Trou moet blijcken. Bronnenuitgave van de boeken der Haarlemse rederijkerskamer 'de Pellicanisten'. Deel 4: Boek D (eds. W.N.M. Hüsken, B.A.M. Ramakers, F.A.M. Schaars)


auteur: anoniem Trou moet blijcken


editeur: W.N.M. Hüsken, B.A.M. Ramakers en F.A.M. Schaars


bron: W.N.M. Hüsken, B.A.M. Ramakers en F.A.M. Schaars (eds.) Trou moet blijcken. Bronnenuitgave van de boeken der Haarlemse rederijkerskamer ‘de Pellicanisten’. Deel 4: Boek D. Uitgeverij Quarto, Assen 1994 


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 262]origineel

[Saul ende David]



illustratie

[p. 263]origineel

+Davidts vluchte

1/+Saul geeft david Michol tot huisvrow
2/Saul tgoet berout / gebiet david te dooden
3 Jonathas / swaders opset david te kennen geeft
4 Jonathas voert Davids wort bij saul
5 David versoent ten hoove compt weer
1/+Saul ontsinnich / david speelende vluchten doet
2/Saul sent uuijt om david te bewaeken
3/Door Michel en een beelt wert behoet
4/Michel / het beelt bedect int bedde
5/Michel / Den serjanten met een schoon praetgen paijt
1/+Saul wederstiert om David te vangen
2/Die serjanten vinden heur deur tbeelt bedroogen
3/Saul gaet selfs besichtigen watter is gheschiet
4/Saul voor hem Michel ontbiet en hoort
5/Saul gebiet nae David om te hooren
1/+David vluchtende bij Samuelem comt
2/Waer david gevlucht is saul aengeweesen
3/Saul gebiet hem te vangen
4/Niet weederkeerende Duijtgesonden ander seen
5/Ten derden noch anderen uuijtstierende
1/+Saul verstoort Dat niemant wederkeerdeen
2/Saul wert te kennen gegeven hoe daer gestelt is
3/Saul selfs uuijttrect om deese saeck tondertasten
4/Saul geraect oick onder den propheeten
5/David vluchtende met Jonathas verbont maect

Personages

Saul coninck met sijn garde
Jonatas conincs soon
Michel sconincxs Dochter
David cooninxs swager
Samuel Propheet
Propheeten Werden 6 van Sauls knechten
35
Regum 19 ende 20 capittel
 
Saul davits siel sochten door veel practijken
 
maer Door een beelde david bleeff behouden
 
men niet voorbrochten al most hij wijken
 
sconincxs gebieden / Tsecreet Jonathe betrouden
[p. 264]origineel

+Een spel van sinnen Van Saul ende David

+Saul / David / Michel / Jonathas

Saul eerst
45
Der coningen woort is heur segel dat niet is te breeken
 
dus vanden gedaen beloften david niet en was te versteeken
 
wiens crachten niet sijn besweeken tegen den geemen vianden
 
den phijlijstijn goliat verslaenden / bevrijdende voor scandt
 
geheel Israhel doverhant tegen hem behouden
50
door sijn cleijne macht / en goodts hulp / daer hij op bouden
 
ongewapent niet en mistrouden / dus wast reden en recht
 
die hem in periculeus gevecht / wel heeft gequeeten
 
door dies David en heb ick mijn beloften niet gequeeten
 
want ghij den viant hebt gesmeeten doot / dus sijt ghij verheven
55
tot mijn eijgen swager u heb ick mijn dochter gegeven
 
op dat ghij machtich mijn beneeven Israhel sult regeeren
David
 
Den heer coninck Dienst te doen allen mijn begeeren
 
niet om doer dien te vermeeren / mijn rijckdom off hoogenstaet
60
Israhels salicheijt gesocht heb / niet eijgen baet
 
hoe wel Den coninck Doer sijn raet / goet heeft gevonden
 
dat ick onverdient in echten staet sow bliven verbonden
 
in haer Liefden verslonden / met fijn Lieve dochter bemint
Saul
65
Soo wie hem wel quijt / den toegeseijden Loon vint
 
dit huwlick ons tsaem verbint in Lieft en eendrachte
David
 
Wat is toch in Israhels mijns vaders geslachte
 
om mijn groot te achte / en om te sijn een behoude soon
70
van soo machtigen coninck / een scaep herder eer ongewoon
 
onwaerdich Dusdanich Loon / ick can mijn wel met minder lijen
Michel
 
Mijn genoecht met u persoon david / mijn wilt niet mijen
 
die Israhel coent bevrijen / van alle gequellen
David
 
Ick waer onder den minsten van u dienaers te tellen
 
veel eedele Jonge gesellen In Israhel vermaert
 
ick een arm beuselaer die niet bij en heb vergaert
 
om met u te werden gepaert / groote rijcdom noch scat
Saul
 
Ick en behoefden geen bruijlofts goet segt mijn / wat
 
in dees contreije is Dat mijn ontbreeken mach
 
geheel Israhel onder mijn gebieden / ick en maeck geclach
 
over u Rijcdom / maer aensach alleen u groote Daden
[p. 265]origineel
 


illustratie

[p. 266]origineel
 


illustratie

[p. 267]origineel
+
David
 
Ick danck den coninck / der onverdienden genaeden
 
doer mijn behoet voor scaeden / en veel gaven scenct
Jonatas
90
Der hondert philistijnen verslaegens hij gedenct
 
sijn vianden gecrenct Die ghij Leverden bij getalle
Michel
 
Onnoodich dees Reden / niet dienende ten principaele
 
met veel excuis te verhale / ghij uuijt dusenden uuijtvercoren
Saul
 
Blijft Israhel getrow / soo ghij bij eede hebt geswooren
 
wilt haer vianden verstooren / strijt den strijt des heeren
Jonathas
 
Die heere godt believe ons geslacht te vermeeren
100
door u genereren / en maeck u huwelick voor spoedich
Michiel
 
Dus neem ick uuijt mijns vaders huis ootmoedich
 
mijn affscheijt gloedich / in minne tot mijn eijgen man
Saul
105
Ghij twee sielen / in een Lijff geworden gaet in vreede dan
 
ick u niet behouden can / altoos gecoomen tot u Jaren
David
 
Met verloff soo gaen wij dan in Lijefden paren
 
die nu in eendracht vergaeren / op dat wij niet en doolen
Jonathas
 
Gaet in vreeden en blijft Den heer bevoolen
Saul
 
Hoe Dickmaels men een ding tegens sijn eijgen gemoet doet
 
met den mont / ick David toe wensche alle voorspoet goet
115
maer Inwendich thart woet / tegen hem haet en nijt
 
om datmen hem toe scrijft Dat hij Israhel heeft bevrijt
 
met recht mijn in tgemoet spijt dat hij verheven // wert
 
vert boven mijn wart thien Dusent hem toe gheschreven // wert
 
thart tot nijt gedreven / wert / alleen een duisent mijn getal
120
geheel Juda bemint hem meest / hoe ick dit verdragen sal
 
mijn huis Door hem ten val compt / dat is mijn Leet seer
 
nochtans om an hem niet te doen een misdaet wreet
 
door mijn eijgen hant / want ick weet seer quaelick genomen
 
dat sow werden / Tirannich te Doen den vroomen
125
door dies sout ick scromen / sulcxs te doen maer practijke
 
meenden ick te gebruijken tot bevesting mijn rijcke
 
maer sulcxs most niet blijcke / dus onder tijtle eerlick
 
meenden ick hem te Leveren / nae sijn doot begeerlick
 
inder phijlistijnen handen deerlick / om te sijn vermoort
130
maer buijten mijn meening / is anders nieuwe maer gehoort
 
te voldoen heeft gespoort / tgeen ick hem affeijschen ras
[p. 268]origineel
 
+dus wederom in hem mijn beloften te voldoen gehouden // was
 
sulcxs mijn wel Leet is / op dit pas / al moetet gedaen bliven
135
maer Jonatha Liefste soon / die saeck gaet meest u aen / ontlijven
 
wilt deesen / off verdrijven / ghij hebt volle consent
 
neemt tot assistencie / al tgernijsoen hier ontrent
 
geweldich u derwerts went / ick weesen sal sienden blent
 
die saeck u bevoolen / wreect mijn gramschap / tis tijt dat ghij begint
Hier comt uuijt David en Jonathans
David
 
In hoe hooger staet men is / in hoe meerder sorge
 
men steect / hoe wel men rijck genoch / niet behoeft te borge
 
den avont en den morgen / hebben haer eijgen Lasten
Jonathas
 
David
David
 
Wie spreect mijn an / noijt soo waerden gasten
 
ick en sach mijn over Lasten / coomt ghij mijn versoeken
Jonathas
 
David mijn siel met den uwen in Lijefden vercloecken
 
alle Tweedracht vervloeken / dus moet ick u openbaren
 
mijns vaders gramschap / op u / door sijn gemoets verclaeren
 
en strect tot beswaeren / van alle onse saecken
David
 
Ick Elendige wat sal ick dan gaen maeken
 
moet ick op sijn Listen waeken / och wat vreemder geruchte
 
fortuijn doet deen Lachhen / dander suchten
 
waer sal ick elendige vluchten voor dees coninxs gramschap
Jonathas
 
Ick sal bespooren off niet en wert in sijn gemoet gram / slap
 
en tgeen dat hij fel op nam / slap // niet en Laet vallen
David
 
En sijn nu tot mijn bevrijdinge geen bergen noch dallen
165
achter wat Dijcke vallen / soudt ick moghen onduijken
Jonathas
 
Mijn vader Saul / soo gramschap ons heeft doen ontluijken
 
wil conincklijke macht misbruijken / tegens u door ongenaede
 
en soect u te doden / cleijn achtende u weldaden
170
+dus vindt ick geraeden dat ghij u morgen vroech
 
wachten wilt / hout u heijmelick / ghij hebt middelen genoch
 
Laet mijn drijven den plouch / en ick sal morgen uuijtgaen
 
en bij mijnen vader / al waer hij is blijven staen
 
en doen van u Daden vermaen / seer Lijeffelick smeekende
David
 
Mijn corrage rijst wat u hulp mijn niet onbreekende
 
wel vermuecht ghij wel spreekende / doet toch het beste
Jonathas
 
U sal ick Insinueeren dan / op den requeste
180
het apostil daer nae te Leesen / ghij u hebt te reguleeren
[p. 269]origineel
 


illustratie

[p. 270]origineel
 


illustratie

[p. 271]origineel
+
David
 
Men mach in noot certeijn geen vrienden hulp ontbeeren
 
dus op u hertelick mijn begeeren tot sorrich draecht
185
voor u vrient getrow / die tonrecht wert beclaecht
 
en doet al wat u behaecht / troost sal ick ver beijden
 
raemt hoe mijn gemoet is / door ons Droevich sceijden
Hier comt uuijt Saul ende Jonathas
Saul
190
Vindt ick u Jonatha beesich in coonincklijck affairen
Jonathas
 
Dalmogende godt wil mijn vader den coninck bewaren
 
voor alle beswaeren voorspoedich Levende
Saul
195
En ist niet een moeijlick ding datmen dus is verheevende
 
ons dienaer david begeevende hem tot des rijcxs regiering
Jonathas
 
Begeeft hij hem ergens toe dan door u uuijtstiering
 
uuijt wat cracht is sijn regiering / die door gedoogen / is
Saul
 
Hij is over tijt aen deen sijde te groot sijn vermoogen // is
 
nae meerder sijn poogen is / inden dop het kuijken / smoort
Jonathas
 
O heer vader coninck / u macht niet te misbruijken / spoort
205
niet soo eedelen kuijken moort / sondicht tegen u knecht / niet
 
wat heeft hij misdaen en handelt tegens recht / niet
 
donnooselen en bevecht niet / al wat hij doet goet // is
 
die phijlistijn ver slagen / tot geheel Israhels voorspoet // is
 
hij altoos wel gemoet is // tegen des rijcks vianden
210
Dalmogende godt werct wonder doer sijn handen
 
en bevrijt ons voor scanden / dit alles ghij wel weet toch
 
u quaet opset om hem te doden Laet u sijn Leet toch
 
en doet niet tegens u eet noch sondicht niet aen tsondich bloet
Saul
215
Is sulcxs u advijs / u Redenen uuijtvloeijende soet
 
stillen mijn wreet gemoet / en ick segge alsoo warachtich
 
als in sijn hemelen Leeft ons godt almachtich
 
sijn weldaeden gedachtich david niet en sal sterven
Jonathas
220
Haelt David dan om des coninxs gratij te verwerven
Hier comt David en Jonathas
David sprect
 
Tgemoet ontroert geen rust en heeft thert van binnen
 
hoe mijn saeken ten hove staen / wat ick sal beginnen
225
hier meede becommert mijn sinnen over Legge dach en nacht
Jonathas
 
David met verlangen seer / heb ick u hier Lang verwacht
 
ten eijnde comt u clacht / u saecke affgeloopen wel
[p. 272]origineel
+
David
 
Ist mogelick mach ick op u woort hoopen / wel
 
en sal ick niet becoopen / fel / des coninxs gemoet
Jonathas
 
Met Reden en Lieffelickheijt sijn gramschap versoet
235
voor den doot heb ick u behoet / u gegeven tleven
David
 
Hoe sal ick genoch dangbaer sijn / hier beneven tbeven
 
door sorch dat ick verheeven / sneeven sonden wechgenoomen
Jonathas
240
Sonder anxst / wilt dan met mijn binnen ten hoove coomen
 
op dat ghij met den vroomen / weder ten strijde gaet
 
tegen den philistijnen / en doet Israhel / door u bevrijde baet
 
niet Lang hier ter sijde staet / voort vrijmoedich treet
David
245
Ten dienst des coninxs stae ick altoos gereet
 
Lijff goet en bloet weet te sijn tot sijn believen
Jonatas
 
Laet ons vertreckken dan en bevestigen u commissij brieven
 
Saul Uuijtcoomende nnet David
gewapent David seijt
 
Die coninck Leve / sijn Magesteijt moet behaegen
 
dat veel der philistijnen / vluchtende sijn verslaegen
 
den rest men vert verjaegen / uuijt u Lemijten / rat
Saul
255
En was daer niemant die u oick kon doot smijten plat
 
dien ick moet wijten dat / mijn quelt der furijen geest
 
Ra ra ra / sa sa sa / waer ben ick / waer heb ick geweest
 
help / help / minst ende meest / doet al mijn beveelen
David
260
Och och Langt ras mijn harp daer op dat ick mach spelen
 
en Liefflick met den voix queelen / om den coninck te genesen
 
Saul op David De Lancij werpende
 
Van cant / van cant / van cant / op dat ick buijten vreesen
 
mach doerstieten deesen / op wien ick dat heb gemunt // fel
David vluchtende
 
Ghenaedich godt mijn toch u behoeding / gundt snel
Saul met sijn volck
 
Amij en heb ick met den Lancij den boeswicht niet getreft
 
is hij mijn ontvlucht / die niet waerdich is dat hij Left
270
wel te pas hij hem nu begeft tegens mijn bij den viandt
 
dees vonck mostmen voorcoomen / eer vort rijst den brandt
 
al eer hij wijct uuijt tlant / ghij vroome mannen
 
trect uuijt beset hem thuis wilt tsaemen spannen
 
uuijt tlant wil ick hem niet bannen maer morgen dooden // wil
275
dit is mijn vonnis over Deesen snooden stil
[p. 273]origineel
 


illustratie

[p. 274]origineel
 


illustratie

[p. 275]origineel
+Michol / Met Ruijters
Michel sprect
 
De howelijcken staet vol anxst en sorge es / werdt ick gewaer
280
wat staet mijn te doen / Deen mijn man dander mijn vaer
 
och dus Lijden swaer es mijn genaekende hier
 
des huwelicxs bittere merceelkens / ben ick smaekende scier
 
mijn man geraekende hier in mijns vader Indignacie
 
soo dat hij voortvluchtich is / voor hem geen meer gratie
285
met hem in tribulacie / ick oick mede geraeke
 
och hier coomen nu sconinxs scerjanten om hem te bewaeken
 
goede Mannen / wat sult ghij maeken hier in ons Logijs
Deerste serjant ofte ruijter
 
Genaedichste vrow daer is van ons commissij bewijs
290
waer nae wij ons propijs / moeten reguleeren
Michel
 
Och ist om mijn man te doen dat moet godt deeren
 
werwaert sal ick mijn keeren / met druck overlaeden
Tweede serjant
295
Tgeen wij Doen is u vaders bevel / u genaeden
 
sal ten besten neemen ons daden / u wel bekent
 
dat wij moeten doen / tgeen men ons gebiet torment
 
om selfs te ontgaen present / soo moeten wij ons quijten // dan
Michel
300
Ick weet wel dat ick sulcxs / u niet can verwijten / van
 
maer wilt ghij doot smijten dan / mijn man wat baet u sijn bloede
Deerste serjant ofte ruijter
 
Wij sullen hem te nacht bewaeken en verhoeden
 
dat hij niet en vlucht / vermoede dat die coninck morgen
305
hem selfs sal Doen dooden
Tweede serjant
 
Dit is al ons sorgen
 
dat hem niemant verborgen / alsdan sal moogen // noch
Michel
310
+Goede mannen hebt met den bedructen meedoogen // toch
 
wilt niet tquaetste te doen pogen och / in gramschappen hetten
Deerste serjant ofte ruijter
 
Wij achtervolgen ons Last / en sullen ons schiltwacht besetten
Michel uuijt ende David
Michel sprect
 
Wat is swerlts weesen / Deen Lacht dander screijt
 
wat wert bij mijn nu anders / dan verdriet verbeijt
 
indien die Doot nu sceijt Die Lijeffelick gepaert // sijn
David
320
Och alder Lijefsten
Michel
 
Ghij muecht met recht vervaert / sijn
 
hier rontsom vergaert sijn // die u sullen vangen
[p. 276]origineel
+
David
 
Och alder Lieftste
Michel
 
Druck gaet ons nu Deerlick prangen
 
nae den morgen mijn geen verlangen / die is aenstaenden
David
 
Dat dit ons sow genaeken / wie oijt te vooren waende
 
mijn broeders mijn wel vermaenden / om met groote potentaten
 
geen doen te hebben // want sij heur ondersaeten
 
tot staet coomende haeten / baten wat mach mijn hoogen staet nu
Michel
 
Och mijn alder Liefste cort beraet / goet beraet // nu
 
om te soeken baet nu / want ten sij ghij op desen nacht
 
u selfs verlost / soo op morgen ghij den doot verwacht
 
dus moet werden getracht / om toncoomen den Laegen
David
 
Hoe sout ick dat coonen aen Leggen / soutmen moogen vraghen
 
achtervolgen sal ick u behaegen / weet ghij middel tondeckken
Michiel
 
Eer veijnster uuijt Laet ons deesen coort uuijtstreckken
345
die sal ter aerden toe reckken / dan sal ick u Laten dalen
 
soo muecht ghij vluchten / ick sal dien weeder op haelen
 
op goodts avontuer dwaelen / meucht ghij dan vert
David
 
U Believen doe ick garen / maer ons sceijden valt mijn hart
350
nochtans om tontgaen smert soo moeten wij sulcxs bestaen
 
want het Leven is soet / Dus u onderdaen
 
achtervolch ick u vermaen / wel aen dan in sheeren naem
Michel
 
A Dieu mijn Lieff
David
 
A Dieu Lieff boven alle vrowen / Eersaem
 
dees middelen bequaem / sal ick ondersoecken
Michel
 
Die heer bewaer u / en wil u voorts vercloecken
360
tot versceijden hoecken / als balling vluchtende
David
 
Hoe dickwijls sal ick om u mijn Lieff sijn suchtende
 
Michel tbeelt int bedt Leggende seijt
 
Hij is nu inden vogelensanck / inden peekel blijff ick steeken
365
maer noch moet ick te werck stellen / vreemde treeken
 
bij den voorsichtigen vergeleeken / op dat hij tijt heeft
 
om te vluchten / want vertreck / respijt // geeft
 
en als die vert benijt beeft / soo dat hij niet wel en spoijt
 
dus wil ick dat staenden beelt / neemen al salt sijn verfoijt
370
maer niemant hem anders dees saeck bemoeijt / en Leggen dat
 
int bedden / want alsmen vraecht / waer is den man / seggen wat
[p. 277]origineel
 


illustratie

[p. 278]origineel
 


illustratie

[p. 279]origineel
 
+moet ick Immers / verleggen dat / en mach ick niet
 
hij is sieck / sal ick seggen / gaet en dat selfs besiet
375
maer Leggen Laet / hem verdriet / op dat daer aff comt niet meer
 
bij nae soo groot als mijn man / ick Leg hem int bet neer
 
dees harige geijten vellen weer Leg ick ten hoofden enden
 
met mans cleederen wil ick hem deckken als den wel bekenden
 
op dat als sij heur derwaerts wenden / hem waenen sieck te sijn
380
holla mijn dunct dat sij coomen alhier / dit valt mijn pijn
Der serjanten ende Michel
Deerste serjant
 
Tes hooch dach / en overtijt dat wij vertreckken
Tweede serjant
385
Wie sal nu den grooten vorst david op wreckken
 
hij mach noch sijn Leeden uuijtstreckken / ghij muecht hem aenspreken
Deerste serjant
 
Ick darff Dat niet bestaen / spraeck sal mijn ontbreeken
 
maer off ghij hem met smeeken / baet om te treckken mede
Tweede serjant
 
Off wij ons rappoort aen haer vorstelijcke genaede deden
 
en aenhoorden wat reden / dat sij ons geven sal
Deerste serjant
 
Sij is hier present / Die dat hoort mijn Leden beven al
395
nochtans verheeven sal / ick mijn stem / nae tbehooren
 
genaedichste vrow / mogen wij vraegen sonder u te storen
 
nae ons heer vercooren / op dat hij nu meede optrect
Michel
 
Och mijn genaedige heer / veel te seer hij dient niet gewrect
400
hij slaept een weijnich gedect / Laet hem noch wat rusten
 
hoe sout hij doer verscrictheijt siek alrede Lusten
 
op te staen / een eijsdoorken ick plusten / om wat supens te maken
Tweede serjant
 
Hij most nochtans meede
Michel
 
Och wilt toch niet nae genaeken
 
hij mocht ontwaeken / en geheel tonvreeden sijn
Deerste serjant
 
Achter volgende ons commissij / soo moet hij bestreden / sijn
410
al sijn u dees reden pijn / indien hij tegenstant // doet
Michel
 
Hebt acht op sijn hoocheijt / hem niet desen scant doet
 
sulcxs men des coninxs viant doet / daar voor hij niet bekent
 
maer om tondersoeken sconinxs believen een derwaerts sent
415
op dat als die weer herwerts // went ghij doet dat hij belast
 
denct dat hij sconinxs swager is / en geen vreemde gast
 
dus op u Daden en mijn reden past / op dat tfeijt u niet en rout
Tweede serjant
 
Wil ick dan gaen verneemen off coninxs gramschap niet en vercout
[p. 280]origineel
+
Deerste serjant
 
Gaet die saeck u toe betrout wij u hier sullen vertoeven
 
op dat wij geen oorsaeck sijn / van het deerlick bedroeven
Saul / met dserjanten
saul sprect
 
Warom soo sijt ghij gegaen / u commissij te buijten
 
waerdich / datmen / u selfs / inden galjoenen besluijten
 
als ongehoorsaemen / guten / en hadt ick u niet gesonden
 
dat ghij mijn alhier den man sout Leveren gebonden
430
bij indien hij thuis werden gevonden / daer nae mijn verlang was
serjant
 
Genaede heer coninck men seijden dat u swager crank / was
 
en dat tegen u Danck was / den crancken te verstooren
Saul
435
En heb ick niet den villeijn sijnen doot geswooren
 
onderweech hadt hij mogen versmooren en sijn dit waer vercooren
serjant
 
Des coninxs swagher aen te tasten / wie sow niet scroomen
 
hij getelt onder den vroomen / ons macht over den snooden
Saul
 
Is hij coninck brengt hem op het bet hier dit wert u geboden
 
op datmen hem doden / dit is u uuijterste Last
 
en op dat hij u niet ontwratselt / bint hem vast
2 Serjanten
Deerste serjant
 
Holla spits broeders / wel op aftervolcht commissij strenge
 
de magesteijt / vertreck / Langer niet en wil gehenge
 
op dat wij selfs / en senge de hant dus rept u haest
Tweede serjant
450
Wel aen dan Dat sullen wij wel doen / al staet ghij niet en raest
Derden serjant
 
Ghij maect ons verbaest / wat sullen wij eerst bestaen
 
+terstont moeten wij tsaem / voor sijn bedde gaen
 
en doen hem vermaen terstont hem te maeken gereet
Tweede serjant
 
Ick ben soo beanxst waeter en bloet ick sweet
 
dees commissij mijn Leet / wat sullen wij beginnen
Deerste serjant
 
Wij moeten daer an dus treet ick voort hier binnen
460
om hem op sijn bedt te vinnen / volcht mijn op tspoor
Derden serjant
 
Wij sullen u niet beswijcken treet ons voor
 
als geclach gehoor / niet en is te geven
Deerste serjant
465
Genaedige heere Dat wij u coomen beneven
 
dus stoutelick vergeeven / wilt sulcxs ons Laste
[p. 281]origineel
 


illustratie

[p. 282]origineel
 


illustratie

[p. 283]origineel
+
Tweede serjant
 
Hij swijcht al stil / gelijck off hij op ons en pasten
Derden serjant
 
Wie sal hem eerst aentasten sout hij noch wel slaepen
Tweede serjant
 
Hij mach al bedect Leggen / in sijnen wapen
Deerste serjant
475
Sullen wij dus staen / gapen / heer ghij most hier uuijt
 
een woort sprect hij niet / wat dit beduijt
Derden serjant
 
Noch en maect geen geluijt / Die gardijnen op scuft
Deerste serjant
480
Waper moort wat vinden wij hier wij sijn gehuijft
 
hij hier niet en snuijft / maer bedect Leijt een houten beelt
Tweede serjant
 
Waper moort / een beelt vert van een mensch verscheelt
 
men dat te vangen beveelt / dat sal niet wech Loopen
Derden serjant
 
Al heeft dat monten oogen // dien niet en doet oopen
 
maer sullen wij niet beroopen / dat wij sijn bedroogen
 
doet dat den coninck ontbieden / met sijn eijgen oogen
Tweede serjant
490
dat hij Dat selfs siet belogen op dat wij werden niet
Deerste serjant
 
Ick Loop daer heen op dat hij weet wat hier is geschiet
Saul uuijt ende sargant
 
Wel Lang vertoeven / des boeven / onderweech
serjant
 
Die coninck Leve
Saul
 
Sijt ghij op mijn hackken mits Dat ick sweech
 
hoe compt ghij aenloopen dus Leech / waer blijft die gevangen
serjant
 
Hij al haes op is / nae u coomst men verlangen
 
om den Loose gangen / selfs taenschowen
Saul
 
Hebt ghij den vinck Laeten vliegen uuijt den kowe
505
sulcxs moch u wel berowe / hoe staen die saeken
sergant
 
Ghij hebt ons gestiert om een beelt te bewaeken
 
souden wij daer door geraeken in swaericheijt off noot
 
twaer buijten ons scult
Saul
 
Wat segt ghij booswijcht snoot /
 
al sijt ghij waerdich Den Doot // es hij ontvloden nu
 
dat ghij wel bewaeken soudt was gebooden u
 
mijn viant de snoden nu / te dooden hem begeerlick
[p. 284]origineel
+
serjant
 
Soo hebben wij gedaen / als vroomen soldaten eerlick
 
daer over gestraft te werden deerlick waer dat voirwaer
Saul
520
De saeck selfs ick ondertasten / sal naect en claer
 
terstont gae ick aldaer / wat is alhier te Doen
Derden serjant
 
Groot miracule gesciet / alhier nae ons vermoen
Saul
525
Ghij spreect stout en coen / sijn vlucht sult ghij ontgelden
Tweede serjant
 
De man in een houten beelt verandert / wij dat stelden
 
voor een transformacie selden / sulcxs alhier gebuert
Saul
530
Swijcht noch booswijchten eer ghij mijn verder versteurt
 
den cans hebt ghij verleurt voort coomen doet // ras
 
michol sijn huisvrow op dat sij mijn fel gemoet // ras
 
versaet / affdoet / boet / ras van tgeen dat sij heeft misdreven
 
al ist een feijt dat geensins is te vergeeven
Michol // Saul uuijt
 
Mijns Lijffs genae heer coninck mijn vader
Saul
 
Ben ick u vader waerom ghij dan den versmaeder
 
tot bederff van ons te gader / niet gelevert in handen
540
sijt ghij een dochter gebooren tot mijnder scanden
 
off scaede van mijn rijck en Landen / dat moet geclaecht // sijn
Michel
 
Om te verantwoorden vader toch verdraecht // mijn
 
om dat niet en missaecht dijn dat ick sal spreeken
Saul
 
Tis recht en reden Datmen dees vluchte aen u wreeken
 
ten baet suchten noch smeeken / ick Door u bedroogen
 
seggende dat u man sliept ghij hebt geloogen
 
mijn viant in u vermoogen was te Leveren terstont
550
dien ghij hebt Laeten vlieden / met hem in een verbont
 
door dies smert mijn thart doirwont / tsijn u Loose treken
Michel
 
Wat stong mijn te doen hij seijden ick sal u Doersteeken
 
want door Dat besweeken / alle mijn Leden
555
indien ghij mijn niet Laet gaen / dus geheel tonvreeden
 
most ick dit beelt becleeden / en doen al sijn bevel
 
tlijff hiet valck / al dit geschiet om tontwijken gequel
 
niet dat ick int minst rebel u mijn heb vertoornt
Saul
560
Dit sijn nochtans vreemde daden / hoe wel ghij dien verschoont
 
soo ghij alder best coont / bestaet sulcxs te doen meer niet
[p. 285]origineel
 


illustratie

[p. 286]origineel
 


illustratie

 
[p. 287]origineel
 
+soo geraectij ghij in mijn Indignacij noch onneer // niet
 
Laet ons sulcxs hooren weer niet / dit nu vergeeten
Miechol
 
Soe denct den vroukens sijn swack van naturen men weeten
Saul met den sijnen
 
Die saecke dus affgeloopen / te neemen is ten besten
 
efter bet voor u siet / wert voorsichtich int Leste
570
op dat niet en verswaert die reste naerstich om hoort
 
waer David gevlucht is / hem te betraepen spoort
 
op dat mijn gemoet verstoort / geraect ten ruste
 
want hem Levende in mijn Leven heb ick geen ruste
David ende samuel uuijt serjant
David
 
Die op den vlucht is altoos als een haes omkijct
samuel
 
David
David
580
Wie spreect mijn an thert mijn beswijct
 
tes samuel soo dat blijct / heijlige man gegroet sijt
samuel
 
Hoe bent ghij dus verbaest / mijn dunct ghij quaelick gemoet sijt
 
en in geen voorspoet sijt gelijck aenwijst u weesen wel
David
 
Voor den coninck voorvluchtich / niet sonder vreesen snel
 
soo Langen armen heeft desen fel / die soo vert uuijtrecken
serjant
 
Van vert sie ick David werwart sal hij sijn gang strecken
590
dat moet ick ondeckken en houden mijn hier verhoolen
Samuel
 
Sijt ghij voorvluchtich david werwaerts wilt ghij doolen
 
onthout u bij mijn verhoolen wij sullen gaen woonen tot Namths
David
595
Waer ben ick best veijlich op dat ick niet wert tot spot
 
op mijn gevallen dit Lot / des verdriets en blaeme
Samuel
 
In Ramatha vint ghij Logijs genouch voor u bequaeme
 
Saul met sij volck
Saul
 
David voorvluchtich thert blijft mijn onstelt van binnen
 
om dat ick mijn Lust niet coelen mach uuijt mijn sinnen
 
+soo wert ick te vinnen als hij niet en is in ons quartiere
serjant
605
Gegroet heer coninck voorspoedich in u regiere
 
wilt ghij nu uuijtstiere om te vangen den man
 
dien ghij vervolcht / sonder vertreck most ghij dan
 
u wat haesten / onlanxs van hem gevonden tspoor
[p. 288]origineel
+
Saul
 
Waer sout ick hem becoomen / ick Leg te Luijster mijn oor
 
en geve u vol gehoor / doet ghij mijn goet aenwijsing
serjant
 
Siet David is te Naroth in Ramatha niet sonder Ising
615
tot u verjolijsing / sult ghij hem daer coonen becoomen
Saul
 
Fluxs uuijt om hem te vangen en wilt niet scroomen
 
staet niet als Den Loomen / slaet dhant aen hem terstont
Een kint off Jongen
620
Hoet te werck sal gaen moet ick sien off die saick al ront
 
aff Lopen sal / neen wedt ick om een pont / al mis ick tgelt
serjant
 
Coomende benevens Ramatha goodts geest omhelt
 
en in tgetal der propheeten / stelt / gewelt ick staeke
625
goodts geest op mij daelde oick gewelt ick Laeke
 
en onder den propheeten geraeke samuel ons overhooft
 
bij heur wij ons vougen / op dat godt sij gelooft
 
wiens Loff niet wert verdooft / wij ons bij haer vougen
Tkint off Jongen
630
Waper moort hoe quaelick sal die coninck daer bij vernoegen
Saul
 
Mijn page ras overcompt / hoe moetet daer gestelt sijn
 
ick waen ten erchsten / want mijn gemoet dat quelt // mijn
 
hier garson vertelt mijn / tgeen ghij hebt gesien
Een kint off Jongen
 
U sarjanten propheeten geworden sijn soo ick mien
Saul
 
Haest dan ander op de bien / en atrepeert heur allen
 
op dat wij in geen meer dangier en vervallen
640
eij Leckker over berch en dallen / Loopt en bespiet
 
wat dees uuijtrechten / off wat daer geschiet
 
doet tgeen men u gebiet sonder nae te Laeten
serjant
 
Comende beneffes Ramatha wij gewelt haeten
645
goodts geest boven maeten ons met gaven begavende
Dander serjant
 
Uuijt den fonteijn des geests gratien Lavende
 
mijn dorstich hart om graevende sijn secreeten
Tkint off Jongen
650
Sij mij dees weder te tellen onder den propheeten
 
dat moet ick Den coninck Doen weeten sonder vertreck
Saul
 
Hoe compt ghij dus over Loopen is daer noch wat gebreck
 
off werden sij oick geck / en verkeert van sinnen
Een kint off Jongen
 
Comende beneffens Ramatha terstont beghinnen
 
te propheteeren uuijt minen / tscijnt wel wonder
[p. 289]origineel
 


illustratie

[p. 290]origineel
 


illustratie

[p. 291]origineel
+
Saul
660
Terstont weder ander uuijt dien ick bij sonder
 
betrow om heur onder / mijn subjectij te brengen
 
dat u Iemant oncompt / wilt niet gehengen
 
op dat sij met vruecht vermengen ons smerten
Een kint off Jongen
665
Ick Loop weer achteran / ongerust therte
 
om te neemen regerte al op het spul
Serganten ende pagen
schergant
 
Coomende bij den propheeten wie ons sceijden sal
670
oick met den geest der propheeten / vul als Dander
Tweede serjant
 
Wat vermoghen machtigen Grus off alexander
 
die helsche salamander / niet sonder goodts gedoogen
Een kint off Jongen
675
Dees mede al propheeten off oick bedroogen
 
sullicxs te weesen poogen / door een geest gedreven
serjant
 
Onder tgetal der propheeten wij ons tsaem begeeven
 
samuel dien beneven / die heur verder onderwijst
Een kint off Jongen
 
Ick volch oick meeden heur een geest in mijn oick oprijst
Saul
 
Ist al vant mal / dat niemant hier wederkeert
 
en ick dus versteeken blijft van mijn begeert
685
gramschap mijn vermeert / uuijtborst aen alle sijden
 
geen trow bij Iemant om mijn viant te bestrijden
 
ick moet mijn belijden wel ongeluckkich te weesen
 
en souden wel voor mijn eijgen scaduwe vreesen
 
al mijn begeven desen daer ick op betrow
690
al te vergeefs op menschen bij stant ick bow
 
waer doer thert met row / rontsom beset is
 
selfs in persoon om te weeten wat dit belet is
 
des wedercoomsts waer in mijn wet is gebrooken
 
overtreeden sal / mijn Leet / hoop ick sal werden gewrooken
695
tvonnis uuijtgesprooken / sal niet werden weder geroopen
Een kint off Jongen / Saul
 
Wonderlijcke sijn goodts Daden om uuijt te spreeken
Saul
 
Hier garson
Een kint off Jongen
 
Doen ick u hoorden mijn Leeden besweeken
Saul
 
Ontrow is gebleeken / waer toe u Lang vertoeven
 
was die booch nae die pijl gesonden tot mijn bedroeven
705
off hadden u Die boeven opgerockkent tot quaet
Een kint off Jongen
 
Mijns Lijfs genaede / mij onbekende eenich verraet
[p. 292]origineel
 
+u getrow metter daet / en heb u gebiede volbrocht
710
alles int goede / voor sich ten nausten ondersocht
 
op dat ick u niet onbedocht van als sout onderrechten
Saul
 
Waer sijn dan Samuel / David / waer die Lantsknechten
 
om david te bevechten ick wil heur selfs versoeken
Een kint off Jongen
 
Siet sij sijn te Naroth in Ramatha en heur vercloecken
 
inder propheeten boeken / alte saem eendrachtich
Saul
 
Onder soecken sal ick wie mijn tegenstaen sal machtich
720
gaet ghij thuis en sijt gedachtich / dat u bevoole is
Een kint off Jongen
 
En ghij sult wel bevinden wat geest in heur verhoolen / is
Saul
 
Bij den grooten put te Soch ben ick nu gecoomen
725
maer wat wonders is Dit in mijn heb ick vernoomen
 
die geest des heeren te stroomen en tverstant tontluijken
 
datmen te vergeefs anrecht tegens godt misbruijken
 
die boosdoender niet sal onduijken den godtlijken wraeck
 
maer al prophenteerende / ick naroth in Ramatha genaeck
730
en bij den propheeten geraeck / quaet opset gebonden
 
crachtiger dan die menschen wert godt bevonden
 
Proopheeten Saul Samuel
Met open Gordijnen Saul      Deerste propheet
735
Wilt al godt Loven      Godt groot van macht
Twede propheet      Saul
 
Goodts Loff verbreden      Godt is almachtich
Deerste propheet      Tweede propheet
 
Goodts Daden groot      Godt wonder in sijn werken
Saul      Deerste propheet
 
Alles gaet goodts eer te boven      Onuuijtspreekelick sijn cracht
Tweede propheet      Saul
 
+Vanden sijnen niet en sceijt      Wilt Godt
Deerste propheet      Tweede propheet
745
Godt groot      Goodts Loff verbreijt
Saul      Deerste propheet
 
Niemant can sijn eer beroven      Met cracht groot geacht
Tweede propheet      Saul
 
Hulp godt den sijnen toe sende      Godt den sijnen gedachtich
Deerste propheet      Tweede propheet
 
Hij ons bij staet in noot      Ons crachten doer hem verstercken
Saul      Deerste propheet
 
Wilt al godt Loven      Godt groot van macht
[p. 293]origineel
 


illustratie

[p. 294]origineel
 


illustratie

[p. 295]origineel
+ +
Tweede propheet      Saul
 
Goodts Loff verbreijt      Godt is almachtich
Deerste propheet      Tweede propheet
 
Goodts Daden groot      Godt wonderlick in wercken
Saul
760
Waer toe wert dus Lang bij mijn verbeijt
 
dees cleederen costelick bereijt uuijt te treckken
 
en al naect om goodts Loff te singen
 
mijn Lichaem om uuijt te streckken mijn Leden geheel tondeckken
 
tot goodts Dienst nacht en dach nae sijn bevel
765
gelooft mijn meestendeel sal vergeeten
Een kint off Jongen
 
Een wonderlijken godt is Saul onder die propheeten
David wachtende Jonathas
 
Godt can wel haest van een wolff een scaep maken
770
nochtans sout ick niet garen onder sijn pooten geraeken
 
dus en staet mijn niet te Laeken dat ick vluchte
Jonathas
 
David
David
775
Van een bekende hoor ick daer geruchte
 
Jonathan met versuchten ick u alhier nu ontmoet
 
wat heb ick gedaen straffwaerdich die mijn doet
 
en met daden boeten maer wat heb ick misdreven
 
tegen u vader / dat hij mijn niet en wil vergeven
780
dagelicxs staet nae mijn Leven / en mijn siele soect
Jonathas
 
Verre moet dit weesen / dat ghij bij hem vervloect
 
souden sterven u selfs vercloect / want niet en sal doen
 
tsij groot off cleijn / buijten mijn nae mijn vermoen
785
mijn vader / dus belooff ick u soen sonder fault
 
dat voor mijn te verbergen niet en mistrout
 
dus op mijn beloften bout / ick sal u houden eet
David
 
Dat ick in u oogen gracij heb u vader seer wel weet
790
dus waert hem Leet / dat hij sulcxs te vooren wist
 
op dat ghij u niet en bedroeme / maer hij gebruict Lust
 
maer die doot alleenlick rust / voor mijn een screde
Jonathas
 
Wat wilt ghij dan dat ick doe om te verwerven vrede
795
en niet meer en wert bestreeden / door eenijch gewelt
David
 
Siet die feest vanden nijewen maen men morgen telt
 
dan pleech ick te werden gestelt op den blijde maeltijt
 
onder sconinxs sijde maar nu weet ick te sijn / benijt
[p. 296]origineel
 
+daerom versaecken sonder respijt sal ick verhoolen
 
tot op den derden dach int velt in een hol gescoolen
 
sonder verder te doolen / indien u vader dan vraecht
 
waer is David segt dan haestich tot bossen verdaecht
805
ten slachofferant / behaecht hem dat soo genaect mijn
 
vrientschap / maer onvreede / indien hij alsdan Laect mijn
 
hierom niet en versaect mijn bermherticheijt te toonen
 
maer ben ick onrechtvaerdich / wilt mijn niet verschoonen
 
slaet mijn doot vooren / Laet mijn niet onder Israhel
Jonathas
 
Verre sij dat van mij u sal ick sonder eenich uuijtstel
 
te kennen geven u bevel bij indien volcoomen is
 
op u mijns vaders archeijt soo haest vernoomen is
 
dat u saeck vol scroomen is op dat ghij in vrede wandelt
815
die heere tot u geleijtsman / maer bermhertich handelt
 
met mijn huijsgesin / ick gesturven als die heer uuijtroijt
 
u vianden mijns gedachtich dit verbont mijn vercroijt
 
op dat mijn naesaten verstroijt niet en werden geheel
David
820
Bevesticht ons verbont / tot niet al ons crackkeel
 
alleenlick blijftet verscheel / waer doer ick sal weeten
 
hoe den coninck op mijn gemoet blijft blijt geseeten
 
met hem ter taefle om teeten / een kenteeken ordineert
Jonathas
825
Blijft sitten bijden eselsteen / op dat u niet en deert
 
om te doen weeten u begeert / soo sal ick uuijtschieten
 
drie pijlen waer uuijt ghij dit verstant sult genieten
 
dat soo wanneer mij niet sal verdrieten te roepen die knape
 
die pijlen sijn herwaerts achter u wilt niet Lang staen gapen
830
soo compt ons bij sonder wapen // want tsal sijen vrede
 
maer roepende de pijlen Leggen veel verder ter stede
 
soo muecht ghij vertreeden / dat u die heer sal geleijden
 
hier mede a Dieu
David
835
A Dieu broeder overtijt dat wij sceijden
[p. 297]origineel
 


illustratie

[p. 298]origineel

+Prolooge van drie personages Twee buerluij ende een Redelick gevoelen genaemt

Deerste buerman
 
Thert is mijn verstrict / ick en wert wat seggen
 
hoe selsaem hoe vreemt / Loopen nu Dees tijen
 
wat den eenen hooch prijst / gaet den ander weer Leggen
 
wat wilder nae volgen / waer salt toe gedijen
Tweede buerman
 
Wat heeft Deenvoudige waerheijt nu al te Lijen
 
van diversche opijnien / die sonder getalle
 
noch dagelicxs op rijsen aen alle sijen
 
soomen wel mach sien hier en over alle
Deerste buerman
 
Die noch wel stoutelick tot haren verhalle
 
thaer Dorven becleen recht oft wonder waer
 
met die heijlige scriftueren / brengen soo ter palle
 
veel onnoosele harten dit blijct Immers claer
Tweede buerman
 
Die saeck soo mijn dunct es wichtich en swaer
 
voor ons bij naemen / die eenvoudich sijn en slecht
 
ick blijff bij tout / dat over hondert Jaer
 
wel ende goet / was / als een eenvoudich knecht
Deerste buerman
 
Dat Laet ick u toe maer mijn toch berecht
 
off het wel enichsins / is te becroonen
 
dat naest een deel Jaren / an is gelecht
 
hier ende elders / wilt mijn dat bethoonen
Tweede buerman
 
Maer wat dinck is dat
Deerste buerman
 
Datmen tswaert van Justicij / twelck hoort te versconen
 
alle vroome herten nu heeft gaen gebruijken
35
in saecken van conciensij / dat geen persoonen
 
oijt toe is gelaeten / hoe schoon sijt ontluijken
Tweede buerman
 
Salmen dan gehengen dees verderffelijcke vuijken
 
die niet en soeken dan sielen te vangen
40
ende haer niet straffen Jae onder doen duijken
 
die arger saet saijen / Dan fenijnige slangen
[p. 299]origineel
 


illustratie

[p. 300]origineel
 


illustratie

[p. 301]origineel
 
+waer sullen donnooselen / dan moogen belangen
 
en int eijnde bliven / maect mijn dit vroet
45
salt niet metter tijt / haer al aen hangen
 
en coomen int nest van dit vuijle gebroet
Deerste buerman
 
Buerman weest niet te haestich coelt uwen moet
 
sorcht daer niet voor / want godt heeft den sijnen
50
als den appel sijns oochs / altoos wel behoet
 
oick waer datse waren tot allen termijnen
 
en sal noch soo doen / dus Laet toch verdwijnen
 
u vergeefse sorche ende maect u niet beus
Tweede buerman
55
Wat reden sijn dat / nu soude wel scijnen
 
nae u woorden / mijnen off ghij waert een geus
 
ick heb u gehowen sterck als een reus
 
in dowe religij / off sijdij nu verleijt
 
van dees niewe propheeten / die naw aes off deus
60
weten te beschermen alst al is geseijt
Deerste buerman
 
Wat ick sij ken godt die weet het besceijt
 
niemant anders / es bekent / mijn bidden mijn ropen
 
als dien dach sal coomen / daert al nae beijt
65
soo sullen voor hem alle dingen staen oopen
 
dees dach mach niemant / ontvlien noch ontloopen
 
tmoet dan al verscijnen / voor sijn hooge troon
 
dus en Lastert niet haest dus onbedoopen
 
toordel comt hem toe hij sal geven tloon
Tweede buerman
 
Dat is dees duijtschen doctooren oick haren toon
 
die de Landen gebrocht / hebben in dees elent
 
hadden sij gedaen soomen was gewoon
 
noijt waren wij gecoomen in dusken torment
Deerste buerman
 
Buerman saech elck sijn misdaet / daer hij in is verblent
 
dit raesen dit tieren sow haest achter blijven
 
tooch sow op een ander niet meer sijn gewent
 
maer elck sow dees straff sijn sonden toe scrijven
Tweede buerman
 
Hoe gaerne soudtment op een ander nu driven
 
nu tspit inde asch Leijt / Doer dit bestieren
 
twelck wel wert beclaecht van mannen en wijven
 
van huijsluij en burgers / in alle manieren
[p. 302]origineel
+Redelick gevoelen en man als een Doctoor gecleet
 
Holla mijn vrienden wilt dus niet tieren
 
noch malcander scoffieren / off twaer quaelick gedaen
90
Laet vree en eendracht onder u regieren
 
slacht niet die gieren die anderen versmaen
Deerste buerman
 
Hoort mijn vrient ick sal u verslaen
 
doorsaeck van ons / twist die is Deesen
95
wij spreeken van tverderven van dees Landen en paen
 
waer doer dat die alder eerst is gereesen
Tweede buerman
 
Esset niet mijn vrient segt vrij sonder vreesen
 
om datmen heer omnes toe hebben gelaeten
100
alteveel vrijheijt / van spreeken van Leesen
 
waer uuijt dat gesprooten sijn boven maeten
 
veel Diversche opijnien / die achter straeten
 
haer saet nu saijen dat veel Luijden verdriet
 
sietmer niet toe / Laetmen haer dus praeten
105
alle owe ordinancien / sullen raeken tot niet
Redelick gevoelen
 
Tes quaet weer te staen / dat den heer selfs toe Liet
 
doen hij was opter aerden / dus wilt u niet vergrijpen
 
menich slecht mensch / soomen dagelicxs siet
110
wil die boom uuijtroijen / eer die vruchten rijpen
 
van tkint een man hebben / eert verstant mach slijpen
 
en die Jaren gecoomen sijn daermen onder moet buijgen
 
dits groot onverstant / tsijn quaede strijpen
 
dus wacht u voor sulcxs speelt niet uuijt den ruijgen
Deerste buerman
 
Dat selfde gaet mijn consiencij oick tuijgen
 
als datmen die crancken behoort te verdraegen
 
op hoop om betering Daer uuijt te suijgen
 
en niet met hardicheijt / terstont haer te plagen
Tweede buerman
 
Hoort redelick gevoelen / u moet ick noch vraghen
 
ghij spreect besceijdelick ick weeter niet tegen
 
hoe salmen dan toe met dees secten die alle daghen
 
noch stercker vermeeren in straeten en steegen
125
salmense Laeten bewarden in alle weegen
 
sonder eenich behinderen off tegens te bassen
Redelick gevoelen
 
+Hoort mijn vrient verstaetet te degen
[p. 303]origineel
 


illustratie

[p. 304]origineel
 


illustratie

[p. 305]origineel
130
+men sal teen mettet ander gelijck op Laten wassen
 
tot den dach des oests / dan sal den heer passen
 
sijn madders te senden / die dan sullen sceijden
 
toncruijt uuijt die tarwe / ende daer toe rassen
 
als die sulcxs verstaen osoo wij vlus seijden
Deerste buerman
 
Dat es oick tgeen daer mijn hart oijt nae greijden
 
waer sulcxs op die baen / tsow veel droefheijt verdoven
 
want uuijt wraeckgiericheijt / men noijt verbeijden
 
dan alle elende / dat muechdij gelooven
Tweede buerman
 
Salmen dan dees gedulden die dit bedroven
 
van onder tot boven / int Lant hebben gebrocht
 
die neering verjaecht / welvaert doen verstroven
 
oick uuijt alle hooven / dits Immers besocht
Redelick gevoelen
 
Hoort mijn vrient spreect niet onbedocht
 
daer es onder oorsaeck / slaet hier op mencij
 
waer doer dat dees trobbel eerst is ontknocht
 
ende voort gecoomen Let wel op die intencij
Tweede buerman
 
Wel wat is dan dat
Redelick gevoelen
 
Maer dwang in die consiencij
 
arger Invencij esser noijt gebooren
155
daer meer Landen en Luijden doer sijn verlooren
 
dan dees en is / dit wel Immageneert
 
want godt heeft die conciencij / soo eel formeert
 
datse vrij onbeheert / hier behoort te Leven
 
in alle deuchde als goodts tempel verheven
160
sonder te werden gedreven mijn wel verstaet
 
off tbaert niet dan quaet
Deerste buerman
 
Hoordij wel buerman / dees reden toch vaet
 
sij verdrijven het quaet / nae mijn verstant
165
waer sulcxs gepleecht / als hij ons daer raet
 
wat een voordel en baet / waert geweest voor tlant
Tweede buerman
 
Nu hoor ick wel mijn vrient / och waer sulcxs voor hant
 
dees oproerige brant / sow haest verdwijnen
170
nu verstae ick bet / u meening dan deerste termijnen
 
hier wil ick mijn toe pijnen / sonder verveelen
Redelick gevoelen
 
Die selfde materij suldij hier sien speelen
[p. 306]origineel
175
+voor burgers en eelen / vanden wijnrancken
 
als bloeijende druijfkens sonder vercrancken
 
ghij sultet bedancken nae ick can betrowen
Deerste buerman
 
In wat manieren sullen sij die ontfouwen
180
om wel te onthowen / segt eens u advijs
Redelick gevoelen
 
Matheus int derthienden vindijt propijs
 
parabels gewijs / vanden heer verclaert
 
hoe dat een huisvader sijn saet wurp inder aert
185
om vruchten vermaert / daer uuijt te verdiepen
 
maer smenschen viant ter wijl dat sij slaepen
 
sonder oncruijt onder en daer bij gestruct
 
waer doer het goede saet heel werden verdruct
 
tot niet verruct Jae wortel ende stam
Tweede buerman
 
Wat seijden die huijsvader doen hij dat vernam
 
was hij niet gram / door sulck geschien
Redelick gevoelen
 
Die dienaers quaemen met haer drien
195
om toncruijt uuijt te wien / en daer op te passen
 
maer neen sprack die heer Laetet gelijck op wassen
 
ghij sijt niet verstandich genoch / om sulcxs te doen
 
mijn madders sal ick senden diet beter bevroen
 
dees sullen haer spoen toncruijt te behanden
200
en bindent in boskens om te verbranden
 
maer tgoe saet in mijn Landen / sullen sij bewaeren
 
dese parabels suldij hooren verclaeren
 
van donduijtsche scaren / om elck te vernoegen
Deerste buerman
205
Die materij is scoon / daer wil ick mijn bij voegen
 
om met goet verstant / die te hooren ondeckken
Redelick gevoelen
 
Hoort mijn vrienden / eer dat wij vertreckken
 
in ander pleckken / soo Laet ons eerst groeten
210
dees Lieve vergaedering om const te versoeten
 
nu om alle quaet te boeten / beghint ghij met eeren
Tweede buerman
 
Soo Laet ick mijn seggen ende gae saluteeren
 
voor al schout bailluu burgemeesters en heeren
215
die dees stat regeeren sonder eenich versijken
Deerste buerman
 
Voort ons Lieve broeders die haer trow doen blijken
[p. 307]origineel
 


illustratie

[p. 308]origineel
 


illustratie

[p. 309]origineel
 
+voor arm en rijcken uuijt goeder Jonste
220
ick meen tspeelcorenken die dees edele conste
 
met ons op tronste Dagelicxs oick pleegen
Redelick gevoelen
 
Voorts Dees goede gemeente die uuijt straeten en steegen
 
en van alle weegen hier sijt gecoomen
225
ter Liefden die const om die te bestroomen
 
u sonder scroomen / groeten wij oick bij naemen
Tweede buerman
 
En bidden u eendrachtich nae rechts betaemen
 
dat ghij u altsaemen wilt voegen tot sillencij
230
wij gaen nu beghinnen Dus geeft audiencij
 
Finis
 
Lanck 182 Regulen

Personages

Die huisvader statich gecleet 123
Die eerste bouman als een Lantman 87
Twede bouman als een Lantman 83
Derde bowman als een Lantman 71
Menich goet mensch eenvoudich gecleet 154
Goe Informacij als een doctoor 138
schriftuers onderwijs als een leraer 116
smenschen viant een neefken 91
Helsche Nijdicheijt een Neesken 83
  ___
  946