Tsjip. Jaargang 1


auteur: [tijdschrift] Tsjip/Letteren


bron: Tsjip. Jaargang 1. Stichting Promotie Literatuuronderwijs, Nijmegen 1991


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 4]

Bij het omslag

 
Jonkheer van Emmelebom tot Zuilen
 
reed met een wagentje door de stad,
 
reed met een wagentje vol met uilen,
 
die hij voor letterbanket wou ruilen,
 
omdat hij daar zo'n zin in had.
 
Iedere uil zat op een lat,
 
zó reed de jonkheer door de stad.

Eerste van de vijf strofen die het kindervers ‘Veertien uilen’ van Annie M.G. Schmidt telt. Het gedicht staat in de gelijknamige bundel uit 1952. En het gaat mij niet alleen om de tekst maar ook om de twee verschillende illustraties die voor elkaar opvolgende uitgaven werden gemaakt. Die tekeningen zijn namelijk duidelijk verschillende interpretaties van het gedicht en daarom staan ze op de voor- en achterzijde van deze Tsjip: voorop de latere van Peter Vos, achterop de oertekening van Wim Bijmoer uit 1952. Daarom, maar ook omdat we de dichter die aanleiding gaf tot dit geteken, bij haar tachtigste verjaardag in Tsjip minstens willen noemen. Het gedicht is het gemakkelijkst te vinden in Ziezo -de 347 kinderversjes-, in 1987 bij Querido verschenen. De illustratie van Peter Vos staat daarbij. Is het een indicatie voor de instemming met zijn interpretatie van ‘Veertien uilen’?

Het verhaal van het gedicht -want als alle versjes van Schmidt zit er een gek verhaal in- is dat een hoge heer met een karretje door de straten trekt, waarop veertien uilen.

 
Voor alle ramen en voor alle deuren
 
stonden de mensen verbaasd en star,
 
toen ze het wonder zagen gebeuren
 
dat daar een jonkheer liep te leuren
 
met veertien uilen op een kar.

Er ligt hoe je deze regels ook leest een fors accent op ‘jonkheer’, een wonder is het, hoe beschamend ook voor hem, is de verborgen boodschap. ‘Verbaasd en star’, dat klinkt tegenstrijdig met de volgende regels, vind ik:

 
Iedereen vond het een leuk idee,
 
maar om ze zelf te hebben? Nee!

Iedereen praat over die veertien uilen op een lat, maar niemand wil ze hebben, en dat is knap vervelend voor de jonkheer, want die wil ze ruilen voor ‘letterbanket’, ofschoon weer niet van harte. Want als een bakkertje die uilen wel wil inruilen voor een kilo fijn banket om er de mui-

[p. 5]

zen mee te bestrijden, keert de jonkheer met zijn kar terug naar zijn huis aan de Vecht, wel met een letter, maar zonder zijn uilen:

 
en hij moest even een klein beetje huilen:
 
hij was zo vreselijk aan ze gehecht.

Wim Bijmoer las de tekst oppervlakkig, mogelijk gefrappeerd door de knotse situatie die Schmidt opriep: we zien zijn jonkheer breed grijnzend van opzij en de veertien uilen stuk voor stuk, zeven elk op een eigen latje, zeven andere fladderend rond kar en jonkheer. Dat de jonkheer met zijn ruil een noodsprong maakt die hij liever achterwege had gelaten blijkt nergens. Wel worden wij als kijkers gedrongen in de rol van de mensen die de jonkheer voorbij zagen gaan en het gek en leuk vonden. Meer niet.

Peter Vos' tekening vind ik aangrijpend. De schlemiel die mij aankijkt bewerkt dat ik mij betrokken voel bij zijn lot. De veertien uilen, zitten dicht tegen elkaar aan, als een groepje veroordeelden dat zijn lot al heeft geaccepteerd. Ik herken in de tekening wat ik ervoer bij het lezen van het gedicht. Ook al eindigt Schmidt dat gedicht met:

 
En als je nu nog weten moet
 
wat of een bakker met uilen doet?
 
Tegen de muizen
 
tegen de muizen
 
tegen de muizen.
 
Is het zo goed?

het tragikomische slot ligt daarvóór, de rest is afronding in de sfeer waarin het gedicht begon. Dat hoort zo bij Schmidt.

Dat uitgever en dichter Vos verkozen boven Bijmoer is dan ook een verbetering van de samenhang tussen tekst en illustratie. Lesidee voor de basisvorming: gedicht laten lezen en illustratie laten kiezen ‘die het beste bij het gedicht aansluit’; met verantwoording. Leren ze van. (WdM)



illustratie