|
| |
| |
| |
[Saul ende David]

| |
| |
| |
+Davidts vluchte
| 1/ | +Saul geeft david Michol tot huisvrow |
| 2/ | Saul tgoet berout / gebiet david te dooden |
| 3 | Jonathas / swaders opset david te kennen geeft |
| 4 | Jonathas voert Davids wort bij saul |
| 5 | David versoent ten hoove compt weer |
| 1/ | +Saul ontsinnich / david speelende vluchten doet |
| 2/ | Saul sent uuijt om david te bewaeken |
| 3/ | Door Michel en een beelt wert behoet |
| 4/ | Michel / het beelt bedect int bedde |
| 5/ | Michel / Den serjanten met een schoon praetgen paijt |
| 1/ | +Saul wederstiert om David te vangen |
| 2/ | Die serjanten vinden heur deur tbeelt bedroogen |
| 3/ | Saul gaet selfs besichtigen watter is gheschiet |
| 4/ | Saul voor hem Michel ontbiet en hoort |
| 5/ | Saul gebiet nae David om te hooren |
| 1/ | +David vluchtende bij Samuelem comt |
| 2/ | Waer david gevlucht is saul aengeweesen |
| 3/ | Saul gebiet hem te vangen |
| 4/ | Niet weederkeerende Duijtgesonden ander seen |
| 5/ | Ten derden noch anderen uuijtstierende |
| 1/ | +Saul verstoort Dat niemant wederkeerdeen |
| 2/ | Saul wert te kennen gegeven hoe daer gestelt is |
| 3/ | Saul selfs uuijttrect om deese saeck tondertasten |
| 4/ | Saul geraect oick onder den propheeten |
| 5/ | David vluchtende met Jonathas verbont maect |
Personages
|
| Saul coninck met sijn garde |
| Jonatas conincs soon |
| Michel sconincxs Dochter |
| David cooninxs swager |
| Samuel Propheet |
| Propheeten Werden 6 van Sauls knechten |
35
Regum 19 ende 20 capittel
Saul davits siel sochten door veel practijken
maer Door een beelde david bleeff behouden
men niet voorbrochten al most hij wijken
sconincxs gebieden / Tsecreet Jonathe betrouden
| |
| |
| |
+Een spel van sinnen Van Saul ende David
| |
+Saul / David / Michel / Jonathas
45
Der coningen woort is heur segel dat niet is te breeken
dus vanden gedaen beloften david niet en was te versteeken
wiens crachten niet sijn besweeken tegen den geemen vianden
den phijlijstijn goliat verslaenden / bevrijdende voor scandt
geheel Israhel doverhant tegen hem behouden
50
door sijn cleijne macht / en goodts hulp / daer hij op bouden
ongewapent niet en mistrouden / dus wast reden en recht
die hem in periculeus gevecht / wel heeft gequeeten
door dies David en heb ick mijn beloften niet gequeeten
want ghij den viant hebt gesmeeten doot / dus sijt ghij verheven
55
tot mijn eijgen swager u heb ick mijn dochter gegeven
op dat ghij machtich mijn beneeven Israhel sult regeeren
Den heer coninck Dienst te doen allen mijn begeeren
niet om doer dien te vermeeren / mijn rijckdom off hoogenstaet
60
Israhels salicheijt gesocht heb / niet eijgen baet
hoe wel Den coninck Doer sijn raet / goet heeft gevonden
dat ick onverdient in echten staet sow bliven verbonden
in haer Liefden verslonden / met fijn Lieve dochter bemint
65
Soo wie hem wel quijt / den toegeseijden Loon vint
dit huwlick ons tsaem verbint in Lieft en eendrachte
Wat is toch in Israhels mijns vaders geslachte
om mijn groot te achte / en om te sijn een behoude soon
70
van soo machtigen coninck / een scaep herder eer ongewoon
onwaerdich Dusdanich Loon / ick can mijn wel met minder lijen
Mijn genoecht met u persoon david / mijn wilt niet mijen
die Israhel coent bevrijen / van alle gequellen
Ick waer onder den minsten van u dienaers te tellen
veel eedele Jonge gesellen In Israhel vermaert
ick een arm beuselaer die niet bij en heb vergaert
om met u te werden gepaert / groote rijcdom noch scat
Ick en behoefden geen bruijlofts goet segt mijn / wat
in dees contreije is Dat mijn ontbreeken mach
geheel Israhel onder mijn gebieden / ick en maeck geclach
over u Rijcdom / maer aensach alleen u groote Daden
| |
| |
| |
| |
| |
| |
+
Ick danck den coninck / der onverdienden genaeden
doer mijn behoet voor scaeden / en veel gaven scenct
90
Der hondert philistijnen verslaegens hij gedenct
sijn vianden gecrenct Die ghij Leverden bij getalle
Onnoodich dees Reden / niet dienende ten principaele
met veel excuis te verhale / ghij uuijt dusenden uuijtvercoren
Blijft Israhel getrow / soo ghij bij eede hebt geswooren
wilt haer vianden verstooren / strijt den strijt des heeren
Die heere godt believe ons geslacht te vermeeren
100
door u genereren / en maeck u huwelick voor spoedich
Dus neem ick uuijt mijns vaders huis ootmoedich
mijn affscheijt gloedich / in minne tot mijn eijgen man
105
Ghij twee sielen / in een Lijff geworden gaet in vreede dan
ick u niet behouden can / altoos gecoomen tot u Jaren
Met verloff soo gaen wij dan in Lijefden paren
die nu in eendracht vergaeren / op dat wij niet en doolen
Gaet in vreeden en blijft Den heer bevoolen
Hoe Dickmaels men een ding tegens sijn eijgen gemoet doet
met den mont / ick David toe wensche alle voorspoet goet
115
maer Inwendich thart woet / tegen hem haet en nijt
om datmen hem toe scrijft Dat hij Israhel heeft bevrijt
met recht mijn in tgemoet spijt dat hij verheven // wert
vert boven mijn wart thien Dusent hem toe gheschreven // wert
thart tot nijt gedreven / wert / alleen een duisent mijn getal
120
geheel Juda bemint hem meest / hoe ick dit verdragen sal
mijn huis Door hem ten val compt / dat is mijn Leet seer
nochtans om an hem niet te doen een misdaet wreet
door mijn eijgen hant / want ick weet seer quaelick genomen
dat sow werden / Tirannich te Doen den vroomen
125
door dies sout ick scromen / sulcxs te doen maer practijke
meenden ick te gebruijken tot bevesting mijn rijcke
maer sulcxs most niet blijcke / dus onder tijtle eerlick
meenden ick hem te Leveren / nae sijn doot begeerlick
inder phijlistijnen handen deerlick / om te sijn vermoort
130
maer buijten mijn meening / is anders nieuwe maer gehoort
te voldoen heeft gespoort / tgeen ick hem affeijschen ras
| |
| |
+dus wederom in hem mijn beloften te voldoen gehouden // was
sulcxs mijn wel Leet is / op dit pas / al moetet gedaen bliven
135
maer Jonatha Liefste soon / die saeck gaet meest u aen / ontlijven
wilt deesen / off verdrijven / ghij hebt volle consent
neemt tot assistencie / al tgernijsoen hier ontrent
geweldich u derwerts went / ick weesen sal sienden blent
die saeck u bevoolen / wreect mijn gramschap / tis tijt dat ghij begint
Hier comt uuijt David en Jonathans
In hoe hooger staet men is / in hoe meerder sorge
men steect / hoe wel men rijck genoch / niet behoeft te borge
den avont en den morgen / hebben haer eijgen Lasten
Wie spreect mijn an / noijt soo waerden gasten
ick en sach mijn over Lasten / coomt ghij mijn versoeken
David mijn siel met den uwen in Lijefden vercloecken
alle Tweedracht vervloeken / dus moet ick u openbaren
mijns vaders gramschap / op u / door sijn gemoets verclaeren
en strect tot beswaeren / van alle onse saecken
Ick Elendige wat sal ick dan gaen maeken
moet ick op sijn Listen waeken / och wat vreemder geruchte
fortuijn doet deen Lachhen / dander suchten
waer sal ick elendige vluchten voor dees coninxs gramschap
Ick sal bespooren off niet en wert in sijn gemoet gram / slap
en tgeen dat hij fel op nam / slap // niet en Laet vallen
En sijn nu tot mijn bevrijdinge geen bergen noch dallen
165
achter wat Dijcke vallen / soudt ick moghen onduijken
Mijn vader Saul / soo gramschap ons heeft doen ontluijken
wil conincklijke macht misbruijken / tegens u door ongenaede
en soect u te doden / cleijn achtende u weldaden
170
+dus vindt ick geraeden dat ghij u morgen vroech
wachten wilt / hout u heijmelick / ghij hebt middelen genoch
Laet mijn drijven den plouch / en ick sal morgen uuijtgaen
en bij mijnen vader / al waer hij is blijven staen
en doen van u Daden vermaen / seer Lijeffelick smeekende
Mijn corrage rijst wat u hulp mijn niet onbreekende
wel vermuecht ghij wel spreekende / doet toch het beste
U sal ick Insinueeren dan / op den requeste
180
het apostil daer nae te Leesen / ghij u hebt te reguleeren
| |
| |
| |
| |
| |
| |
+
Men mach in noot certeijn geen vrienden hulp ontbeeren
dus op u hertelick mijn begeeren tot sorrich draecht
185
voor u vrient getrow / die tonrecht wert beclaecht
en doet al wat u behaecht / troost sal ick ver beijden
raemt hoe mijn gemoet is / door ons Droevich sceijden
Hier comt uuijt Saul ende Jonathas
190
Vindt ick u Jonatha beesich in coonincklijck affairen
Dalmogende godt wil mijn vader den coninck bewaren
voor alle beswaeren voorspoedich Levende
195
En ist niet een moeijlick ding datmen dus is verheevende
ons dienaer david begeevende hem tot des rijcxs regiering
Begeeft hij hem ergens toe dan door u uuijtstiering
uuijt wat cracht is sijn regiering / die door gedoogen / is
Hij is over tijt aen deen sijde te groot sijn vermoogen // is
nae meerder sijn poogen is / inden dop het kuijken / smoort
O heer vader coninck / u macht niet te misbruijken / spoort
205
niet soo eedelen kuijken moort / sondicht tegen u knecht / niet
wat heeft hij misdaen en handelt tegens recht / niet
donnooselen en bevecht niet / al wat hij doet goet // is
die phijlistijn ver slagen / tot geheel Israhels voorspoet // is
hij altoos wel gemoet is // tegen des rijcks vianden
210
Dalmogende godt werct wonder doer sijn handen
en bevrijt ons voor scanden / dit alles ghij wel weet toch
u quaet opset om hem te doden Laet u sijn Leet toch
en doet niet tegens u eet noch sondicht niet aen tsondich bloet
215
Is sulcxs u advijs / u Redenen uuijtvloeijende soet
stillen mijn wreet gemoet / en ick segge alsoo warachtich
als in sijn hemelen Leeft ons godt almachtich
sijn weldaeden gedachtich david niet en sal sterven
220
Haelt David dan om des coninxs gratij te verwerven
Hier comt David en Jonathas
Tgemoet ontroert geen rust en heeft thert van binnen
hoe mijn saeken ten hove staen / wat ick sal beginnen
225
hier meede becommert mijn sinnen over Legge dach en nacht
David met verlangen seer / heb ick u hier Lang verwacht
ten eijnde comt u clacht / u saecke affgeloopen wel
| |
| |
+
Ist mogelick mach ick op u woort hoopen / wel
en sal ick niet becoopen / fel / des coninxs gemoet
Met Reden en Lieffelickheijt sijn gramschap versoet
235
voor den doot heb ick u behoet / u gegeven tleven
Hoe sal ick genoch dangbaer sijn / hier beneven tbeven
door sorch dat ick verheeven / sneeven sonden wechgenoomen
240
Sonder anxst / wilt dan met mijn binnen ten hoove coomen
op dat ghij met den vroomen / weder ten strijde gaet
tegen den philistijnen / en doet Israhel / door u bevrijde baet
niet Lang hier ter sijde staet / voort vrijmoedich treet
245
Ten dienst des coninxs stae ick altoos gereet
Lijff goet en bloet weet te sijn tot sijn believen
Laet ons vertreckken dan en bevestigen u commissij brieven
Saul Uuijtcoomende nnet David
Die coninck Leve / sijn Magesteijt moet behaegen
dat veel der philistijnen / vluchtende sijn verslaegen
den rest men vert verjaegen / uuijt u Lemijten / rat
255
En was daer niemant die u oick kon doot smijten plat
dien ick moet wijten dat / mijn quelt der furijen geest
Ra ra ra / sa sa sa / waer ben ick / waer heb ick geweest
help / help / minst ende meest / doet al mijn beveelen
260
Och och Langt ras mijn harp daer op dat ick mach spelen
en Liefflick met den voix queelen / om den coninck te genesen
Saul op David De Lancij werpende
Van cant / van cant / van cant / op dat ick buijten vreesen
mach doerstieten deesen / op wien ick dat heb gemunt // fel
Ghenaedich godt mijn toch u behoeding / gundt snel
Amij en heb ick met den Lancij den boeswicht niet getreft
is hij mijn ontvlucht / die niet waerdich is dat hij Left
270
wel te pas hij hem nu begeft tegens mijn bij den viandt
dees vonck mostmen voorcoomen / eer vort rijst den brandt
al eer hij wijct uuijt tlant / ghij vroome mannen
trect uuijt beset hem thuis wilt tsaemen spannen
uuijt tlant wil ick hem niet bannen maer morgen dooden // wil
275
dit is mijn vonnis over Deesen snooden stil
| |
| |
| |
| |
| |
| |
De howelijcken staet vol anxst en sorge es / werdt ick gewaer
280
wat staet mijn te doen / Deen mijn man dander mijn vaer
och dus Lijden swaer es mijn genaekende hier
des huwelicxs bittere merceelkens / ben ick smaekende scier
mijn man geraekende hier in mijns vader Indignacie
soo dat hij voortvluchtich is / voor hem geen meer gratie
285
met hem in tribulacie / ick oick mede geraeke
och hier coomen nu sconinxs scerjanten om hem te bewaeken
goede Mannen / wat sult ghij maeken hier in ons Logijs
Deerste serjant ofte ruijter
Genaedichste vrow daer is van ons commissij bewijs
290
waer nae wij ons propijs / moeten reguleeren
Och ist om mijn man te doen dat moet godt deeren
werwaert sal ick mijn keeren / met druck overlaeden
295
Tgeen wij Doen is u vaders bevel / u genaeden
sal ten besten neemen ons daden / u wel bekent
dat wij moeten doen / tgeen men ons gebiet torment
om selfs te ontgaen present / soo moeten wij ons quijten // dan
300
Ick weet wel dat ick sulcxs / u niet can verwijten / van
maer wilt ghij doot smijten dan / mijn man wat baet u sijn bloede
Deerste serjant ofte ruijter
Wij sullen hem te nacht bewaeken en verhoeden
dat hij niet en vlucht / vermoede dat die coninck morgen
305
hem selfs sal Doen dooden
dat hem niemant verborgen / alsdan sal moogen // noch
310
+Goede mannen hebt met den bedructen meedoogen // toch
wilt niet tquaetste te doen pogen och / in gramschappen hetten
Deerste serjant ofte ruijter
Wij achtervolgen ons Last / en sullen ons schiltwacht besetten
Michel uuijt ende David
Wat is swerlts weesen / Deen Lacht dander screijt
wat wert bij mijn nu anders / dan verdriet verbeijt
indien die Doot nu sceijt Die Lijeffelick gepaert // sijn
Ghij muecht met recht vervaert / sijn
hier rontsom vergaert sijn // die u sullen vangen
| |
| |
+
Druck gaet ons nu Deerlick prangen
nae den morgen mijn geen verlangen / die is aenstaenden
Dat dit ons sow genaeken / wie oijt te vooren waende
mijn broeders mijn wel vermaenden / om met groote potentaten
geen doen te hebben // want sij heur ondersaeten
tot staet coomende haeten / baten wat mach mijn hoogen staet nu
Och mijn alder Liefste cort beraet / goet beraet // nu
om te soeken baet nu / want ten sij ghij op desen nacht
u selfs verlost / soo op morgen ghij den doot verwacht
dus moet werden getracht / om toncoomen den Laegen
Hoe sout ick dat coonen aen Leggen / soutmen moogen vraghen
achtervolgen sal ick u behaegen / weet ghij middel tondeckken
Eer veijnster uuijt Laet ons deesen coort uuijtstreckken
345
die sal ter aerden toe reckken / dan sal ick u Laten dalen
soo muecht ghij vluchten / ick sal dien weeder op haelen
op goodts avontuer dwaelen / meucht ghij dan vert
U Believen doe ick garen / maer ons sceijden valt mijn hart
350
nochtans om tontgaen smert soo moeten wij sulcxs bestaen
want het Leven is soet / Dus u onderdaen
achtervolch ick u vermaen / wel aen dan in sheeren naem
A Dieu Lieff boven alle vrowen / Eersaem
dees middelen bequaem / sal ick ondersoecken
Die heer bewaer u / en wil u voorts vercloecken
360
tot versceijden hoecken / als balling vluchtende
Hoe dickwijls sal ick om u mijn Lieff sijn suchtende
Michel tbeelt int bedt Leggende seijt
Hij is nu inden vogelensanck / inden peekel blijff ick steeken
365
maer noch moet ick te werck stellen / vreemde treeken
bij den voorsichtigen vergeleeken / op dat hij tijt heeft
om te vluchten / want vertreck / respijt // geeft
en als die vert benijt beeft / soo dat hij niet wel en spoijt
dus wil ick dat staenden beelt / neemen al salt sijn verfoijt
370
maer niemant hem anders dees saeck bemoeijt / en Leggen dat
int bedden / want alsmen vraecht / waer is den man / seggen wat
| |
| |
| |
| |
| |
| |
+moet ick Immers / verleggen dat / en mach ick niet
hij is sieck / sal ick seggen / gaet en dat selfs besiet
375
maer Leggen Laet / hem verdriet / op dat daer aff comt niet meer
bij nae soo groot als mijn man / ick Leg hem int bet neer
dees harige geijten vellen weer Leg ick ten hoofden enden
met mans cleederen wil ick hem deckken als den wel bekenden
op dat als sij heur derwaerts wenden / hem waenen sieck te sijn
380
holla mijn dunct dat sij coomen alhier / dit valt mijn pijn
Der serjanten ende Michel
Tes hooch dach / en overtijt dat wij vertreckken
385
Wie sal nu den grooten vorst david op wreckken
hij mach noch sijn Leeden uuijtstreckken / ghij muecht hem aenspreken
Ick darff Dat niet bestaen / spraeck sal mijn ontbreeken
maer off ghij hem met smeeken / baet om te treckken mede
Off wij ons rappoort aen haer vorstelijcke genaede deden
en aenhoorden wat reden / dat sij ons geven sal
Sij is hier present / Die dat hoort mijn Leden beven al
395
nochtans verheeven sal / ick mijn stem / nae tbehooren
genaedichste vrow / mogen wij vraegen sonder u te storen
nae ons heer vercooren / op dat hij nu meede optrect
Och mijn genaedige heer / veel te seer hij dient niet gewrect
400
hij slaept een weijnich gedect / Laet hem noch wat rusten
hoe sout hij doer verscrictheijt siek alrede Lusten
op te staen / een eijsdoorken ick plusten / om wat supens te maken
Och wilt toch niet nae genaeken
hij mocht ontwaeken / en geheel tonvreeden sijn
Achter volgende ons commissij / soo moet hij bestreden / sijn
410
al sijn u dees reden pijn / indien hij tegenstant // doet
Hebt acht op sijn hoocheijt / hem niet desen scant doet
sulcxs men des coninxs viant doet / daar voor hij niet bekent
maer om tondersoeken sconinxs believen een derwaerts sent
415
op dat als die weer herwerts // went ghij doet dat hij belast
denct dat hij sconinxs swager is / en geen vreemde gast
dus op u Daden en mijn reden past / op dat tfeijt u niet en rout
Wil ick dan gaen verneemen off coninxs gramschap niet en vercout
| |
| |
+
Gaet die saeck u toe betrout wij u hier sullen vertoeven
op dat wij geen oorsaeck sijn / van het deerlick bedroeven
Saul / met dserjanten
Warom soo sijt ghij gegaen / u commissij te buijten
waerdich / datmen / u selfs / inden galjoenen besluijten
als ongehoorsaemen / guten / en hadt ick u niet gesonden
dat ghij mijn alhier den man sout Leveren gebonden
430
bij indien hij thuis werden gevonden / daer nae mijn verlang was
Genaede heer coninck men seijden dat u swager crank / was
en dat tegen u Danck was / den crancken te verstooren
435
En heb ick niet den villeijn sijnen doot geswooren
onderweech hadt hij mogen versmooren en sijn dit waer vercooren
Des coninxs swagher aen te tasten / wie sow niet scroomen
hij getelt onder den vroomen / ons macht over den snooden
Is hij coninck brengt hem op het bet hier dit wert u geboden
op datmen hem doden / dit is u uuijterste Last
en op dat hij u niet ontwratselt / bint hem vast
2 Serjanten
Holla spits broeders / wel op aftervolcht commissij strenge
de magesteijt / vertreck / Langer niet en wil gehenge
op dat wij selfs / en senge de hant dus rept u haest
450
Wel aen dan Dat sullen wij wel doen / al staet ghij niet en raest
Ghij maect ons verbaest / wat sullen wij eerst bestaen
+terstont moeten wij tsaem / voor sijn bedde gaen
en doen hem vermaen terstont hem te maeken gereet
Ick ben soo beanxst waeter en bloet ick sweet
dees commissij mijn Leet / wat sullen wij beginnen
Wij moeten daer an dus treet ick voort hier binnen
460
om hem op sijn bedt te vinnen / volcht mijn op tspoor
Wij sullen u niet beswijcken treet ons voor
als geclach gehoor / niet en is te geven
465
Genaedige heere Dat wij u coomen beneven
dus stoutelick vergeeven / wilt sulcxs ons Laste
| |
| |
| |
| |
| |
| |
+
Hij swijcht al stil / gelijck off hij op ons en pasten
Wie sal hem eerst aentasten sout hij noch wel slaepen
Hij mach al bedect Leggen / in sijnen wapen
475
Sullen wij dus staen / gapen / heer ghij most hier uuijt
een woort sprect hij niet / wat dit beduijt
Noch en maect geen geluijt / Die gardijnen op scuft
480
Waper moort wat vinden wij hier wij sijn gehuijft
hij hier niet en snuijft / maer bedect Leijt een houten beelt
Waper moort / een beelt vert van een mensch verscheelt
men dat te vangen beveelt / dat sal niet wech Loopen
Al heeft dat monten oogen // dien niet en doet oopen
maer sullen wij niet beroopen / dat wij sijn bedroogen
doet dat den coninck ontbieden / met sijn eijgen oogen
490
dat hij Dat selfs siet belogen op dat wij werden niet
Ick Loop daer heen op dat hij weet wat hier is geschiet
Wel Lang vertoeven / des boeven / onderweech
Sijt ghij op mijn hackken mits Dat ick sweech
hoe compt ghij aenloopen dus Leech / waer blijft die gevangen
Hij al haes op is / nae u coomst men verlangen
om den Loose gangen / selfs taenschowen
Hebt ghij den vinck Laeten vliegen uuijt den kowe
505
sulcxs moch u wel berowe / hoe staen die saeken
Ghij hebt ons gestiert om een beelt te bewaeken
souden wij daer door geraeken in swaericheijt off noot
Wat segt ghij booswijcht snoot /
al sijt ghij waerdich Den Doot // es hij ontvloden nu
dat ghij wel bewaeken soudt was gebooden u
mijn viant de snoden nu / te dooden hem begeerlick
| |
| |
+
Soo hebben wij gedaen / als vroomen soldaten eerlick
daer over gestraft te werden deerlick waer dat voirwaer
520
De saeck selfs ick ondertasten / sal naect en claer
terstont gae ick aldaer / wat is alhier te Doen
Groot miracule gesciet / alhier nae ons vermoen
525
Ghij spreect stout en coen / sijn vlucht sult ghij ontgelden
De man in een houten beelt verandert / wij dat stelden
voor een transformacie selden / sulcxs alhier gebuert
530
Swijcht noch booswijchten eer ghij mijn verder versteurt
den cans hebt ghij verleurt voort coomen doet // ras
michol sijn huisvrow op dat sij mijn fel gemoet // ras
versaet / affdoet / boet / ras van tgeen dat sij heeft misdreven
al ist een feijt dat geensins is te vergeeven
Michol // Saul uuijt
Mijns Lijffs genae heer coninck mijn vader
Ben ick u vader waerom ghij dan den versmaeder
tot bederff van ons te gader / niet gelevert in handen
540
sijt ghij een dochter gebooren tot mijnder scanden
off scaede van mijn rijck en Landen / dat moet geclaecht // sijn
Om te verantwoorden vader toch verdraecht // mijn
om dat niet en missaecht dijn dat ick sal spreeken
Tis recht en reden Datmen dees vluchte aen u wreeken
ten baet suchten noch smeeken / ick Door u bedroogen
seggende dat u man sliept ghij hebt geloogen
mijn viant in u vermoogen was te Leveren terstont
550
dien ghij hebt Laeten vlieden / met hem in een verbont
door dies smert mijn thart doirwont / tsijn u Loose treken
Wat stong mijn te doen hij seijden ick sal u Doersteeken
want door Dat besweeken / alle mijn Leden
555
indien ghij mijn niet Laet gaen / dus geheel tonvreeden
most ick dit beelt becleeden / en doen al sijn bevel
tlijff hiet valck / al dit geschiet om tontwijken gequel
niet dat ick int minst rebel u mijn heb vertoornt
560
Dit sijn nochtans vreemde daden / hoe wel ghij dien verschoont
soo ghij alder best coont / bestaet sulcxs te doen meer niet
| |
| |
| |
| |
| |
| |
+soo geraectij ghij in mijn Indignacij noch onneer // niet
Laet ons sulcxs hooren weer niet / dit nu vergeeten
Soe denct den vroukens sijn swack van naturen men weeten
Die saecke dus affgeloopen / te neemen is ten besten
efter bet voor u siet / wert voorsichtich int Leste
570
op dat niet en verswaert die reste naerstich om hoort
waer David gevlucht is / hem te betraepen spoort
op dat mijn gemoet verstoort / geraect ten ruste
want hem Levende in mijn Leven heb ick geen ruste
David ende samuel uuijt serjant
Die op den vlucht is altoos als een haes omkijct
580
Wie spreect mijn an thert mijn beswijct
tes samuel soo dat blijct / heijlige man gegroet sijt
Hoe bent ghij dus verbaest / mijn dunct ghij quaelick gemoet sijt
en in geen voorspoet sijt gelijck aenwijst u weesen wel
Voor den coninck voorvluchtich / niet sonder vreesen snel
soo Langen armen heeft desen fel / die soo vert uuijtrecken
Van vert sie ick David werwart sal hij sijn gang strecken
590
dat moet ick ondeckken en houden mijn hier verhoolen
Sijt ghij voorvluchtich david werwaerts wilt ghij doolen
onthout u bij mijn verhoolen wij sullen gaen woonen tot Namths
595
Waer ben ick best veijlich op dat ick niet wert tot spot
op mijn gevallen dit Lot / des verdriets en blaeme
In Ramatha vint ghij Logijs genouch voor u bequaeme
David voorvluchtich thert blijft mijn onstelt van binnen
om dat ick mijn Lust niet coelen mach uuijt mijn sinnen
+soo wert ick te vinnen als hij niet en is in ons quartiere
605
Gegroet heer coninck voorspoedich in u regiere
wilt ghij nu uuijtstiere om te vangen den man
dien ghij vervolcht / sonder vertreck most ghij dan
u wat haesten / onlanxs van hem gevonden tspoor
| |
| |
+
Waer sout ick hem becoomen / ick Leg te Luijster mijn oor
en geve u vol gehoor / doet ghij mijn goet aenwijsing
Siet David is te Naroth in Ramatha niet sonder Ising
615
tot u verjolijsing / sult ghij hem daer coonen becoomen
Fluxs uuijt om hem te vangen en wilt niet scroomen
staet niet als Den Loomen / slaet dhant aen hem terstont
620
Hoet te werck sal gaen moet ick sien off die saick al ront
aff Lopen sal / neen wedt ick om een pont / al mis ick tgelt
Coomende benevens Ramatha goodts geest omhelt
en in tgetal der propheeten / stelt / gewelt ick staeke
625
goodts geest op mij daelde oick gewelt ick Laeke
en onder den propheeten geraeke samuel ons overhooft
bij heur wij ons vougen / op dat godt sij gelooft
wiens Loff niet wert verdooft / wij ons bij haer vougen
630
Waper moort hoe quaelick sal die coninck daer bij vernoegen
Mijn page ras overcompt / hoe moetet daer gestelt sijn
ick waen ten erchsten / want mijn gemoet dat quelt // mijn
hier garson vertelt mijn / tgeen ghij hebt gesien
U sarjanten propheeten geworden sijn soo ick mien
Haest dan ander op de bien / en atrepeert heur allen
op dat wij in geen meer dangier en vervallen
640
eij Leckker over berch en dallen / Loopt en bespiet
wat dees uuijtrechten / off wat daer geschiet
doet tgeen men u gebiet sonder nae te Laeten
Comende beneffes Ramatha wij gewelt haeten
645
goodts geest boven maeten ons met gaven begavende
Uuijt den fonteijn des geests gratien Lavende
mijn dorstich hart om graevende sijn secreeten
650
Sij mij dees weder te tellen onder den propheeten
dat moet ick Den coninck Doen weeten sonder vertreck
Hoe compt ghij dus over Loopen is daer noch wat gebreck
off werden sij oick geck / en verkeert van sinnen
Comende beneffens Ramatha terstont beghinnen
te propheteeren uuijt minen / tscijnt wel wonder
| |
| |
| |
| |
| |
| |
+
660
Terstont weder ander uuijt dien ick bij sonder
betrow om heur onder / mijn subjectij te brengen
dat u Iemant oncompt / wilt niet gehengen
op dat sij met vruecht vermengen ons smerten
665
Ick Loop weer achteran / ongerust therte
om te neemen regerte al op het spul
Serganten ende pagen
Coomende bij den propheeten wie ons sceijden sal
670
oick met den geest der propheeten / vul als Dander
Wat vermoghen machtigen Grus off alexander
die helsche salamander / niet sonder goodts gedoogen
675
Dees mede al propheeten off oick bedroogen
sullicxs te weesen poogen / door een geest gedreven
Onder tgetal der propheeten wij ons tsaem begeeven
samuel dien beneven / die heur verder onderwijst
Ick volch oick meeden heur een geest in mijn oick oprijst
Ist al vant mal / dat niemant hier wederkeert
en ick dus versteeken blijft van mijn begeert
685
gramschap mijn vermeert / uuijtborst aen alle sijden
geen trow bij Iemant om mijn viant te bestrijden
ick moet mijn belijden wel ongeluckkich te weesen
en souden wel voor mijn eijgen scaduwe vreesen
al mijn begeven desen daer ick op betrow
690
al te vergeefs op menschen bij stant ick bow
waer doer thert met row / rontsom beset is
selfs in persoon om te weeten wat dit belet is
des wedercoomsts waer in mijn wet is gebrooken
overtreeden sal / mijn Leet / hoop ick sal werden gewrooken
695
tvonnis uuijtgesprooken / sal niet werden weder geroopen
Een kint off Jongen / Saul
Wonderlijcke sijn goodts Daden om uuijt te spreeken
Doen ick u hoorden mijn Leeden besweeken
Ontrow is gebleeken / waer toe u Lang vertoeven
was die booch nae die pijl gesonden tot mijn bedroeven
705
off hadden u Die boeven opgerockkent tot quaet
Mijns Lijfs genaede / mij onbekende eenich verraet
| |
| |
+u getrow metter daet / en heb u gebiede volbrocht
710
alles int goede / voor sich ten nausten ondersocht
op dat ick u niet onbedocht van als sout onderrechten
Waer sijn dan Samuel / David / waer die Lantsknechten
om david te bevechten ick wil heur selfs versoeken
Siet sij sijn te Naroth in Ramatha en heur vercloecken
inder propheeten boeken / alte saem eendrachtich
Onder soecken sal ick wie mijn tegenstaen sal machtich
720
gaet ghij thuis en sijt gedachtich / dat u bevoole is
En ghij sult wel bevinden wat geest in heur verhoolen / is
Bij den grooten put te Soch ben ick nu gecoomen
725
maer wat wonders is Dit in mijn heb ick vernoomen
die geest des heeren te stroomen en tverstant tontluijken
datmen te vergeefs anrecht tegens godt misbruijken
die boosdoender niet sal onduijken den godtlijken wraeck
maer al prophenteerende / ick naroth in Ramatha genaeck
730
en bij den propheeten geraeck / quaet opset gebonden
crachtiger dan die menschen wert godt bevonden
Met open Gordijnen Saul Deerste propheet
735
Wilt al godt Loven Godt groot van macht
Goodts Loff verbreden Godt is almachtich
Deerste propheet Tweede propheet
Goodts Daden groot Godt wonder in sijn werken
Alles gaet goodts eer te boven Onuuijtspreekelick sijn cracht
+Vanden sijnen niet en sceijt Wilt Godt
Deerste propheet Tweede propheet
745
Godt groot Goodts Loff verbreijt
Niemant can sijn eer beroven Met cracht groot geacht
Hulp godt den sijnen toe sende Godt den sijnen gedachtich
Deerste propheet Tweede propheet
Hij ons bij staet in noot Ons crachten doer hem verstercken
Wilt al godt Loven Godt groot van macht
| |
| |
| |
| |
| |
| |
+
+
Goodts Loff verbreijt Godt is almachtich
Deerste propheet Tweede propheet
Goodts Daden groot Godt wonderlick in wercken
760
Waer toe wert dus Lang bij mijn verbeijt
dees cleederen costelick bereijt uuijt te treckken
en al naect om goodts Loff te singen
mijn Lichaem om uuijt te streckken mijn Leden geheel tondeckken
tot goodts Dienst nacht en dach nae sijn bevel
765
gelooft mijn meestendeel sal vergeeten
Een wonderlijken godt is Saul onder die propheeten
Godt can wel haest van een wolff een scaep maken
770
nochtans sout ick niet garen onder sijn pooten geraeken
dus en staet mijn niet te Laeken dat ick vluchte
775
Van een bekende hoor ick daer geruchte
Jonathan met versuchten ick u alhier nu ontmoet
wat heb ick gedaen straffwaerdich die mijn doet
en met daden boeten maer wat heb ick misdreven
tegen u vader / dat hij mijn niet en wil vergeven
780
dagelicxs staet nae mijn Leven / en mijn siele soect
Verre moet dit weesen / dat ghij bij hem vervloect
souden sterven u selfs vercloect / want niet en sal doen
tsij groot off cleijn / buijten mijn nae mijn vermoen
785
mijn vader / dus belooff ick u soen sonder fault
dat voor mijn te verbergen niet en mistrout
dus op mijn beloften bout / ick sal u houden eet
Dat ick in u oogen gracij heb u vader seer wel weet
790
dus waert hem Leet / dat hij sulcxs te vooren wist
op dat ghij u niet en bedroeme / maer hij gebruict Lust
maer die doot alleenlick rust / voor mijn een screde
Wat wilt ghij dan dat ick doe om te verwerven vrede
795
en niet meer en wert bestreeden / door eenijch gewelt
Siet die feest vanden nijewen maen men morgen telt
dan pleech ick te werden gestelt op den blijde maeltijt
onder sconinxs sijde maar nu weet ick te sijn / benijt
| |
| |
+daerom versaecken sonder respijt sal ick verhoolen
tot op den derden dach int velt in een hol gescoolen
sonder verder te doolen / indien u vader dan vraecht
waer is David segt dan haestich tot bossen verdaecht
805
ten slachofferant / behaecht hem dat soo genaect mijn
vrientschap / maer onvreede / indien hij alsdan Laect mijn
hierom niet en versaect mijn bermherticheijt te toonen
maer ben ick onrechtvaerdich / wilt mijn niet verschoonen
slaet mijn doot vooren / Laet mijn niet onder Israhel
Verre sij dat van mij u sal ick sonder eenich uuijtstel
te kennen geven u bevel bij indien volcoomen is
op u mijns vaders archeijt soo haest vernoomen is
dat u saeck vol scroomen is op dat ghij in vrede wandelt
815
die heere tot u geleijtsman / maer bermhertich handelt
met mijn huijsgesin / ick gesturven als die heer uuijtroijt
u vianden mijns gedachtich dit verbont mijn vercroijt
op dat mijn naesaten verstroijt niet en werden geheel
820
Bevesticht ons verbont / tot niet al ons crackkeel
alleenlick blijftet verscheel / waer doer ick sal weeten
hoe den coninck op mijn gemoet blijft blijt geseeten
met hem ter taefle om teeten / een kenteeken ordineert
825
Blijft sitten bijden eselsteen / op dat u niet en deert
om te doen weeten u begeert / soo sal ick uuijtschieten
drie pijlen waer uuijt ghij dit verstant sult genieten
dat soo wanneer mij niet sal verdrieten te roepen die knape
die pijlen sijn herwaerts achter u wilt niet Lang staen gapen
830
soo compt ons bij sonder wapen // want tsal sijen vrede
maer roepende de pijlen Leggen veel verder ter stede
soo muecht ghij vertreeden / dat u die heer sal geleijden
835
A Dieu broeder overtijt dat wij sceijden
| |
| |
| |
| |
| |
+Prolooge van drie personages Twee buerluij ende een Redelick gevoelen genaemt
Thert is mijn verstrict / ick en wert wat seggen
hoe selsaem hoe vreemt / Loopen nu Dees tijen
wat den eenen hooch prijst / gaet den ander weer Leggen
wat wilder nae volgen / waer salt toe gedijen
Wat heeft Deenvoudige waerheijt nu al te Lijen
van diversche opijnien / die sonder getalle
noch dagelicxs op rijsen aen alle sijen
soomen wel mach sien hier en over alle
Die noch wel stoutelick tot haren verhalle
thaer Dorven becleen recht oft wonder waer
met die heijlige scriftueren / brengen soo ter palle
veel onnoosele harten dit blijct Immers claer
Die saeck soo mijn dunct es wichtich en swaer
voor ons bij naemen / die eenvoudich sijn en slecht
ick blijff bij tout / dat over hondert Jaer
wel ende goet / was / als een eenvoudich knecht
Dat Laet ick u toe maer mijn toch berecht
off het wel enichsins / is te becroonen
dat naest een deel Jaren / an is gelecht
hier ende elders / wilt mijn dat bethoonen
Datmen tswaert van Justicij / twelck hoort te versconen
alle vroome herten nu heeft gaen gebruijken
35
in saecken van conciensij / dat geen persoonen
oijt toe is gelaeten / hoe schoon sijt ontluijken
Salmen dan gehengen dees verderffelijcke vuijken
die niet en soeken dan sielen te vangen
40
ende haer niet straffen Jae onder doen duijken
die arger saet saijen / Dan fenijnige slangen
| |
| |
| |
| |
| |
| |
+waer sullen donnooselen / dan moogen belangen
en int eijnde bliven / maect mijn dit vroet
45
salt niet metter tijt / haer al aen hangen
en coomen int nest van dit vuijle gebroet
Buerman weest niet te haestich coelt uwen moet
sorcht daer niet voor / want godt heeft den sijnen
50
als den appel sijns oochs / altoos wel behoet
oick waer datse waren tot allen termijnen
en sal noch soo doen / dus Laet toch verdwijnen
u vergeefse sorche ende maect u niet beus
55
Wat reden sijn dat / nu soude wel scijnen
nae u woorden / mijnen off ghij waert een geus
ick heb u gehowen sterck als een reus
in dowe religij / off sijdij nu verleijt
van dees niewe propheeten / die naw aes off deus
60
weten te beschermen alst al is geseijt
Wat ick sij ken godt die weet het besceijt
niemant anders / es bekent / mijn bidden mijn ropen
als dien dach sal coomen / daert al nae beijt
65
soo sullen voor hem alle dingen staen oopen
dees dach mach niemant / ontvlien noch ontloopen
tmoet dan al verscijnen / voor sijn hooge troon
dus en Lastert niet haest dus onbedoopen
toordel comt hem toe hij sal geven tloon
Dat is dees duijtschen doctooren oick haren toon
die de Landen gebrocht / hebben in dees elent
hadden sij gedaen soomen was gewoon
noijt waren wij gecoomen in dusken torment
Buerman saech elck sijn misdaet / daer hij in is verblent
dit raesen dit tieren sow haest achter blijven
tooch sow op een ander niet meer sijn gewent
maer elck sow dees straff sijn sonden toe scrijven
Hoe gaerne soudtment op een ander nu driven
nu tspit inde asch Leijt / Doer dit bestieren
twelck wel wert beclaecht van mannen en wijven
van huijsluij en burgers / in alle manieren
| |
| |
+Redelick gevoelen en man als een Doctoor gecleet
Holla mijn vrienden wilt dus niet tieren
noch malcander scoffieren / off twaer quaelick gedaen
90
Laet vree en eendracht onder u regieren
slacht niet die gieren die anderen versmaen
Hoort mijn vrient ick sal u verslaen
doorsaeck van ons / twist die is Deesen
95
wij spreeken van tverderven van dees Landen en paen
waer doer dat die alder eerst is gereesen
Esset niet mijn vrient segt vrij sonder vreesen
om datmen heer omnes toe hebben gelaeten
100
alteveel vrijheijt / van spreeken van Leesen
waer uuijt dat gesprooten sijn boven maeten
veel Diversche opijnien / die achter straeten
haer saet nu saijen dat veel Luijden verdriet
sietmer niet toe / Laetmen haer dus praeten
105
alle owe ordinancien / sullen raeken tot niet
Tes quaet weer te staen / dat den heer selfs toe Liet
doen hij was opter aerden / dus wilt u niet vergrijpen
menich slecht mensch / soomen dagelicxs siet
110
wil die boom uuijtroijen / eer die vruchten rijpen
van tkint een man hebben / eert verstant mach slijpen
en die Jaren gecoomen sijn daermen onder moet buijgen
dits groot onverstant / tsijn quaede strijpen
dus wacht u voor sulcxs speelt niet uuijt den ruijgen
Dat selfde gaet mijn consiencij oick tuijgen
als datmen die crancken behoort te verdraegen
op hoop om betering Daer uuijt te suijgen
en niet met hardicheijt / terstont haer te plagen
Hoort redelick gevoelen / u moet ick noch vraghen
ghij spreect besceijdelick ick weeter niet tegen
hoe salmen dan toe met dees secten die alle daghen
noch stercker vermeeren in straeten en steegen
125
salmense Laeten bewarden in alle weegen
sonder eenich behinderen off tegens te bassen
+Hoort mijn vrient verstaetet te degen
| |
| |
| |
| |
| |
| |
130
+men sal teen mettet ander gelijck op Laten wassen
tot den dach des oests / dan sal den heer passen
sijn madders te senden / die dan sullen sceijden
toncruijt uuijt die tarwe / ende daer toe rassen
als die sulcxs verstaen osoo wij vlus seijden
Dat es oick tgeen daer mijn hart oijt nae greijden
waer sulcxs op die baen / tsow veel droefheijt verdoven
want uuijt wraeckgiericheijt / men noijt verbeijden
dan alle elende / dat muechdij gelooven
Salmen dan dees gedulden die dit bedroven
van onder tot boven / int Lant hebben gebrocht
die neering verjaecht / welvaert doen verstroven
oick uuijt alle hooven / dits Immers besocht
Hoort mijn vrient spreect niet onbedocht
daer es onder oorsaeck / slaet hier op mencij
waer doer dat dees trobbel eerst is ontknocht
ende voort gecoomen Let wel op die intencij
Maer dwang in die consiencij
arger Invencij esser noijt gebooren
155
daer meer Landen en Luijden doer sijn verlooren
dan dees en is / dit wel Immageneert
want godt heeft die conciencij / soo eel formeert
datse vrij onbeheert / hier behoort te Leven
in alle deuchde als goodts tempel verheven
160
sonder te werden gedreven mijn wel verstaet
off tbaert niet dan quaet
Hoordij wel buerman / dees reden toch vaet
sij verdrijven het quaet / nae mijn verstant
165
waer sulcxs gepleecht / als hij ons daer raet
wat een voordel en baet / waert geweest voor tlant
Nu hoor ick wel mijn vrient / och waer sulcxs voor hant
dees oproerige brant / sow haest verdwijnen
170
nu verstae ick bet / u meening dan deerste termijnen
hier wil ick mijn toe pijnen / sonder verveelen
Die selfde materij suldij hier sien speelen
| |
| |
175
+voor burgers en eelen / vanden wijnrancken
als bloeijende druijfkens sonder vercrancken
ghij sultet bedancken nae ick can betrowen
In wat manieren sullen sij die ontfouwen
180
om wel te onthowen / segt eens u advijs
Matheus int derthienden vindijt propijs
parabels gewijs / vanden heer verclaert
hoe dat een huisvader sijn saet wurp inder aert
185
om vruchten vermaert / daer uuijt te verdiepen
maer smenschen viant ter wijl dat sij slaepen
sonder oncruijt onder en daer bij gestruct
waer doer het goede saet heel werden verdruct
tot niet verruct Jae wortel ende stam
Wat seijden die huijsvader doen hij dat vernam
was hij niet gram / door sulck geschien
Die dienaers quaemen met haer drien
195
om toncruijt uuijt te wien / en daer op te passen
maer neen sprack die heer Laetet gelijck op wassen
ghij sijt niet verstandich genoch / om sulcxs te doen
mijn madders sal ick senden diet beter bevroen
dees sullen haer spoen toncruijt te behanden
200
en bindent in boskens om te verbranden
maer tgoe saet in mijn Landen / sullen sij bewaeren
dese parabels suldij hooren verclaeren
van donduijtsche scaren / om elck te vernoegen
205
Die materij is scoon / daer wil ick mijn bij voegen
om met goet verstant / die te hooren ondeckken
Hoort mijn vrienden / eer dat wij vertreckken
in ander pleckken / soo Laet ons eerst groeten
210
dees Lieve vergaedering om const te versoeten
nu om alle quaet te boeten / beghint ghij met eeren
Soo Laet ick mijn seggen ende gae saluteeren
voor al schout bailluu burgemeesters en heeren
215
die dees stat regeeren sonder eenich versijken
Voort ons Lieve broeders die haer trow doen blijken
| |
| |
| |
| |
| |
| |
+voor arm en rijcken uuijt goeder Jonste
220
ick meen tspeelcorenken die dees edele conste
met ons op tronste Dagelicxs oick pleegen
Voorts Dees goede gemeente die uuijt straeten en steegen
en van alle weegen hier sijt gecoomen
225
ter Liefden die const om die te bestroomen
u sonder scroomen / groeten wij oick bij naemen
En bidden u eendrachtich nae rechts betaemen
dat ghij u altsaemen wilt voegen tot sillencij
230
wij gaen nu beghinnen Dus geeft audiencij
Personages
| Die huisvader statich gecleet |
123 |
| Die eerste bouman als een Lantman |
87 |
| Twede bouman als een Lantman |
83 |
| Derde bowman als een Lantman |
71 |
| Menich goet mensch eenvoudich gecleet |
154 |
| Goe Informacij als een doctoor |
138 |
| schriftuers onderwijs als een leraer |
116 |
| smenschen viant een neefken |
91 |
| Helsche Nijdicheijt een Neesken |
83 |
| |
___ |
| |
946 |
|
|