling; aan de verkleinwoorden besteden we dus aparte aandacht omdat deze zich op een bijzondere manier blijken te gedragen. Slotbeschouwingen worden ondergebracht in een afsluitende paragraaf.
| |
3. De externe flexie
3.1. Inleidende opmerkingen
We beginnen onze analyse met de externe flexie, de flexie door middel van uitgangen. Het is belangrijk te bedenken dat het hier gaat om procédés: worden overeenkomende woorden al dan niet op dezelfde manier verbogen of vervoegd? Als er verschil is, dringt de betreffende flexie van de eerste taal dan gemakkelijk in de tweede taal door? Een andere vraag is of bepaalde concrete wóórden, inclusief hun uitgangen, gemakkelijk doordringen. Omdat het hier merendeels inhoudswoorden betreft, moet deze vraag over het algemeen negatief worden beantwoord. Alleen wanneer de betreffende flexievormen zeer frequent zijn, kunnen we aannemen dat ze betrekkelijk stabiel zijn. We gaan er echter van uit dat de flexie voor het allergrootste deel een kwestie van procédés is.
| |
3.2. De zelfstandige naamwoorden
We kijken eerst naar de uitgangen van de zelfstandige naamwoorden. De uitdrukking van de genitief komt in de drie variëteiten grosso modo overeen: vergelijk de Stadsfriese voorbeelden: de pyp van vader, vaders pyp, vader syn pyp. De Friese genitief van het type ús pake klok ‘de klok van onze vader’ zoals we die bij verwantschapsnamen aantreffen, ontbreekt echter in het Stadsfries.
Ook het meervoud komt grosso modo in de drie variëteiten overeen: de dominante uitgangen zijn -en en -s. Laatstgenoemde uitgang ontbreekt in het middeleeuwse Oudfries maar mag voor het zestiende-eeuwse Fries worden aangenomen. In ieder geval duikt in het late Oudfries de -s al op (Fokkema 1937: 150). Dat in een groot deel van het Nederlands de slot-n afvalt, is een fonologische kwestie die ons hier niet interesseert.
De -s komt in het Stadsfries en het Fries ook nogal eens voor na een zelfstandig naamwoord op -ing: stfr. herings (fri. hjerrings/en), stfr. leunings (fri. leunings/en). Het Stadsfries heeft echter feranderingen en ferenegingen (fri. feroarings/en, ferienings/en). Daarnaast heeft het echter ook herinnerings (naast herinneringen) waar het Fries andere woorden heeft, onder andere neitinken. Mogelijk is het meervoud op -s bij zelfstandige naamwoorden op -ing in het Stadsfries een productieve catego- | | | | rie geweest.16 Meervouden op -eren of -ers zijn in het Fries onbekend. De doorwerking daarvan vinden we in het Stadsfries dat volgens Fokkema wél kleren,
eiers en kienders heeft maar ook eien en verder kalven en lammen. Verder vond ik alleen benen, bladen, raden (bij rad) en volken (dus geen meervouden op -ers of -eren). (Gelid en gemoed heb ik in het meervoud niet aangetroffen, goed, hoen, lied en rund ook niet in het enkelvoud.)
Het Fries heeft enkele meervouden op -ens: lears ‘laars’ - learzens, reed ‘schaats’ - redens, soms ook boeiens ‘boeien’, pokkens ‘pokken’, wolkens ‘wolken’ en treppens ‘trappen’. Voor het Stadsfries vermeldt Fokkema learsens en pòkkens en daarnaast ook flaktens ‘vlaktes’ dat ik voor het Fries niet teruggevonden heb. Dit achtervoegsel vinden we echter ook frequent en wijd verbreid in het Nederlands terug: bij Van Loey (‘Schönfeld’, 1970: 125) en De Vooys (1960: 57) worden er vele voorbeelden van gegeven. Dit geval is dus niet bewijskrachtig.
Een overeenkomst is ook het in de drie variëteiten optredende verschijnsel dat na een telwoord bij bepaalde zelfstandige naamworoden een meervoud opduikt dat vormelijk gelijk is aan het enkelvoud: ndl. en stfr. twintig/ech gulden, fri. tweintich gûne. Een verschil tussen het Fries en het Stadsfries is dat in de eerstgenoemde taal twa wike letterlijk ‘twee week’ mogelijk is; het Stadsfries heeft daarvoor net als het Nederlands twee weken.
Een bijzonder geval is fri. bern ‘kind’ - bern waarvoor we in het Stadsfries kyn - kynders vinden (dus niet vormgelijkheid). De verklaring van dit verschil is dat de stedeling een geheel ander woord, namelijk het hollandse kind, heeft aangeleerd en het daarbij passende meervoud heeft gevormd. Moeilijker te verklaren zijn stfr. skún ‘schoen’ - skúnen en skaap - skapen tegenover fri. skoech - skuon en skiep - skiep. Omdat de stedeling nog wel het verband tussen skún en skoech en tussen skaap en skiep zal zijn blijven voelen, had hij de betreffende woorden ook op de Friese wijze kunnen verbuigen, met als meervouden skún en skaap.
We zien dat de Friese substantivische flexie ten dele in het Stadsfries is doorgedrongen maar ten dele ook niet. Met de in §2 besproken factoren is dit goed te verklaren. Stabiliteitsbevorderend is uiteraard zoals bij alle flexie dat ook deze flexie een hoge graad van abstractie heeft en verplicht is in de zin. Daar komt bij dat ze zich in zwak beklemtoonde syllabe afspeelt en dat er geen elementaire verschillen tussen het Fries en het Nederlands in het geding zijn. De doorzichtigheid, in het Fries, is echter matig en dus niet stabiliteitsbevorderend: aan de ene kant ontbreken weliswaar onregelmatige meervouden op eren/ers maar aan de andere kant zijn er de meervouden op -ens en de besproken onregelmatige meervouden bern, skuon en skiep. Zeker niet bevorderlijk voor de stabiliteit is dat de besproken flexie niet contextueel maar inherent is en dat de frequentie relatief gering is.17
Als we abstractiegraad en verplicht zijn in de zin als één factor opvatten, kunnen we vaststellen dat er drie factoren zijn die de stabiliteit bevorderen, twee die dat juist niet doen en één factor die op dit punt dubieus is. Het beeld dat we verkrijgen bij bovenstaande factorenanalyse, is goed in staat het karakter van de Stadsfriese substantivische flexie te verklaren.
| |
3.3. De bijvoeglijke naamwoorden
Een eenduidiger beeld krijgen we wanneer we naar de flexie van het bijvoeglijk naamwoord kijken. In het algemeen kunnen we zeggen dat die flexie (inclusief de
| | | | trappen van vergelijking) in de drie variëteiten overeenkomt. Er zijn echter een paar uitzonderingen.
Ten eerste gebruikt het Fries de onverbogen vorm ook wanneer aan het onzijdige zelfstandige naamwoord het bezittelijk voornaamwoord voorafgaat: myn wyt skiep ‘mijn witte schaap’. Dit vinden we in het Stadsfries terug: myn wit skaap. Helemaal bewijskrachtig is dit geval overigens niet omdat we de onverbogen vorm ook wel in het Nederlands terugvinden. Voor het heden evenals voor de zestiende en zeventiende eeuw betreft het dan echter vooral de zuidelijke dialecten; voorzover in de genoemde eeuwen in Hollandse teksten de onverbogen vorm optreedt, berust dat wel op zuidelijke (schrijftaal)invloed (zie De Rooij 1980). Het Stadsfries heeft daarnaast ook de verbogen vorm: myn witte skaap. Volgens Fokkema (1937: 153) is die vorm minder gewoon en dus nadrukkelijker.
Ten tweede gaat in het Fries het bijvoeglijke naamwoord bij zelfstandig gebruik na in (en ook na sa'n en gjin) op -en uit: in moaien ‘een mooie’. Deze uitgang treedt ook op wanneer, in een ons ook uit het Engels bekende constructie, ien volgt: in moaien ien (vgl. Engels a beautiful one). Na de ‘de’ of it ‘het’ vinden we echter geen -en: de moaie of it moaie. Op dezelfde manier vinden we voor het Stadsfries bij Fokkema (1937: 153) dou bist in moaien/in moaien ien. (Over de vorm na het bepaalde lidwoord merkt hij niets op maar we mogen aannemen dat in dat geval de en-uitgang ook in het Stadsfries niet wordt gebruikt.)
Verwant is de -en-uitgang in fri. hy is in djippen tinker ‘hij is een diepe denker’ die volgens Tiersma (1985: 52) bij emfase gebruikt wordt. Die uitgang heb ik voor het Stadsfries niet vermeld gevonden. Verder vinden we de -en-uitgang ook in zelfstandig gebruikte voornaamwoordelijke vormen (al dan niet met ien): stfr. so'nen (fri. sa'nen) ‘zo een’, stfr. sokken/sukken (fri. sokken) ‘zulk een’, hoe'nen (fri. hoe'nen) ‘wat voor een?’. Ook het zelfstandig gebruikte bezittelijke voornaamwoord kan die uitgang krijgen: stfr. dit is mynen, dynen, synen naast, met -es, jouwes, hurres, onzes, jimmes, hunnes, hurres (fri. mines/minen, dines/dinen, sines/sinen, jowes, harres, uzes, jimmes, harres). De uitgang -es is overigens niet bewijskrachtig omdat die ook in het Nederlands voorkomt, namelijk volgens Weijnen (1966: 294) niet alleen in het Noord-Hollands maar ook in het Zeeuws. De en-uitgang mag niet verward worden met de (ook Nederlandse) meervouds-en in bijvoorbeeld stfr. syken ‘zieken’ (fri. siiken). In het Fries komt die ook voor in het aanwijzend voornaamwoord dyen: wat moat ik mei dyen dwaan? ‘wat moet ik met die doen?’. Dit geval heb ik in het Stadsfries niet teruggevonden.
Fokkema (1937: 153) vermeldt wel dat in het Stadsfries stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden evenals verleden deelwoorden een buigingsuitgang kunnen krijgen. Als voorbeeld geeft hij bradene kyp ‘gebraden kip’. Tiersma (1985: 52) geeft naast dy izeren toer als mogelijkheid dy izerene toer ‘die ijzeren toren’.
Een treffende overeenkomst tussen Fries en Stadsfries doet zich ook bij het bezittelijk voornaamwoord ús - ons voor dat in beide variëteiten onverbogen blijft: ús bern - ons kynders. Een dergelijk onverbogen ons is echter ook uit het oudere Hollands bekend.18 Een onverbogen vorm van het aanwijzend voornaamwoord treffen we bij bepaalde zelfstandige naamwoorden aan: fri. dis kant, dis kear, stfr. dis kant, dis kear, dis tyd.19
De Stadsfriese adjectivische (en verwante voornaamwoordelijke) flexie is dus
| | | | voornamelijk Fries van oorsprong. Ze profiteert namelijk van een groot aantal stabiliteitsbevorderende factoren: ze is, als alle flexie, abstract en verplicht in de zin, kenmerkt zich gemiddeld door een grote doorzichtigheid, speelt zich af in zwak beklemtoonde syllabe en is in hoge mate contextueel (alleen bij de trappen van vergelijking zijn er betekenisverschillen). Verder zijn er geen elementaire verschillen in het spel. De frequentie is echter niet hoog.20
| |
3.4. De werkwoordelijke flexie
De adjectivische (en de verwante voornaamwoordelijke) flexie blijkt dus goed vanuit het Fries in het Stadsfries doorgedrongen te zijn. We gaan nu na of dit ook bij de werkwoordelijke flexie het geval is. Voor de overzichtelijkheid volgen hier eerst een paar paradigmata (zie schema 2):
Schema 2: werkwoordsparadigmata Fries en Stadsfries
|
zwak 1 |
sterk |
zwak 2 |
tegenwoordige tijd
onbepaalde wijs |
miene |
nimme |
helje |
| 1e pers. ekv. |
mien |
nim |
helje |
| 2e pers. ekv. (-B) |
mienst |
nimst |
hellest |
| 2e pers. ekv. (+B) |
miene |
nimme |
helje |
| 3e pers. ekv. |
mient |
nimt |
hellet |
| 1e pers. mv. |
miene |
nimme |
helje |
| 2e pers. mv. |
miene |
nimme |
helje |
| 3e pers. mv. |
miene |
nimme |
helje |
| |
verleden tijd
1e pers. ekv. |
miende |
naam (nam) |
helle |
| 2e pers. ekv. (-B) |
miendest (mienste) |
naamst (namst) |
hellest |
| 2e pers. ekv. (+B) |
mienden |
namen (nammen) |
hellen |
| 3e pers. ekv. |
miende |
naam (nam) |
helle |
| 1e pers. mv. |
mienden |
namen (nammen) |
hellen |
| 2e pers. mv. |
mienden |
namen (nammen) |
hellen |
| 3e pers. mv. |
mienden |
namen (nammen) |
hellen |
| |
| tegenw. deelwoord |
mienend |
nimmend |
heljend |
| |
| verleden deelwoord |
miend |
nommen (nomen) |
helle |
| |
| gebiedende wijs |
mien |
nim |
helje |
| Toelichtingen: tussen haakjes staan de van het Fries afwijkende Stadsfriese vormen; -B = - beleefdheid, +B = beleefdheid; zwak 2 komt alleen in het Fries voor; miene ‘nemen’, nimme ‘nemen’, helje ‘halen’. |
Als we bovenstaande paradigmata bestuderen, valt ons op dat de distributie van de uitgangen -e en -en in het Fries en het Stadsfries dezelfde is: -e in de eerste vorm van de onbepaalde wijs (stfr. en fri. miene ‘menen’), het meervoud van de tegenwoordige tijd (stfr. fri. wij/wy miene), -en in de tweede vorm van de onbepaalde wijs (stfr. fri. te
| | | |
mienen), het meervoud van de verleden tijd (stfr. fri. wij/wy mienden) en in het verleden deelwoord van de sterke werkwoorden (stfr. nomen, fri. nommen ‘genomen’21). (De tweede vorm van de onbepaalde wijs vinden we ook bij zelfstandig gebruik en in de a.c.i.-constructie: stfr. swemmen is gesond, ik sach dij lopen; fri. swimmen is sûn, ik seach dy rinnen). Het Nederlands heeft in deze gevallen steeds -(n).22
Ook de uitgangen in de tweede persoon enkelvoud komen in het Stadsfries en het Fries overeen. Beide variëteiten hebben drie aanspreekvormen: dou/do voor enkelvoud niet-beleefdheid, jou/jo voor enkel- en meervoud beleefdheid en jimme voor meervoud niet-beleefdheid. Vgl. stfr. dou mienst, fri. do mienst; stfr. dou mienste, fri. do mienst23; stfr. jou miene, fri. jo miene; stfr. jou mienden, fri. jo mienden; stfr. fri. jimme miene, stfr. fri. jimme mienden. Voor de combinatie dou met de uitgang -st kunnen we aannemen dat die ook nog voorkwam in het zestiende-eeuwse westelijke Nederlands (Hollands).24 Het geval is daarom niet bewijskrachtig.
In de drie variëteiten stemmen verder de uitgangen van de 1e en 3e persoon overeen: vergelijk stfr. mien, nim; mient, nimt; miende, nam; miende, nam, verder ook die van de gebiedende wijs: stfr. mien, nim.
Nog een opmerkelijke overeenkomst tussen het Fries en het Stadsfries is dat in beide variëteiten het zwakke verleden deelwoord na d of t op -en kan uitgaan: ik ha/he praten, ik ha/he arbeiden. Verder mist het verleden deelwoord in het algemeen in het Stadsfries evenals in het Fries het voorvoegsel -ge: stfr. fri. miend. Het tegenwoordig deelwoord wordt in alle drie de variëteiten op dezelfde wijze gevormd.
Niet bewijskrachtig is het optreden van vormen als doen, gaan, staan en sien (1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd) en van vormen als doene, gane en stane (meervoud tegenwoordige tijd). Deze of vergelijkbare vormen vinden we in het westelijke Nederlands (Hollands) terug en bij staan, gaan en slaan ook in het Fries: stean(e), gean(e), sla(a)n(e) (naast ik slach).
Als we afzien van de niet-bewijskrachtige gevallen, blijkt dus ook de werkwoordelijke flexie voornamelijk uit het Fries afkomstig te zijn. We proberen dit nu met de bekende factoren te verklaren. Duidelijk is in ieder geval dat de werkwoordelijke flexie een hoge graad van abstractie bezit en verplicht is in de zin. Ze is ook als we naar het Fries kijken behoorlijk doorzichtig (zie hierover ook paragraaf 2) en verder speelt ze zich af in zwak beklemtoonde syllabe en is ze duidelijk frequent.25 De aard van de verschillen (elementair of niet-elementair) en het al dan niet contextuele karakter van de flexie vragen echter enige bespreking.
Een elementair verschil lijkt alleen in het spel bij de uitgang -st (bij de tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd). Hierboven is echter opgemerkt dat we die ook nog voor het zestiende- en zeventiende-eeuwse Hollands moeten aannemen. We kunnen er dus wel van uitgaan dat de tweetalige spreker bij de werkwoordsflexie geen elementaire verschillen heeft ervaren. Vervolgens de vraag in hoeverre de werkwoordelijke flexie als contextueel mag worden beschouwd. Hierin speelt immers ook een betekenisverschil mee, nl. dat tussen tegenwoordige en verleden tijd. De vraag is echter wat daarvoor precies als marker optreedt. Bij de zwakke werkwoorden lijkt dat het element -de- (na stemloze medeklinker -te-): fri. stfr. mien - mien-de-, bij de sterke de klankwisseling: fri. nim - fri. naam, stfr. nam. Het element -de-/-te is in alle drie de variëteiten hetzelfde en dus niet relevant; voor de klankwisseling zie §4. Het optreden van de (Friese en Stadsfriese) uitgangen:, -st, -e, -t, -n, -en, is contextueel bepaald door persoon en getal van het onderwerp.
| | | |
Niet-contextueel is echter de Stadsfriese en Friese uitgang -st(e): deze uitgang geeft nl. aan dat we met een verleden tijd te maken hebben. Niet contextueel is ook de markering van het verleden deelwoord; hierbij is overigens alleen relevant (namelijk overeenkomend met het Fries maar afwijkend van het Nederlands) dat het voorvoegsel ontbreekt en dat bij de zwakke werkwoorden na t of d de uitgang -en optreedt.
Als we van de beide uitzonderingen afzien (de uitgang ste en de uitgang -en bij sommige zwakke verleden deelwoorden), kunnen we inderdaad zeggen dat we bij de werkwoordelijke uitgangen met contextuele flexie te maken hebben.
Alle factoren blijken dus bij de werkwoordelijke flexie stabiliteitsbevorderend te zijn. Het is in dit licht gezien niet verbazingwekkend dat deze voornamelijk uit het Fries afkomstig blijkt te zijn.
Er is ten slotte in verband met de werkwoorden nog één probleem dat onze aandacht vraagt. Er bestaan in het Fries twee klassen van zwakke werkwoorden, nl. de klasse van miene (klasse 1) en de klasse van helje (klasse 2) (zie schema 2). Van de laatste klasse is in het Stadsfries niets terug te vinden. Voor de verklaring moeten we uitgaan van de (zeer frequente) eerste vorm van de onbepaalde wijs die als de hoofdvorm van het werkwoord werd ervaren. De friezen leerden zoals we in §1 gezien hebben, in het algemeen de Nederlandse klankvorm van de inhoudswoorden aan (een kwestie van lexicale fonologie) en dus ook voor helje de Nederlandse vorm hale(n). Het Friese achtervoegsel -je, niet een uitgang maar een klasse-aanduider, wist daar niet in door te dringen. Het aangeleerde woord werd volgens de uit het Fries afkomstige flexie vervoegd en wèl volgens die van klasse 1 waarmee het qua vorm (het was immers een vorm zonder -j-) overeenkwam.
| |
| | | |
Bibliografie
| Booij & Van Santen 1998 - Geert Booij & Ariane van Santen: Morfologie. De woordstructuur van het Nederlands. 2e geheel herziene druk. Amsterdam: University Press, 1998. |
| Van Bree 1992 - Cor van Bree: ‘The stability of language elements, in present-day eastern Standard-Dutch and eastern Dutch dialects’. In: J.A. van Leuvensteijn & J.B. Berns
|
| | | |
| (red.): Dialect and Standard Language - Dialekt und Standardsprache - in the English, Dutch, German and Norwegian Language Areas. Amsterdam enz.: North-Holland, 1992, p. 178-203. |
| Van Bree 1994 - Cor van Bree: ‘Het probleem van het ontstaan van het “Stadsfries” in verband met nieuwe talen in contact-theoriën’. In: S. Predota (red.): Handelingen Regionaal Colloquium Neerlandicum Wrocław 1993. Wrocław: Wydawnictwo Uniwersytetu Wrocławskiego, 1994, p. 43-66. |
| Van Bree 1994a - Cor van Bree: ‘The development of so-called Town Frisian’. In: Peter Bakker & Maarten Mous (red.): Mixed Languages. Amsterdam: Instituut voor Functioneel Onderzoek van Taal en Taalgebruik (IFOTT), 1994, p. 69-82. |
| Van Bree 1996 - Cor van Bree: Historische Taalkunde. 2e druk, Leuven: Acco, 1996. |
| Van Bree 1997 - Cor van Bree: ‘Hollandse taalinvloed in Friesland’. In: Ph. Breuker en A. Janse (red.): Negen eeuwen Friesland - Holland. Geschiedenis van een haat-liefdeverhouding. Zutphen: Walburg Pers, 1997, p. 120-133. |
| Van Bree 1997a - Cor van Bree: Een oud onderwerp opnieuw bekeken: het Ingweoons. Afscheidscollege Universiteit Leiden, Leiden (uitgave in eigen beheer), 1997. |
| Van Bree 1997b - Cor van Bree: ‘Changes in diminutive formation in the eastern Dutch dialect of Twente’. In: Jadranka Gvozdanović (red.): Language change and functional explanations. Berlin & New York: Mouton de Gruyter, 1997, p. 143-178. |
| Van Bree te versch. - Cor van Bree: ‘“Stadtfriesisch” und andere nichtfriesische Dialekte der Provinz Fryslân’. Te verschijnen in: Horst Haider Munske e.a. (red.): Handbuch des Friesischen/Handbook of Frysian Studies. |
| Van Bree 2000 - Cor van Bree: ‘De ontwikkeling van het Twentse genussysteem’. In: Nederlandse Taalkunde 5 (2000), p. 217-243. |
| Van der Burg 1991 - A.C.B. van der Burg: Woardeboek fan ut Leewarders. Ljouwert: Fryske Akademy, 1991. |
| Buwalda enz. 1996 - H.S. Buwalda (†), S.H. Buwalda & A.C.B. van der Burg: Woordeboek fan 't Bildts. Ljouwert: Fryske Akademy, 1996. |
| Van Coetsem 1995 - Frans van Coetsem: ‘Outlining a model of the transmission phenomenon in language contact’. In: Leuvense Bijdragen 84 (1995), p. 63-85. |
| Dijkstra 1900 - Waling Dijkstra: Friesch Woordenboek (Lexicon Frisicum). 2 Dln., Leeuwarden: Meijer en Schaafsma, 1900. |
| Duijff 1998 - Pieter Duijff: Wurdlisten fan'e Fryske stedsdialekten. Ljouwert: Fryske Akademy, 1998. |
| Fokkema 1937 - Klaas Fokkema: Het Stadsfries; een bijdrage tot de geschiedenis en de grammatica van het dialect van Leeuwarden. Assen, 1937. |
| Fokkema 1937a - Klaas Fokkema: Beknopte Friese Spraakkunst. 2e druk. Groningen: J.B. Wolters, 1937. |
| Hellinga 1940 - W. Hellinga, ‘Het Stadsfries en de problemen van taalverhoudingen en taalinvloed’. In: Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde 59 (1940), p. 19-52, 125-158. Ook in: Hellinga 1968, p. 459-492, 493-526. |
| Hellinga 1968 - W. Hellinga: Bijdragen tot de geschiedenis van de Nederlandse taalcultuur. Arnhem: Gijsbers en Van Loon, 1968. |
| Hoekema 1996 - Teake Hoekema: Beknopte Friese vormleer. Leeuwarden: Afûk, 1996. |
| Hoekstra 1998 - Jarich Hoekstra: Fryske wurdfoarming. Ljouwert: Fryske Akademy, 1998. |
| Hof 1956 - J.J. Hof: Dit en dat oer it stedsk. RU Groningen, Frysk Ynstitút (Estrikken 17), 1956. |
| De Jong 1979 - Eveline D. de Jong (red.): Spreektaal. Woordfrequenties in gesproken Nederlands. Utrecht: Bohn, Scheltema en Holkema, 1979. |
| Kloeke 1927 - G.G. Kloeke: De Hollandsche expansie. 's-Gravenhage: Martinus Nijhoff, 1927. |
| Landheer 1955 - H.C. Landheer: Het dialect van Overflakkee. Assen: Van Gorcum & Comp. enz., 1955. |
| Van Loey 1970 - A. van Loey: Schönfeld's Historische Grammatica van het Nederlands. 8e druk. Zutphen, 1970. |
| | | |
| Van Marle 1987 - Jaap van Marle: ‘Betekenis als factor bij produktiviteitsverandering’. In: Spektator. Tijdschrift voor neerlandistiek, 17 (1987-1988), p. 341-359. |
| Meeuwisse 1999 - Robin Meeuwisse: Ut is zô mooi zoid, ik raak ut mun levert niet kwoit!. Een theorie over de overlevingskracht van het dialect toegepast op de Westfriese taal in het algemeen en de Westfriese morfologie in het bijzonder. Doctoraal scriptie Universiteit Leiden, 1999. |
| Opprel 1896 - A. Opprel: Het dialect van Oud-Beierland. 's-Gravenhage: Martinus Nijhoff, 1896. |
| Overdiep & Varkevisser 1940 - G.S. Overdiep met medewerking van C. Varkevisser: De volkstaal van Katwijk aan Zee. Antwerpen & 's Hertogenbosch: Standaard-boekhandel en Teulings, 1940. |
| Pannekeet 1979 - Johannes Antonius (Jan) Pannekeet: Woordvorming in het hedendaags Westfries. Amsterdam: Rodopi, 1979. |
| Pannekeet 1995 - Jan Pannekeet: Het Westfries. Inventarisatie van dialectkenmerken. Z. pl.: Stichting Uitgeverij Noord-Holland, 1995. |
| De Rooij 1980 - J. de Rooij: ‘Ons bruin(e) paard’. In: Taal en Tongval 32 (1980), p. 3-25, 109-129. |
| Tiersma 1985 - Pieter Meijes Tiersma: Frisian Reference Grammar. Dordrecht: Foris Publications, 1985. |
| De Vin 1953 - A. de Vin: Het dialect van Schouwen-Duiveland. Grammatica en historie. Assen: Van Gorcum en Comp. enz., 1953. |
| De Vink 1996 - Leendert de Vink, ‘Structuurverlies in het dialect van Katwijk aan Zee. De dialectontwikkeling binnen het Randstadgebied vergeleken met die daarbuiten’. In: Taal en Tongval 48 (1996), p. 103-138. |
| De Vink te versch. - Leendert de Vink: Structuurverlies in het dialect van Katwijk aan Zee. Dissertatie Universiteit Leiden. |
| De Vooys 1960 - C.G.N. de Vooys: Nederlandse Spraakkunst. 5e druk herzien door M. Schönfeld. Groningen: J.B. Wolters, 1960. |
| Van Weel 1904 - Marinus Anthonij van Weel: Het dialect van West-Voorne. Leiden: E.J. Brill. Dissertatie Universiteit van Amsterdam, 1904. |
| Weijnen z.j. - A.[A.] Weijnen: Zeventiende-eeuwse Taal. 5e druk. Zutphen: Thieme & Cie, z.j. |
| Weijnen 1966 - A.[A.] Weijnen: Nederlandse Dialectkunde. Assen: Thieme & Cie, 1966. |
| Weijnen 1971 - A.A. Weijnen: Schets van de geschiedenis van de Nederlandse syntaxis. Assen: Van Gorcum & Comp. enz., 1971. |
| Winkler 1874 - Johan Winkler: Algemeen Nederduitsch en Friesch Dialecticon. 2 Dln. 's Gravenhage: Martinus Nijhoff, 1874. |
| Wurdboek 1990 enz. - Wurdboek fan de Fryske taal. Ljouwert: Fryske Akademy. - Verschijnt vanaf 1990 in delen. |
|
*Het tweede deel van dit artikel volgt in de volgende aflevering. Een deel van het artikel werd als lezing gepresenteerd op een vergadering van het Taalkundich Werkferbân van de Fryske Akademy te Leeuwarden op 30 januari 1999. Uiteraard heb ik geprofiteerd van de op de lezing volgende discussie. Evenzo heb ik geprofiteerd van gesprekken met Drs. Robin Meeuwisse (Den Haag) en Drs. Leendert de Vink (Leiden) die met verwant onderzoek bezig zijn (zie Meeuwisse 1999 en De Vink 1996 en te versch.). Ds. G. Kuperus (Leeuwarden) was zo vriendelijk voor mij een vragenlijst in te vullen.
1Ikzelf heb dat tot dusver in de volgende publicaties gedaan: Van Bree 1994, 1994a, 1997 en te versch.
2Stabiel en instabiel moeten hier gezien worden vanuit het perspectief van de tweede-taal-leerder: welke elementen neemt hij mee, welke neemt hij niet mee, van T1 in T2? Of anders gezegd: welke elementen raakt hij niet, welke wél gemakkelijk kwijt bij het aanleren van T2? De eerstgenoemde heten stabiel, de laatstgenoemde instabiel. Laatstgenoemde worden dus gemakkelijk aangeleerd; ze worden ook gemakkelijk uit een vreemde taal ontleend. In Van Bree 1996: 258 e.v. heb ik hiervoor de termen psychostabiel en psycho-instabiel geïntroduceerd. Men kan de begrippen ook definiëren vanuit het perspectief van de taalvariëteit: welke elementen handhaven zich daarin goed van generatie op generatie en welke niet? Hiervoor kan men de termen stabiel en instabiel zonder meer gebruiken. In De Vink te versch. wordt het onderscheid gemaakt met behulp van de termen S-stabiel (S = spreker) en V-stabiel (V = variëteit). In dit artikel worden de termen stabiel en instabiel in de betekenis ‘psychostabiel’ en ‘psycho-instabiel’ gebruikt: omdat met het Stadsfries een nieuwe variëteit is
ontstaan en een vergelijking over de generaties heen (hetzij voor het Fries, hetzij voor het Nederlands) dus niet aan de orde is, behoeft het besproken onderscheid hier niet gemaakt te worden.
3Het is Van Coetsem die zeer systematisch het onderscheid tussen impositie en ontlening heeft gemaakt; zie hiervoor o.a. Van Coetsem 1995. Van hem is ook de térm impositie afkomstig. Bij impositie gaat het dus om overdracht van T1-elementen in T2 (substraatwerking), bij ontlening om overname van T2-elementen in T1. We kunnen die beide kortweg onderscheiden als T1-overdracht en T2-overname.
4Bij de lexicale fonologie moeten we denken aan de foneemstructuur van de woorden; de lexicale fonologie moet goed worden onderscheiden van de ‘uitspraak’ (de fonetiek). Een voorbeeld. Een deel van het Twents heeft voor stand.ndl. eend èènde; de Twent zal niet het gevoel hebben hier met twee verschillende woorden te maken hebben maar met ‘hetzelfde’ woord zij het ten dele met verschillende fonemen (een lexicaal-fonologisch verschil). Wanneer hij nu wanneer hij Standaardnederlands spreekt, eend zegt, heeft hij de juiste fonemen gekozen (een kwestie van lexicale fonologie) maar hij kan deze nog wel op de twentse manier uitspreken (een kwestie van ‘uitspraak’ oftewel ‘accent’: een fonetisch verschil). Zo kan hij bijv. de ee zuiver monoftongisch uitspreken terwijl de standaard-uitspraak licht diftongisch is. In het geval twents vernemstig tegenover st.ndl. pienter is er sprake van een lexicaal verschil.
5Zie verder mijn in noot 1 genoemde publicaties, speciaal Van Bree 1994, en de daarin genoemde literatuur.
6Voorbeelden van Noord-Hollandse elementen in het Stadsfries zijn de klinker van beerd ‘baard’ en peerd ‘paard’, die van moat ‘moot’, toan ‘teen’, roop ‘touw’ en roof ‘knot garen’ en een vorm als besteed ‘bedstede’ (met sjwa-apocope voordat d-syncope kon optreden).
7Ik doe dit vooral op basis van de grammatica's van Fokkema (1937) voor het Stadsfries en van Fokkema (1937, 1937a) en Tiersma (1985) voor het Fries en van de beschikbare woordenboeken, o.a., voor het Leeuwarders, het woordenboek van Van der Burg (1991). Voor het Noord-Hollands, speciaal het West-Fries, maak ik gebruik van Pannekeet 1979 en van Pannekeet 1995 (waarin ook oudere literatuur is verwerkt). Voor de Friese morfologie valt nog te wijzen op Hoekema 1996 en Hoekstra 1998 en voor de Stadsfriese woordenschat op Duijff 1998. Voor de spelling van het Stadsfries houd ik mij aan Van der Burg 1991, voor die van het Fries aan de huidige officiële spelling.
8Een speciale vorm van geautomatiseerdheid, nl. in fysiologische zin, treedt op bij de uitspraakeigenaardigheden.
9Behalve in de in noot 1 genoemde literatuur heb ik de betreffende factoren aan de orde gesteld in Van Bree 1992. Zie verder ook Van Bree 1997b en Van Bree 2000.
10Zie voor deze term Booij en Van Santen 1998: 84.
11Ook de productiviteit zou secundair op het regelkarakter van invloed kunnen zijn. Het is echter de vraag of doorzichtigheid en productiviteit helemaal los van elkaar staan: een zekere mate van doorzichtigheid lijkt in ieder geval een voorwaarde voor productiviteit. Zo is in het Nederlands en waarschijnlijk ook in het Fries de categorie op - (e)lijk (Fries - lik) improductief geworden door de hoge mate van semantische divergentie die daarbij is opgetreden (Van Marle 1987). De produktiviteit hebben we daarom als factor verder buiten beschouwing gelaten.
12Voor de berekeningen van de frequenties is gebruik gemaakt van de afdeling gesproken taal van De Jong (1979). Hier vermeld ik dat de flexie uitkomt op het getal 18.113, de afleiding op 10.604 en de samenstelling op 7.821. Zie verder de noten 17, 20, 25 en in deel 2 de noten 30, 33 en 38.
13De volgende afkortingen worden gebruikt: fri. = Fries, stfr. = Stadsfries, ndl. = Standaardnederlands of (indien aangegeven) westelijk Nederlands (= Standaardnederlands plus Hollands) en nhl. = Noord-Hollands.
14Deze zienswijze houdt in dat er variatie kan bestaan: het kan voorkomen dat het ene individu nog wel identiteit ervaart en het andere niet meer. Ook kan er sprake zijn van verandering: eerst ervaart men nog identiteit, later als gevolg bijv. van klankveranderingen niet meer. Het spreekt vanzelf dat wanneer in dit artikel identiteit wordt aangenomen (voor de ervaring van de zestiende-eeuwse Friese stedeling), dit weliswaar niet zonder goede gronden maar toch altijd bij wijze van hypothese gebeurt.
15Het is ook belangrijk goed te onderscheiden tussen morfologie en fonologie. Vergelijk Fries - skip (bijv. in eigenskip) ten opzichte van ndl. - schap (bijv. in eigenschap): in morfologisch opzicht zijn - skip en - schap met elkaar te identificeren, in fonologisch opzicht echter is er een duidelijk verschil (in twee van de vier fonemen).
16In Overdiep en Varkevisser 1940: 107 vinden we voor Katwijk aan Zee de opmerking dat het meervoud van woorden op - ing nu en dan als in het Fries op - es uitgaat: zinkes uit zinkings ‘zenuwpijnen’, kozzes uit kozzings (een scheepsterm). Katwijk aan Zee kan echter net als West-Friesland tot het gebied met een oud Fries substraat gerekend worden. Zinkings kwam overigens ook vrij vaak en verbreid in ouder Hollands voor (zie WNT). Aan een Fries substraat kunnen we niet of moeilijker denken bij het Flakkees waarvoor ook meervouden op - s genoemd worden (Landheer 1955: 58): (in genormaliseerde spelling) harings, leidings, uutdrukkings enz. Het is dus de vraag of we de ings-meervouden wel (helemaal) als bewijskrachtig mogen beschouwen.
17Ter bepaling van de frequentie is gebruik gemaakt van afdeling D1: lexicale codes - tekenfrequenties in De Jong (1979). Geteld zijn alle meervouden en genitieven. De uitkomst was 3.471. Dat betekent een lage frequentie. Frequenties boven de 5.000 beschouw ik nl. als frequent, die daar beneden als niet-frequent. (Omdat er zich geen frequenties rond de 5000 bevinden, is er geen reden om ook nog matige frequentie te onderscheiden.)
18Zie Van Loey, ‘Schönfeld’, 1970: 144, De Vooys 1960: 92-93, Weijnen z.j.: 48 en het WNT onder ons.
19Tiersma (1985: 52) vermeldt dat bepaalde adjectieven, speciaal áld, jong en lyts, onverbogen blijven wanneer ze aan substantieven voorafgaan waarmee ze een hecht betekenisverband vormen: de âld feint ‘de oude kerel’, dat nij hûs ‘het nieuwe huis’ enz. Deze verbindingen lijken, ook qua accentuatie, op samenstellingen; soms worden ze dan ook wel als één woord geschreven, bijv. âldfeint. De gewone verbindingen komen daarnaast voor: de âlde feint, it nije hûs. Voor het Stadsfries heb ik bij Fokkema geen overeenkomende opmerkingen gevonden.
20Ter bepaling van de frequentie is weer gebruik gemaakt van de lexicale codes - tekenfrequenties in De Jong 1979. Alle vormen van het bijvoeglijk naamwoord zijn meegeteld inclusief de vergrotende en overtreffende trap. De uitkomst komt op 3.206. Omdat dit getal onder de 5.000 ligt (zie noot 17), is er sprake van een lage frequentie.
21In het Fries is de uitgang niet altijd meer te zien: vergelijk bûn ‘gebonden’ en dreaun ‘gedreven’.
22In de hedendaagse dialecten vinden (c.q. vonden) we de n in het oude gerundium (na te) nog terug op de Zuid-Hollandse eilanden en in Zeeland: zie Van Weel 1904: 65 voor West-Voorne (= Goeree), Landheer 1955: 77-78 voor Overflakkee en De Vin 1953: 41 voor Schouwen-Duiveland; Landheer vermeldt ook een n in substantivisch gebruikte onbepaalde wijzen. In deze dialecten treedt echter zowel in de verleden tijd als in de tegenwoordige tijd n-apocope op. Voor het zestiende- en zeventiende-eeuws heb ik (tot dusver) geen aanwijzingen gevonden voor een ‘Friese’ n-verdeling.
23Tiersma (1985: 69) geeft als gebruikelijke vorm miendest maar vermeldt in een noot (op blz. 70) mienst als archaïsche vorm. Mienste dat Fokkema (1937: 164) geeft, kan naar analogie van miende een slotsjwa gekregen hebben.
24Vgl. Van Loey 1970 (‘Schönfeld’: 137) en Weijnen z.j.: 41.
25Er is weer gebruik gemaakt van de lexicale codes - tekenfrequenties in De Jong 1979. Hoewel alleen persoonsvormen zijn geteld en hulp- en koppelwerkwoorden (gering in aantal maar zeer veel voorkomend) zijn verwaarloosd, is de uitkomst toch hoog: 8.519, dus boven de 5.000 (zie noot 17).
|
|